CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

Raadsvergadering 9 december 2021, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.022.627 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Stakeholder Afwegingen stakeholder Gemeente Neder-Betuwe Draagvlak, Leveringszekerheid, Uitlegbaarheid, Betaalbaarheid, Energiearmoede, 'Iedereen doet mee en profiteert mee', Omgevingsimpact, Meekoppelkansen (riool e.d.), Duurzaamheid (CO2-reductie), Geen politiek beladen warmteoplossing (geen weerstand), Streven naar woonlastenneutraal (niet-meer-dan-anders-principe) Particuliere woningeige- Woningwaarde, Investering, Wooncomfort, Gemak, Keuzevrijheid, Betaalbare woonlasten, naar Niet-meer-dan-anders-principe, Overlast, Gedwongen winkelnering, Esthetiek, Duidelijkheid, Handelingsperspectief Netbeheerder Liander Resterende economische levensduur gasnet, Geen drievoudige infrastructuur, Laag effect indien grondroeringsgevoelige leidingen, Meekoppelkansen (riool, water, etc.), Impact elektriciteitsnet (ruimtebeslag, planbaarheid, in 1x goed samen met PV en EV) Thius Kosteneffectief, Toekomstwaarde, Waardeontwikkeling, Betaalbare woonlasten/energielasten, Duidelijkheid, Duurzame oplossing (bron), Gespreide investeringen, Meekoppelkansen, Leveringszekerheid, Comfort, Overlast, Gebruikersgemak, Tijd om te handelen, Schaalgrootte, Beproefde technieken (beperkte risico's m.b.t. innovaties), Geen desinvesteringen (robuuste keuze)

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

27

5 Warmteoplossingen voor Neder-Betuwe In dit hoofdstuk volgt een keuze voor de best mogelijke warmteoplossingen voor Neder-Betuwe. Dit hoofdstuk begint evenwel met een bespreking van wat er nu al kan worden gedaan: namelijk isoleren.

5.1 Het belang van isolatie In de warmtetransitie wordt overgeschakeld van aardgasgestookte verwarming naar verwarming op basis van duurzame bronnen. Of dit nu warmtepompen met stroom van zon en wind zijn, of groen gas of warmte op basis van geothermie of aquathermie, het zijn allemaal schaarse bronnen. Daarom is een belangrijk onderdeel van de warmtetransitie het verlagen van de warmtevraag in de woningen door isolatie15. Als gevolg van goede isolatie wordt bovendien de effectiviteit van het in een woning aanwezige warmteafgiftesysteem (radiatoren, convectoren, vloer- of wandverwarming) hoger. Bij een goede isolatie van een woning moet men denken aan isolatie van vloer, gevel en dak, maar ook aan kierdichting en driedubbel glas. Daarbij moet gelet worden op de luchtverversing in de woning. Na isolatie is de ‘natuurlijke’ ventilatie immers een stuk minder. Hiervoor zijn systemen met warmteterugwinning beschikbaar.

Vormen van woningisolatie

De woningcorporaties hebben het afgelopen jaren al geïnvesteerd en isolatie in hun meerjarige strategische onderhoudsplannen staan. Voor de particuliere woningvoorraad (en die van commerciële verhuurders) is het een ander verhaal. Hier is nog een grote slag te slaan. Voor woningeigenaren ligt het voor de hand om de werkzaamheden voor het isoleren gelijktijdig te plannen met bijvoorbeeld een verbouwing of verhuizing. De aankoop van een nieuwe woning is daarbij vaak een natuurlijk moment voor een grondige verbouwing, en in 30 jaar (tot 2050) doet zich dat bij vrijwel elke woning wel een keer voor. Energie Samen Rivierenland heeft onderzocht in hoeverre de warmtevraag van Neder-Betuwe wordt verminderd als elke woning de komende 30 jaar één energielabel omhoog zou worden gebracht. Het blijkt dat daarmee al de helft van de warmtevraag (in de gebouwde omgeving) kan worden bespaard. Zie Bijlage 9 voor het onderzoek. 15 De warmtevraag kan verder ook worden verminderd door warmteterugwinning en lokale duurzame energietoepassin-

gen (bijv. zonneboilers).

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

28

Bij isoleren is het ook van belang om rekening te houden met de planning voor de wijk. Een woning isoleren is in alle gevallen een goede oplossing want het betekent immers direct besparen en meer comfort. En ook al komen er betere warmtepompen of komt er waterstof voor (historische) woningen, dan nog zorgt isolatie voor een lagere energierekening. De gemeente Neder-Betuwe beseft dat isolatie nog een grote uitdaging is voor de vele particuliere woningeigenaren. Daarom maakt ze samen met de andere gemeenten in Regio Rivierenland het Energieloket mogelijk. Hier kunnen woningeigenaren onafhankelijk advies krijgen over maatregelen, subsidiemogelijkheden en collectieve inkoopacties. Omdat woningen in een wijk of straat vaak van hetzelfde type en hetzelfde bouwjaar zijn, kan het handig zijn en is het verstandig om gezamenlijk met isolatie aan de slag te gaan. De gemeente moedigt dergelijke initiatieven aan en gaat na hoe ze die kan ondersteunen.

5.2 Onderzoek naar warmteoplossingen De verschillende Neder-Betuwse kernen/wijken hebben elk eigen kenmerken. Voor elke kern/wijk moet apart worden gekeken naar wat de meest geschikte denkrichting of mix van beste denkrichtingen is voor de oplossing van het warmtevraagstuk. Dit betekent ook dat er dus geen generiek antwoord mogelijk is voor het warmtevraagstuk voor de gemeente als geheel. Voor de technische benadering heeft de gemeente aan Energie Samen Rivierenland (ESR) gevraagd een verkennend onderzoek naar warmteoplossingen uit te voeren. ESR heeft hiervoor drie benaderingen gekozen: 1. Analyse met behulp van de Startanalysetool PBL. 2. Analyse aan de hand van combinaties van toepassingen. 3. Analyse van een door de gemeente aangeleverde dataset per wijk. De uitwerkingen van deze drie technische benaderingen door ESR zijn opgenomen in Bijlage 10.

5.3 Conclusies De voorkeursscenario’s en alternatieven per wijk zijn in de navolgende tabel samengevoegd. Ook zijn de kansen op collectieve oplossingen, de daarbij toepasbare technieken en de in paragraaf 3.2 besproken adoptiegraad opgenomen.

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

29

Kern/wijk

1 1a 1b 2 2a 2b

Kesteren Verspreide huizen Kesteren Verspreide huizen Lede en Oudewaard Opheusden Verspreide huizen Opheusden Verspreide huizen poldergebied

3 3a 3b

Echteld Verspreide huizen Echteld Verspreide huizen Echteld-Waalbandijk

4 4a

IJzendoorn Verspreide huizen IJzendoorn

5 5a

Ochten Verspreide huizen Ochten Pottemsestraat en Groenestraat en omgeving

5b 6a 6b

Kom Dodewaard met Hien Kom Wely Verspreide huizen Dodewaard-Oost en 6c Wely 6d Verspreide huizen Dodewaard-West Eindtotaal

Uitkomst Startanalyse PBL

Eerste keus volgens ESR

Tweede keus volgens ESR

Kans Adopop tiecolgraad lectief

1978

Individueel

Hybride

Warmtenet LT

matig

-

B B C E D C C D E

1996 1993 1975 1954 1959 1972 1967 1956 1950

Individueel Warmtenet LT Individueel Individueel Groen gas

Hybride Individueel Individueel Individueel Individueel

Warmtenet LT Hybride Warmtenet LT Hybride Hybride

matig klein klein klein klein

+ ± -

Groen gas Groen gas Groen gas

Individueel Individueel Individueel

Hybride Hybride Hybride

303

C

1974

Groen gas

Warmtenet LT

Individueel

-

56

E

1946

Groen gas

Individueel

1.595

C

1978

Groen gas

Individueel

Hybride Warmtenet LT

klein klein klein redelijk klein

168

D

1958

Warmtenet LT

Individueel

Hybride

klein

44

F

1925

Groen gas

Individueel

Hybride

klein

1.567 1.262 53

C C D

1970 1975 1956

Groen gas Groen gas

Individueel Individueel

Warmtenet LT Hybride

matig klein

90

E

1943

Groen gas

Individueel

Hybride

klein

162 8.174

E C

1950 1974

Groen gas

Individueel

Hybride

klein

Aantal

Label (gem)

Bouwj aar (gem)

4.052

C

1978

1.611

C

345 106 1.843 113 34 2.555 211 150 28

klein

Gegevens gebaseerd op peiljaar 2019 Er is een grote verspreiding van huizen in de gemeente Neder-Betuwe en er is veel diversiteit in bouwjaar en energielabel. Hierdoor zijn er, behoudens in IJzendoorn, vrijwel geen collectieve oplossingen te vinden. Als gevolg van de grote diversiteit zullen individuele oplossingen bovendien bijna altijd maatwerk zijn. Het wachten is echt op innovatieve oplossingen voor buitengebieden en kleine dorpskernen zonder (beschikbare) warmtebronnen. De Startanalysetool van PBL geeft weinig uitkomst voor dit soort situaties en elke kern/wijk zal daarom afzonderlijk moeten worden bekeken. Ook een prioritering op draagvlakkansen maakt weinig verschil uit, gezien de verwachte lage adoptiegraad. Het is nu nog niet mogelijk de fasering van de aardgasreductie in Neder-Betuwe aan te geven. De volgende grafiek geeft een beeld van doelstellingen per 2030, 2040 en 2050.

Doelstellingen bij de fasering van aardgas reductie Neder-Betuwe

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

30

+ -

+ --

-

6 Hoe gaan we het aanpakken? 6.1 Strategische aanpak De resultaten uit het onderzoek in hoofdstuk 5 leiden voor de gemeente Neder-Betuwe tot de volgende aanpak: 1. Gemeentebreed robuust inzetten op het beperken van de warmtevraag, door:  Isoleren en energie besparen De eerste stap is om vooral in te zetten op energie besparen en de isolatie van woningen, waardoor de warmvraag daalt. De stimulering van isoleren en besparen zal langjarig moeten plaatsvinden.  Het benutten van ‘natuurlijke momenten’ en koersen op ‘aardgasvrij-ready’ Belangrijk is om in stappen te denken. Uiteindelijk zullen er voor veel woningen in NederBetuwe individuele oplossingen komen. Bewoners dienen nu vooral te worden aangezet om bij isolatie en vervanging van ketels en dergelijke ‘natuurlijke momenten’ zoals verhuizing, renovatie en vervanging (levensduur van een cv-ketel is circa 20 jaar) aan te wenden en om dan vooral zogenaamde ‘no-regretmaatregelen’ te nemen. Dat houdt in investeren in technieken die met zekerheid ook kunnen worden aangewend in een latere fase van de transitie, zoals (individuele) hybride warmtepompen. Dus koersen op ‘aardgasvrij-gereed’. 2. Mogelijk een warmtenet en micro-warmtenetten  Warmtenet in IJzendoorn? IJzendoorn heeft een bijzondere kans op een warmtenet gebaseerd op aquathermie. Mogelijk kan hier worden samengewerkt met een lokale firma.

Dit dient verder te worden onderzocht.  Micro-warmtenetten Lokaal kan het optimaal zijn om micro-warmtenetten te ontwikkelen. Dit zijn ‘stand-alone-oplossingen’ die voor 5 tot 10 woningen een gezamenlijke bron of energiecentrale gebruiken. Vaak zal dit neerkomen op een WKO met als bijkomend voordeel dat naast warmte in de winter ‘voor hetzelfde geld’ koelte in de zomer wordt geleverd.

6.2 Aanpak Beperking Warmtevraag Aangezien isoleren en energie besparen als de belangrijkste oplossingsrichting wordt gezien, zet de gemeente vooral hier op in. Nu al worden huiseigenaren op allerlei manieren opgeroepen tot, en bijgestaan bij, het isoleren van hun woning. Dit is echter nog niet genoeg. Er dient aanvullend een langjarige en proactieve ‘Aanpak Beperking Warmtevraag’ te worden ontwikkeld waarin er ook aandacht is voor investeringen op ‘natuurlijke momenten’ gebaseerd op ‘no regret’. De kern van deze aanpak moet steeds vier componenten bevatten: 1. Denken vanuit de huiseigenaar (welke keuzes maakt die, wanneer?). 2. Focussen op het weghalen van belemmeringen die mensen ervan weerhouden om stappen te zetten. Dus waar mogelijk ontzorgen, want ‘niemand zit hier op te wachten’. 3. Nastreven dat iedere huiseigenaar maximale duidelijkheid omtrent de financiële gevolgen verkrijgt/ kan verkrijgen (‘wie betaalt wat?’).

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

31

4. Helder maken dat het perspectief aantrekkelijk is: isoleren is een investering die zich na verloop van tijd terugverdient, bovendien zijn er ook opbrengsten, zoals een lagere maandelijkse energierekening en verhoging van het wooncomfort en de marktwaarde van de woning. En – het belangrijkste – duurzame energie maakt de wereld uiteindelijk mooier en is voor iedereen goedkoper16. In aansluiting op de eerder ingezette koers, zal de gemeente zich de eerste jaren vooral richten op particuliere woningeigenaren om zodoende een groep van voorlopers te krijgen. Op termijn kunnen de pijlen dan meer worden gericht op grotere doelgroepen om vervolgens te kunnen komen tot een meer buurtgerichte benadering. De Aanpak Beperking Warmtevraag kent verschillende onderling samenhangende programma’s: 

Een gemeentebreed informatie- en ondersteuningsoffensief De gemeente wil particuliere eigenaren proactief gaan benaderen (“we willen met je praten”). Inwoners moeten actief worden geïnformeerd over alle financieringsmogelijkheden, zoals de subsidies voor isolatiemaatregelen, de diverse stimuleringsmaatregelen en duurzaamheidsleningen. Ook heeft de gemeente middelen als duurzaamheidsleningen beschikbaar. Het ondersteuningsgedeelte kan door het inmiddels bij inwoners bekende Energieloket worden geleverd. Zie voor wat betreft het communicatiegedeelte paragraaf 6.2. Proactieve benadering bij ‘natuurlijke momenten’ De gemeente gaat onderzoeken in hoeverre ze op eigen initiatief bij de aankoop van een woning of bij een vergunningsaanvraag van een verbouwing met de (toekomstig) eigenaar in contact kan treden om gezamenlijk na te gaan welke warmteoplossingen, isolatie- en bespaarmogelijkheden er zijn. Ook wil de gemeente dit onderwerp met makelaars en notarissen bespreken. Maatwerk per kern/wijk (waaronder micro-warmtenetten) De gemeente zal verder (laten) onderzoeken welke warmteoplossingen, isolatie- en bespaarmogelijkheden er voor verschillende woningen uit verschillende tijdsperiodes het meest effectief kunnen worden ingezet.

Belangrijk daarbij is dat altijd wordt overwogen of een maatregel zonder spijt en zonder dat in een later stadium opnieuw kosten moeten worden gemaakt, kan worden uitgevoerd. Ook moet worden nagegaan in hoeverre er kan worden aangesloten bij (renovatie)plannen van Thius. Een voorbeeld van een maatwerkoplossing is een micro-warmtenet. Onderzoeken hoeven overigens niet per se per kern/wijk te geschieden, ook kunnen gelijksoortige woningen uit meerdere wijken worden onderzocht. Ook kan per wijk een isolatiecampagne worden opgestart. Maatwerkadviestool (pilotproject) De gemeente wil gaan onderzoeken of in een buurt waar dat kansrijk wordt geacht een pilotproject kan worden gestart met een maatwerkadviestool. Inzet van zo’n tool kan woningeigenaren wellicht ontzorgen en hen van een meerjarig advies voorzien dat specifiek is voor de woning én specifiek voor de eigenaar. De tool geeft maatwerkadviezen op woningniveau, maar kan ook businesscases van collectieve warmtevoorzieningen doorrekenen.

16 Macro-economisch zijn de kosten van niets doen, resulterend in overstromingen, onleefbare gebieden, branden en mi-

gratiestromen, immers veel hoger dan de kosten voor te nemen maatregelen. Maar denk bijvoorbeeld ook aan de verbeterde luchtkwaliteit: 80% van de luchtverontreiniging wordt veroorzaakt door fossiele brandstoffen, waardoor wereldwijd jaarlijks 8,8 miljoen mensen voortijdig sterven (bron: Europees Milieu Agentschap).

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

32

Maatwerkadviestool

Aanpak bij mogelijk (micro-)warmtenet Waar een (micro)warmtenet mogelijk lijkt is een doordachte aanpak essentieel. Eerst dienen (technische) haalbaarheidsstudies duidelijkheid te verschaffen. Resultaat hieruit moet zijn dat duidelijk is of er een aanvaardbare businesscase voor een (micro)warmtenet mogelijk is. Businesscases voor warmtenetten kunnen in het begin nog een onrendabele top kennen. Het is aan de gemeente, marktpartijen én bewoners om in gezamenlijkheid de transitie naar een warmtenet betaalbaar te krijgen. Waar er initiatieven van bewoners ontstaan zal de gemeente deze faciliteren.

6.3 Communicatie Voor de Aanpak Beperking Warmtevraag wordt er een communicatieplan ontwikkeld. De in paragraaf 6.1 genoemde vier uitgangspunten bij het benaderen van de woningeigenaren zijn cruciaal. In Bijlage 11 zijn ook nog andere uitgangspunten voor dit communicatieplan opgenomen. Voor veel bewoners dient de communicatie te beginnen met bewustwording. Waarom moeten we van het aardgas af? Ook het bieden van handelingsperspectief is voor de communicatie naar bewoners belangrijk. Wat wordt er van mij verwacht? Wat kan ik zelf doen? Waar vind ik betrouwbare informatie? Om een beter beeld van de verschillende bewonerstypes (huurders, eigenaren, ouderen, jongeren etc.) te verkrijgen gaan we voor een doelgroepgerichte benadering. Waar er haalbaarheidsstudies naar warmtenetten gedaan gaan worden zijn proactieve communicatie en een doordachte participatieaanpak al vanaf het eerste begin wezenlijk. Dat geldt vanzelfsprekend ook wanneer een warmtenet na zo’n onderzoek kansen biedt.

6.4 Wijkuitvoeringsplannen De exacte aanpak van een wijk kan worden vastgelegd in een wijkuitvoeringsplan. Per kern/wijk zal er maatwerk geleverd worden. Zodra er een wijkuitvoeringsplan is, biedt dat voordelen. Eigenaren weten waar ze aan toe zijn en kunnen daar hun eigen investeringen op afstemmen. Een wijkuitvoeringsplan kan zijn gericht op individuele oplossingen en op collectieve. Als duidelijk is dat er in een wijk een hoge-temperatuurwarmtenet komt, hoeven woningeigenaren minder vergaand te isoleren. Tegelijkertijd is het ook zo dat een warmtenet mogelijk pas haalbaar is als (bijna) de hele wijk meedoet. Als veel van de wijkbewoners dan al zijn overgestapt op een warmtepomp, kan de aanleg van

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

33

een warmtenet voor de hele wijk duurder uitvallen. Het is dus wenselijk om tijdig helderheid te bieden over de komst van een warmtenet. In deze fase is het overigens ook van belang dat (lokale) aannemers en installatiebedrijven worden aangehaakt om op termijn de wijze waarop de transitie kan plaatsvinden in concrete uitvoeringsprojecten te kunnen aanbieden.

6.5 Gemeentelijke uitvoeringsorganisatie Het aardgasvrij maken van Neder-Betuwe zal een proces worden van leren en bijsturen. Tegelijkertijd wil de gemeente ook vaart maken. De gemeente zal de voorgestelde technische haalbaarheidsstudies in gang zetten en daarnaast in afstemming met de voornaamste stakeholders en met inachtneming van de geformuleerde uitgangspunten de Aanpak Beperking Warmtevraag opstellen. De Aanpak Beperking Warmtevraag moet in praktijk worden gebracht en de eerste wijkuitvoeringsplannen moeten worden opgesteld. De gemeente wil in dit proces nadrukkelijk gezamenlijk met de belangrijkste stakeholders blijven optrekken, zowel op bestuurlijk als op uitvoeringsniveau. Monitoring en actualisatie van de aanpak zal jaarlijks plaatsvinden. De uitvoeringslasten voor de gemeente zullen door dit alles aanzienlijk stijgen. De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft onlangs becijferd dat voor de regie op de warmtetransitie de personele formatie van gemeenten aanzienlijk moet toenemen. Het Rijk dient deze uitvoeringslasten uiteindelijk te dekken. Een andere randvoorwaarde is dat de gemeente, om de regierol waar te kunnen maken, moet beschikken over de juiste bevoegdheden. Enkele wettelijke instrumenten om de warmtetransitie te reguleren zijn nog niet beschikbaar. Momenteel kan de gemeente zogenaamde ‘gasklevers’ bijvoorbeeld nog niet dwingen hun gasaansluiting op te zeggen.

Tot slot: om de warmtetransitie te laten slagen is er de komende decennia een verandering in mindset van de bevolking nodig. Het moge duidelijk zijn dat de gemeente dit niet in haar eentje voor elkaar zal kunnen krijgen. Daaraan zullen overige overheden en vele andere partijen in de samenleving ook dienen bij te dragen.

6.6 Tijdsplanning vervolg van het proces Het vervolg van het proces wat met deze transitievisie een aanvang neemt, ziet er vanaf 2022 als volgt uit:     

Begin 2022: De gemeente stelt een Uitvoeringsprogramma, met een communicatieplan en een operationeel plan op met ook een vervolgplanning: Uitwerken van de Aanpak Beperking Warmtevraag; Medio 2022: Beginnen met uitvoering van de Aanpak Beperking Warmtevraag. Medio 2023: Indien mogelijk beginnen met opstellen van eerste wijkuitvoeringsplannen mede op basis van de eerste resultaten van de Aanpak Beperking Warmtevraag. Uiterlijk 2026: Vaststellen van een vernieuwde versie van de transitievisie.

Samen bereiden we ons voor op wonen zonder aardgas. Stap voor stap op weg.

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0

34

BIJLAGEN

Transitievisie Warmte Bijlagen

35

Bijlage 1: Indicatie van te nemen isolatiemaatregelen Mogelijke isolatiemaatregelen Jonge woningen (vanaf 1992):  No regret: o Isolatiecontrole en kierdichting. o Plaatsen van zonnepanelen. o Plaatsen van hybride warmtepomp. o Koken op inductie.  Op natuurlijk moment: o Glas naar HR**-glas als dit nog niet het geval is. o Afgiftesysteem aanpassen naar lage-temperatuur. o Plaatsen van warmtepomp. Na-oorlogse woningen (1945-1992):  No regret: o Plaatsen van zonnepanelen. o Controle isolatiegraad en mogelijkheden tot na-isoleren. o Kierdichting. o Koken op inductie.  Op natuurlijk moment: o Plaatsen van hybride warmtepomp. o Glas naar HR**-glas, eventueel kozijnen vervangen. o Isolatiemaatregelen uitvoeren. o Afgiftesysteem aanpassen naar volledig lage-temperatuur.  Als schil17 en afgiftesysteem zijn aangepast: o Plaatsen van warmtepomp. Vooroorlogse woningen (vóór 1945) Dit zijn de moeilijkste woningen. Er zijn niet altijd mogelijkheden om te isoleren, en het gaat vaak om woningen die gevoelsmatig of officieel tot beschermd stadsgezicht behoren.  No regret: o Plaatsen van zonnepanelen (waar mogelijk). o Controle isolatiegraad en mogelijkheden tot na-isoleren. o Kierdichting. o Koken op inductie.  Op natuurlijk moment: o Glas naar HR**-glas, eventueel kozijnen vervangen (waar mogelijk). o Isolatiemaatregelen uitvoeren. o Plaatsen van hybride warmtepomp.

 Als schil is aangepast: o Implementatie van afgiftesysteem en verwarmingstechniek zonder aardgas die past bij de kwaliteit van de schil (meerdere opties mogelijk, eventueel niet volledig lage-temperatuur). Utiliteit18 De aanpak voor utiliteitsbouw lijkt sterk op de maatregelen voor woningbouw (ook gecategoriseerd naar bouwjaar). Bij nieuwere utiliteitsbouw is het waarschijnlijker dat de schil van enige kwaliteit is en dat er luchtbehandeling aanwezig is. Dit maakt de transitie eenvoudiger. Er is echter veel variatie hierin en de utiliteitsbouw is divers.  No regret: o Plaatsen van zonnepanelen. o Controle isolatiegraad en mogelijkheden tot na-isoleren. o Kierdichting. o Verwarmingsbatterij in luchtbehandelingskast naar lage temperatuur brengen waar mogelijk.  Op natuurlijk moment: o Plaatsen van hybride warmtepomp. o Glas naar HR**-glas, eventueel kozijnen vervangen. o Isolatiemaatregelen uitvoeren. o Afgiftesysteem aanpassen naar volledig lage temperatuur. o Warmteterugwinning implementeren in de luchtbehandelingskast waar mogelijk.  Als schil en afgiftesysteem zijn aangepast: o Plaatsen van warmtepomp.

17 De schil van een woning bestaat uit: gevel, dak, glas en vloer.

18 Utiliteit: alle bouwwerken die geen woonbestemming hebben.

Transitievisie Warmte Bijlagen

36

Bijlage 2: Kosten van de warmtetransitie in Neder-Betuwe De kosten voor de warmtetransitie bestaan voor woningen uit de volgende onderdelen:   

Kosten voor aanpassingen om een woning transitie-gereed te maken. Denk aan isoleren, ventileren, kierdichting, elektrisch koken en/of het vervangen van radiatoren. Kosten voor aanpassingen in de energie-infrastructuur. Kosten voor vervanging van de aardgasketel door een alternatieve warmtevoorziening.

Dit lijkt een overzichtelijk geheel, echter dat is schijn. Er zijn namelijk drie redenen waarom de hoogte van al deze kosten nog uitermate onzeker is: 1. De kosten voor het aanpassen van een woning zijn in zeer sterke mate afhankelijk van de (bestaande) isolatiegraad van de woning. 2. De kosten voor veel technologieën (zoals warmtenetten, warmtepompen, isolatie en ventilatie) zullen naar verwachting als gevolg van schaalvergroting en innovatie dalen. 3. Alle kosten zijn sterk afhankelijk zijn van enerzijds marktontwikkelingen en anderzijds de schaalgrootte waarmee wordt aanbesteed (zo zijn bijvoorbeeld voor een individuele huiseigenaar de kosten per woning hoger dan voor een woningcorporatie). Hieronder gaan we in op de genoemde drie typen kosten. De kosten zijn steeds berekend als een gemiddelde per woning, gebaseerd op de totale kosten voor alle woningen in Neder-Betuwe. Deze kosten zeggen dus niets over specifieke woningen. Alle bedragen zijn inclusief BTW en liggen op het prijspeil 2021. Kosten voor het transitie-gereed maken van een woning De investeringskosten voor een basisniveau isolatie (minimaal energielabel B), waarbij vloer, gevel en dak worden geïsoleerd, kieren worden gedicht, mechanische ventilatie wordt toegevoegd en een inductiekookplaat wordt geïnstalleerd, bedragen gemiddeld € 8.000 tot € 14.000 per woning.

De woningen kunnen dan verwarmd worden met een temperatuur tussen de 55 en 70 °C en hebben een gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van tussen de 50 en 60 kWh/m2. De investering in vergaande isolatie en lage-temperatuurverwarming (35 tot 55 °C), is veel hoger. Vaak moeten dan de bestaande kozijnen en radiatoren vervangen worden. Of er moet ook een zeer energiezuinig ventilatiesysteem met balansventilatie geïnstalleerd worden. In een aantal gevallen moet zelfs een compleet nieuw dak en/of buitengevel worden gemaakt. De kosten bedragen dan gemiddeld € 20.000 tot € 33.000 per woning. De woningen hebben dan een lagere warmtevraag voor ruimteverwarming van gemiddeld tussen de 30 en 40 kWh/m2. Welk deel is terug te verdienen? Isoleren kan voor woningeigenaren een slimme investering zijn. Het leidt tot een lagere energierekening en een hoger comfort. Maar niet alle isolatiemaatregelen verdienen zich terug. Hoe meer een huis al geïsoleerd is en hoe lager dus de gasrekening, hoe lastiger het wordt om rendabele maatregelen te treffen. Het deel van de investering dat niet wordt terugverdiend heet de ‘onrendabele top’. Voor de basisniveau-maatregelen ligt deze onrendabele top gemiddeld tussen € 4.000 en € 7.000 per woning als we de baten ten gevolge van de lagere energierekening meenemen.

Als uitgangspunt is daarbij genomen een (gebouwgebonden19) financiering over een looptijd van 30 jaar met 1,5% netto

19 Zie hierover paragraaf 6.2.3.

Transitievisie Warmte Bijlagen

37

rente. Als de maatregelen, zoals wordt verwacht, resulteren in een hogere woningwaarde en als zonnepanelen worden meegenomen in het maatregelenpakket zijn de basisniveau-maatregelen gemiddeld voor de eigenaar-bewoner in Neder-Betuwe mogelijk kostenneutraal. Voor verhuurders geldt dit vaak niet omdat de huur meestal niet of maar heel beperkt verhoogd kan worden na de genomen maatregelen. De onrendabele top bij vergaand isoleren is veel hoger. Deze ligt in Neder-Betuwe tussen de € 12.000 tot € 20.000 per woning. Omdat vergaand isoleren nu nog niet beter wordt gewaardeerd in de woningwaarde leidt dit voor het grootste deel van de woningvoorraad tot ongewenste kosten (zoals gezegd: verwacht wordt dat dit gaat veranderen). Zowel voor basisniveau-maatregelen als voor vergaande isolatie geldt dat de onrendabele top kleiner wordt op het moment dat de aardgasprijs stijgt (wat ook gebeurt als er meer energiebelasting op aardgas wordt geheven). Overigens is het de verwachting dat isoleren wél veel meer invloed gaat krijgen op de woningwaarde. Maatregel

Kosten

Rendabele deel (terug te verdienen)

Onrendabele top

Maximale isolatie binnen de bestaande schil

€ 8.000 tot € 14.000

€ 4.000 tot € 7.000

€ 4.000 tot € 7.000

Vergaande isolatie

€ 20.000 tot € 33.000

€ 8.000 tot € 13.000

€ 12.000 tot € 20.000

Onrendabele top bij verschillende niveaus van woningisolatie in Neder-Betuwe (gemiddeld per woning)

Kosten voor het aanpassen van de energie-infrastructuur De kosten voor het aanpassen van de infrastructuur zijn afhankelijk van het gekozen scenario. Om een beeld te krijgen, werken we in het onderstaande twee extreme scenario’s uit. De praktijk zal altijd een combinatie van beide scenario’s worden. 

Scenario 1. Alleen individuele oplossingen (all-electric) In het geval van een verzwaard elektriciteitsnet worden de kosten voor het verzwaren van het net nu nog betaald door alle gebruikers in Nederland, omdat deze kosten zijn gesocialiseerd. In de toekomst zal dit wellicht veranderen zodat deze kosten meer verhaald kunnen worden bij de specifieke gebruikers in een wijk met een verzwaard net. Dit kan door een aansluitbijdrage op het moment dat het net wordt verzwaard en door het verhogen van het jaarlijks vastrecht, afhankelijk van het extra elektrisch vermogen dat een woning vraagt door de overstap naar elektrisch verwarmen met bijvoorbeeld een warmtepomp in combinatie met elektrisch koken en elektrische auto’s. Hoe deze kosten op woningniveau gaan uitpakken voor Neder-Betuwe is daarom zeer lastig te bepalen. Scenario 2. Alleen collectieve oplossingen (warmtenet) De kosten voor de infrastructuur van een warmtenet bestaan uit de aanleg van de warmteleidingen door de wijk, de aansluiting op de warmtebron en het aansluiten van de woning inclusief het plaatsen van een afleverset. Aangezien ook de kosten voor het vervangen van gasnetten zijn gesocialiseerd, is het maatschappelijk van belang om de voor een warmtenet benodigde grondwerkzaamheden af te stemmen met vervanging van riolering of waterleidingen of andere ondergrondse infra.

Al deze kosten gezamenlijk kunnen sterk per wijk verschillen en zijn voor een groot deel afhankelijk van het type bebouwing en de dichtheid van de bebouwing. Gemiddeld liggen deze investeringen tussen de € 8.000 en € 15.000 euro per woning.

Transitievisie Warmte Bijlagen

38

Scenario

Kosten

Alleen individuele oplossingen (all-electric)

PM

Alleen collectieve oplossingen (warmtenet)

€ 8.000 tot € 15.000

Kosten voor aanpassen van infra bij individuele versus collectieve oplossingen (gemiddeld per woning)

Om enigszins een vergelijking tussen beide scenario’s mogelijk te maken, hebben we in de volgende paragraaf de kosten voor het aanpassen van de infrastructuur voor beide scenario’s op € 8.000 tot € 15.000 euro per woning gezet, met de kanttekening dat dit bedrag met name voor het individuele scenario (all-electric), waarvoor aanpassing van het elektriciteitsnet is benodigd, in feite nog niet valt vast te stellen. Kosten voor het vervangen van de aardgasketel door een alternatieve warmtevoorziening Ook dit type kosten presenteren we in de gekozen scenario’s. 

Scenario 1. Alleen individuele oplossingen (all-electric) De kosten voor de benodigde installaties voor overstap naar all-electric verwarmen liggen gemiddeld tussen de € 8.000 tot € 16.000 per woning. Scenario 2. Alleen collectieve oplossingen (warmtenet) In het geval van een warmtenet worden de kosten voor de aanleg van de infrastructuur gefinancierd door: o Het langjarig verkopen van warmte aan de gebruiker middels het te betalen vastrecht en een bijdrage per gebruikte Gigajoule warmte, waarbij uitgegaan wordt van gelijkblijvende tarieven ten opzichte van aardgas (conform de huidige wetgeving in de Warmtewet (het ‘Niet-meer-dan-anders-principe’)); o De bijdrage in aansluitkosten (BAK) die vastgoedeigenaren betalen op het moment dat een gebouw of woning wordt aangesloten op het warmtenet. Om bestaande woningen in Neder-Betuwe op een warmtenet aan te sluiten, zal de BAK gemiddeld tussen de € 6.000 tot € 11.000 per woning liggen. Voor nieuwbouw ligt de BAK vaak lager op circa € 5.000.

Totale kosten van de warmtetransitie Hieronder is globaal uitgerekend wat het kost om Neder-Betuwe aardgasvrij te maken, waar we naar alle drie de type kosten kijken: kosten voor het transitiegereed maken van de woning, het installeren van het alternatief voor aardgas en de aanleg van een nieuwe energie-infrastructuur. Dit is voor beide scenario’s gedaan. Scenario

Kosten

Rendabele deel (terug te verdienen)

Onrendabele top

Alleen individuele oplossingen (all-electric)

€ 24.000 tot € 45.000

€ 12.000 tot € 23.000

€ 12.000 tot € 22.000

Alleen collectieve oplossingen (warmtenet)

€ 21.000 tot € 37.000

€ 11.000 tot € 19.000

€ 10.000 tot € 18.000

Totale kosten van warmtetransitie bij individuele versus collectieve oplossingen (gemiddeld per woning)

Scenario 1. Alleen individuele oplossingen (all-electric) Als in Neder-Betuwe alle bestaande woningen met een individuele oplossing aardgasvrij worden verwarmd (all-electric), worden de totale kosten van de warmtetransitie geraamd op € 24.000 tot € 45.000 per woning, hiervan is € 12.000 tot € 22.000 onrendabel. Dit zijn dus kosten voor het aanpassen van de woning (het pakket aan basisniveau-maatregelen), het Transitievisie Warmte Bijlagen

39

verzwaren van het elektriciteitsnet en het geheel vernieuwen van de verwarmingsinstallatie. In totaal komt dit neer op een bedrag van tussen de € 196 en € 368 miljoen voor alle woningen (8.174) in Neder-Betuwe samen. Scenario 2. Alleen collectieve oplossingen (warmtenet) De totale kosten voor de warmtetransitie als alle woningen in Neder-Betuwe op een collectieve warmtevoorziening zouden kunnen worden aangesloten, inclusief basisniveaumaatregelen, ramen we op gemiddeld € 21.000 tot € 37.000 per woning, hiervan is € 10.000 tot € 18.000 onrendabel. Ook als een hogere woningwaarde en zonnepanelen worden meegenomen is deze investering voor de eigenaar-gebruiker in Neder-Betuwe niet rendabel te maken. In totaal komt dit neer op een bedrag van tussen de € 172 en € 302 miljoen voor alle woningen (8.174) in Neder-Betuwe samen.

De bandbreedte van totale kosten voor woningaanpassing ligt als we beide scenario’s in ogenschouw nemen dus tussen de € 21.000 en € 45.000 per woning. Dat komt overeen met het onlangs door het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) becijferde gemiddelde van € 40.000 per (Nederlandse) woning. Voor beide scenario’s geldt dat het niet de verwachting is dat vastgoedeigenaren in staat zijn en/of bereid zijn om zoveel geld te investeren in de woningen, omdat een groot deel van deze investering niet rendabel is.

Transitievisie Warmte Bijlagen

40

Bijlage 3: Financiering van de warmtetransitie De warmtetransitie vraagt investeringen voor woningisolatie, energie-infrastructuur en de aanleg van nieuwe warmtebronnen. De totale financieringsopgave nu nog niet te maken, want die is afhankelijk van de daadwerkelijk te treffen maatregelen en de staat van de woningen. Zeker is in ieder geval dat het gaat om grote bedragen. Deze investeringen zullen moeten worden verdeeld over publieke partijen, private partijen en bewoners. Financiering door publieke partijen De gemeente Neder-Betuwe zal zelf kosten gaan maken en moeten investeren om de transitie mogelijk te maken. Er zal een (jaarlijkse) begroting voor de warmtetransitie moeten komen waarin geld wordt gereserveerd en budget wordt vrijgemaakt. In een breder kader (gehele programma duurzaamheid) wordt onderzocht wat de mogelijkheden hiervoor zijn. Eén ding is evenwel duidelijk: de gemeente Neder-Betuwe zal de last van de warmtetransitie niet alleen kunnen dragen. De Rijks- en provinciale overheid zullen mee moeten gaan investeren. Mogelijk dat de Rijksoverheid iets wil gaan doen aan de scheve verhouding in energiebelastingheffing tussen huishoudens en industriële grootverbruikers. Die laatste categorie betaalt per kWh maar liefst 168 keer minder energiebelasting, nog los van allerlei andere vrijstellingen.

Als de overheid besluit de energiebelasting voor industrieën te verhogen zou ze de extra belastingopbrengsten kunnen aanwenden voor het verduurzamen van woningen. Uiteindelijk is dat natuurlijk een politiek besluit. Vermeldenswaard in dit verband is ook dat de provincie Gelderland onlangs het Perspectieffonds heeft opgericht dat onder andere is gericht op projecten om de energietransitie te realiseren. In dit fonds komt € 200 miljoen beschikbaar. Financiering door private partijen Het Rijk biedt private partijen verschillende subsidies om de onrendabele top af te dekken. Ondernemers kunnen bij het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) of bij de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) een stimuleringslening respectievelijk een duurzaamheidslening aangaan. Voor woningcorporaties, institutionele beleggers en particuliere verhuurders zijn er de Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH) en de Renovatieversneller om corporatiebezit innovatief te verduurzamen. En voor bedrijven en (non-)profitinstellingen die hernieuwbare energie (gaan) produceren of CO₂reducerende technieken toepassen is er de SDE++-regeling. Financiering door bewoners Om draagvlak voor de warmtetransitie te krijgen is betaalbaarheid voor bewoners het belangrijkste criterium.

De gemeente staat voor een inclusieve energietransitie, het moet voor alle bewoners (met een grote en kleine portemonnee) mogelijk zijn om de investeringen naar aardgasvrij te maken. Dat houdt in dat bewoners geen (meer)kosten zouden moeten maken, maar dat ze investeren in de waarde van hun woning. De volgende instrumenten staan hiervoor momenteel ter beschikking.   

Bewoners kunnen meedoen in het kiezen voor de warmteoplossing met de laagste integrale kosten, die oplossing kan collectief of individueel zijn. Subsidies voor isolatiemaatregelen of de aanschaf van installaties (ISDE, SEEH). Lening van het Nationaal Warmtefonds om energiezuinige maatregelen te treffen.

Transitievisie Warmte Bijlagen

41

Gebouwgebonden financiering.20 Dit is een bijzondere lening die gekoppeld is aan een woning. Het voordeel is dat bij de verkoop van de woning deze lening overgaat naar de nieuwe bewoner. Op deze manier worden de kosten voor de aanpassingen niet alleen over de tijd verdeeld, maar worden kosten en baten evenredig overgedragen naar de nieuwe eigenaren van de woning bij verhuizing. Het principe van gebouwgebonden financiering is dat een woningeigenaar een bedrag kan lenen dat gekoppeld is aan de verwachte daling van de energielasten van de woning. Deze constructie pakt woonlastenneutraal uit als de jaarlijkse kosten van de lening (rente en aflossing) gelijk zijn aan de daling van de energielasten. Geschat wordt dat ruwweg de helft van alle koopwoningeigenaren in aanmerking komt voor deze vorm van financiering. Voor hen is de investering in duurzame warmte namelijk woonlastenneutraal. Gebouwgebonden financiering is een maatregel uit het Klimaatakkoord. De wetgeving die hiervoor nodig is in onderzoek. Groene hypotheek(verlenging) (GHV). Dit instrument is gericht op woningeigenaren voor wie de warmtetransitie niet woonlastenneutraal uitpakt, maar die voldoende ruimte tussen hun maximale hypotheek (85% van het maximum) en hun huidige hypotheekschuld hebben om de verduurzaming van hun woning mee te financieren.

Door verlenging van de looptijd van de hypotheek wordt het ‘vermogen in stenen’ ontsloten en worden de woonlasten verlaagd. Deze financieringsoptie is een optie voor ruwweg een derde van de koopwoningen. De woningcomfortregeling. Na een investering in duurzaamheidsmaatregelen is de woning verbeterd en dus meer waard. Deze stijging in waarde kan worden voorgeschoten door de overheid/externe financiers. Bij verkoop van de woning draagt de verkoper een afgesproken percentage van de verkoopprijs af (gemaximaliseerd op de investeringskosten). In de periode dat de woning niet verkocht wordt, betaalt de woningeigenaar rente over de financiering. De verwachting is dat weinig woningeneigenaren van deze optie gebruik maken, omdat het merendeel (schatting: 85%) al van de voornoemde regelingen gebruik kan maken. Publieke verduurzamingslening. Er resteert een groep woningeigenaren die nog steeds geen gebruik kunnen maken van voornoemde regelingen. Daarvoor is dit laatste instrument in ontwikkeling. De publieke verduurzamingslening is te vergelijken met de studiefinanciering. De overheid biedt een lening ter hoogte van de kosten van de verduurzaming van de woning. De aflossing van deze lening is alleen van toepassing als het inkomen dit toelaat. Als het inkomen van de woningeigenaar onvoldoende toeneemt, wordt de lening omgezet in een gift. Nationaal Isolatie Programma.

Dit programma is door de minister aangekondigd. Momenteel wordt hier door het Rijk op gestudeerd.

Onderstaand is het overzicht overgenomen uit de brief van de minister van BZK d.d. 12-01-2021. Het geeft de bestaande regelingen voor het verduurzamen van woningen weer.

20 Gebouwgebonden financiering, GHV, woningcomfortregeling en publieke verduurzamingsregeling zijn overgenomen uit

‘De financiële gevolgen van de warmtetransitie’, Ecorys, februari 2019.

Transitievisie Warmte Bijlagen

42

Naam Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE) Stimulering Aardgasvrije koopwoningen Salderingsregeling zonnepanelen

Type Subsidie

Doelgroep Eigenaar-bewoners, VvE’s, zakelijke gebruikers

Subsidie

Eigenaar-bewoners, VvE’s

Fiscaal21

Eigenaar-bewoners, VvE’s en (ver) huurders

Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH) Nationaal energiebesparingsfonds (NEF)// Warmtefonds

Subsidie

Regeling Reductie Energieverbruik (RRE) Subsidieregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH) Stimuleringsregeling Energieprestatie Huursector (STEP) Regeling Vermindering Verhuurderheffing (RVV) Subsidieregeling Rennovatieversneller

Maatregelen (Kleine) warmtepompen, zonneboilers, isolatie (vanaf 2021). +/- 20% van totale kosten. Tegemoetkoming kosten aansluiting warmtenet bestaande woningen. Zonnepanelen

Budget in € 1.100 mln. t/m 2030

Begroting EZK

Uitvoering RVO https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/isde

25 mln. in 2021

BZK/EZK

RVO

2.600 mln. t/m 2030

EZK

Eigenaar-bewoners, VvE’s

Isolatie. +/- 20% van totale kosten.

138,7 mln. t/m 2023

BZK

Energieleveranciers en Belastingdienst https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/04/26/ salderingsregeling-verlengd-tot-2023 RVO https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/seeh

Financiering

Eigenaar-bewoners, VvE’s

Isolatie en warmte-opties (100%); zonnepanelen (max 75%). Max. EUR 25.000 per woning; 15/30 jaar.

900 mln. tot 2030

BZK

Diversen (vouchers, etc.) Subsidie

Eigenaar-bewoners, (ver)huurders (2021)

Kleine maatregelen, zoals inregelen van de cv-installatie, radiatorfolie, tochtstrips, ledlampen; isolatieadvies. Aansluiting bestaande huurwoningen op warmtenetten.

243 mln. in 20202021

BZK

200 mln. in 20202023

BZK

Subsidie

Verhuurders, onder de liberalisatiegrens

Diverse maatregelen gericht op het verbeteren van energieprestatie22. € 1.500-9.500 per woning.

156,4 mln. 20202022 (plafond al bereikt)

BZK

Fiscaal

Verhuurders, onder de liberalisatiegrens.

Ca. 1.000 mln. t/m 2030

BZK

RVO https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/rvv

Subsidie

Verhuurders, eigenaar-bewoners (gespikkeld bezit), VvE’s

Diverse maatregelen gericht op het verbeteren van energieprestatie. EUR 2.500- 10.000 per woning. Projecten die zorgen voor opschaling van en continue vraag naar integrale energierenovaties. Innovatieve methoden worden gestimuleerd.

130 mln.23 t/m 2025

BZK

RVO https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/ renovatieversneller

Verhuurders

NEF en SVn https://www.rvo.nl/onderwerpen/innovatief-ondernemen/ innovatiefinanciering/toolbox-financieringsconstructies/zoek-op-constructies/fondsen/nationaal-warmtefonds Gemeenten, via specifieke uitkering https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/rre RVO https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/ stimuleringsregeling-aardgasvrije-huurwoningen-sah-voor-verhuurders RVO https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/ stimuleringsregeling-energieprestatie-huursector-step

21 Het tegen elkaar wegstrepen van op het net ingevoede elektriciteit en de eigen afname op dezelfde kleinverbruikaansluiting. Voor invoeding meer dan het jaarverbruik is wettelijk verplicht

dat de leverancier een redelijke terugleververgoeding betaalt. 22 De hoogte van de STEP-subsidie en RVV-heffingsvermindering is gebaseerd op de verbetering in de energieprestaties van een huurwoning. Dit gebeurt door het vergelijken van het niveau vóór de renovatie en ná de renovatie. In de meeste gevallen zijn minimaal 3 stappen verbetering in de Energie-Index vereist. In bepaalde gevallen zijn twee stappen ook voldoende. 23 Waarvan € 30 mln. voor het ondersteuningsprogramma om verhuurders en marktpartijen te helpen bij het bundelen van vraag en aanbod.

Transitievisie Warmte Bijlagen

43

Bijlage 4: Wijze van aardgasgebruik Aardgas wordt sinds de jaren ‘50 in Nederland gebruikt voor verschillende (ook industriële) toepassingen. Voor particulier (en zakelijk) gebruik worden drie toepassingen onderscheiden: 

Verwarming Het verwarmen van ruimtes en huizen omvat zo’n 75% van het aardgasverbruik. Dit gebeurt door in een verbrandingsketel water te verwarmen door aardgas te verbranden. Dit warme water wordt vervolgens rondgepompt door de verblijven naar afgiftesystemen. Typische bedrijfstemperaturen van verwarmingssystemen zijn 75 tot 85ᵒC. Voor vloerverwarming en convectiesystemen kan dit ook lager zijn, 25 tot 35ᵒC. In Nederland wordt afhankelijk van de isolatiegraad gemiddeld tussen 4 tot 8 maanden per jaar verwarming gevraagd. Meestal wordt er een deellast gevraagd, wat resulteert in slechts 1.200 vollasturen van een installatie. Dit betekent dat het maximum (piek)vermogen maar een enkele dag per 10 jaar wordt gevraagd en dat de installatie dus eigenlijk erg groot wordt uitgevoerd. Dit alles is conform de eisen van het bouwbesluit. Koken Hierbij wordt aardgas verbrand om eten te koken of bakken op of in een fornuis. Dit omvat circa 5% van het aardgasverbruik. In het vervolg wordt verder niet stilgestaan bij deze vorm van gasverbruik. Aardgasloze oplossingen zijn elektrische fornuizen en ovens of systemen met andere beschikbare warmtebronnen. Gezien de omvang zou ook een gastank een (tijdelijke) oplossing kunnen zijn. Warm tapwater Hierbij wordt aardgas verbrand om warm water te maken voor huishoudelijk gebruik.

Dit omvat, afhankelijk van isolatie en type verwarming, zo’n 10 tot 25% van het aardgasverbruik. Dit gebeurt meestal in een deel van het verwarmingssysteem. We gaan niet uitgebreid in op vervanging van systemen om warm tapwater te leveren. In de praktijk zal er nog steeds een koppeling met het verwarmingssysteem gemaakt worden, vaak in combinatie met een klein extra warmtepompje of een elektrische verwarming. Van belang is wel dat het systeem legionellabesmettingen voorkomt.

Bijlage 5: Systeemschalen Collectieve systemen Collectieve warmte bestaat uit een verbonden keten van een duurzame warmtebron, een warmtenet en een huisaansluiting met een afleverset. Een warmtenet is een netwerk van ondergrondse leidingen waardoor warm water naar woningen en andere gebouwen wordt gebracht. Deze gebouwen krijgen een afleverset, de installatie die nodig is om het warme water vanuit het warmtenet veilig naar de binneninstallatie te brengen voor ruimteverwarming en eventueel warm-tapwaterbereiding. Nadat het water z’n warmte heeft afgegeven, stroomt het afgekoelde water via een retourleiding weer terug naar de warmtebron om daar opnieuw opgewarmd te worden. Een warmtenet kan worden uitgevoerd in drie opties; met een hoge-, een midden- of een lage-temperatuurbron. Het warme water dat het warmtenet instroomt kan afkomstig zijn van diverse warmtebronnen. Afvalcentrales en energiecentrales leveren water op hoge temperatuur, net als een geothermiebron of een biomassacentrale. Restwarmte die overblijft van andere industriële processen heeft meestal een lagere temperatuur. Dat geldt ook voor water dat via een warmte- en koudeopslaginstallatie (WKO) uit de bodem wordt gehaald of restwarmte die uit oppervlaktewater wordt gehaald. Er zijn meerdere opties om lage-temperatuurbronwarmte geschikt te maken voor een hoge-temperatuur verwarmingssysteem.

Zo is de temperatuur omhoog te brengen met een grote elektrische kern/wijkwarmtepomp of met individuele elektrische warmtepompen. Op die manier stroomt er toch water van minimaal 70 °C de woningen binnen. Een dergelijk systeem is dan geschikt voor woningen met een redelijke isolatie. Een andere optie is om de woning zeer goed te isoleren en de radiatoren zodanig aan te passen dat water op een lage temperatuur (rond 50 °C) volstaat. De temperatuur van het water is dus bepalend voor de eisen aan een woning. Als het om een warmtenet op basis van lage temperatuur gaat, is er voor het water om te douchen een aanvullende oplossing nodig. Voor een warmtenet is het belangrijk dat de bron in de kern/wijk van het gebouw aanwezig is. Wanneer de afstand te groot is, zijn er te lange leidingen nodig met hoge kosten en grote warmteverliezen. Ook dienen voldoende afnemers te worden aangesloten op het netwerk. Voor gebieden met een lage bebouwingsdichtheid zijn warmtenetten relatief duur en daarom minder geschikt. Een aandachtspunt is dat het overstappen van gas naar warmte tijdelijk tot een dubbele infrastructuur leidt, omdat het warmtenet er moet liggen voordat de ketel kan worden verwijderd en de woning op warmte aangesloten. Semi-collectieve systemen Semi-collectieve systemen zijn systemen die een halfproduct naar de afnemer brengen.

Dit kan bijvoorbeeld een bronwaternet zijn (koud of lauw). De afnemer moet daar zelf met een eigen individuele warmtepomp warmte op de gewenste temperatuur van maken. Voordeel hierbij is dat makkelijker aan individuele eisen kan worden voldaan en dat bijvoorbeeld hoge investeringen in bodem- of grondwaterbronnen of aquathermiesystemen toch gedeeld kunnen worden. Individuele systemen Individuele systemen zijn systemen die voor één of twee woningen worden toegepast. Dit kan een individuele warmtepomp zijn met een eigen lucht- of bodembron. Hiervoor moet het elektriciteitsnet geschikt zijn. Het kan ook een ketel of gaswarmtepomp op hernieuwbaar gas zijn. Hiervoor dient het gasnet instandgehouden te worden en moet er een leverancier van groen gas zijn.

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0 Bijlagen

45

Bijlage 6: Overzicht van technieken Zonnethermie Bij zonnethermie wordt zonlicht en/of zonnewarmte opgenomen in collectoren (panelen met water) of buizensystemen. De systemen bevatten meestal buffervaten om een voorraad warmte op te slaan, omdat er ook behoefte is aan warmte als de zon niet schijnt. Een voordeel is dat deze techniek al flink is doorontwikkeld en dat er al veel ervaring mee is opgedaan. Hierdoor zijn de kosten bij individuele toepassing vaak relatief gunstig. De aanpassingen binnen de woning aan de afgiftesystemen zijn verschillend en moeten individueel bekeken worden. Een nadeel is dat het systeem veel meer ruimte vraagt dan een cv-ketel. Aquathermie Aquathermie is thermische energie die aan water onttrokken kan worden en warmtenetten kan voorzien van warmte. Er zijn drie varianten:   

Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO); Thermische energie uit afvalwater (TEA) van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI); Thermische energie uit drinkwater (TED).

TED, TEO en TEA zijn vooral een optie voor geïsoleerde gebouwen die met lage- (50ᵒC) of middentemperatuur- (70ᵒC) systemen verwarmd worden. Het is een alternatief dat met name interessant is voor nieuwbouw en (grondige) renovaties in de nabijheid van open wateroppervlaktes zoals kanalen, meren en rivieren of een RWZI of drinkwaterstation.

TEO, TEA en TED (Bron: districtheatingantwerpen.be)

Een groot voordeel van aquathermiesystemen is dat de ruimtelijke impact beperkt blijft. Daarnaast heeft TEO als extra voordeel dat het vaak een positieve invloed heeft op de omgeving. Door warmte te winnen en koude terug te brengen in het oppervlaktewater, kan TEO bijdragen aan verkoeling en Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0 Bijlagen

46

het verminderen van hittestress24. Koeler oppervlaktewater kan ook zorgen voor een betere waterkwaliteit omdat (blauw)algen minder snel tot ontwikkeling komen. Ook zorgen TEO-systemen voor extra doorstroming en beluchting van het oppervlaktewater. Dat is direct van invloed op de flora en fauna in het water. Oppervlaktewater kan in de zomer te warm worden terwijl die warmte juist in de winter nodig is. Die warmte kan worden opgeslagen in een WKO-bron. Een nadeel van aquathermie is dat er een relatief grote installatie in de woning of kern/wijkwarmtecentrale nodig is en dat er mogelijk milieubeïnvloeding kan plaatsvinden. Dit laatste zal altijd eerst onderzocht moeten worden. Geothermie Deze techniek maakt gebruik van diepe warmtelagen in de aarde. Tussen de 500 meter en 6 km diepte kan door een boorgat warm water opgepompt worden dat na het onttrekken van warmte weer op een andere plek in de grond wordt geïnjecteerd. Afhankelijk van de diepte kunnen verschillende temperaturen bereikt worden. Bij temperaturen waarbij ook stoom gemaakt kan worden kan ook elektriciteit opgewekt worden. In Nederland is dit nog niet haalbaar gebleken. Het voordeel van dit systeem is dat temperaturen van boven de 75 °C mogelijk zijn en dat er dus binnen de woning weinig behoeft te worden aangepast.

Grootste nadeel zijn de hoge kosten van een boring en het hoge risico dat een boring niet in één keer goed gaat. Hierdoor is het vaak alleen maar mogelijk om deze techniek voor grotere collectieve systemen (meer dan 5.000 woningen) te gebruiken. WKO-bron WKO staat voor warmte- en koudeopslag en is gebaseerd op het idee om ’s winters koude op te slaan om in de zomer te gebruiken en ’s zomers warmte op te slaan om in de winter te gebruiken. Het is dus een seizoensbuffer waarin warmte en koude in een ondergrondse aquifer25 worden opgeslagen. Het systeem bestaat uit twee grondwaterbronnen die zo’n 30 tot 250 meter diep kunnen zijn. In de zomer wordt de koude bron van ongeveer 8 °C opgewarmd tot ongeveer 15 °C, bijvoorbeeld door warmte te onttrekken aan het oppervlaktewater of door het koelen van gebouwen. Deze warmte is in de winter te gebruiken als basis voor verwarming, waarna het afgekoeld tot zo’n 8 °C in de koude bron wordt geïnjecteerd. WKO’s worden efficiënter en beter toepasbaar door ze te combineren met een warmtepomp. Temperaturen van het water zijn dan beter te garanderen en kunnen ook hoger zijn. Het is dan ook mogelijk om temperaturen tot 70ᵒC te bereiken. Deze systemen kunnen ook geschikt zijn voor het leveren van warm tapwater. De warmtepomp en -bronnen zijn samen een flinke investering.

Er wordt echter flink minder energie gebruikt; tot 75% ten opzichte van een cv-ketel. Voordeel is ook dat er niet alleen warmte, maar ook zeer goedkope en duurzame koude geleverd kan worden (tot 90% goedkoper dan traditionele airconditioning). Bijkomend voordeel van het koudeverbruik is dat er dan extra warmte wordt geladen.

24 Hittestress ontstaat doordat wegen en gebouwen in hoge dichtheden veel zonnewarmte absorberen en deze warmte

weer afstaan aan de lucht. Als er geen open water of groen is, waar verdamping plaatsvindt, stijgt op warme dagen de temperatuur in de gebouwde omgeving tot een niveau dat schadelijk is voor mens en dier. 25 Een aquifer is een watervoerende laag in de ondergrond (bijvoorbeeld zand).

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0 Bijlagen

47

WKO-bron (bron: Wageningen University & Research)

All-electric In een all-electricwoning geschiedt zowel de ruimteverwarming als de bereiding van warm tapwater én het koken elektrisch. Koken vindt plaats met een keramische kookplaat of een inductiekookplaat. Verwarming gebeurt met een individuele elektrische warmtepomp, infra-roodpanelen of elektrische vloerverwarming. All-electric is vaak geschikt voor individuele en semi-collectieve systemen. Ook zijn all-electrictechnieken vaak in aanvulling op collectieve systemen te gebruiken. Door de sterke groei zijn deze technieken soms al betaalbaar en toepasbaar en zullen andere dat binnen enkele jaren zijn. Overigens moet de woning wel al een zeer goede isolatie hebben. 

Elektrische warmtepomp Een warmtepomp is een warmtebron met een zeer hoge efficiëntie. Er komt 3 tot 5 keer zoveel warmte uit als er aan elektriciteit ingaat. De installatie haalt de warmte uit lucht, bodem of grondwater om daarmee een woning te verwarmen en van warm tapwater te voorzien. Warmtepompen die gebruik maken van lucht als warmtebron heten lucht-waterwarmtepompen. Dit type warmtepompen heeft een soort airco die warmte uit de lucht van buiten opneemt en deze afgeeft aan de verwarming. Een bodem-waterwarmtepomp haalt warmte uit de bodem van 50 tot 150 meter diepte. De aanleg van zo’n warmtepomp is ingrijpender en duurder dan bij een lucht-waterwarmtepomp, omdat hier voor de aanleg grondboringen nodig zijn. Bodem-waterwarmtepompen hebben echter een hogere efficiëntie (gebruiken minder elektriciteit) en maken minder geluid. Warmtepompen gebruiken elektriciteit. Grootschalige toepassing van individuele elektrische warmtepompen kunnen ertoe leiden dat aanpassingen nodig zijn in het elektriciteitsnetwerk, zoals extra transformatorhuisjes en verzwaringen van de leidingen. Het kan ook zijn dat het net toch al verzwaard moet worden voor zonnepanelen. Een nadeel van grootschalige toepassing van lucht-waterwarmtepompen in een wijk vormt de mogelijke geluidsoverlast van de apparaten. Warmtepompsystemen hebben ook de mogelijkheid om te koelen.

De laatste jaren neemt de vraag naar koeling in woningen toe. Met de koelmogelijkheid van de warmtepomp kan aan deze vraag worden voldaan (de vraag zou zelfs versneld kunnen toenemen). Als je een bodemwarmtesysteem hebt waarmee je koelt verlaagt dat systeem de hittestress in de gebouwde omgeving.

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0 Bijlagen

48

Infraroodpanelen Voor hoofdverwarming zijn individuele elektrische warmtepompen in de meeste gevallen meer geschikt dan infrarood(IR)-panelen, omdat ze minder elektriciteit gebruiken. Voor specifieke situaties zoals incidentele verwarming van woningen die zeer goed zijn geïsoleerd (passiefbouw), kunnen infraroodpanelen een goede oplossing zijn. Een IR-paneel als bijverwarming kan het energieverbruik van de hoofdverwarming verminderen. IR-panelen werken anders dan ‘gewone’ verwarming die de lucht in de hele ruimte verwarmt (convectieverwarming). IR-panelen geven stralingswarmte af naar een bepaalde plek in de kamer. Zit men in de stralingswarmte dan voelt dat comfortabel, ook al is de luchttemperatuur eromheen lager. Maar als je bij het warmtepaneel wegloopt, is de warmte ook weg. IR-panelen werken op stroom en doen dat slimmer dan vroeger. Een ouderwets elektrisch straalkacheltje in de badkamer had een spiraal die roodgloeiend heet werd. IR-panelen worden minder heet, tussen de 60 en 200 °C. Ze hebben geen spiraal, maar een vlakke plaat die warm wordt. Daardoor heb je een groter stralingsoppervlak aan de voorkant. De achterkant van het paneel is geïsoleerd en verliest daardoor weinig warmte.

Restwarmte Restwarmte behelst het zeer efficiënt en nuttig gebruiken van bestaande warmtestromen. Deze kunnen uit verschillende bronnen uit de industrie of industriële processen komen. Ook laagwaardige warmte kan succesvol gebruikt worden. In combinatie met een warmtepomp kan uit die stroom hoogwaardige warmte worden gewonnen. Er zijn vier belangrijke criteria die afgewogen moeten voor het gebruik van restwarmte. 1. Het moet een relevante bijdrage leveren; er moet voldoende restwarmte zijn, met name in de winter. 2. Er moet een leveringsgarantie zijn; wat gebeurt er als de restwarmte wegvalt en waardoor kan dat gebeuren? 3. De restwarmte moet van voldoende en continue kwaliteit zijn. 4. De restwarmtebron en de warmtevragers moeten dicht bij elkaar gesitueerd zijn waarbij de woningdichtheid (of andere gebruikers) relatief hoog is. Hernieuwbaar gas Hernieuwbaar gas kan zijn: biogas, groen gas (dat is biogas opgewerkt naar aardgaskwaliteit) of waterstof. Groen gas en waterstof kunnen (eventueel na aanpassingen) via het bestaande aardgasnet gedistribueerd worden. Waterstof is zoals het er nu naar uitziet tot 2030 niet inzetbaar in de gebouwde omgeving (uitgezonderd enkele pilots). Momenteel is hernieuwbaar gas beperkt beschikbaar. Naast de verwarming in de gebouwde omgeving zullen er ook andere sectoren hernieuwbaar gas willen hebben (transport, industrie).

Hierdoor lijkt deze warmteoplossing op dit moment alleen geschikt voor wijken waar andere mogelijkheden niet zijn toe te passen of erg duur zijn. Vanwege de schaarste van hernieuwbaar gas dient in deze oplossing de warmtevraag eerst te worden beperkt door isolatiemaatregelen. 

Biogas en groen gas Biogas wordt geproduceerd uit onder meer slib, afval van stortplaatsen, tuinafval, resten groente en fruit, en dierlijke restproducten zoals koeienmest. Biogas kan worden gezuiverd en gedroogd en op dezelfde kwaliteit als aardgas worden gebracht. Na deze bewerkingen heet het dan groen gas en mogen netbeheerders het vervoeren (biogas mag niet op het net). Er is hiervoor dus geen nieuwe (gas)infrastructuur nodig. Daarmee is het een duurzaam alternatief voor fossiel aardgas geworden. Omdat dit groene gas dezelfde eigenschappen heeft als aardgas, is het ook niet nodig apparaten aan te passen.

Transitievisie Warmte Neder-Betuwe 1.0 Bijlagen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10771050/1