Bijlage - Toelichting
Tekst van het document
Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van de meeste woningen minder dan 65 dB(A). De aanbevolen grenswaarden behorende bij een rustige woonwijk stap 2 uit de VNG publicatie wordt met 5 dB overschreden bij één woning (Kalkestraat 91). De grenswaarden van stap 3 uit de VNG publicatie worden wel gerespecteerd. De overschrijding is niet van dien aard dat hiermee het woon- en leefklimaat bij deze woning nadelig wordt beïnvloed.
Er wordt ten aanzien van de maximale geluidniveaus voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
Indirecte hinder:
De geluidbijdrage vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt bedraagt ter plaatse van woningen beduidend minder dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Volgens de Circulaire indirecte hinder is er dan geen hinder te verwachten vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt.
Uit de rekenresultaten en toetsing blijkt dat de voorgenomen activiteiten niet resulteren in een aantasting van het woon- en leefklimaat bij de geluidgevoelige objecten. Ook blijkt dat het bedrijf kan voldoen aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit. 4.3.5
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.4
Bedrijven en Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
23
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid.
Tabel 4.6: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit. 4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Tabel 4.7: Bedrijfsactiviteit met opgenomen richtafstanden Een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak van 500 m² of meer wordt volgens de richtlijn VNG beoordeeld op een categorie 3.1 bedrijf. De bedrijfsoppervlakte omvat alle activiteiten die horen tot de bedrijfsvoering, inclusief buitenopslag op het perceel. Het bedrijfsoppervlak omvat daarmee circa. 1.600 m². Op basis van de richtlijnentabel zijn voor het hoveniersbedrijf de volgende richtafstanden opgenomen: voor het aspect ‘geur’ 30 meter, voor het aspect ‘stof’ 10 meter en voor het aspect ‘geluid’ 50 meter. De gewenste afstand tussen de bedrijfsactiviteit (hoveniersbedrijf) en omliggende woningen wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functies (wonen) zich bevinden. Conform de VNGpublicatie worden daarbij omgevingstypen onderscheiden die zijn gebaseerd op functiescheiding: rustige woonwijk en rustig buitengebied en gebieden die zijn gebaseerd op functiemenging: gemengd gebied. Ondanks dat het plangebied gelegen is langs de hoofdinfrastructuur, lint bebouwing in het buitengebied, is sprake van het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig. In onderstaande tabel zijn de adressen en maximaal toegestane milieucategorieën van de aanwezige bedrijven en inrichtingen weergegeven. Adres
Inrichting
Kalkestraat 74 Kalkestraat 76 Waalbandijk 12
Bed & Breakfast Rundveehouderij Administratiekantoor
Toelaatbare milieucategorie 1 3.2 1
Richtafstand 10 m 100 m 10 m
Feitelijke afstand 110 m 150 m 130 m
Tabel 4.8: Overzicht relevante bedrijvigheid 24
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
Met het planvoornemen wordt de bestemming ‘Wonen’ gewijzigd naar ‘Bedrijf – Buitengebied gebonden’. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de bedrijvigheid in de nabije omgeving van het plangebied in beeld gebracht. In de nabije omgeving van het plangebied is naast een Bed & Breakfast, een rundveehouderij en een administratiekantoor geen ander bedrijf aanwezig. Enkel een aantal andere woningen. De gewenste afstand tussen de bedrijfsactiviteit (hoveniersbedrijf) en omliggende woningen wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functies (wonen) zich bevinden. Volgens de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering dient bij exploitatie van het hoveniersbedrijf, uitgaande van een rustig woongebied een richtafstand van 50 meter te worden aangehouden. Naast de (eigen) woning aan de Kalkestraat 91 zijn nog drie andere woningen gelegen binnen 50 meter tot de grens van de bedrijfsactiviteiten, namelijk: Kalkestraat 72a, Kalkestraat 72 en Kalkestraat 89. Doordat niet aan de richtafstanden kan worden voldaan, is het uitvoeren van een geluidsonderzoek noodzakelijk. Het Bureau TecMap uit Eersel heeft daartoe op 18 februari 2020 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluiduitstraling van de activiteiten op het perceel.
TecMap concludeert het volgende: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van woningen minder dan 45 dB(A) etmaalwaarde. Er wordt voldaan aan stap 2 uit de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering. Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van de meeste woningen minder dan 65 dB(A). De aanbevolen grenswaarden behorende bij een rustige woonwijk stap 2 uit de VNG publicatie wordt met 5 dB overschreden bij één woning (Kalkestraat 91). De grenswaarden van stap 3 uit de VNG publicatie worden wel gerespecteerd. De overschrijding is niet van dien aard dat hiermee het woon- en leefklimaat bij deze woning nadelig wordt beïnvloed. Er wordt ten aanzien van de maximale geluidniveaus voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. De geluidbijdrage vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt bedraagt ter plaatse van woningen beduidend minder dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Volgens de Circulaire indirecte hinder is er dan geen hinder te verwachten vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt. Uit bovenstaande blijkt dat de voorgenomen activiteiten niet resulteren in een aantasting van het woonen leefklimaat bij de geluidgevoelige objecten. Ook blijkt dat het bedrijf kan voldoen aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit. Het volledige geluidsrapport is als bijlage 3 toegevoegd.
Het dichtstbij gelegen (agrarische) bedrijf bevindt zich op het perceel Kalkestraat nummer 76. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. De maximale richtafstand bedraagt voor een rundveehouderijbedrijf 100 meter. De kortste afstand tussen de bedrijfspercelen Kalkestraat 76 en 91 bedraagt circa 105 meter. Aan de richtafstand kan worden voldaan. Hinderaspect ‘geur’ De richtafstand voor het aspect geur bedraagt circa 30 meter. Ten aanzien van het bedrijfsgebouw worden de richtafstanden behaald, ten aanzien van de activiteiten die buiten plaatsvinden op het bedrijfsperceel worden de richtafstanden niet behaald. De daadwerkelijke afstand vanaf het bedrijfsperceel Kalkestraat 91 tot aan de gevel van de woning Kalkestraat 72 bedraagt 29 meter. De afstand van het bedrijfsperceel tot aan de gevel van de woning Kalkestraat 89 bedraagt 31 meter. De afstand tot aan de woning Kalkestraat 91 (eigen woning) bedraagt 15 meter. Aan de richtafstanden die horen bij het aspect ‘geur’, kan ten aanzien van de woningen Kalkestraat 72 en 91 niet worden voldaan. Desondanks kan gezien de specifieke bedrijfsomstandigheden van het hoveniersbedrijf toch in een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Hierbij is het volgende van belang:
Op het perceel vindt geen compostering van tuinmateriaal of tuinafval plaats dat mogelijk zou kunnen leiden tot geuroverlast; Het hoveniersbedrijf heeft geen eigen kwekerij waarbij geurbepalende bomen/planten of struiken worden gekweekt; Er wordt op het perceel niet gewerkt met stationair draaiende aggregaten of motoren; Voor het grootste deel wordt het benodigde materiaal op werklocatie bij de klant bezorgt, wanneer dit onmogelijk is wordt het door cliënt zelf opgehaald en op locatie bezorgt;
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
25
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
De locatie Kalkestraat 91 vormt geen depot voor opslag van grondstoffen of materialen; Bovendien is het perceel afgesloten met een metershoge, dichte coniferenhaag dat met name geluid, stof en geur absorbeert.
Hinderaspect ‘gevaar’ De richtafstand voor het aspect ‘gevaar’ bedraagt 10 meter. Voor alle woningen rondom het perceel kan aan deze richtafstand worden voldaan. De afstand tot de dichtstbij gelegen woning (Kalkestraat 91, eigen woning) bedraagt circa 15 meter. Op het perceel vindt geen opslag plaats van brandbaar materiaal, bijv. hout. De opslag van bestrijdingsmiddelen is tot een minimum beperkt, doordat vanuit landelijke wetgeving het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet meer is toegestaan. Er is geen sprake van LPG opslag, kortom het aspect ‘gevaar’ staat de planontwikkeling niet in de weg. Hinderaspect ‘stof’ De richtafstand behorend bij het aspect ‘stof’ bedraagt 10 meter. Zoals in het voorgaande hinderaspect beschreven kan aan deze richtafstand worden voldaan. De volgroeide coniferenhaag als landschappelijke inpassing rondom het perceel zorgt ervoor, dat mocht reeds sprake zijn van stofverplaatsing, dit middels de haag wordt afgevangen. In geval van periode van langdurige droogte zou het eventueel mogelijk zijn, dat bij het stallen / opladen van het materieel, aanklevend zand verstuift. Dit zal door de haag worden opgenomen. De enige woning die hier last van zou kunnen ondervinden is de woning in het plangebied aan de Kalkestraat 91 zelf. In dat uitzonderlijke geval, zal het verharde terrein worden natgehouden.
Het witgoed/was wordt echter nog steeds buiten opgehangen, wanneer sprake zou zijn van stofoverlast zal dit het eerste zijn waaraan dat zal worden bemerkt. Kortom ook dit aspect staat de plantontwikkeling niet in de weg. Resumé Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ staat de beoogde planontwikkeling niet in de weg. Ter plaatse van de omliggende woningen kan als gevolg van de inpassing van het hoveniersbedrijf nog steeds een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. De omliggende bedrijven worden door inpassing niet onevenredig gehinderd in hun bedrijfsontwikkelings-mogelijkheden, bovendien voorziet voorliggend plan niet in toevoeging van een nieuw gevoelig object. Duiding woning Kalkestraat 91 De woning aan de Kalkestraat 91 wordt bewoond door de eigenaar van het hoveniersbedrijf. Planologisch bezien dient deze woning te worden beschouwd als reguliere woning, dus niet zijnde de bedrijfswoning. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is het bedrijfsperceel inclusief het bedrijfsgebouw voorzien van de bedrijfsbestemming en de woning is voorzien van woonbestemming. Voor toetsing van de milieuaspecten van het in te passen hoveniersbedrijf is de woning Kalkestraat 91 beschouwd als reguliere woning die geen onderdeel vormt van de inrichting. 4.4.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: 26
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.
In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.5.2
Onderzoek
Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Voor kleine ontwikkelingen is een specifieke rekentool ontwikkeld waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van een project dat 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1 leidt de voorgenomen ontwikkeling tot 18 extra motorvoertuigbewegingen in de worse case situatie op een gemiddelde weekdag. Uit de berekeningen met de NIBM-rekentool (zie afbeelding 4.1) blijkt dat de toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
18
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 4.1: Berekening NIBM-tool
Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
27
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
Afbeelding 4.2: NSL-monitoringstool (plangebied met ster gemarkeerd) In afbeelding 4.2 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2020. De rekenpunten liggen op circa 2 kilometer ten noorden en circa 3,7 kilometer ten zuiden van het plangebied. Uit de afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO 2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 (gegevens 2020) ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 μg/m3. De concentratie PM10 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse minder dan 18 μg/m3. De concentratie NO2 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse gelegen tussen de 15 en 20 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. 4.5.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
28
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:
voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
diercategorieën Rgv
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
max. 3 ouE/m³
max. 2 ouE/m³
andere diercategorieën min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object
min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
max. 8 ouE/m³
max. 14 ouE/m³
andere diercategorieën min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:
de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.
Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geurgebiedsvisie gemeente Neder-Betuwe Op 15 september 2011 heeft de gemeenteraad de geurverordening en bijbehorende geurgebiedsvisie vastgesteld. Doelstelling van deze visie is het opstellen van een gemeentedekkend gebiedsgericht geurbeleid voor de gemeente Neder-Betuwe gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij, waarin een afweging is gemaakt tussen geurbelasting en geurbeleving. De gebiedsvisie brengt de geurknelpunten in beeld en geeft de mogelijkheid om maatwerk te leveren in de (nog te bepalen) bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
29
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
deelgebieden. Met geurknelpunten worden situaties bedoeld waarbij de geurcontouren van agrarische bedrijven rond een bouwblok over geurgevoelige objecten reiken als zijnde voor grondwaarde, of een situatie waarbij verschillende agrarische bedrijven gezamenlijk een niet acceptabel hinderpercentage leveren als zijnde achtergrondwaarde. 4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
De richtafstand voor het aspect geur bedraagt ca. 30 meter. Ten aanzien van het bedrijfsgebouw worden de richtafstanden behaald, ten aanzien van de activiteiten die buiten plaatsvinden op het bedrijfsperceel worden de richtafstanden niet behaald. De daadwerkelijke afstand vanaf het bedrijfsperceel Kalkestraat 91 tot aan de gevel van de woning Kalkestraat 72 bedraagt 29 meter. De afstand van het bedrijfsperceel tot aan de gevel van de woning Kalkestraat 89 bedraagt 31 meter. De afstand tot aan de woning Kalkestraat 91 (eigen woning) bedraagt 15 meter. Aan de richtafstanden die horen bij het aspect ‘geur’, kan ten aanzien van de woningen Kalkestraat 72 en 91 niet worden voldaan. Desondanks kan gezien de specifieke bedrijfsomstandigheden van het hoveniersbedrijf toch in een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Hierbij is het volgende van belang:
Op het perceel vindt geen compostering van tuinmateriaal of tuinafval plaats dat mogelijk zou kunnen leiden tot geuroverlast; Het hoveniersbedrijf heeft geen eigen kwekerij waarbij geurbepalende bomen/planten of struiken worden gekweekt; Er wordt op het perceel niet gewerkt met stationair draaiende aggregaten of motoren; Voor het grootste deel wordt het benodigde materiaal op werklocatie bij de klant bezorgt, wanneer dit onmogelijk is wordt het door cliënt zelf opgehaald en op locatie bezorgt; De locatie Kalkestraat 91 vormt geen depot voor opslag van grondstoffen of materialen. Bovendien is het perceel afgesloten met een metershoge, dichte coniferenhaag dat met name geluid, stof en geur absorbeert.
Rond het plangebied bevinden zich meerdere veehouderijen, maar vanwege de beperkte dieromvang in relatie tot de afstand tot het plangebied kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van enige belemmeringen voor deze omliggende veehouderijen. Het hoveniersbedrijf zelf stoot geen geur uit en zorgt dus niet voor mogelijke geurhinder. 4.6.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. 30
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant.
De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter).
Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: I. Bestrijden rampscenario II. Inrichting van het gebied om bestrijding te faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden in geval van een incident, zijn dus de opkomsttijd, de bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid van belang. Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
31
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1. de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht; 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's; 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's; 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit. 4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Middels de provinciale risicokaart is geïnventariseerd welke risicobronnen en transportroutes er in en in de nabijheid van het plangebied liggen. In de onderstaande uitsnede van de risicokaart wordt de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 4.3: Uitsnede Risicokaart Nederland Risicovolle inrichtingen Het plan voorziet niet in het oprichten van risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Het hoveniersbedrijf betreft zelf geen risicobron en kan ook geen zeer kwetsbaar gebouw worden. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid alleen relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de Waal. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). 32
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 26 januari 2021 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid. 4.7.3
Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland; Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
33
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten.
Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit : De T=10+10% neerslag.
Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m 3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen. Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m 2 voor het buitengebied.
Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt. Gemeentelijk Rioleringsplan Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor komende jaren( 2014 tot en met 2018) wordt omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan 34
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater. Waterplan 2014-2018 (GRP) Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk. Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. Dit Waterplan Neder-Betuwe 2014-2018 (‘Waterplan II’) is een product van de samenwerking tussen Waterschap Rivierenland en de gemeente Neder-Betuwe en een vervolg op het eerste Waterplan (2008-2012). Het Waterplan geeft streefbeelden voor het oppervlaktewater in de gemeente. Die kunnen dienen bij de vormgeving van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij zijn de doelstellingen: een veerkrachtig, robuust en duurzaam watersysteem. een optimaal functionerende waterketen. een effectieve en efficiënte waterorganisatie.
Vanuit het waterplan hebben beide organisaties de zorg voor waterkwantiteit (het voorkomen van overstroming, het tegengaan van watertekorten) en waterkwaliteit (schoon water en het verminderen van ‘overstort’ uit de riolering). De nadruk van het waterbeleid in de komende periode ligt op de stedelijke wateropgave. Dat kan door middel van het aanleggen van extra waterbergingen. Daarbij wordt de combinatie met ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente gezocht. Daarnaast worden waterkwaliteitsmaatregelen getroffen in watergangen achter overstortlocaties. 4.8.2
Doorwerking bestemmingsplan
Voorliggend initiatief is voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland door het uitvoeren van de digitale watertoets. Het waterschap Rivierenland hanteert een eenmalige vrijstelling van waterbergingscompensatie bij een toename van het oppervlakteverharding tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Het planvoornemen betreft de sloop- en nieuwbouw van een loods. De nieuwe Noordelijke loods wordt buiten de beschermingszone van de waterkering geplaatst. Het totaal verhard oppervlak blijft hierbij gelijk. Daardoor heeft het planvoornemen geen effecten op de waterhuishouding binnen en rondom het plangebied. De bestaande watergangen blijven intact. Waterbergingscompensatie is voor het plan niet vereist. Op 16 maart 2021 is de digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage 4). Op basis van de ingevulde gegevens geldt de gangbare watertoetsprocedure. Met het planvoornemen worden geen waterschapsbelangen geschaad. 4.8.3
Conclusie
Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.9
Natuurwetgeving
4.9.1
Regelgeving
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Met deze nieuwe wet worden drie voorgaande wetten vervangen, te weten de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Ook heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden: vanaf 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk geworden voor de natuurvergunningen en ontheffingen. De Wet natuurbescherming is grofweg op te delen in soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
35
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
4.9.1.1 Soortenbescherming Binnen soortbescherming bestaan er drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen. Twee beschermingsregimes volgen uit Europese wetgeving. Dit is het beschermingsregime op basis van de Vogelrichtlijn (1979) en het beschermingsregime op basis van de Habitatrichtlijn (1992). Daarnaast zijn er nog soorten die alleen op nationaal niveau zijn beschermd. Wel heeft elke afzonderlijke provincie een aantal algemene soorten die behoren tot de nationaal beschermende soorten vrijgesteld van ontheffingsplicht. Er blijft voor deze soorten dan nog wel de algemene zorgplicht gelden. Deze zorgplicht houdt in dat men bij zijn activiteiten met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen neemt (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.
4.9.1.2 Gebiedsbescherming Natura2000 Gebiedsbescherming is onder andere gericht op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Hiervoor zijn instandhoudingsdoelstelling opgesteld die niet in gevaar gebracht mogen worden door activiteiten binnen deze gebieden maar niet door invloeden van buitenaf (externe werking). Bij invloeden van buitenaf kan er worden gedacht aan stikstofdepositie maar ook aan geluid, trillingen en licht. Natuurnetwerk Nederland Verder stelt de Wet natuurbescherming dat provincies zorg moeten dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast kunnen zij gebieden gelegen buiten het NNN ook aanwijzen wanneer zij deze van belang achten vanwege aanwezige natuurwaarden of landschappelijke waarden. Het NNN is dan ook in provinciale ruimtelijke verordeningen vastgelegd. Dit is een netwerk van groene gebieden, voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Bescherming van deze gebieden vindt plaats via planologische kaderstelling.
Bij ontwikkelingen waarbij de bestemming gewijzigd moet worden (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, omgevingsvergunningen met bestemmingswijziging) dienen de provinciale instructieregels gevolgd te worden ten aanzien van deze gebieden. Deze instructieregels kennen een “nee, tenzij” principe en is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNN. Ook kunnen provincies planologische bescherming toekennen aan gebieden buiten de NNN omdat zij die waardevol achten. Iedere provincie kan, binnen bepaalde kaders, een eigen invulling geven aan hoe het NNN en de waardevolle gebieden hierbuiten beschermd dienen te worden. Voor waardevolle gebieden buiten het NNN kan het beschermingsregime sterk verschillen tussen provincies. In Gelderland heeft het gebied dat onder het NNN valt de naam Gelders Natuurnetwerk (GNN) gekregen. Onder de overige waardevolle gebieden in Gelderland valt bijvoorbeeld de Groene Ontwikkelingszone (GO), waaronder ook de weidevogelgebieden vallen. Deze gebieden zijn ruimtelijk vervlochten met het GNN. Ook voor de Groene Ontwikkelingszone gelden instructieregels voor die gevolgd dienen te worden bij bestemmingswijzigingen. 4.9.1.3 Houtopstanden Tot slot is er nog de bescherming van houtopstanden en deze richt zich op de instandhouding van het bosareaal in Nederland.
Dit onderdeel is vooral een voortzetting van de oude Boswet. Indien er bij een ontwikkeling houtopstanden verdwijnen groter dan 10 are of bestaande uit 20 rijbomen gelegen buiten de bebouwde kom, dan geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod.”
4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
4.9.2.1 Soortenbescherming De oude loods wordt gesloopt. Naar verwachting zullen hier geen beschermde soorten worden 36
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
aangetroffen. De loods is niet verwarmd, is met stalen platen belegd en er zijn geen kieren en naden aanwezig die beschermde soorten toegang kunnen geven tot ruimten waar zij kunnen verblijven of kunnen nestelen. De bestaande coniferenhagen in het plangebied worden vervangen door een meidoornhaag en een laurierhaag. Dit kan gevolgen hebben voor ecologie. Echter worden alle werkzaamheden buiten het broedseizoen verricht, waardoor er naar verwachting geen ecologische gevolgen optreden. Nader ecologisch soortenonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.9.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een gebied dat onder de Wet natuurbescherming (Wnb) valt. Het voorliggende plangebied is tevens niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is gelegen op circa 80 meter afstand van het Natura 2000 gebied ‘Rijntakken’. Mogelijke negatieve effecten op dit beschermde natuurgebied als gevolg van stikstofdepositie dienen te worden uitgesloten. Ondanks dat reeds lange tijd sprake is van een hoveniersbedrijf op deze locatie zullen alle verkeersbewegingen als gevolg van de bedrijfsactiviteit beschouwd worden als nieuwe ontwikkeling / gebruiksfase. Daarbij zal voor de realisatie- en sloopfase de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden berekend moeten worden. Hiertoe zijn twee stikstofberekeningen middels de AERIUS calculator versie 2020 uitgevoerd.
Stikstofberekening sloop bestaande loods en de bouw van een nieuwe loods (realisatie- en sloopfase) De mobiele werktuigen met bijbehorende verkeersbewegingen zijn in de calculator ingevoerd. Uit de berekening komen geen depositieresultaten boven de 0,00 mol/ha/jr. In bijlage 5 van de toelichting is de stikstofberekening voor de realisatie- en sloopfase opgenomen. In bijlage 6 van de toelichting is de onderbouwing van deze stikstofberekening opgenomen. Stikstofberekening toename verkeersbewegingen (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen per etmaal bedraagt in de nieuwe situatie maximaal 18 (worse case situatie). Er is een lijnbron opgenomen van ca. 355 meter, vanaf het bedrijfsperceel tot aan de kruising op de westelijke zijde van de Waalbandijk. Dit is reeds meer dan dat de provincie Gelderland formeel voorschrijft aan te houden, namelijk 250 meter. Wanneer deze gegevens in de calculator worden ingevoerd, levert dit geen depositieresultaten boven de 0,00 mol/ha/jr op. Hierbij is gerekend met 12 verkeersbewegingen ‘middelzwaar’ en 6 verkeersbewegingen ‘licht’, uitgaande van 10% file in geval van parkeren. De nieuwe noordelijke loods wordt niet verwarmd en er worden tijdens deze fase geen tractoren of andere mobiele werktuigen zoals heftrucks gebruikt. In bijlage 7 van de toelichting is de stikstofberekening voor de gebruiksfase opgenomen.
Geconcludeerd kan worden dat zowel voor de realisatie-, sloop- als de gebruiksfase de stikstofuitstoot niet leidt tot aantasting van de nabijgelegen N2000 gebieden. 4.9.3
Conclusie
Het aspect 'natuurwetgeving' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.10
Archeologie & cultuurhistorie
4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
37
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.
4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan 4.10.2.1
Archeologie
Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Archeologische Beleidskaart 2016 van de gemeente Neder-Betuwe, zoals door de gemeenteraad vastgesteld op 14 april 2016. In deze beleidskaart zijn verschillende verwachtingswaarden aan het plangebied toegekend. Om de mogelijk aanwezige waarden te beschermen heeft de gemeente Neder-Betuwe in 2018 een parapluplan 'Archeologie' opgesteld. In dit parapluplan zijn de verschillende archeologische verwachtingswaarden voorzien van de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1, 2 en 3”. In deze bestemmingen is bepaald dat voor bodem verstorende werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor de mogelijk aanwezige waarden een vergunning verplicht is. Voor de verschillende verwachtingswaarden gelden criteria voor wanneer een vergunning verplicht is en archeologisch onderzoek verricht moet worden. Door het parapluplan wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ van kracht voor het plangebied (in plaats van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’). Deze regeling is overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht als een initiatief bouwwerkzaamheden mogelijk maakt die leiden tot grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het bestaande maaiveld, een oppervlakte hebben groter hebben dan 1.000 m² en als er 2,5 m buiten de bestaande fundering gebouwd wordt.
De beoogde werkzaamheden blijven onder de gestelde onderzoeksgrenzen. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 4.10.2.2
Cultuurhistorie
Afbeelding 4.4: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 38
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
Het plangebied is gelegen aan de Kalkestraat. Dit is een eeuwenoude structuur. Dit geldt ook voor de Waalbanddijk, gelegen ten zuiden van het plangebied. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart is de locatie niet gelegen in een cultuurhistorisch belangrijk landschap, noch zijn er cultuurhistorische waarden in de omgeving gelegen die op enigerlei wijze beschermd zouden moeten worden. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een rijksmonument ligt. 4.10.3 Conclusie De aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.11
Leidingen
4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: Gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; Aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; Defensiebrandstoffen; Warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In paragraaf 4.6 is reeds ingegaan op eventueel in het plangebied aanwezige risicorelevante leidingen. Omdat deze niet aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied, wordt de uitvoerbaarheid van het plan hierdoor niet beïnvloed.
4.12
Niet gesprongen explosieven
Explosieven In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn. Voor de hele gemeente Neder-Betuwe is een bureauonderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het bureauonderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichten van bodemingrepen, zal een detectieonderzoek worden overgelegd. Het plan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van explosieven.
bestemmingsplan "Dodewaard, Kalkestraat 91" (ontwerp)
39
bestemmingsplan Dodewaard, Kalkestraat 91
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.