CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Nader onderzoek Wet natuurscherming

Raadsvergadering 24 februari 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan Randweg Opheusden16.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

36

Opname van een steenmarter, waargenomen met de wildcamera bij locatie 3.

Locatie 4, struikrover in houtwal Met de camera in deze struikrover werden vele duizenden opnamen gemaakt. Waargenomen werden onder meer muizen, spitsmuizen, een kat, een winterkoning en een merel. Marters waren hier niet aanwezig. Locatie 5, cameraval in houtwal Ook met deze camera worden duizenden opnamen gemaakt, waarbij vooral konijnen en fazanten worden vastgelegd. Ook is soms een merel aanwezig, wordt een kat regelmatig gefotografeerd en is een zanglijster te zien. Eenmaal passeert een vos. Marters zijn niet bij de camera aanwezig.

Opname van een konijn, waargenomen met de wildcamera bij locatie 5.

5.3.3

Aanwezigheid leefgebied marters Binnen het plangebied werd onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van marters. Daarbij werden bij een boomkwekerij ten noorden van de Linge aan de rand van het plangebied, een wezel en een steenmarter verschillende keren waargenomen. Zowel wezels als marters leven in een kleinschalig, structuurrijk landschap met een sterke afwisseling van onder andere graslanden, ruigten, bosjes, houtwallen, rietzomen en groene tuinen (Bouwens, 2017; Veldman et al. 2021; zoogdiervereniging.nl). Te verwachten is, dat structuurrijke delen die aansluiten op de locaties waar de steenmarter en wezel werden waargenomen, ook leefgebied zijn van beide soorten. Dit betreft bijvoorbeeld de met riet en ruigtekruiden begroeide oevers van aanliggende sloten. Daarnaast is binnen het plangebied oostelijk van de locatie waar de marters werden waargenomen een kleinschalig landschap aanwezig, met boomkwekerijen, de

37

tuinen van de woningen, een poel, oeverbegroeiing en de ruigte rond de plas bij de sportvelden. Een dergelijk kleinschalig landschap vormt voor beide soorten geschikt leefgebied. Naar het zuiden toe, ten zuiden van de Parallelweg, is binnen het plangebied een open grasveld aanwezig. Ook het plangebied ten zuiden van de Linge is meer open, met verschillende grote graslanden. Alleen bij een boomkwekerij en houtwal is daar meer structuur aanwezig. Bij deze houtwal werd echter onderzoek gedaan en werden geen marters waargenomen. Leefgebied is daar dus niet aanwezig. Ten westen van het ruigteveld waar de wezel werd waargenomen, liggen binnen het plangebied een open akker, en een open grasland. Beide zijn als leefgebied weinig geschikt. Bij de uiterste westzijde van het plangebied is wel meer dekking en structuur aanwezig, in de vorm van boomkwekerijen, tuinen, struweel en oeverbegroeiing. Hier werden bij het marteronderzoek echter geen marters waargenomen. Navolgende afbeelding geeft weer, waar leefgebied van marters aanwezig is binnen het plangebied.

5.4

Vleermuisonderzoek boom Tielsestraat 97

5.4.1

Onderzoek kraamtijd Bij het avondbezoek van 9 juni werd om circa 22:33 uur de eerste vleermuis waargenomen. Het betrof een foeragerende gewone dwergvleermuis, die bij het water en bij de boom foerageerde. De rest van de avond bleef het rustig qua vleermuizen. Gedurende de avond werd af en toe één of soms twee gewone dwergvleermuizen

38

waargenomen, die bij het water of de bomen foerageerde. Ook werd om circa 23:00 uur een overvliegende rosse vleermuis gehoord. Andere soorten werden niet waargenomen. Ook bij het tweede bezoek in de kraamtijd was het qua vleermuisactiviteit rustig. Dit bezoek vond plaats in de ochtend van 14 juli. Opnieuw waren er soms één of twee gewone dwergvleermuizen aan het foerageren. Het was deze ochtend wat winderig en de dieren foerageerden vooral in de beschutting van de bomen. Zwermende dieren of invliegende dieren werden ook nu niet waargenomen. De navolgende afbeelding geeft een beeld van de activiteit in de kraamperiode.

39

5.4.2

Onderzoek paartijd Bij het onderzoek van 19 augustus werd regelmatig door een gewone dwergvleermuis bij het water en de bomen gefoerageerd. Meestal was één vleermuis aanwezig, maar soms korte tijd twee tot vier. Aan het eind van de avond werd eenmaal een sociale roep gehoord van een gewone dwergvleermuis die passeerde. Aanwijzingen voor een paarverblijf of paarterritorium in deze omgeving werden niet gevonden.

40

Ook bij het tweede bezoek werd er soms door één of twee gewone dwergvleermuizen nabij de bomen gefoerageerd. Daarnaast werden deze avond een langsvliegende ruige dwergvleermuis en een rosse vleermuis gehoord. Verder was het qua vleermuisactiviteit erg rustig en ook nu waren er geen aanwijzingen voor een verblijfplaats in deze omgeving. De navolgende afbeelding geeft een beeld van de activiteit in de paarperiode.

41

5.5

Vleermuisonderzoek vliegroute Linge

5.5.1

Resultaten bezoeken Bij het eerste bezoek, van 28 mei, bleef het wat vleermuisactiviteit betreft, lange tijd stil. Pas om circa 22:50 werd de eerste gewone dwergvleermuis gehoord, die langs vloog en vervolgens ook bij de Linge en de oever bleef foerageren. De activiteit nam vervolgens snel toe, met een toenemend aantal foeragerende gewone dwergvleermuizen. Deze vlogen boven de Linge, boven de oever, maar ook boven het land langs de Linge. Soms warenvier tot zes gewone dwergvleermuizen aanwezig. Ook was heel regelmatig een foeragerende ruige dwergvleermuis aanwezig. De gewone dwergvleermuizen bleven daarna de hele avond aanwezig. Na circa 23:15 lieten deze ook heel regelmatig sociale roepen horen en ook van de ruige dwergvleermuis werd af en toe een sociale roep gehoord. Naast dwergvleermuizen passeerde om circa 23:53 de eerste meervleermuis, laag over het water. Ook daarna werden heel regelmatig meervleermuizen gezien en gehoord, die in een rechtlijnige vlucht boven het water joegen, waarbij er soms twee tegelijkertijd aanwezig waren. Er was regelmatig te horen dat de langs vliegende meervleermuizen prooien vingen. Ook werd verschillende keren met behulp van een zaklamp gezien hoe meervleemuizen grote rondjes maakten boven het water. Mogelijk passeerden ook enkele meervleermuizen. Vanaf circa 23:20 nam de activiteit met foeragerende meervleermuizen af.

Verder werd deze avond een overvliegende laatvlieger gehoord. Bij het grotere open water ten zuiden van de Linge werdregelmatig door gewone dwergvleermuizen gejaagd. Soorten van het geslacht myotis zijn daar niet gehoord. Ook bij het tweede bezoek, op 7 juli, was het weer lange tijd stil voordat de eerste vleermuis werd gehoord. Deze werd om circa 23:02 waargenomen en betrof een passerende watervleermuis. Daarna werd ook al snel een foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen en vanaf dat moment waren heel regelmatig foeragerende gewone dwergvleermuizen, foeragerende watervleermuizen en ook foeragerende meervleermuizen aanwezig. Soms waren ook meerdere watervleermuizen aanwezig, waarbij met de warmtebeeldcamera ook goed de wendbare vlucht was te zien. De activiteit van gewone dwergvleermuizen nam na circa een kwartier verder toe, waarbij er continu boven de rietkragen, het water en ook boven het land bij de oever werd gefoerageerd. Regelmatig waren er tot acht foeragerende gewone dwergvleermuizen tegelijkertijd aanwezig. Ook was geregeld een ruige dwergvleermuis aanwezig en af en toe werd er door een laatvlieger gefoerageerd. Opvallend waren verder de grote wolken muggen die boven de rietkragen te zien waren. De activiteit van meervleermuizen en watervleermuizen nam na circa een half uur wat af. De dwergvleermuizen bleven aanwezig.

Bij de waterplas ten zuiden van de Linge was het de hele avond wat rustiger dan bij de Linge zelf. Daar was regelmatig een foeragerende gewone dwergvleermuis aanwezig, soms ook meerdere. Navolgende afbeelding vat de resultaten van het vleermuisonderzoek samen.

42

5.5.2

Aanwezigheid vliegroute of foerageergebied Bij geen van de bezoeken werd een vliegroute voor vleermuizen vastgesteld bij de Linge. Soms passeerde een vleermuis, maar van grotere aantallen passerende dieren was geen sprake. Wel viel bij beide bezoeken het zeer intensieve foerageren van gewone dwergvleermuizen op. Zowel bij het eerste als tweede bezoek waren lange tijd onafgebroken foeragerende gewone dwergvleermuizen aanwezig, tot maximaal acht stuks tegelijkertijd. En ook werd er door meervleermuizen op twee avonden intensief

43

gefoerageerd. Verder waren ook foeragerende ruige dwergvleermuizen, watervleermuizen en laatvliegers aanwezig. Daarbij werd gefoerageerd boven het water, maar werd door dwergvleermuizen ook boven de oevers gefoerageerd. Het foerageren vond niet alleen plaats bij die delen van de Linge waar in de toekomst de aanleg van de weg is voorzien, maar ook oostelijke en westelijk daarvan. In de verdere omgeving, zoals boven het omringende grasland en de boomgaarden, was het aantal foeragerende vleermuizen heel beperkt. Gezien de intensiteit van het foerageren en de aantallen dieren die langere tijd foeragerend aanwezig waren, vormt dit deel van de Linge een essentieel foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen en meervleermuizen.

5.6

Ringslang Bij vijf ochtendbezoeken werden de oevers van watergangen afgezocht op de aanwezigheid van ringslangen. Daarbij werd met name bij de meer natuurlijke delen gezocht. Opvallend was dat een groot aantal watergangen al begin juli was geschoond, waarbij ook de oevers waren gemaaid. De oevers van deze watergangen waren daardoor tijdelijk minder geschikt voor deze soort. Bij geen van de bezoeken werd een ringslang waargenomen. Ook bij de veldbezoeken voor het onderzoek naar de andere soorten werd nooit een ringslang gezien. Leefgebied voor de ringslang is dus niet aanwezig binnen het plangebied.

Watergang nabij de Markstraat en Parallelweg, met gemaaide oevers en geschoonde waterloop. Foto van 1 juli 2021.

44

5.7

Poelkikker Ook bij het onderzoek naar poelkikkers viel op dat veel watergangen in het gebied al vroeg waren geschoond, waarbij ook de oevers waren gemaaid. Dit vrij intensieve beheer is voor (poel-)kikkers niet gunstig, omdat de oevers en het water minder geschikt worden en veel kikkers worden weggevangen. Op al de locaties waar naar kikkers werd geluisterd bleken bastaardkikkers aanwezig. Meerkikkers werden niet gehoord. Op twee plekken werden, naast roepjes van bastaardkikker, ook soms roepjes gehoord met het geluid als van poelkikker. Het betrof een slootje tussen de percelen Tielsestraat 97 en Tielsestraat 99 en enkele watergangen nabij de sportvelden aan de zuidwestkant van Opheusden. Op beide locaties werden aanvullend met een schepnet kikkers gevangen om de uiterlijke kenmerken te controleren. De gevangen kikkers waren niet heel groot maar hadden de afmetingen van poelkikkers of bastaardkikkers. De metatarsusknobbel van al de gevangen exemplaren was vrij plat en vaak enigszins asymmetrisch, zodat ook deze dieren bastaardkikkers en geen poelkikkers bleken te zijn. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van zuivere poelkikkers werden niet gevonden.

5.8

Rugstreepad Bij verschillende avondbezoeken aan het plangebied werd geluisterd om te horen of kooractiviteit van rugstreeppad te horen was in het plangebied of de omgeving. Bij geen van de bezoeken werden rugstreeppadden gehoord. Noch uit het plangebied, noch uit de verdere omgeving daar omheen. Voortplantingsplaatsen van rugstreeppadden zijn niet aanwezig in of bij het plangebied. Ook werden bij geen van de bezoeken rugstreeppadden gezien. Leefgebied van de rugstreeppad is momenteel niet aanwezig binnen het plangebied.

5.9

Grote modderkruiper Op vier locaties werden in verlandende watergangen watermonsters verzameld, waarin werd onderzocht of e-DNA aanwezig is. Uit de analyses blijkt dat in één watermonster e-DNA van de grote modderkruiper aanwezig is. Iedere analyse werd uitgevoerd met 12 replica’s. Bij één monster werd bij zeven van de twaalf replica’s e-DNA van de grote modderkruiper gedetecteerd. In het water waarin dit monster werd verzameld is de grote modderkruiper dus aanwezig. Bij de overige drie monsters werd geen e-DNA van de grote modderkruiper aangetoond. In de watergangen waarin deze monsters werden verzameld komt de grote modderkruiper niet voor. Resultaat van de laboratoriumanalyses Monsterpunt

Aantal positieve replica’s voor grote modderkruiper

1

0/12

2

0/12

3

0/12

4

7/12

45

De drie monsterpunten waarin geen e-DNA van de grote modderkruiper werd aangetoond bevinden zich alle ten noorden van de Linge. In en bij het plangebied ten noorden van de Linge is een netwerk van kleine en ondiepe en bredere en diepere sloten aanwezig. Deze sloten staan veelal met elkaar in verbinding (zie afbeelding hieronder).

Aanwezige watergangen (blauw) binnen het noordwestelijk deel van het plangebied (rood) en bemonsterde locaties (geel).

Leefgebied van grote modderkruipers bestaat vooral uit ondiepere wateren met een dikke modderlaag en veel waterplanten. In deze ondiepe delen vindt ook de voortplanting plaats en groeien de jongen op. In agrarisch gebied betreft dit vooral greppels en smallere sloten. Daarnaast zijn er ook diepere delen nodig binnen hun leefgebied, waar ze de winter of tijden van droogte kunnen doorbrengen. Deze diepere delen moeten dus in verbinding staan met de ondiepe delen. Grote modderkruipers migreren daarbij gedurende het seizoen, over een afstand van maximaal één tot drie kilometer, tussen de ondiepe paaigebieden en de diepere overwinteringsgebieden (BIJ12, 2021g).

Schematische weergave van het leefgebied van de grote modderkruiper. Bron: kennisdocument grote modderkruiper, BIJ12, 2021g.

Al de monsters voor dit onderzoek werden verzameld in smalle, ondiepe slootjes. Bij dit onderzoek werden de monsters genomen in september, voor de overwinteringsperiode, die loopt van circa november tot maart (BIJ12, 2021g). Daarbij werden de monsters niet genomen in een tijd van droogte. Zoals valt op te maken uit de levenswijze van de grote modderkruiper (zie hierboven), zullen grote modderkruipers ten tijde van de uitgevoerde bemonstering vooral aanwezig zijn geweest in smallere, ondiepe watergangen en niet in de diepere delen van hun leefgebied. In geen van de bemonsterde smalle slootjes ten noorden van de Linge werd de grote modderkruiper aangetoond. Het is daarmee onwaarschijnlijk dat deze slootjes leefgebied vormen voor de

46

grote modderkruiper. De ondiepe slootjes waarin werd bemonsterd, liggen verspreid over het noordelijk deel van het plangebied en staan in directe verbinding met de diepere, bredere watergangen in dit deel van het plangebied. Doordat ondiepe, smalle en verlandende slootjes in het plangebied ten noorden van de Linge geen leefgebied blijken voor de grote modderkruiper, is het erg waarschijnlijk dat ook de diepere sloten die daarmee in verbinding staan geen leefgebied zijn voor deze soort. Het is daarmee redelijkerwijs uitgesloten dat in het noordelijk deel van het plangebied leefgebied voor de grote modderkruiper aanwezig is. De Linge zelf is als leefgebied weinig geschikt voor de grote modderkruiper, omdat dit diep en sneller stromend water betreft. Ten zuiden van de Linge is bij het plangebied ook een netwerk van aaneengesloten sloten en slootjes aanwezig (zie navolgende afbeelding). De bemonstering vond hier plaats aan de oostkant van het plangebied, in een sterk verlande sloot. Deze sloot staat via een wat bredere watergang ten zuiden van het plangebied, in verbinding met andere smallere slootjes meer ten westen van de bemonsterde sloot. Deze smalle slootjes ten westen van de bemonsterde sloot liggen ook deels binnen het plangebied en zijn ook dicht begroeid. Deze meer westelijk gelegen slootjes lijken daarmee ook geschikt te zijn als leefgebied voor de grote modderkruiper.

Bij de locatie waar een monster werd verzameld, blijkt de grote modderkruiper aanwezig. Aangezien deze watergang in verbinding staat met de andere smalle slootjes ten westen van de bemonsterde locatie die ook geschikt leefgebied zijn voor deze soort, dient er vanuit te worden gegaan, dat ook in deze andere, niet bemonsterde slootjes, leefgebied voor de grote modderkruiper aanwezig is. Zie navolgende afbeelding voor een weergave van de slootjes die leefgebied vormen voor de grote modderkruiper.

47

Monsterpunt vier; een sterk verlande sloot, met onder meer veel lisdodde, aan de oostzijde van het plangebied. In deze sloot blijkt de grote modderkruiper aanwezig.

5.10

Teunisbloempijlstaart Op verschillende plekken waren plantensoorten aanwezig die de teunisbloempijlstaart als waardplant kan gebruiken. Doordat veel oevers van watergangen al vrij vroeg in het seizoen werden gemaaid, was het totaal aantal mogelijke waardplanten echter niet heel groot. De meest voorkomende waardplant binnen het plangebied bleek harig wilgenroosje, dat op verschillende plekken bij de oevers van watergangen voorkomt. Bij de zuidelijke oever van de Linge, bij een poel aan de Hamsestraat en nabij de vijver nabij de sportvelden, waren enkele tientallen planten aanwezig. In de loop van het groeiseizoen groeiden een aantal van deze planten uit tot forse exemplaren van meer dan anderhalve meter hoog. Bij de oevers van watergangen was ook grote kattenstaart soms aanwezig. De dichtheid van deze plant was meestal laag, met meestal maar één plant per vindplaats. Aan de zuidkant van het perceel Tielsestraat 97 groeide verder, net op de grens van het plangebied, een groot aantal planten van de soort basterdwederik. Teunisbloem zelf werd op slechts één plek gevonden. Al de gevonden waardplanten werden gecontroleerd op de aanwezigheid van rupsen van de teunisbloempijlstaart. Veel planten vertoonden in de loop van het groeiseizoen wel enige vorm van vraat, en soms waren er ook rupsen op de planten aanwezig. Rupsen van de teunisbloempijlstaart werden echter nergens gevonden.

Uit het onderzoek blijkt daarmee, dat leefgebied of voortplantingsplaatsen voor deze soort momenteel niet aanwezig zijn.

48

Rupsen bleken regelmatig aanwezig op de waardplanten, maar rupsen van de teunisbloempijlstaart werden niet aangetroffen.

49

6 6.1

Conclusie en advies Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? De gemeente Neder-Betuwe wil een nieuwe ontsluitingsweg aanleggen voor de kern van Opheusden. In het kader van deze ontwikkeling voerden wij onderzoek uit naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen en leefgebied van de huismus, gierzwaluw, vleermuizen, marters, rugstreeppad, poelkikker, grote modderkruiper, ringslang en teunisbloempijlstaart. Leefgebied voor de rugstreeppad, poelkikker, huismus, ringslang en teunisbloempijlstaart blijkt niet aanwezig binnen het plangebied. Uit het onderzoek blijkt wel dat bij de woning aan de Hamsestraat 90 één broedplaats van gierzwaluwen aanwezig is. Verder blijkt in het centrale deel van het plangebied leefgebied aanwezig van de steenmarter en de wezel. Ook blijkt de Linge, waarvan een deel binnen het plangebied ligt, essentieel foerageergebied te zijn voor gewone dwergvleermuizen en meervleermuizen. Tot slot blijken slootjes binnen het zuidelijk deel van het plangebied leefgebied te zijn van de grote modderkruiper. Navolgende afbeelding geeft het leefgebied van deze beschermde soorten weer.

Met de geplande ontwikkeling zal het waarschijnlijk noodzakelijk zijn de woning aan de Hamsestraat 90 te slopen. Daarbij zal de nestplaats van de gierzwaluw verloren gaan. Ook bestaat dan de kans dat gierzwaluwen worden verwond of gedood. Ook zal met de ontwikkeling waarschijnlijk een deel van het leefgebied van de steenmarter en wezel verloren gaan. Daarbij worden met de wegaanleg mogelijk verblijfplaatsen voor deze soorten vernietigd en bestaat de kans dat marters worden gedood. Bij de aanleg van de brug over de Linge bestaat verder de kans dat het aanwezige foerageergebied van gewone dwergvleermuizen en meervleermuizen wordt doorsneden, waardoor het als foerageergebied ongeschikt of onbereikbaar wordt. Tot slot bestaat de kans dat bij 50

de werkzaamheden grote modderkruipers worden gedood. Ook zal met de aanleg van de weg leefgebied van deze soort verloren gaan, wanneer bij de werkzaamheden sloten worden gedempt. In al deze bovenstaande gevallen is sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast moet het nader onderzoek naar vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen op bepaalde locaties nog afgerond worden en moet er nog nader onderzoek naar de steenuil plaatsvinden.

6.2

Ontheffing aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten (zoals de gierzwaluw, wezel, steenmarter, gewone dwergvleermuis, meervleermuis en grote modderkruiper) worden verstoord, is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming. Een dergelijke ontheffing dient voor dit project aangevraagd te worden bij de provincie Gelderland. Het is ook goed mogelijk dat een ontheffing nodig is voor het verlies van essentieel leefgebied van de steenuil. Dit is afhankelijk van de uitkomst van het soortgericht onderzoek naar de steenuil.

6.2.1

Voorwaarden ontheffing Wet natuurbescherming Vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden De steenmarter, wezel en grote modderkruiper van onder ‘andere soorten’, waarvoor de verboden van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming gelde. Beide artikelen stellen dat het onder meer verboden is verblijfplaatsen van deze beschermde soorten te vernielen. Huismus en gierzwaluw zijn vogelrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming gelden, waarmee het onder meer verboden is nestplaatsen te vernielen. Een ontheffing voor deze soorten kan onder voorwaarden worden verleend. De belangrijkste voorwaarden, beschreven in artikelen 3.3; 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbescherming zijn: • Er kan worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing is, dan het vernielen van de nestplaats of verblijfplaats; • daarbij geldt de aanvullende eis, dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna; • verder mag de gunstige staat van instandhouding van de soorten niet in het geding komen.

Er zullen daarom voldoende mitigerende maatregelen moeten worden getroffen om de aanwezige lokale populaties duurzaam te laten voortbestaan. Mitigerende maatregelen zijn maatregelen waardoor de schade aan beschermde soorten zoveel mogelijk wordt verzacht. Uitgangspunt is dat in de nieuwe situatie alle functies voor de vleermuizen, gierzwaluw en huismus behouden blijven of zelfs verbeterd worden. Hieronder gaan we nader in op deze voorwaarden en bespreken we of aan deze voorwaarden kan worden voldaan.

51

6.2.2

Geen andere bevredigende oplossing De ruimtelijke ontwikkeling waarvoor een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk zal zijn, betreft de aanleg van een ontsluitingsweg bij Opheusden. Ten behoeve van deze ontwikkeling, werd in 2019 een variantenstudie gedaan, zoals toegelicht in paragraaf 2.2.3 van de Toelichting bij het bestemmingsplan. Bij de variantenstudie werden vijf varianten onderzocht. Deze vijf varianten zijn beoordeeld op een aantal criteria. Dit zijn (1) ontlasting van de kern, (2) effect op de Smachtkamp, (3) ontlasting Tielsestraat, (4) kansrijkheid i.v.m. eisen spoorwegveiligheid en (5) meekoppelkansen/ ontsluiting nieuwe wijk. Uiteindelijk zijn er twee meest kansrijke varianten overgebleven: de variant "West-Herenland" en "Smachtkamp". Deze varianten hebben een groot oplossend vermogen voor zowel het verkeer op de centrum-as van Opheusden als voor het verkeer op de Tielsestraat. Deze twee varianten zijn vervolgens na deze trechtering verder uitgewerkt en afgewogen. Uiteindelijk blijkt dat de variant "West-Herenland" het beste scoort qua leefbaarheid (effecten op bestaande wegen zoals Smachtkamp) en in de risicoanalyse van spoorwegveiligheid. Op basis hiervan is de variant West-Herenland de voorkeursvariant en biedt deze variant de meest bevredigende oplossing.

Aangezien het tracé de lintbebouwing aan de Hamsestraat kruist, is het onvermijdelijk dat er hier woningen gesloopt moeten worden. Bij de gekozen ligging aangrenzend aan het spoor, betreft dit de woningen en bijgebouwen aan de Hamsestraat 90 en 92. Daarnaast is het om de gewenste aansluiting op de Tielsestraat te maken noodzakelijk om de hier aanwezige lintbebouwing te doorkruizen. Bij de gekozen variant betekent dit dat de woonbebouwing aan de Tielsestraat 99 gesloopt moet worden.

6.2.3

Groot openbaar belang De aanleg van de ontsluitingsweg is noodzakelijk om de verkeersveiligheid en leefbaarheid bij bestaande wegen in en rondom de kern van Opheusden te vergroten. Het groot openbaar belang waarvoor de ontheffing Wet natuurbescherming dan ook zou kunnen worden verleend is het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid. De weg biedt namelijk een oplossing voor de toenemende verkeersonveilige situaties op de bestaande wegen rondom Opheusden en draagt bij aan het oplossen van leefbaarheidsproblemen in de woningen rondom de bestaande wegen. Hieronder wordt dit verder toegelicht. Zie voor een nadere toelichting ook paragraaf 2.2 van de Toelichting bij het bestemmingsplan. De hoofdroutes voor gemotoriseerd wegverkeer richting de kern van Opheusden lopen op dit moment via de Tielsestraat / Rijnbandijk en de Dodewaardsestraat / Dalwagenseweg. Gezien deze verkeersstructuur wordt de doorgaande as door Opheusden namelijk de Dorpsstraat - Burg. Lodderstraat - Dalwagenseweg sterk belast voor de bereikbaarheid van woongebieden in Opheusden. In en rondom Opheusden is de laanboomsector van grote economische betekenis. In en rondom de kern bevinden zich diverse kwekers die zich bezighouden met de productie, handel en productontwikkeling van laanbomen. Dit levert met name in het teeltseizoen aanzienlijke vervoersstromen op, ook tussen kwekers onderling.

Het transport vindt plaats met vrachtwagens, maar ook met grote landbouwvoertuigen (tractoren met aanhangwagens). Het zijn voornamelijk deze grote landbouwvoertuigen en vrachtwagens die de overlast

52

veroorzaken in de kern. Op de routes door de kern zijn geen gescheiden fietsvoorziening aanwezig, waardoor er grote verschillen zijn in snelheid en massa. Met name het fietsverkeer (o.a. schoolgaande kinderen) ondervindt veel hinder van de grote voertuigen. Bovendien staan in de kern (Rijnbandijk, Dorpsstraat, Burgemeester Lodderstraat en de Dalwagenseweg) de huizen dicht op de rijbaan, waardoor veel trillingshinder wordt ervaren door bewoners veroorzaakt door het grote, zware verkeer. Zonder een nieuwe ontsluitingsweg moeten ook toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen via de as Tielsestraat / Rijnbandijk en de Dodewaardsestraat / Dalwagenseweg bereikt worden. Dit zorgt in de toekomst voor extra druk op deze wegen, wat leidt tot meer verkeersonveiligheid, verkeersoverlast en toenemende leefbaarheidsproblemen. Het fietsverkeer is voornamelijk gericht op Kesteren, daar bevinden zich de belangrijke functies als scholen en bedrijven. Deze stroom fietsers maakt gebruik van de Parallelweg, welke langs het spoor van Opheusden naar Kesteren loopt en een directe verbinding vormt tussen beide kernen. De Parallelweg kent éénrichtingsverkeer voor gemotoriseerd verkeer in de richting van Opheusden naar Kesteren. Fietsverkeer is in beide richtingen toegestaan.

Een belangrijk knelpunt is dat de Parallelweg ook veel door gemotoriseerde voertuigen wordt gebruikt, en in combinatie met een drukke fietsroute zorgt dit voor zowel objectieve, als subjectieve verkeersonveiligheid. De Parallelweg wordt door fietsers als gevaarlijk ervaren; de weg heeft als kenmerk lange rechtstanden waarbij de snelheden van het gemotoriseerde verkeer hoog op kunnen lopen. Bovendien is de verhardingsbreedte niet ruim gedimensioneerd. Er zijn wel maatregelen genomen. Een nieuwe zuidelijke ontsluitingsweg draagt bij aan een verbeterde verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid in Opheusden, zonder dat daarbij de druk op bestaande wegen verder onacceptabel toeneemt of elders het woon- en leefklimaat verslechtert. Daarnaast zorgt een nieuwe weg ook voor extra robuustheid en verbeterde verkeersveiligheid: bij calamiteiten en wegwerkzaamheden is het verkeer van en naar de kern Opheusden beter om te leiden, waardoor de bereikbaarheid gegarandeerd blijft.

6.3

Mitigerende maatregelen Voor de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten die verstoord worden door de voorgenomen plannen, zijn goed mitigerende maatregelen te treffen. Door de overheid zijn kennisdocumenten opgesteld, voor de omgang met beschermde soorten, waarin mitigerende maatregelen worden besproken, die kunnen worden getroffen (zie BIJ12, 2017a, b, c). Hieronder zetten we de hoofdlijnen van dergelijke maatregelen op een rij en geven we aan wat voor deze ontwikkeling de mogelijkheden zijn.

6.3.1

Maatregelen om te voorkomen dat dieren worden gedood of verstoord Huismus, gierzwaluw en vleermuizen Wanneer in de bebouwing inderdaad verblijfplaatsen voor huismus, gierzwaluw of vleermuizen aanwezig zijn, zouden bij de toekomstige sloop van de bebouwing dieren kunnen worden gedood over verwond. Om dit te voorkomen dient ten eerste gewerkt te worden buiten de kwetsbare periode van deze soorten. Huismussen kunnen jaarrond aanwezig zijn bij hun nestplaats, maar zijn het meest kwetsbaar in de 53

voortplantingstijd en in de winter wanneer het vriest. Voor deze soort dienen de werkzaamheden bij voorkeur uitgevoerd te worden in de periode oktober-november (BIJ12, 2017a). Gierzwaluwen zijn in de winter in Afrika en zijn alleen in de broedtijd aanwezig. Voor deze dieren is het broedseizoen, van circa half april tot half augustus, de kwetsbare periode. Werkzaamheden waarbij nestplaats van gierzwaluwen worden gesloopt dienen daarom bij voorkeur in de nazomer en het winterseizoen te worden uitgevoerd (BIJ12 2017b). Voor vleermuizen vormen de voortplantingstijd en het overwinteringsseizoen perioden waarin de soorten extra kwetsbaar zijn. Werkzaamheden in het vroege voorjaar en het najaar zorgen bij veel soorten voor de minste verstoring (zie bijvoorbeeld BIJ12 2017c). Een andere maatregel die getroffen kan worden om te voorkomen dat dieren bij de werkzaamheden worden gedood of verwond, is het ongeschikt maken van de bebouwing voorafgaand aan de sloop. Openingen waar de dieren nestelen of verblijven dienen tijdig te worden gedicht, waarbij moet worden voorkomen dat dieren gedood worden of gewond raken (BIJ12 2017a). Bij de verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen bijvoorbeeld zogeheten ‘exclusion flaps’ worden aangebracht, waardoor vleermuizen de bebouwing wel kunnen verlaten maar er niet terug kunnen keren (BIJ12 2017c).

Bij deze ontwikkeling is er voldoende tijd, zodat de planning, voor de sloop van de bebouwing, afgestemd kan worden op de kwetsbare perioden van de soorten. Ook is er voldoende budget om mitigerende maatregelen te treffen bij de sloop, zodat voorkomen kan worden dat dieren bij de sloop van de bebouwing worden gedood. Om de verstoring van vleermuizen bij het foerageergebied bij de Linge zoveel mogelijk te beperken, kunnen de werkzaamheden het best worden uitgevoerd buiten de periode dat vleermuizen hier aanwezig kunnen zijn. Het foerageergebied wordt gebruikt in de zomerperiode. Deze periode loopt globaal van april tot en met oktober (B12, 2017c). Steenmarter en wezel Wanneer de weg wordt aangelegd, zouden daarbij verblijfplaatsen van de steenmarter of wezel kunnen worden vernietigd en dieren kunnen worden gedood. Met name wanneer grondwerkzaamheden plaatsvinden. Om te voorkomen dat dieren worden gedood, kunnen grondwerkzaamheden in één richting worden uitgevoerd. Dieren hebben hierdoor de tijd en kans om de andere kan op te vluchten, weg van de werkzaamheden. Ook kunnen percelen, voordat grondwerkzaamheden beginnen, ongeschikt worden gemaakt als leefgebied voor marters. Dit kan door ze kort te maaien en door opgaande beplanting te snoeien, zodat dekking verdwijnt. Zo wordt voorkomen dat dieren tijdens de werkzaamheden nog aanwezig zijn.

Ook dient zoveel mogelijk gewerkt te worden buiten de kwetsbare periode voor deze soorten. De steenmarter en wezel zijn het hele jaar actief, maar zijn kwetsbaar in de periode dat ze jongen hebben. Op dat moment zijn de voortplantingsplaatsen gevoelig voor verstoring en op dat moment hebben ze ook het meeste voedsel nodig. Deze periode loopt globaal van half maart tot en met augustus (Bouwens, 2017; Veldman et al. 2021; zoogdiervereniging.nl).

54

Grote modderkruiper In het zuidelijk deel van het plangebied vormen slootjes leefgebied van de grote modderkruiper. Wanneer het nodig is watergangen of delen van watergangen te dempen kunnen grote modderkruipers eerst worden weggevangen om te voorkomen dat dieren worden gedood. Ook dient zoveel mogelijk gewerkt te worden buiten de periode dat deze soort kwetsbaar is. Voor de grote modderkruiper vormen zowel de periode dat ze in winterrust zijn, als de voortplantingstijd kwetsbare perioden. September en oktober zijn maanden waarin deze soort het minst kwetsbaar is (BIJ12, 2021). Steenuil (vooruitlopend op soortgericht onderzoek) Het nader onderzoek naar de steenuil is momenteel nog niet uitgevoerd. Het is daarom niet zeker of er nestlocaties verloren gaan bij de voorgenomen plannen, of dat deze verstoord worden. De verspreidingsgegevens van de NDFF laten echter al een aantal nestlocaties in de omgeving van het traject zien. Daarom kan al met een goede inschatting gemaakt worden van de verwachte verstoring van de steenuil en de benodigde mitigerende maatregelen. Hiermee kan de haalbaarheid van het plan ook beoordeeld worden. De verspreidingsgegevens van de NDFF laat ten minste vier verschillende vastgestelde territoria van de steenuil zien, waarvan de nestlocatie allemaal op circa 100 meter van het traject ligt.

Met de voorgenomen plannen is het onwaarschijnlijk dat een nestlocatie van een steenuil fysiek beschadigd of vernield wordt. Het is echter wel mogelijk dat één van de nestlocatie zodanig verstoord wordt, dat de nestlocatie niet meer gebruikt kan worden. In dat geval is het nodig om alternatieve nestlocatie te realiseren. Dit kan gedaan worden door een steenuilennestkast op een geschikte plek op te hangen, zoals bijvoorbeeld in een wilg of andere boom, in een geschikt broedhabitat. Hiervoor is het belangrijk dat de alternatieve nestlocatie niet in het bestaande territorium van een ander broedpaar komt te hangen. Een geschikt habitat voor een steenuil bestaat uit een agrarisch gebied met veel randzones. Eén van de belangrijke elementen is de aanwezigheid van voedsel, voornamelijk veldmuizen. Dit wordt geholpen door de aanwezigheid van enige ruigtezones en schuilmogelijkheden. Verder heeft een steenuil uitkijkposten nodig om vandaan te jagen, zoals bijvoorbeeld paaltjes van hekwerken of vrijstaande bomen. Ten slotte moet er geschikt jaaghabitat zijn, zoals begraasd of gemaaid grasland waar de steenuil zijn prooi kan vangen. Het bepalen van een geschikte alternatieve locatie voor een steenuilennestkast zal gedaan moeten worden op basis van de resultaten van het nader onderzoek en informatie van de lokale uilenwerkgroep/roofvogelwerkgroep.

Dit omdat een geschikte locatie gevonden moet worden die nog niet in gebruik zijn door andere steenuilen. Ten slotte moeten verstorende werkzaamheden in de buurt van nestlocaties buiten de broedperiode van de steenuil plaatsvinden. Dit omdat een steenuil in deze periode vrijwel non-stop heen en weer moet vliegen naar de nestlocatie met voedsel voor de jongen. Als dit door verstoring op dat moment niet mogelijk is, ius het goed mogelijk dat de jongen het niet overleven. De kwetsbare periode voor de steenuil loopt van februari ten en met juli.

55

De kwetsbare perioden van de beschermde soorten Soort

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Gierzwaluw Marters Vleermuizen Grote modderkruiper Steenuil

6.3.2

Maatregelen om leefgebied te behouden Huismus, gierzwaluw en vleermuizen Om ervoor te zorgen dat de lokale populaties duurzaam aanwezig kunnen zijn, dienen er ook nieuwe verblijfplaatsen gerealiseerd te worden, als vervanging voor verblijfplaatsen die worden verwijderd. Deze verblijfplaatsen dienen tijdig aanwezig te zijn, nog voor de sloop van de aangetroffen verblijfplaatsen, zodat dieren de tijd hebben om de verblijfplaatsen te vinden en er aan te wennen. Vervangende verblijfplaatsen dienen bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke verblijfplaats geplaatst te worden. In de directe omgeving van de te slopen bebouwing is bebouwing aanwezig die blijft bestaan. Het is vaak goed mogelijk in bebouwing in de omgeving nieuwe verblijfplaatsen te realiseren voor huismus, gierzwaluw of vleermuizen. De plaatsing van nieuwe verblijfplaatsen dient onder begeleiding van een deskundige te gebeuren, zodat deze op de juiste plaats (hoogte, richting ten opzichte van de zon etc.) wordt aangeboden. Daarbij dienen nieuwe verblijfplaatsen van voldoende duurzaam materiaal te zijn, zodat er sprake is van een permanente voorziening. Voor huismussen is het verder van belang dat in de directe omgeving van de verblijfplaats geschikt leefgebied aanwezig is, waar ze voedsel en dekking kunnen vinden. Mocht dit niet aanwezig zijn, dan dient ook dit tijdig te worden ingericht (BIJ12, 2017a).

In sommige gevallen is er geen mogelijkheid om bij bestaande bebouwing in de omgeving nieuwe verblijfplaatsen te realiseren voor deze soorten. Er kunnen dan bij het plangebied speciale bouwwerken worden opgericht voor de beschermde soorten, zoals gierzwaluwtillen, vleermuistorens of faunatorens met voorzieningen voor huismus, gierzwaluw of vleermuis (Ranox.nl, vivarapro.nl). Bij deze ontwikkeling is er de ruimte en het budget om dergelijke maatregelen te treffen, wanneer dat noodzakelijk mocht blijken. Zo is er in of bij het plangebied nabij de te slopen woningen voldoende ruimte waar faunavoorzieningen zouden kunnen worden geplaatst, mocht dat nodig zijn. Ook kan hier alternatief leefgebied voor huismussen worden gerealiseerd, wanneer dat noodzakelijk mocht blijken. Op deze manier kan in voldoende alternatieve verblijfplaatsen worden voorzien, zodat de aanwezige lokale populaties kunnen blijven voortbestaan en de staat van instandhouding niet in het geding komt. De toekomstige weg kruist essentieel foerageergebied van vleermuizen bij de Linge. Met name verlichting bij de weg werkt zeer verstorend voor vleermuizen. Daarnaast

56

betekent de toekomstige weg een fysieke barrière dat het leefgebied kan versnipperen. Wanneer het nodig is bij de brug verlichting te gebruiken, dient dit op aangepaste wijze te gebeuren, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van vleermuizen. Er kunnen verschillende maatregelen worden getroffen om lichtverstoring te beperken, zoals (BIJ12, 2017c; Limpens et al. 2004): • Het aantal lampen kan worden aangepast en de intensiteit van de verlichting kan worden verlaagd. • Het lichteffect van koplampen bij bruggen kan worden beperkt door wegdelen af te schermen. • Om uitstraling op het foerageergebied te voorkomen kan verlichting op lagere hoogte worden aangebracht. • Door een inrichting van de omgeving op maat, zoals beplanting op de juiste plek, kan verstoring door licht worden voorkomen. • Er kan worden gewerkt met armaturen die licht goed richten en die een scherpe bundel hebben, om onnodige verstrooiing tegen te gaan. • De kleur van het licht kan worden aangepast. Vleermuizen zijn het meest gevoelig voor groenblauw tot ultraviolet licht, zodat die kleuren vermeden moeten worden.

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

Verder dient de brug een zodanige hoogte te hebben dat vleermuizen er probleemloos onderdoor kunnen vliegen. Daarbij geldt, hoe breder en hoger, hoe beter. Vanaf een hoogte van ongeveer vier meter zullen dwergvleermuizen de doorgang gebruiken, terwijl voor laatvliegers een hoogte van ongeveer zes à zever meter nodig is (Limpens et al. 2004). Op deze wijze kan worden voorkomen dat het leefgebied versnippert. Daarbij dienen de rietkragen langs de oevers zoveel mogelijk gespaard te worden, omdat ook deze onderdeel zijn van het foerageergebied, maar ook een geleiding vormen naar de veilige onderdoorgang onder de weg. Steenmarter en wezel De aanleg van de weg zal het bestaande leefgebied van de steenmarter en wezel doorsnijden en zal delen hiervan ongeschikt maken als leefgebied. Om te zorgen dat voldoende leefgebied aanwezig blijft, kan bestaand leefgebied verbeterd worden, zodat dit nog geschikter is voor marters. Er kan bijvoorbeeld meer dekking gecreëerd worden, door het aanplanten van struiken of heggen. Ook kan bestaand leefgebied, dat nog niet gebruikt wordt, bereikbaar worden gemaakt. Houtwallen en natuurlijke oevers bij sloten kunnen worden aangelegd, als leefgebied en als verbindende elementen. Ook kan buiten het bestaande leefgebied nieuw leefgebied worden aangelegd, bijvoorbeeld door het aanleggen van extensief beheerd grasland, met daarbij veel dekking van houtwallen.

Verder dient voorkomen te worden dat de toekomstige weg

57

leefgebied aan weerszijde van de weg versnipperd. Er dienen hiertoe bij de weg wildtunnels te worden gerealiseerd, zodat aanrijdingen worden voorkomen en dieren het omringende leefgebied kunnen blijven gebruiken (Bouwens, 2017; Westra en Kuiters 2018). Grote modderkruiper Wanneer bij de aanleg van de weg leefgebied van de grote modderkruiper verdwijnt, kan nieuw leefgebied worden gecreëerd. Bestaand leefgebied kan worden verbeterd en er kunnen nieuwe watergangen worden gegraven of een moerasgebied worden aangelegd. Leefgebied kan worden versterkt door de aanleg van natuurlijke oevers. Nieuw te creëren leefgebied moet grenzen aan het al aanwezige leefgebied en dit leefgebied dient tijdig gerealiseerd te worden, omdat het lang kan duren voordat een watergang geschikt is voor deze soort. Deze tijd kan verkort worden, door een deel van de begroeiing en modderbodem uit de oude watergang te verplaatsen naar de nieuwe watergang (BIJ12, 2021). Steenuil Volgens het kennisdocument van de steenuil (BIJ12, 2017g) is het bij een verlies van ongeveer 20% van een leefgebied van een steenuil waarschijnlijk dat de functionaliteit van een leefgebied significant aangetast wordt. Hierbij is het leefgebied wat heel dicht bij een nestlocatie ligt (binnen 200 meter) het belangrijkst voor het broedsucces van de steenuil.

Met de aanleg van de randweg gaat veel geschikt foerageergebied voor de steenuil verloren. Bij de vastgestelde territoria, zoals deze zijn aangegeven bij de verspreidingsgegevens van de NDFF, zal het de meeste nestlocaties inderdaad om circa 20% van het leefgebied binnen 200 meter van de nestlocatie gaan. Daarnaast is het goed mogelijk dat door de aanleg van een randweg direct ten noorden van het spoor een onoverkomelijk barrière gevormd wordt. Bij werkzaamheden die het leefgebied van steenuilen aantasten, maar geen nestlocaties aangetast worden dient er altijd op gericht te worden om de bestaande nestlocaties functioneel te houden. Dit kan gedaan worden door het leefgebied rondom de nestlocatie in kwaliteit te verbeteren. Als namelijk de kwaliteit van het overige leefgebied verbeterd wordt, hoeft het verlies van een deel van het leefgebied niet tot aantasting van de functionaliteit van een nestlocatie te zorgen. Steenuilen zijn ook vrij honkvaste dieren die graag op een bekende locatie blijven totdat dit echt niet meer mogelijk is. Verbetering van een leefgebied kan op veel verschillende manieren gedaan worden. Enkele voorbeelden zijn het creëren van overhoeken, kruidenzones, ruigten en struwelen takkenrillen, houtstapels, composthopen en mesthopen. Dergelijke maatregelen zorgen voor een goed leefgebied voor veldmuizen, wat het belangrijkste voedsel is voor steenuilen.

Verder kunnen ook kortgrazige percelen en hoogstamfruitboomgaarden gemaakt worden. Dit zorgt voor een beter jaaghabitat voor de steenuil. Verder kunnen noten en vruchtdragende struiken aangeplant worden, poelen aangelegd worden en graan in de winter overstaan. Dit zorgt voor alternatief voedsel, als noten, graan en amfibieën, als er geen muizen gevangen kunnen worden. Binnen 200 meter van de aangewezen nestlocaties op NDFF kunnen dergelijke maatregelen getroffen worden om de functionaliteit van de nestlocaties te garanderen. Dit

58

zal in samenwerking met de lokale grondeigenaren afgestemd moeten worden. Vanwege het relatief grote aantal verschillende grondeigenaren is het goed mogelijk om voldoende maatregelen te treffen.

6.4

Broedperiode en zorgplicht De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Verder kunnen bij (de start van) werkzaamheden in de broedperiode, broedende vogels worden verstoord, of hun nesten worden aangetast. Als dit leidt tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding van deze vogelsoort, is een dergelijk nest strikt beschermd volgens de Wet natuurbescherming. De broedperiode loopt globaal van half maart tot half augustus. Er is hiervoor geen vrijstelling te verkrijgen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten.

6.5

Nog benodigd aanvullend onderzoek Zoals werd beschreven in paragrafen 4.3 en 5.2, konden bij het gierzwaluwonderzoek geen bezoeken in de periode half-juni tot half juli worden gebracht aan de woning bij de Hamsestraat 90. Om het gierzwaluwonderzoek bij deze woning af te ronden, dienen hier aanvullend nog twee veldbezoeken te worden uitgevoerd. Daarnaast is voor de ruimtelijke ontwikkeling zelf, ook nog ander aanvullend onderzoek nodig, zoals valt op te maken uit de eerder opgestelde quick scan (SAB, 2021). Dit betreft aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van leefgebied van de steenuil, naar verblijfplaatsen van vleermuizen bij de woningen Hamsestraat 90 en 92 en naar verblijfplaatsen van de huismus en vleermuizen bij de woning aan de Tielsestraat 99. In deze quick scan adviseerden we nog niet om aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw uit te voeren bij de bebouwing. Dit omdat het hier lintbebouwing in landelijk gebied betreft die relatief laag is. Bij dergelijke bebouwing is de kans op aanwezigheid van gierzwaluwen niet groot (BIJ12, 217b). Echter, in de loop van het aanvullend onderzoek bleek in de woning van de Hamsestraat 90 toch een gierzwaluwverblijfplaats aanwezig. Daarom adviseren we nu ook bij de woning aan de Tielsestraat 99 gierzwaluwonderzoek uit te voeren.

6.6

Haalbaarheid ontheffing Zoals hierboven onderbouwd, kan aan de voorwaarden voor een ontheffing Wet natuurbescherming worden voldaan voor de ontwikkeling. Er heeft een alternatievenafweging plaatsgevonden waaruit blijkt dat er voor de ontwikkeling geen andere bevredigende oplossing is. Ook is er sprake van een groot openbaar belang van deze ontwikkeling. Er is daarnaast voldoende tijd, budget en ruimte om voldoende mitigerende maatregelen te treffen wanneer dat nodig mocht zijn, zodat de staat van

59

instandhouding van de soorten niet in het geding komt. Bij een juiste procedure is derhalve in alle redelijkheid te verwachten dat in deze situatie voldaan kan worden aan alle voorwaarden die gesteld worden. In het verleden zijn in vergelijkbare situaties hiervoor ook ontheffingen verstrekt door de provincie Gelderland, zoals de ontheffingen met nummers 2017-002753, 2018-002010 en 2018-0499172. In alle redelijkheid is daarom te verwachten dat een dergelijke ontheffing, bij het doorlopen van de juiste procedure, ook voor deze ontwikkeling verleend zal worden.

6.7

Vervolgstappen − Uitvoeren aanvullend onderzoek naar gierzwaluw bij de Hamsestraat 90, naar gierzwaluw en vleermuizen bij de Hamsestraat 90 en 92, naar gierzwaluw, huismussen en vleermuizen bij Tielsestraat 99 en naar leefgebied van de steenuil; − Aanvragen ontheffing Wet natuurbescherming voor de omgang met de soorten gierzwaluw, steenmarter, wezel, gewone dwergvleermuis, meervleermuis en grote modderkruiper; − Tref tijdig voldoende mitigerende maatregelen; − Houd rekening met broedende vogels; − Houd rekening met de zorgplicht.

60

Geraadpleegde literatuur Barataud, M. 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Species identification, study of their habitats en foraging behavior. BIJ12, 2017a. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017c. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017d. Kennisdocument Rosse vleermuis. Nyctalus noctula, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017e. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017f. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017g. Kennisdocument Steenuil Athena noctua, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2021. Kennisdocument Grote modderkruiper. Misgurnus fossilis, versie 2.0 oktober 2021. BIJ12, Utrecht Bouwens, S. 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging, rapport 2017.32. Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. E. Goverse, A,. J. E. Herder & M.P. de Zeeuw, 2015.

Handleiding voor het Monitoren van Amfibieën in Nederland. Vierde herziene druk. RAVON werkgroep Monitoring, Amsterdam & Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag. Janssen, J. A. M. Schamineé, J. H. J. 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de habitatrichtlijn. Limpens, H. Mostert, K. Bongers, W. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.

61

Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen overweg. Brochure Rijkswaterstaat en Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Netwerk Groene Bureaus. 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Netwerk Groene Bureaus. 2020. Definitielijst Netwerk Groene Bureaus. 16 januari 2020. SAB. 2021. Quick scan natuur. Randweg Opheusden. SAB, Arnhem. Projectnummer 200462. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5: 1-584. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden Van Dijk, J. 2018. Een nieuwe standvlinder. De Teunisbloempijlstaart. Vlinders 8. 2018. De Vlinderstichting. Van Dijk, J. 2021. Gestandaardiseerde monitoring teunisbloempijlstaart. PDF. De Vlinderstichting 2021. Veldman, J. Troost, C. Klink, A. 2021. Brochure soortenbescherming in Overijssel. Bunzing, egel, hermelijn en wezel. In opdracht van provincie Overijssel. Westra, S. A. Kuiters, R. S. M. 2018. Beheerwijzer. Landschappelijke maatregelen voor kleine marterachtigen. Zoogdiervereniging. Zoogdiervereniging & Probos.

2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites: www.bij12.nl www.ndff.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.vleermuizenindestad.nl www.vogelbescherming.nl www.wetten.nl www.zoogdiervereniging.nl

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11028427/1