CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Nader onderzoek Wet natuurscherming

Raadsvergadering 24 februari 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan Randweg Opheusden16.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nader onderzoek Wet natuurbescherming

Opheusden, Randweg

Gemeente Neder-Betuwe

Datum: 28 december 2021 Projectnummer: 200462

Versie 2

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging Definitie product

3 3 10 11

2

Wettelijk kader

12

2.1 2.2 2.3

Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing

12 13 13

3

Ecologie van soorten

15

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

Huismus Gierzwaluw Marters Vleermuizen Ringslang Amfibieën; de poelkikker en rugstreeppad Grote modderkruiper Teunisbloempijlstaart

15 16 16 16 18 19 20 20

4

Onderzoekmethodiek

21

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Overzicht veldbezoeken Huismus Gierzwaluw Marters Vleermuizen Ringslang Poelkikker Rugstreeppad Grote modderkruiper Teunisbloempijlstaart

21 23 23 24 25 28 29 30 30 32

5

Resultaten

33

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9

Huismus Gierzwaluw Marters Vleermuisonderzoek boom Tielsestraat 97 Vleermuisonderzoek vliegroute Linge Ringslang Poelkikker Rugstreepad Grote modderkruiper

33 34 35 38 42 44 45 45 45

5.10 Teunisbloempijlstaart

48

6

Conclusie en advies

50

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Ontheffing aanvragen Mitigerende maatregelen Broedperiode en zorgplicht Nog benodigd aanvullend onderzoek Haalbaarheid ontheffing Vervolgstappen

50 51 53 59 59 59 60

Geraadpleegde literatuur

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De gemeente Neder-Betuwe wil een nieuwe ontsluitingsweg aanleggen voor de kern van Opheusden. Om deze aanleg mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening nodig. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2021) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van verblijfplaatsen en leefgebied van huismus, steenuil, marters, vleermuizen, ringslang, poelkikker, rugstreeppad, grote modderkruiper en teunisbloempijlstaart niet kan worden uitgesloten. In 2021 werd een deel van het benodigde aanvullende onderzoek uitgevoerd. Tijdens dit aanvullende onderzoek werden, aanvullend op voornoemde te onderzoeken soorten, bij een woning aan de Hamsestraat 90 ook gierzwaluwen waargenomen. Vervolgens is ook naar deze soort aanvullend onderzoek uitgevoerd. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek dat werd uitgevoerd in 2021 uiteen.

Het betreft onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen en leefgebied van de huismus, vleermuizen, marters, rugstreeppad, poelkikker, grote modderkruiper, ringslang, teunisbloempijlstaart en gierzwaluw. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van voornoemde soorten en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soorten zijn. Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de provincie Gelderland, in de gemeente Neder-Betuwe. Het plangebied is langgerekt en ligt in het landelijk gebied tussen de kernen Opheusden en Kesteren. In de directe omgeving van het plangebied liggen boomkwekerijen, graslanden en akkerland. Onderstaande afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK Bewerking: SAB.

Het plangebied is veelal smal, enkele tientallen meters breed maar overbrugt, van west naar oost een afstand van ruim drie kilometer. Hieronder volgt, van west naar oost een nadere beschrijving van het plangebied. Westelijke aansluiting De westzijde van het plangebied bevindt zich nabij het bedrijventerrein ’t Panhuis bij Kesteren. Op deze locatie ligt de westelijke aansluiting van de toekomstige randweg, met de Tielsestraat. Navolgende afbeelding geeft de ligging van dit deel weer.

Luchtfoto van de westzijde van het plangebied (rood kader). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Binnen het plangebied liggen op deze locatie aan de uiterste westzijde een winkel en een grote vijver. Meer naar het oosten ligt een grasveld. En aan de Tielsestraat 99 ligt een woning met bijgebouwen. Aan de noordzijde maakt een deel van de Tielsestraat zelf ook deel uit van het plangebied. Waar het plangebied naar het oosten afbuigt, ligt een brede watergang en grasland. Ten zuiden van het perceel Tielsestraat 97 staan 4

hier enkele grotere bomen. Een deel van deze bomen is recent geknot/afgezet. De volgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie binnen dit deel van het plangebied.

Open water aan de uiterste westzijde

Bebouwing en watergang, gezien vanuit het zuiden

Plangebied gezien vanuit het noorden.

Watergang en geknotte bomen, gezien

Bebouwing en grasveld

vanuit het zuiden

Houtopstand aan Tielsestraat 97, foto vanuit

Eén van de nog twee aanwezige wilgen.

het noorden.

5

Het woonhuis aan de Tielsestraat 99

Opslagruimte op het perceel aan de Tielseweg 99. Gebouw opgetrokken uit metaal.

Deel parallel aan parallelweg Vanaf de westelijke aansluiting loopt de toekomstige randweg vervolgens parallel aan de spoorlijn en de bestaande parallelweg, over een afstand van circa 1,5 kilometer naar het oosten. Navolgende luchtfoto geeft dit deel van het traject weer.

Luchtfoto van het plangebied (rood kader) evenwijdig aan parallelweg en spoorlijn aan de westzijde plangebied. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Aan de westzijde ligt binnen dit deel van het plangebied een kazemat. Ook zijn hier een brede watergang en grasland aanwezig. Meer centraal in dit deel van het plangebied liggen verschillende boomkwekerijen, graslanden en watergangen. Ook kruist het plangebied enkele wegen. Aan de oostzijde van dit deel kruist het plangebied de Hamsestraat. Hier liggen binnen het plangebied twee woonhuizen met bijgebouwen, Hamsestraat nummers 90 en 92. Verder ligt langs de Hamsestraat een grotere vijver/ poel. De volgende afbeeldingen geven een impressie van dit deel van het plangebied.

6

Kazemat

Grasland en brede watergang

Grasland, sloot en boomkwekerij

Boomkwekerij

De twee woningen aan de Hamsestraat

Poel aan de oostzijde, kijkend in westelijke richting

Bocht naar het zuiden. Nabij de bebouwde kom van Opheusden buigt de toekomstige weg naar het zuiden. De kern van Opheusden wordt hier op de randweg aangesloten via een aansluiting met de Van Maanenstraat bij het sportpark. Het tracé loopt vervolgens naar het zuiden en kruist hier de spoorlijn. Navolgende afbeelding geeft de ligging van dit deel van het plangebied weer.

7

Luchtfoto met de globale ligging van plangebied (rood omkaderd) waar deze een bocht maakt naar het zuiden. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Binnen dit deel van het plangebied liggen verschillende watergangen, graslanden en boomkwekerijen. Bebouwing is binnen dit deel van het plangebied niet aanwezig. De volgende afbeeldingen geven een impressie van dit deel van het plangebied.

Open water, centraal in dit deel van het

Watergang, wandelpad en boomkwekerij

plangebied

Oostelijk deel Na de kruising met het spoor loopt het tracé verder naar het zuiden, kruist daar het kleine riviertje de Linge en buigt vervolgens naar het oosten af, om daarna min of meer parallel te lopen met de Linge. Bij de Pijenkampse Veldweg/ Pottenveld sluit het tracé vervolgens aan op de bestaande wegen. Navolgende afbeelding geeft de ligging van dit deel van het plangebied weer.

8

Luchtfoto met de globale ligging van het oostelijk deel van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Het plangebied bestaat hier uit agrarische grond, met grasland en boomkwekerijen. Ook is open water aanwezig in de vorm van de Linge en van verschillende watergangen. Bij de bocht naar het oosten ligt binnen het plangebied de oever van een grotere waterplas. Bebouwing is binnen dit deel niet aanwezig. De volgende afbeeldingen geven een impressie van dit deel van het plangebied.

Grasland en sloot

Linge, gezien vanuit het zuiden

Waterplas, ter hoogte van de bocht naar het

Aansluiting aan de oostzijde, bij Pottenveld

oosten

1.2.2

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal binnen het plangebied een weg worden aangelegd. De weg wordt overal aan één zijde voorzien van een vrij-liggend fietspad. Daarnaast wordt langs beide zijden van de weg een watergang gerealiseerd, met uitzondering van een paar locaties waar met één watergang kan worden volstaan. De weg en het

9

fietspad worden voorzien van de benodigde bermen. In de volgende afbeelding is een indicatie van het profiel weergegeven.

Indicatie profiel, met aanduiding weg (grijs), fietspad (rood), watergangen (blauw) en bermen (groen), bron: inrichtingstekening Sweco. Op de twee locaties waar de weg afbuigt van het spoor, is ruimte gereserveerd voor de realisatie van waterberging. Daarnaast wordt tussen het spoor en de Linge ten westen van het tracé waterberging gerealiseerd. Aangenomen is dat de woonhuizen en gebouwen die binnen het tracé van de weg liggen, zullen worden gesloopt. Verder is aangenomen dat de bomen binnen het tracé zullen worden gekapt en dat watergangen worden gedempt of verlegd. De Linge wordt gepasseerd door middel van een brug.

1.3

Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze: − Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2021), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017, 2021) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017). − Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is. − Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige. Onder een ecologisch deskundige

10

verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur. − Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.

1.4

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “nader onderzoek beschermde soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020) en omvat daarmee alle eisen die het NGB aan dit product stelt.

11

2

Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.

2.1

Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.

2.1.1

Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.

2.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

12

2.1.3

Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.

2.2

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.

2.3

Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.

Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en

13

habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2).

14

3 3.1

Ecologie van soorten Huismus De huismus is sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is voornamelijk gebonden aan menselijke bebouwing. Ook voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem aanbiedt. De huismus is geen zeldzame soort, maar is de afgelopen jaren wel sterk achteruit gegaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in bebouwd gebied dient vanwege zijn associatie met de mens en zijn relatief algemene voorkomen vaak rekening gehouden te worden met aanwezigheid van de huismus. De huismus broedt in losse kolonies van enkele tot tientallen nesten. Grotere kolonies hebben vaak een beter broedresultaat dan kleinere kolonies. Kolonies groter dan 25 broedparen hebben een positief broedsucces en zijn zelfvoorzienend. Ook gaan nakomelingen op zoek naar andere kolonies. Bij kolonies kleiner dan 10 broedparen is vaak een negatief broedsucces en zijn individuen uit andere kolonies nodig om de verliezen aan te vullen. Bij kolonies tussen de 10 en 25 broedparen wisselt het broedsucces. De huismus is zeer honkvast en stelt een aantal voorwaarden aan een geschikt leefgebied (BIJ12, 2017a): − Nestplaats: allereerst dienen geschikte nestplaatsen voorhanden te zijn. Huismussen broeden vaak onder pannendaken met ronde dakpannen. Onder platte pannen is te weinig ruimte om te broeden. Andere geschikte kieren in bebouwing worden ook gebruikt.

De nestplaatsen liggen meestal niet in de volle zon, aangezien dakpannen door de zon erg heet kunnen worden; − Voedsel: binnen maximaal enkele honderden meters van de nestplaats dient voedsel aanwezig te zijn. Volwassen dieren eten zaden van grassen en onkruiden, insecten, bessen, bloemknoppen, maar ook al het voedsel wat de mens aanbiedt, zoals voedsel uit voedersilo’s en etensresten. De voedselvoorziening moet het gehele jaar aanwezig zijn. In de broedperiode hebben de jongen eiwitrijk voedsel nodig, zoals bladluizen, muggen, vliegen en rupsen. Daarom moeten struiken, of andere vormen van groen aanwezig zijn waarin de huismussen dit voedsel voor hun jongen kunnen vinden; − Water: huismussen hebben water nodig. Dit vinden ze op allerlei plekken, zoals in een dakgoot of een speciale drinkbak; − Beschutting: huismussen zijn een makkelijke prooi voor roofdieren zoals sperwers. Binnen enkele meters van de voedselbronnen dient daarom beschutting aanwezig te zijn. Dit bestaat voornamelijk uit dichte, of groenblijvende struiken. De huismus gebruikt zijn nest het gehele jaar door. Voornamelijk tijdens de broedperiode (april tot en met augustus) en tijdens vorstperiodes is de huismus erg afhankelijk van de broedplaats. Eventuele verstoringen aan het nest mogen daarom in ieder geval niet in deze periodes plaatsvinden.

15

3.2

Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b).

3.3

Marters De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (zoogdiervereniging.nl). De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017). Ook de wezel heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017).

De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten.

3.4

Vleermuizen Elke vleermuissoort heeft een eigen specifiek scala aan eisen waaraan een leefgebied moet voldoen, om zich succesvol te kunnen handhaven. De verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden nemen hierin een centrale plaats in. Deze worden hieronder besproken.

16

3.4.1

Verblijfplaats Net als alle zoogdieren zoeken ook vleermuizen een beschermde ruimte op om te slapen, hun jongen te baren en groot te brengen. Dit is de zogenaamde vaste rust- en verblijfplaats. Vleermuizen bezitten door het jaar heen een groot scala aan verschillende soorten verblijfplaatsen om in bovengenoemde behoefte te voorzien. Er wordt voor deze diergroep onderscheid gemaakt tussen kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. In de kraamverblijfplaats worden de jongen (één per vrouwtje) gebaard en gezoogd. In dergelijke verblijfplaatsen scholen meerdere vrouwtjes (met jongen) bij elkaar. De omvang van een dergelijke kolonie verschilt per locatie en per soort. Van de gewone dwergvleermuis is bijvoorbeeld bekend dat zij groepen vormt van circa 50 tot 120 individuen (BIJ12, 2017c). Bij de laatvlieger zijn deze groepen geregeld kleiner: 10 tot 60 vrouwtjes (Dietz et al., 2011). In zomerverblijfplaatsen bevinden zich de volwassen mannetjes en vrouwtjes die zich niet voortplanten. Hier zijn geen grote groepen vleermuizen aanwezig. In de paarverblijfplaatsen vindt de paring plaats. Mannetjes bezetten dan een verblijfplaats met daaromheen zijn territorium en proberen vrouwtjes hiernaartoe te lokken om te paren. In de winterverblijfplaats overwinteren de vleermuizen (www.vleermuis.net).

Gewone dwergvleermuizen kunnen zowel in kleine als in grote groepen overwinteren (BIJ12, 2017c). De meervleermuis overwintert weer in grotten of bunkers en andere soorten trekken weg uit Nederland naar warmere oorden (www.vleermuis.net). Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al., 2011; Zoogdiervereniging en Probos, 2012). Vleermuizen leven door het jaar heen in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen, maar ook in een netwerk van verschillende verblijfplaatsen tijdens hetzelfde seizoen. Afhankelijk van soort en situatie is er sprake van een hoofdverblijfplaats met satellietverblijfplaatsen of van meer gelijkwaardige verblijfplaatsen.

Zelfs kraamverblijfplaatsen kunnen van de ene op de andere dag verlaten zijn, waarbij de vrouwtjes hun jongen hangend aan de buik met zich meedragen. Tussen winterverblijfplaatsen wordt minder gewisseld (www.vleermuis.net). Bij de gewone dwergvleermuis liggen alle verblijfplaatsen binnen een straal van 20 kilometer bijeen (BIJ12, 2017c). Bij grotere vleermuissoorten als de rosse vleermuis is dit gebied vele malen groter (BIJ12, 2017d).

17

3.4.2

Vliegroutes Vanuit hun verblijfplaatsen moeten de vleermuizen hun weg kunnen vinden op zoek naar voedsel. Met behulp van hun sonar moeten ze wegwijs worden in de omgeving tussen verblijfplaats en foerageergebied. Bepaalde vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, gebruiken hiervoor vaak een vaste route naar het foerageergebied. Lijnvormige elementen als een bomenrij of watergang met opgaande begroeiing zijn hierbij vaak belangrijk voor hun oriëntatie (www.vleermuizenindestad.nl, Limpens et al., 2004).

3.4.3

Foerageergebied Vleermuizen gebruiken verschillende typen gebieden om voedsel te vinden. Hiertoe heeft elke vleermuissoort zich op enige wijze gespecialiseerd. Een overeenkomst is dat ze allen beschutting van wind zoeken. Enerzijds om energie te besparen, anderzijds vanwege de hoeveelheid insecten. De gewone dwergvleermuis foerageert bijvoorbeeld vooral in open ruimtes in bosachtig gebied of langs wind beschutte, lijnvormige elementen, zoals bomenrijen of watergangen (BIJ12, 2017c). De laatvlieger foerageert ten opzichte van de gewone dwergvleermuis in dezelfde soort gebieden maar dan hoger in de lucht en zolang de wind het toe laat boven opener terrein. De watervleermuis foerageert meestal boven open water (www.vleermuizenindestad.nl).

3.4.4

Jaarcyclus vleermuizen Vleermuizen gebruiken dus een netwerk van deelleefgebieden met verschillende functies. De in Nederland meest voorkomende soorten volgen daarbij een duidelijke seizoenscyclus: beginnend bij winterslaap, achtereenvolgens migratie, kraamperiode, balts- of paartijd, trek en tenslotte weer winterslaap (www.vleermuizenindestad.nl). zie onderstaand tijdschema.

Jaarcyclus van vleermuizen. Bron: Zoogdiervereniging

3.5

Ringslang De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats. De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen. Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals 18

composterende bladhopen of andere rottende boomresten. In cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft 2009).

3.6

Amfibieën; de poelkikker en rugstreeppad

3.6.1

Poelkikker De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren (vennen en hoogveenputten) in bos, heide en hoogveen maar ook in graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen, uiterwaarden en op ruderaal terrein. De poelkikker wordt slechts zelden aangetroffen bij grote vijvers, meren of stromende wateren. Hij heeft een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een begroeide oeverzone. De larven leven in de bovenste waterlagen en in de snel opwarmende ondiepe oeverzones. In vergelijking met de meerkikker is de poelkikker vaker in kleinere wateren en in voedselarmere situaties te vinden. Buiten de voortplantingstijd kan hij ook worden aangetroffen in weilanden en bossen die op enige afstand van het water liggen (BIJ12, 2017e). Poelkikkers zijn typische waterkikkers. Ze zijn zowel ’s nachts als overdag actief. ’s Nachts zijn ze vaak op het land om voedsel te zoeken. De poelkikker eet alles wat beweegt en kleiner is dan het dier zelf, zoals insecten, wormen en slakken. De larven eten algen, zoöplankton, macrofauna en larven van verwanten en soortgenoten. Het zijn zon- en warmteminnende dieren. De trek naar de voortplantingswateren start afhankelijk van het weer, wanneer ze uit hun winterslaap komen, tussen half maart en eind april.

Als de luchttemperatuur 10 à 12 graden of meer wordt, meestal eind april of begin mei, wordt er gepaard. Het merendeel van de vrouwtjes zet in de tweede helft van mei de eieren af in eiklompen. Een vrouwtje van de poelkikker zet 600 – 3000 eieren per seizoen af. In twee maanden tijd ontwikkelen de larven zich tot juveniele dieren. De metamorfose wordt tussen half juli en eind september voltooid. In de loop van het volgende jaar worden ze geslachtsrijp en het daaropvolgende jaar nemen ze deel aan de voortplanting. Poelkikkers verlaten vanaf oktober de waterkant en gaan op zoek naar een overwinteringsplaats op het land. Ze graven zich dan in de grond in, of kruipen in muizenholletjes of onder stronken. De overwinteringsplaatsen liggen afhankelijk van het landschapstype binnen de 100 à 200 meter van het water. Het grootste deel van de populatie gaat in winterslaap op het land, incidenteel overwinteren exemplaren in het water (Creemers & van Delft, 2009; Goverse et al. 2015).

3.6.2

Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwlocaties. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven

19

de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009; BIJ12 2017f).

3.7

Grote modderkruiper De grote modderkruiper is een vissoort die vooral tijdens de schemering en in de nacht actief is. Overdag verblijven ze in dichte vegetatie of in de modder. ’s Avonds zoeken ze naar dierlijk voedsel als wormen, slakken, mosselen, insectenlarven of waterpissebedden. Ook eten ze wel rottende plantendelen. De soort is redelijk honkvast en brengt een groot deel van zijn leven op een beperkt oppervlakte door. Het leefgebied bestaat vooral uit ondiepe, stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals vennen, plassen en oude afgesneden meanders. Het water is vaak rijk aan vegetatie en ook kunnen verlandingssituaties aanwezig zijn. In het water is vaak een modderlaag aanwezig, met een laag van 10-30cm stevige modder. Wateren met een dikke laag dunne modder behoren niet tot het leefgebied. In drooggevallen wateren kan de soort enige tijd ingegraven in de modder overleven. In Nederland komt de soort voornamelijk nog voor in oude slootjes gelegen in ingepolderde voormalige overstromingsvlakten (BIJ12, 2021).

3.8

Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is een warmteminnende nachtvlinder die te vinden is op open plekken in vochtige bossen, bosranden en andere warme plaatsen waar de waardplanten groeien, zoals uiterwaarden en ruderale, braakliggende terreinen. Met het opwarmen van het klimaat wordt de soort steeds algemener in ons land. De vlinders van deze soort vliegen in mei en juni, waarbij eitjes worden afgezet op waardplanten. Dit zijn vooral teunisbloemen, maar ook (harig-) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart zijn waardplanten voor deze soort. De rupsen eten in de periode juni tot september van de waardplant, waarna ze in de strooisellaag verpoppen en overwinteren (Vlinderstichting.nl; Van Dijk 2018, 2021).

20

4

Onderzoekmethodiek

4.1

Overzicht veldbezoeken Voor het aanvullende onderzoek werd een groot aantal veldbezoeken uitgevoerd. In de navolgende tabel staat een overzicht van de veldbezoeken. In de paragrafen hierna volgt per soort (-groep) meer informatie over de gevolgde werkwijze.

21

X

Teunisbloempijlstaart

1

Grote modderkruiper

Bewolkt, 9 graden, lichte mot-

Ringslang

27-5-2021, 11:00-13:00

Poelkikker

X

Rugstreeppad

1

Marters

Half bewolkt, buiig 9 graden

Vleermuis vliegroute

Weer en overige informatie

5-5-2021, 9:15-10:15

9092 Vleermuis boom

Datum en tijdstip

9092 Gierzwlw .Hamsestrt.

Aantal deskundigen

Huismus Hamsestrt.

Overzicht veldbezoeken

regen, 3bft 27-5-2021, 21:30-0:00

Half bewolkt, 12 dalend naar 8

3

X

graden, droog, 2bft 28-5-2021, 20:00-00:30

Half bewolkt, ca 14 dalend

2

X

X

naar 11 graden, droog, 2bft 7-6-2021, 9:30-11:00

Onbewolkt, ca 18 graden, 3bft

1

9-6-2021, 20:45-23:30

Onbewolkt, ca 22 graden, 2bft

2

9-6-2021, 21:45-24:00

Licht bewolkt, ca 22 graden,

1

X X

X

X

X

X

1bft 10-6-2021, 20:15-22:15

Licht bewolkt, ca 26 graden,

1

X

droog, 2bft. 23-6-2021, 22:00-00:30

Half bewolkt, 16 dalend naar

2

14 graden, droog, 2bft. 1-7-2021, 13:30-17:00

Bewolkt, ca 16 graden, soms

2

X

X

miezerig, 3bft 7-7-2021, 21:45-00:45

Licht bewolkt, 16 dalend naar

2

X

X

12 graden, droog, 1bft 14-7-2021, 2:30-5:30

Geheel bewolkt, ca 19 graden,

1

X

droog, 3 bft 22-7-2021, 8:30-16:00

Half tot onbewolkt, 19 stijgend

2

X

X

X

X

X

X

naar 24 graden, droog, 2bft. 4-8-202, 8:15-11:50

Licht bewolkt, zonnig, 13 stij-

1

gend naar 21 graden, 1bft 12-8-2021, 9:15-11:30

Onbewolkt, 18 stijgend naar

1

X

X

X

X

23 graden, 2bft 19-8-2021, 23:00-1:00

Licht bewolkt, 15 dalend naar

1

X

13 graden, droog, 2 bft 2-9-2021, 8:30-12:00

Half bewolkt, 15 stijgend naar

1

18 graden, droog 9-9-2021, 21:15-23:15

Licht bewolkt, 20 dalend naar

1

X

18 graden, droog, 1bft 15-9-2021, 9:00-13:30

Bewolkt, 18 stijgend naar 20

1

X

graden, miezerig, 1bft. 23-9-2021, 9:30-11:30

Half bewolkt, 15 stijgend naar

1

X

19 graden, 3bft.

22

4.2

Huismus Bij twee woningen aan de Hamsestraat, Hamsestraat 90 en 92, werd onderzoek verricht naar de aanwezigheid van huismussen. Het inventariseren van huismussen vindt plaats door zichtwaarnemingen. Door ongeveer een uur in een bepaald gebied te inventariseren wordt een goed beeld gekregen van de aan- of afwezigheid van huismussen in een gebied. Aanwezigheid van huismusnesten kan op verschillende manieren worden aangetoond. Er mag uit worden gegaan van een huismusnest bij de volgende waarnemingen (BIJ12, 2017a): 1 Waarneming van nest of nestbouw; 2 Bezoek van een huismus aan een potentiële nestplaats; 3 Transport van voedsel of ontlastingspakketjes; 4 Bedelende jongen in een nest; 5 Van 10 maart tot 20 juni een zingend mannetje; 6 Van 10 maart tot 20 juni aanwezigheid van een paartje; 7 Van 10 maart tot 20 juni baltsgedrag. De laatste drie type waarnemingen zijn het makkelijkst te doen. Nadeel is wel dat de precieze nestlocatie dan nog niet geheel duidelijk is. Daarom is gewacht tot een huismus een potentiële nestplaats echt bezoekt (bijvoorbeeld in nestkast vliegen, of onder dakrand kruipen). De laatste drie type waarnemingen dienen onder de juiste onderzoeksomstandigheden uit te worden gevoerd. Droog, weinig wind, in de ochtend vanaf 1 à 2 uur na zonsopkomst op geluidsluwe momenten.

Om afwezigheid van de huismus met voldoende zekerheid vast te stellen, dienen twee inventarisatierondes in de periode van 1 april tot en met 15 mei uitgevoerd te worden, of dienen in de periode 10 maart tot 20 juni vier gerichte bezoeken aan de locatie gebracht te worden. Om voldoende spreiding te hebben, dient tussen de veldbezoeken minimaal 10 dagen te zitten. In dit geval werd 1 bezoek aan het gebied gebracht in de periode 1 april tot 15 mei en werden 2 bezoeken gebracht in de periode 15 mei tot 20 juni. De bezoeken werden uitgevoerd bij goede weersomstandigheden en met voldoende spreiding tussen de bezoeken, zodat een goed beeld werd verkregen van het gebruik van het gebied door huismussen.

4.3

Gierzwaluw Er werd gierzwaluwonderzoek verricht bij de woning Hamsestraat 90. Gezien de grootte van het plangebied is ervoor gekozen om de locatie van de nesten te bepalen door middel van het waarnemen van in- en uitvliegende gierzwaluwen. Dergelijke nestlocatietellingen leveren de beste resultaten op. Hierbij wordt 15 tot 30 minuten gepost per strategisch gekozen plek, van waaruit verschillende potentiële nestlocaties overzien kunnen worden. Naast invliegende individuen worden ook laagvliegende, luid roepende vogels genoteerd. Volgens het Kennisdocument Gierzwaluw (2017b) is dan een nestlocatie in de buurt. Conform de aanwijzingen in het kennisdocument, dient het nader onderzoek plaats te vinden door middel van drie inventarisaties met een tussenliggende periode van 23

minimaal 10 dagen, in de periode van 1 juni tot en met 15 juli. In dit geval vond één bezoek plaats in deze optimale periode, namelijk op 10 juni. Daarnaast vond een bezoek plaats eind mei, in de suboptimale periode. Omdat voor het vervolg van het onderzoek geen toestemming werd verkregen, kon een bezoek eind juni of begin juli, in de tijd dat gierzwaluwen jongen hebben, niet worden uitgevoerd. Er is hierdoor geen sprake van een volledig gierzwaluwonderzoek.

4.4

Marters Het landschap binnen het plangebied is op veel delen vrij open en grootschalig. Toch zijn plaatselijk ook enkele delen aanwezig met meer dekking en schuilmogelijkheden, zoals greppels, houtstapels, struweel en een enkele houtwal Bij deze meer geschikte plekken werd marteronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek naar de steenmarter is niet aan bepaalde protocollen of onderzoeksvoorwaarden gebonden. Voor het onderzoek kunnen cameravallen worden gebruikt en ook kan worden gelet op sporen. De steenmarter is het gehele jaar actief en daarom kan onderzoek naar de soort het gehele jaar uitgevoerd worden. Voor onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) bestaan verschillende methoden, zoals het gebruik van cameravallen, marterboxen, sporenbuizen en nestkasten (Bouwens, 2017). Voor het aanvullende onderzoek werd tijdens de veldbezoeken gelet op sporen van marters, zoals prooiresten, uitwerpselen en pootafdrukken. Aanvullend werden op twee plekken cameravallen geplaatst om te onderzoeken of de steenmarter voorkomt. Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen, werd daarnaast gebruik gemaakt van de ‘struikrover’. De struikrover is een wildcamera die in een schuin afgesneden pvc buis is gemonteerd. Aan de ingang van de buis wordt als lokmiddel een blikje sardines op olie geplaatst.

De struikrover blijkt een effectief onderzoeksinstrument voor het waarnemen van de drie soorten kleine marterachtigen. Voor een goede inventarisatie dienen struikrovers ten minste drie weken in het veld te staan (zoogdiervereniging.nl; Veldman et al. 2021). Bij dit onderzoek werden drie struikrovers gedurende zes weken ingezet. Voor het marteronderzoek werden de cameravallen en struikrovers verspreid over het plangebied geplaatst (zie ook navolgende afbeeldingen). Aan de achterzijde van het perceel aan de Tielsestraat 97 staat een bomenrij met daaronder en daarnaast dicht struweel, met onder meer braam. Ook zijn hier houtstapels aanwezig. In dicht struweel werd een struikrover geplaatst, voor onderzoek naar kleine marters (locatie 1 op navolgende kaart). Bij een veld, dat dicht is begroeid met ruigtekruiden waaronder braam, brandnetel en riet, werd een tweede struikrover geplaatst (locatie 2). Nabij deze locatie werden in een boomgaard marteruitwerpselen gevonden. Bij een boom, vlakbij deze vindplaats, werd een wildcamera opgehangen (locatie 3). Ten zuiden van de Linge is een noord-zuid lopende houtwal aanwezig die van oost naar west wordt doorsneden door het plangebied. In deze houtwal werden een struikrover en wildcamera geplaatst (locaties 4 en 5). De cameravallen en struikrovers werden zes weken in het veld geplaatst, van 22 juli tot 2 september 2021.

Tussendoor werden op 12 augustus de batterijen gewisseld. Ook werd daarbij één van de struikrovers van plek gewisseld. Deze werd verplaatst

24

van het ruigteveld centraal in het plangebied, naar een boom nabij dit ruigteveld, omdat het ruigteveld mogelijk gemaaid zou worden.

Locaties waar struikrovers (geel) of cameravallen (blauw) werden geplaatst voor het marteronderzoek.

Struikrover in de rand van de houtwal bij locatie 4.

4.5

Vleermuizen

4.5.1

Onderzochte soorten, functies en onderzoeksomstandigheden Gebaseerd op de resultaten van de eerder uitgevoerde quick scan (SAB, 2021) werd bij de Linge onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van een vliegroute voor vleermuizen en werd bij een boom aan de Tielsestraat 97 onderzoek uitgevoerd naar

25

de aanwezigheid van verblijfplaatsen. Deze boom betreft een oude wilg, aan de zuidoostzijde van het perceel, waarin enkele holten aanwezig zijn. Het vleermuisonderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen zoals deze zijn verwoord in het Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, 2021). Om aan deze richtlijnen te kunnen voldoen, werd al in de quick scan beoordeeld welke vleermuissoorten mogelijk in het plangebied voor kunnen komen en welke functies het voor deze soorten kan vervullen. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding van in Nederland voorkomende vleermuizen, de ecologie van de soorten en de aangetroffen situatie. In navolgend overzicht is deze beoordeling uiteengezet.

Locaties vleermuisonderzoek

Beoordeling van mogelijk aanwezige soorten en de functies die de situatie in het onderzoeksgebied zou kunnen vervullen (x = functie is niet uit te sluiten, - = functie is uit te sluiten). Vleermuissoort

Kraam-

Zomer-

Paarver-

Winter-

Foera-

Vlieg-

verblijf

verblijf

blijf

verblijf

geerge-

route

boom

boom

boom

boom

bied

Linge

-

-

x

-

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

x

x

Laatvlieger

x

x

x

x

X

x

Meervleermuis

x

x

x

-

x

x

Watervleermuis

x

x

x

-

x

x

Rosse vleermuis

x

x

x

x

x

x

Gewone grootoorvleermuis

-

x

x

x

x

x

Gewone dwergvleermuis

De mogelijk aanwezige vleermuissoorten en functies, zoals weergegeven in voorgaand overzicht, zijn in dit onderzoek onderzocht. Om voor deze soorten te voldoen aan de onderzoekseisen van het vleermuisprotocol zijn de veldbezoeken uitgevoerd zoals is weergegeven in navolgende tabel. . In die tabel zijn ook de weersomstandigheden en het aantal onderzoekers weergegeven. Tevens is weergegeven wanneer welke functies zijn onderzocht.

26

Tijdstip zonsopkomst en Datum en tijdstip

zonsondergang

Weer en overige informatie

28-5-2021, 21:45-00:15

5:25, 21:49

Half bewolkt, ca 14 dalend

9-6-2021, 21:45-24:15

5:16, 22:02

Licht bewolkt, ca 22 graden,

7-7-2021, 21:45-00:15

5:25, 22:04

Licht bewolkt, 16 dalend

Vleermuis vliegroute

Vleermuis boom

Informatie over de veldbezoeken voor het vleermuisonderzoek

X

naar 11 graden, droog, 2bft X

1bft X

naar 12 graden, droog, 1bft 14-7-2021, 2:30-5:30

5:33, 21:58

Geheel bewolkt, ca 19 gra-

X

den, droog, 3 bft 19-8-2021, 23:00-1:00

6:28, 20:59

Licht bewolkt, 15 dalend

X

naar 13 graden, droog, 2 bft 9-9-2021, 21:15-23:15

7:03, 20:11

Licht bewolkt, 20 dalend

X

naar 18 graden, droog, 1bft

Bij het onderzoek naar de vliegroute van vleermuizen bij de Linge, werd er bewust voor gekozen de tussenperiode tussen de onderzoeken iets te verkorten. Conform het vleermuisprotocol dienen bezoeken zo goed mogelijk verspreid te worden over de optimale periode voor het onderzoek, waarbij er voor onderzoek naar vliegroutes tussen de bezoeken optimaal ten minste 8 weken zit tussen de bezoeken. De optimale periode voor het waarnemen van vliegroutes is in de zomerperiode. In dit geval werden beide bezoeken in de zomerperiode uitgevoerd, waarbij het eerste veldbezoek plaatsvond op 28 mei, aan het begin van de kraamtijd. Het tweede bezoek werd bewust iets vervroegd uitgevoerd, namelijk op 7 juli aan het eind van de kraamtijd. Dit werd gedaan, omdat de Linge met name geschikt lijkt als vliegroute voor watervleermuizen en meervleermuizen. Jongen van deze soorten worden vanaf de eerste helft van juni geboren en vliegen al vanaf circa half juli uit (Limpens et al. 1997). Om de functie als vliegroute voor een kraamverblijfplaats van deze soorten goed te onderzoeken, werd besloten het tweede bezoek niet pas eind juli uit te voeren, omdat eind juli de kans bestond dat kraamkolonies alweer uit elkaar waren gevallen, door het uitvliegen van jongen vanaf half juli. 4.5.2

Methode De onderzoekers hebben zich gedurende het veldonderzoek over het onderzoeksgebied verspreid en gezocht naar vleermuizen door middel van zichtwaarnemingen en het gebruik van batdetectors. Navolgende waarnemingen zijn belangrijk en zijn in ieder geval genoteerd: − Vleermuizen die in of uit een gebouw, boom, etc. vliegen. Dit wijst op de aanwezigheid van een verblijfplaats;

27

− Zwermgedrag; vleermuizen die een tijdje en op een typische manier op een bepaalde plek rondvliegen. Vaak met meerdere vleermuizen, maar kan ook alleen. Dit kan duiden op een verblijfplaats. − Paargedrag, zoals baltsactiviteit van mannelijke vleermuizen. Dit kan bijvoorbeeld wijzen op de aanwezigheid van een paarterritorium en paarverblijfplaatsen. − Foeragerende vleermuizen. Hierbij is van belang hoeveel vleermuizen foerageren en of nog andere functies in de buurt aanwezig zijn. Op basis van deze waarnemingen is bepaald of sprake is van essentieel foerageergebied. − Meerdere vleermuizen die een bepaalde route vliegen. Dan is meestal sprake van een vliegroute van vleermuizen. Op basis van deze waarnemingen en een inschatting van de omgeving is bepaald of sprake is van een essentiële vliegroute. 4.5.3

Batdetectors Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is uitgevoerd door middel van zichtwaarnemingen en onderzoek met batdetectors. In dit onderzoek zijn de typen Petterson D240X, Petterson M500 en Batlogger M gebruikt. Een batdetector is een apparaat dat de onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen opvangt en vertaalt in voor mensen hoorbare geluiden. Door interpretaties van ritme, klank en hoogte van het door het apparaat uitgezonden geluid kunnen de meeste soorten vleermuizen worden onderscheiden en op naam worden gebracht. Met behulp van deze detectoren kunnen opnames worden gemaakt die eventueel achteraf geanalyseerd kunnen worden met behulp van computerprogramma’s. Met name voor de soorten van het geslacht Myotis is dit noodzakelijk om tot een zekere determinatie te komen. Bij het onderzoek bij de vliegroute bij de Linge werd bij het bezoek van 7 juli verder een warmtebeeldcamera (type Pulsar Helion XP50) gebruikt.

4.5.4

Weersomstandigheden De vleermuisveldbezoeken mogen alleen bij goede weersomstandigheden uitgevoerd worden. Deze eisen zijn ook in het vleermuisprotocol opgenomen. Als de weersomstandigheden onvoldoende zijn, is de vleermuisactiviteit lager dan bij goede weersomstandigheden en geven de waarnemingen geen goed beeld van het vleermuisgebruik van het onderzoeksgebied. In dit geval zijn alle veldbezoeken bij goede weersomstandigheden uitgevoerd. Weergegevens zijn geraadpleegd via de websites van het KNMI, Weer.nl en Buienradar.nl.

4.6

Ringslang Binnen het plangebied is veel open water aanwezig, in de vorm van slootjes, de Linge en enkele grotere poelen/plassen. Veel watergangen binnen het plangebied, hebben een steile oever met op de kant vegetatie die intensief wordt beheerd. Die delen zijn als leefomgeving niet geschikt. Op enkele plekken is een meer natuurlijke oever langs het water aanwezig, waarbij in de omgeving ook terreindelen voorkomen die verruigd zijn en die dekking kunnen bieden. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat deze delen als leefgebied door de ringslag gebruikt worden. Op de volgende afbeelding zijn deze plekken aangegeven. Bij deze plekken werd aanvullend onderzoek naar de ringslang uitgevoerd. Voor het nader onderzoek naar het leefgebied van de ringslang zijn

28

door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geen richtlijnen of voorwaarden opgesteld. Wel geeft het Netwerk Groene Bureaus richtlijnen. Het onderzoek werd uitgevoerd conform deze richtlijn. Conform deze richtlijn kan de aanwezigheid in zomerbiotoop worden vastgesteld door middel van vier bezoeken in de periode van april tot en met september, waarbij structuurovergangen worden gecontroleerd op de aanwezigheid van zonnende dieren. Optimale weersomstandigheden voor dit onderzoek zijn momenten met zonneschijn maar een lage temperatuur (NGB, 2017). Voor dit onderzoek werden bij geschikte weersomstandigheden vijf ochtendbezoeken aan het gebied gebracht, waarbij de potentieel geschikte oevers gecontroleerd werden op ringslangen.

Onderzoeksgebied ringslang (blauw).

4.7

Poelkikker Binnen het plangebied is op enkele delen mogelijk geschikt leefgebied aanwezig voor de poelkikker. Dit betreft enkele delen van het plangebied waar een rijkere oeverbegroeiing aanwezig is, waar onderwatervegetatie aanwezig is en waar het water helder is. Bij deze delen werd onderzoek uitgevoerd naar de poelkikker. Het onderzoek werd uitgevoerd conform de aanwijzingen uit het kennisdocument (BIJ12, 2017e). Conform deze aanwijzingen dient op minimaal twee niet te koude avonden in de periode meijuni te worden geluisterd naar kooractiviteit. In dit geval werd op geschikte avonden in juni geluisterd naar kooractiviteit. Aanvullend werden bij twee veldbezoeken in juli met behulp van een schepnet groene kikkers gevangen en gecontroleerd.

29

Locaties binnen het plangebied, waar de aanwezigheid van leefgebied van de poelkikker niet is uitgesloten en waar onderzoek werd verricht (geel).

Met behulp van een schepnet werden op verschillende plekken, waar eerder ’s avonds was geluisterd, groene kikkers gevangen.

4.8

Rugstreeppad Het nader onderzoek naar het leefgebied van de rugstreeppad werd uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het NGB –inventarisatieprotocol (NGB, 2017) en het kennisdocument (BIJ12, 2017f). Daarbij werd op geschikte avonden vier maal geluisterd naar kooractiviteit van de rugstreeppad, waarbij één bezoek plaatsvond in mei. Open water binnen het plangebied vormt in potentie geschikt voorplantingswater. Daarom werd verspreid over het plangebied geluisterd. Aanvullend werd bij de veldbezoeken voor het onderzoek naar poelkikker, gelet op de aanwezigheid van eisnoeren in het water en juveniele padjes op de oevers van de watergangen.

4.9

Grote modderkruiper Het nader onderzoek naar het leefgebied van de grote modderkruiper is uitgevoerd conform de richtlijnen van het kennisdocument voor deze soort (BIJ12, 2021). Voor het inventariseren van grote modderkruipers bestaan verschillende methoden. Omdat een aantal watergangen in het plangebied sterk zijn verland en deze watergangen niet jaarlijks worden geschoond, maakt de begroeiing het inventariseren van grote modderkruipers door middel van een schepnetbemonstering, door middel van elektrovisserij of door middel van waarnemingen met een sterke zaklamp lastig. Er is daarom gekozen de soort te inventariseren met behulp van e-DNA.

30

Op 15 september, in de actieve periode van deze soort, werden op vier locaties watermonsters verzameld. Op deze vier locaties zijn verlandende slootjes aanwezig, die in potentie geschikt leefgebied kunnen zijn voor deze soort. Op iedere locatie werden, over een slootlengte van circa 80-100 meter, met behulp van een klein schepje 28 deelmonsters verzameld. Deze 28 deelmonsters werden voor iedere locatie samengevoegd tot één monster per locatie. Van ieder monster werd vervolgens het organische materiaal met behulp van een pomp en filter uit het water gefilterd. Van het organische materiaal op het filter werd vervolgens in een laboratorium (Datura B.V.) het DNA geextraheerd. Met behulp van een primer en een PCR-test werd daarna voor ieder monster twaalf keer bepaald of DNA van de grote modderkruiper aanwezig is.

Met behulp van een klein bekertje werden per locatie 28 deelmonsters verzameld, die vervolgens werden samengevoegd tot één monster.

31

De vier locaties met verlandende slootjes (in geel), waar monsters werden verzameld voor nadere analyse.

4.10

Teunisbloempijlstaart Voor deze soort bestaat geen kennisdocument. Het onderzoek werd opgezet volgens de aanwijzingen voor de monitoring van deze soort (Van Dijk, 2021). Daarbij werd gezocht naar voorplantingsplaatsen van deze soort, door het zoeken naar rupsen op waardplanten. Deze rupsen zijn aanwezig in de periode juni – september. Voor het onderzoek werden eerst de mogelijke waardplanten in het gebied in kaart gebracht, waarna in de periode juli tot begin augustus mogelijke waardplanten door middel van drie veldbezoeken werden gecontroleerd op de aanwezigheid van rupsen van deze soort.

Voor het onderzoek naar de teunisbloempijlstaart werden potentiële waardplanten, zoals hier harig wilgenroosje, gecontroleerd op de aanwezigheid van rupsen.

32

5 5.1

Resultaten Huismus Bij het eerste bezoek op 5 mei 2021, werden bij zowel de woning aan de Hamsestraat 90 als Hamsestraat 92 geen huismussen waargenomen. Wel waren baltsende huismussen aanwezig bij de woning aan de Hamsestraat 88 en bij bebouwing aan de Parallelweg, op enige afstand van de woningen aan de Hamsestraat. Tijdens het tweede bezoek was er veel huismusactiviteit. Af en toe vlogen er ook huismussen bij de woningen aan de Hamsestraat 90 en 92. Soms zat er ook een huismus mannetje te baltsen op het dak van de woning Hamsestraat 90, maar deze vloog dan terug naar het perceel Hamsestraat 88. Daar zijn in ieder geval twee nesten aanwezig bij de woning. Aanwijzingen voor essentieel leefgebied bij de percelen Hamsestraat 90 en 92 werden niet gevonden. Bij het derde bezoek werd opnieuw gezien hoe één van de huismusnesten bij de woning aan de Hamsestraat 88 werd gebruikt. In totaal vlogen vier tot zes huismussen van en naar de woning bij Hamsestraat 88. Daar lijken dus twee of drie verblijfplaatsen aanwezig. Bij de woningen van de Hamsestraat 90 en 92 werd wederom geen nestplaats of essentieel leefgebied vastgesteld. De volgende afbeelding visualiseert de waarnemingen tijdens het onderzoek.

Resultaten van het huismusonderzoek

33

5.2

Gierzwaluw Bij het eerste veldbezoek, van 27 mei, werd gezien hoe om circa 21:54 uur een gierzwaluw een kier tussen de oostelijke gevel en de dakoverstek van het woonhuis aan de Hamsestraat 90 binnenvloog. Andere gierzwaluwwaarnemingen werden die avond niet gedaan bij de woning.

Locatie van de gierzwaluwnestplaats, bij de nok van de oostgevel van de woning aan de Hamsestraat 90.

Bij het tweede onderzoek, op 10 juni, werden hoog in de lucht soms gierzwaluwen waargenomen. Deze hadden echter geen binding met de gebouwen aan de Hamsestraat 90 of 92. Ook gierende gierzwaluwen waren bij deze woningen niet aanwezig. Wel werd om 20:49 een stille, invliegende gierzwaluw gezien, op dezelfde plek als waar eerder een verblijfplaats werd vastgesteld. Deze gierzwaluw is later niet nog uitgevlogen. Andere waarnemingen van gierzwaluwen werden die avond niet bij de woning gedaan. Naast deze waarnemingen, werd op 7 juni, bij het huismusonderzoek op deze locatie, gezien hoe bij de nok van de woning een gierzwaluw invloog. Gezien werd ook, dat daar even later een gierzwaluw weer uitvloog. Andere gierzwaluwwaarnemingen werden niet gedaan bij het huismusonderzoek. De waarnemingen van dit huismusonderzoek vonden overdag plaats en bevestigen het beeld van het gierzwaluwonderzoek. Uit het gierzwaluwonderzoek blijkt dus dat bij de nok van de oostelijke gevel van de woning aan de Hamsestraat 90 één gierzwaluwnestplaats aanwezig is. Omdat ook werd gezien hoe hier overdag een vogel invloog en even later weer uitvloog, zal het hier om een broedplaats gaan. Gezien de aantallen in- en uitvliegende dieren die zijn waargenomen, bij zowel het gierzwaluwonderzoek als het huismusonderzoek betreft het de broedplaats van één paartje gierzwaluwen.

Aanwijzingen voor andere gierzwaluwverblijfplaatsen werden niet gevonden. Echter, zoals beschreven werd in paragraaf 4.3, kon om praktische redenen geen veldbezoek worden gebracht in de periode eind juni – begin juli, zodat hier geen sprake is van een volledig gierzwaluwonderzoek.

34

Het is nog niet geheel uit te sluiten dat nog een verblijfplaats aanwezig is. De volgende afbeelding vat de waarnemingen van het onderzoek samen.

5.3

Marters

5.3.1

Sporen Bij de veldbezoeken die ook in het kader van de andere soorten werden uitgevoerd, werden in het plangebied nooit marters waargenomen. Sporen van een marter werden maar op één locatie gevonden. In een boomkwekerij nabij de Hamsestraat, werden getordeerde (gedraaide) uitwerpselen gevonden, van circa 4 cm lang en circa 8-10mm dik, waarin duidelijk haren en botjes zichtbaar waren. Gezien de grootte en vorm van de uitwerpselen betreft dit mogelijk uitwerpselen van een bunzing of steenmarter. Direct nabij de locatie waar deze uitwerpselen werden gevonden, werd een cameraval opgehangen (locatie 3, zie kaartje in paragraaf 4.4). Andere uitwerpselen of sporen werden niet aangetroffen.

5.3.2

Bevindingen cameravallen en struikrovers Locatie 1, struikrover in struweel Tielsestraat 97 Met de struikrover die aan de zuidkant van het perceel Tielsestraat 97 in dicht struweel was geplaatst, werden meer dan duizend opnamen gemaakt. Met de camera werden muizen, ratten en slakken vastgelegd. Ook was soms een huiskat aanwezig. Marters waren hier niet aanwezig. Locatie 2, struikrover in ruigteveld bij boomkwekerij Deze struikrover stond in een veld met riet en ruigte bij een boomkwekerij en werd na 3 weken verplaatst naar een plek bij een boom, bij de oever van een sloot. Met de

35

camera werden honderden foto’s gemaakt, van vooral muizen, maar ook van ratten. Ook werd soms een egel waargenomen. Daarnaast werd, toen de camera in het ruigteveld stond, een wezel waargenomen. Deze wezel was tweemaal aanwezig, de eerste keer op 26 juli om 20:31 uur. De tweede keer op 2 augustus, om 18:17 uur. Andere waarnemingen van marters werden niet gedaan met deze struikrover. Toen de struikrover was verplaatst, naar een locatie 45 meter oostelijker, langs de begroeide oever van een sloot, bij een boom vlakbij het ruigteveld, werd geen wezel meer waargenomen.

Opname van een wezel, waargenomen met de struikrover op locatie 2.

Locatie 3, cameraval aan boom bij boomkwekerij Met de camera werden vele honderden opnamen gemaakt van onder meer vogels, zoals fazant, blauwe reiger, zwarte kraai, wilde eend en houtduif. Ook werden egels en katten waargenomen. Daarnaast werd enkele keren een steenmarter gefotografeerd. De eerste opname hiervan was op 23 juli, om 23:22 uur. Daarna werd een steenmarter nog op 27 juli, 17 augustus en 26 augustus vastgelegd. Op al de opnamen was steeds maar één marter zichtbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11028427/1