Bijlage - Bestemmingsplan (ontwerp)
Tekst van het document
23
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Afstand nieuwe stal t.o.v. milieugevoelige functies Volgens de richtafstanden opgenomen in de VNG-brochure is een pluimveehouderij aangemerkt als zijnde een categorie 3.2 bedrijf, waarbij de grootste richtafstand (geur) 200 meter bedraagt. In de omgeving van het plangebied komen de volgende milieugevoelige functies voor: Locatie
Functie Bedrijfswoning Woning Woning Woning Woning Woning Bedrijfswoning Woning Woning Bedrijfswoning Woning Bedrijfswoning
Afstand bestaande situatie 165 meter 20 meter 340 meter 85 meter 66 meter 42 meter 73 meter 103 meter 170 meter 367 meter 236 meter 212 meter
Afstand toekomstige situatie 165 meter 20 meter 300 meter 85 meter 66 meter 42 meter 73 meter 103 meter 170 meter 360 meter 230 meter 200 meter
Bonegraafseweg 33 Bonegraafseweg 37 Bonegraafseweg 47 Bonegraafseweg 52 Bonegraafseweg 54 Bonegraafseweg 56 Bonegraafseweg 56a Bonegraafseweg 58 Bonegraafseweg 60 Bonegraafseweg 62 Lagecampseweg 2 Verlengde Lagecampseweg 2 Verlengde Lagecampseweg 6-6a
Bedrijfswoning
217 meter
210 meter
Tabel 4.4: overzicht relevante milieugevoelige functies In bovenstaande tabel is in kaart gebracht welke (bedrijfs)woningen binnen de richtafstand van 200 meter liggen en buiten de richtafstand van 200 meter liggen. Hieruit blijkt dat voor de woningen die binnen de richtafstand van 200 meter liggen ten opzichte van de huidige situatie niets veranderd. Ten opzichte van de buitenloop dient ook gekeken te worden naar de afstand ten opzichte van woningen. De buitenuitloop is gelegen op een afstand van 25 meter van de woningen Bonegraafseweg 58 en 60 en 70 meter van de woning Lagecampseweg 2. Er is geen vaste wetgeving over richtafstanden vanaf buitenuitlopen. Echter gezien het feit dat de gevelafstanden tussen stallen en geur-gevoelige objecten ook 25 meter betreft, is 25 meter voldoende. Zeker gezien het feit dat de kippen in meeste buitenuitlopen slechts ongeveer 50 meter uit de stal scharrelen. De afstand tussen de stal en de dichtstbijzijnde woning, Bonegraafseweg 58, is ongeveer 150 meter. Hierdoor is er nog een afstand van 100 meter waar slechts sporadisch enkele kippen lopen. De afstand tussen de uitloop en omliggende woningen is daarom voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 4.4.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).
24
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in navolgende tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens, dus van na de inwerkingtreding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM.
In onderhavige situatie is sprake van een afname van de emissie van fijn stof // PM10. Derhalve is de beoogde ontwikkeling automatisch aan te merken als ‘Niet in betekende Mate (NIBM)’. De emissie van fijn stof vormt geen belemmering de gewenste situatie te realiseren. Aan het gestelde in de Wet luchtkwaliteit wordt voldaan. 4.5.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
25
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: • •
voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
diercategorieën Rgv
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
max. 3 ouE/m³
max. 2 ouE/m³
andere diercategorieën min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object
min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
max. 8 ouE/m³
max. 14 ouE/m³
andere diercategorieën min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Tabel 4.3: maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: • •
de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object wordt gemeten.
Activiteitenbesluit Op 1 januari 2008 is Activiteitenbesluit milieubeheer in werking getreden. Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit uitgebreid met agrarische activiteiten. In het besluit zijn algemene regels opgenomen voor bedrijven die onder de Wm vallen en voorheen een milieuvergunning nodig hadden. Het Activiteitenbesluit maakt onderscheid tussen 3 categorieën bedrijven; type A, B en C. Type A bedrijven moeten zich houden aan de regels van het Activiteitenbesluit maar zijn niet meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. Type B bedrijven zijn wel meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. In sommige gevallen moeten zij ook een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) aanvragen. Voor type C bedrijven geldt dat zij (voor het onderdeel milieu) nog steeds een omgevingsvergunning moeten aanvragen.
26
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Diercategorieën met geuremissiefactoren In de gewenste bedrijfsopzet wordt de grens van 40.000 stuks pluimvee overschreden. Hierdoor is sprake van een type C inrichting. Daar onderhavig bedrijf een type C bedrijf is, zijn met betrekking tot het aspect geur de Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende regeling maatgevend. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt in niet-concentratiegebieden de normstelling ter plaatse van een (burger)woning van derden het buitengebied 8 OUE/m 3 en ter plaatse van een woning in de bebouwde kom 2 OUE/m3. Om te kunnen voldoen aan deze normen is de ventilatie van enkele bestaande stallen aangepast. Uit de berekening blijkt dat in de gewenste situatie aan de geldende normstellingen uit de Wet geurhinder en veehouderij en de plaatselijke geurverordening kan worden voldaan, zoals blijkt uit gegevens uit de bijlage ‘Toelichting onderdeel milieu’. Ook is de geurbelasting afgenomen ten opzichte van de vigerende vergunning. In de beoogde situatie is de geurbelasting lager dan in de vigerende vergunning én onder de norm. Ook het aandeel van onderhavig bedrijf in de achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten zal dus redelijkerwijs afnemen. 4.6.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPGtankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
27
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd.
Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico’s zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico’s – veroorzaakt door het werken met – opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relatieve taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico’s wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico’s.
De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1. De externe veiligheidsrisico’s goed in beeld zijn gebracht; 2. De gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico’s; 3. Een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; 4. Beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico’s; 5. Communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico’s en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit. 4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
4.7.2.1 Risicovolle inrichting Het plan voorziet niet in het oprichten van risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Uit de signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. 4.7.2.2 Transportroutes Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid alleen relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de A15. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. 28
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheid voor: • De bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s), en • De zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 4 oktober 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijk besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) “zeer kwetsbaar gebouw”, bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. 4.7.2.3 Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. 4.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de A15. Gelet op de hiervoor genoemde overwegen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -verordening Gelderland; • Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2022 – 2027, Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren.
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
29
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het ‘hydrologisch neutraal’ bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is.
In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen.
30
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m 2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt. Gemeentelijk Rioleringsplan Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor komende jaren (2019 tot en met 2023) wordt omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater. Waterplan 2019-2023 (GRP) Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk.
Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. Dit Waterplan Neder-Betuwe 2019-2023 is een product van de samenwerking tussen Waterschap Rivierenland en de gemeente Neder-Betuwe en een vervolg op het eerste Waterplan (2008-2012) en tweede Waterplan (2014-2018). Het Waterplan geeft streefbeelden voor het oppervlaktewater in de gemeente. Die kunnen dienen bij de vormgeving van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij zijn de doelstellingen: • een veerkrachtig, robuust en duurzaam watersysteem. • een optimaal functionerende waterketen. • een effectieve en efficiënte waterorganisatie. Vanuit het waterplan hebben beide organisaties de zorg voor waterkwantiteit (het voorkomen van overstroming, het tegengaan van watertekorten) en waterkwaliteit (schoon water en het verminderen van ‘overstort’ uit de riolering). De nadruk van het waterbeleid in de komende periode ligt op de stedelijke wateropgave. Dat kan door middel van het aanleggen van extra waterbergingen. Daarbij wordt de combinatie met ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente gezocht. Daarnaast worden waterkwaliteitsmaatregelen getroffen in watergangen achter overstortlocaties. 4.8.2
Doorwerking bestemmingsplan
Plangebied Het plangebied ligt aan de Bonegraafseweg 37a-41, ten oosten van de kern Ochten in de gemeente Neder-Betuwe. Ontwikkeling Voorliggend initiatief maakt de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf mogelijk. Oppervlaktewatersysteem In het plangebied ligt een B-watergang/ een beschermingszone van een B-watergang en een Cwatergang. Bij B geldt een obstakelvrije zone van 1,00 meter aan weerzijden. Bij C watergangen dient alleen het gedeelte van insteek tot insteek vrij gehouden te worden. Indien binnen deze zones werkzaamheden plaatsvinden, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij het waterschap.
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
31
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Afbeelding 4.1: Legger Waterschap Rivierenland Veiligheid In de omgeving van de planlocatie zijn geen waterkeringen gelegen. Ook is er geen sprake van overstromingsrisico. Kwantitatieve wateropgave Met het beoogde planvoornemen neemt het verhard oppervlakte toe met 2.120 m 2 dakoppervlak en 930 m2 oppervlakte verharding, ofwel 3.050 m2. Daarnaast wordt 93 m2 water gedempt. De maximale afvoer van water uit het plangebied mag niet meer zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke afvoernorm). Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met een ontwerpbui T=10+10% neerslag; vuistregel hierbij is 436 m³ berging per hectare verhard oppervlak. De vereiste compensatie wordt aan de hand van de vuistregels berekend. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De berekening is dan als volgt: Bij T=10+10% neerslag: Benodigde compensatie = (Toename verhard opp. * 436 m3) / 10.000 Dit resulteert in een benodigde compensatie van (3.050 m2 * 436 m3) / 10.000 = 133 m3 Er moeten voorzieningen worden getroffen om de benodigde compensatie te realiseren. Bij berging op het oppervlaktewater, mag gerekend worden met 30 cm berging capaciteit. Op basis van de benodigde capaciteit is een oppervlakte van 443 m² (133 m2 / 0,3 m) noodzakelijk plus 93 m2 aan te dempen water, ofwel 536 m3. Hiertoe wordt een nieuwe sloot/watergang gegraven.
In de bijlage ‘Watercompensatie’ is het waterverhaal gevisualiseerd. De nieuw sloot/watergang is tevens juridischplanologisch gewaarborgd door middel van de bestemming ‘Water’.
32
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Kwalitatieve wateropgave Bij nieuwbouw gaan het waterschap en de gemeente uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Schoon hemelwater van daken wordt via een hemelwaterafvoerleiding rechtstreeks op het oppervlaktewater worden geloosd. Voor een goede waterkwaliteit is het van belang dat er bij de bouw geen uitlogende materialen gebruikt worden, om te voorkomen dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Het gebruik van (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen is niet toegestaan op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Als dergelijke materialen toch gebruikt worden, dient het regenwater te worden gezuiverd alvorens het wordt afgevoerd; daarbij valt te denken aan bodempassages, lamellenfilters en bermpassages (van belang is een voldoende zuiveringsrendement). Hemelwater moet in ieder geval op deze wijze gezuiverd worden voordat het wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Natte natuur / verdroging Het plangebied is niet gelegen in of nabij een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone.
Doordat alleen schoon hemelwater het plangebied verlaat (met uitzondering van het vuilwater dat via het riool wordt afgevoerd), kunnen natte natuurwaarden niet via het oppervlaktewater worden aangetast. Verdroging zal niet optreden door de voorgestane ontwikkelingen, omdat het grondwaterpeil niet zal worden aangepast. Kwel en hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is een belangrijk uitgangspunt van het waterschap. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extra) kwel aantrekken. Hydrologisch neutraal betekent dat de grondwateroverlast en kwel niet mogen toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Als het aantrekken van kwel door bouwactiviteiten onvermijdelijk is, dan zijn compenserende maatregelen nodig. De extra kwel moet dan in het plangebied worden geborgen. Door het realiseren van de benodigde compensatie is sprake van een hydrologisch neutrale situatie. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen is een vergunning benodigd. De Legger is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn.
Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Overleg Op basis van die digitale watertoets geldt de normale procedure. De waterparagraaf is uitgewerkt en hierover heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap. 4.8.3
Conclusie
Gezien de beoogde werkzaamheden in en/of nabij de watergangen zal een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden bij het waterschap.
4.9
Ecologie
4.9.1
Regelgeving
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
33
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
4.9.1.1 Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.
Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c.
sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: d. de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of e. de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Neder-Betuwe is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk.
Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
34
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
4.9.1.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).
De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
4.9.2.1 Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. • • • •
Er zijn geen nadelige gevolgen voor wat betreft streng en strikt beschermde soorten of hun beschermde verblijfplaats (Wnb-soorten) Een ontheffing is niet noodzakelijk; Zorgplicht is altijd van toepassing; Er zijn geen gevolgen aangaande het onderdeel Wnb-houtopstanden (er wordt niet gekapt).
4.9.2.2 Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Rijntakken”, dat is gelegen op een afstand van ongeveer 650 meter in zuidelijke richting. Met het planvoornemen is geen sprake van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de feitelijk bestaande planologische legale situatie. Dit is aangetoond door middel van berekeningen met het programma AERIUS. Deze berekeningen zijn verder uitgewerkt in een toelichtend document (zie bijlagen). Middels een planrelgels is gewaarborgd dat de maximale invulling van het plan kan zorgen voor een toename van stikstofdepositie. Omdat onderhavige locatie niet binnen 500 meter van Natura 2000-gebeieden is gelegen, zijn overige negatieve effecten door geluid, trilling en licht, uit te sluiten. 4.9.3
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
35
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
4.10
Archeologie & cultuurhistorie
4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2023 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2023 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2023.
Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2023. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2023 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan 4.10.2.1 Archeologie Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Archeologische Beleidskaart 2016 van de gemeente Neder-Betuwe, zoals door de gemeenteraad vastgesteld op 14 april 2016. In deze beleidskaart zijn verschillende verwachtingswaarden aan het plangebied toegekend. Om de mogelijk aanwezige waarden te beschermen heeft de gemeente Neder-Betuwe een parapluplan 'Archeologie' opgesteld. In dit parapluplan zijn de verschillende archeologische verwachtingswaarden voorzien van de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 1, 2 en 3. In deze bestemmingen is bepaald dat voor bodem verstorende werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor de mogelijk aanwezige waarden een vergunning verplicht is.
Voor de verschillende verwachtingswaarden gelden criteria voor wanneer een vergunning verplicht is een archeologisch onderzoek verricht moet worden. Het plangebied is vrijgesteld van een archeologische waarde. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 4.10.2.2 Cultuurhistorie Er bevinden zich binnen het plangebied of in de nabijheid geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Onderhavig planvoornemen zal dus geen cultuurhistorische waarden schaden. 4.10.3 Conclusie De aspecten 'archeologie & cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
36
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
4.11
Leidingen
4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: Gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; Aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; Defensiebrandstoffen; Warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In paragraaf 4.7 is reeds ingegaan op eventueel in het plangebied aanwezige risicorelevante leidingen. Omdat deze niet aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied, wordt de uitvoerbaarheid van het plan hierdoor niet beïnvloed.
4.12
Explosieven
4.12.1 Regelgeving De locatie Bonegraafseweg 37a-41 Ochten is, zoals heel Neder-Betuwe, verdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. Zie onderstaande afbeelding. De gemeente Neder-Betuwe geeft hierbij aan dat men bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem, in het kader van de Arbowetgeving en openbare orde, hiermee rekening dient te worden gehouden.
Afbeelding 4.2: Explosievenkaart 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan Welke maatregelen met treft is conform de Arbowetgeving aan degene die de werkzaamheden in de bodemgericht.
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
37
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
4.13
M.e.r.-beoordeling
4.13.1 Regelgeving Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteiten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te gescheiden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectrapportage. 4.13.2 Doorvertaling bestemmingsplan In het Besluit milieueffectrapportage (hierna Besluit m.e.r.) is in onderdeel C van de bijlage onder categorie 14 opgenomen wanneer voor de activiteit het fokken, mesten of houden van dieren een plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport geldt. Dit is onder andere het geval bij het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie met meer dan: • 900 zeugen (Rav. cat. D1.2 – D1.3 en D 3 voor zover het opfokzeugen betreft) • 3.000 stuks vleesvarkens (Rav. cat. D 3) • 60.000 leghennen (Rav. cat. E 2) • 85.000 vleeskuikens (Rav. cat. E 5) Verder is in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. onder categorie 14 opgenomen dat, in de aangegeven situaties, een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Dit geldt onder andere voor het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met meer dan: • gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1) • 750 zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft) • 2.000 stuks vleesvarkens (Rav cat. D.3) • 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J) Bij onderhavig initiatief is er sprake van het uitbreiden en wijzigen van een installatie, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In de aangevraagde situatie worden de, in het onderdeel C van bijlage van het Besluit MER gestelde drempelwaarde niet overschreden. In het initiatief wordt er namelijk een uitbreiding met minder dan 40.000 kippen aangevraagd. Uit de toetsing van alle milieuaspecten blijkt dat het niet mogelijk is om een uitbreiding met meer dan 10.000 kippen aan te vragen. Specifiek voor de toetsing van de gestelde drempelwaarden van het besluit MER is ook onderbouwd dat er geen planologische mogelijkheid is dat deze grens wordt overschreden. Het aantal kippen in de nieuwe stal wordt namelijk begrensd door de staloppervlakte. De brutostaloppervlakte is namelijk 1.995 m2, hetwelk niet toe kan nemen daar de stal alleen enkellaags kan wordt uitgevoerd (zoals gewaarborgd in artikel 4.4.2 van de planregels). Het wettelijk toegestaan aantal kippen per m2 staloppervlakte is maximaal 18 kippen.
Dit houdt in dat er maximaal 35.910 kippen kunnen worden gehouden in de stal op basis van het bruto-vloeroppervlakte. In de praktijk zal dit nog minder zijn daar er ook nog ruimte benodigd is in de stal voor bijvoorbeeld het verwerken van de eieren, waardoor het netto-staloppervlak kleiner zal zijn. 38
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Hierdoor geldt voor het bedrijf geen directe MER-plicht. Tevens worden de drempelwaarde uit onderdeel D niet overschreden. Op grond van de aanpassing van het Besluit MER d.d. 7 juli 2017 is een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Nu de in de beoogde situatie te houden dieren onder hun onderscheidenlijk diercategorieën zijn vermeld op de D-lijst is in onderhavige situatie een vormvrije MER-beoordeling benodigd deze is opgenomen in de bijlage ‘Toelichting onderdeel milieu. Hieruit volgt de navolgende conclusie: Het onderhavige initiatief is getoetst en beoordeeld aan de hand van de Europese criteria en relevante wet- en regelgeving. Hieruit kunnen wij concluderen dat: 1. De ligging en voorgenomen activiteiten van de inrichting leiden niet tot ontoelaatbare c.q. onherstelbare milieugevolgen voor de omgeving; 2. De milieu hygiënische effecten als gevolg van de voorgenomen omschakeling van het bedrijf zijn niet zodanig dat een beoordeling door middel van een milieueffectrapportage nodig is; 3. De milieugevolgen met betrekking tot de omschakeling kunnen door het bevoegd gezag afdoende worden beoordeeld in een procedure op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (activiteit milieu) en op grond van het Activiteitenbesluit.
4.13.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van het project, de locatie en de kenmerken van de effecten, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’.
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
39
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemmingen
In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd: Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
40
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41 " (ontwerp)
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.3.2
Bestemmingen
Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de verschillende bestemmingen. Agrarisch De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, worteldoek of goten, het weiden van dieren, bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, landschappelijke beplanting, watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen en extensief dagrecreatief medegebruik. In onderhavig bestemmingsplan is ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch’ geen bouwvlak opgenomen. Dit betekent dat uitsluitend mogen worden gebouwd: een ei-automaat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – ei-automaat’, niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen, constructies ten behoeve van de gotenteelt, molens ten behoeve van de waterhuishouding en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming.
Agrarisch – Niet grondgebonden De voor ‘Agrarisch – Niet grondgebonden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor één nietgrondgebonden agrarisch bedrijf per bestemmingsvlak, ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ een intensieve veehouderij, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – buitenloop’ een buitenloop behorende bij de intensieve veehouderij, grondgebonden agrarische productie, bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, bijbehorende verwerking van agrarische productiegebonden detailhandel, bijbehorende bewoning in een bedrijfswoning, landschappelijke beplanting en watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen. Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: bedrijfsgebouwen en bedrijfsbouwwerken ten behoeve van de bestemming, één bedrijfswoning danwel, in geval reeds meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, het bestaande aantal bedrijfswoningen, bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming. Uitgezonderd op het voorstaande, mogen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – geen veestallen toegestaan’ geen veestallen worden gerealiseerd.
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - buitenloop' mag niet worden gebouwd. Bij de bouw van bouwwerken, voor zover het betreft gebouwen, mag de afstand tot de perceelsgrens niet minder bedragen dan 5 meter. Bij de bouw van bedrijfsgebouwen geldt dat de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 4 en 9 meter. Bij de bouw van een bedrijfswoning geldt dat de inhoud niet meer mag bedragen dan 750 m3 en de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 4 en 9 meter. Per bedrijfswoning mag daarnaast het totale oppervlakte van de bijgebouwen niet meer bedragen dan 75 m2 met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 7 meter. Water De voor ‘Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor waterpartijen, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan waterpartijen, watergangen en bijbehorende oeverzones en extensief dagrecreatief medegebruik.
bestemmingsplan "Ochten, Bonegraafseweg 37a-41" (ontwerp)
41
bestemmingsplan “Ochten, Bonegraafseweg 37a-41”
5.4
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan en ten aanzien van parkeren. Algemene aanduidingsregels Aanvullend op de regels die bij de bestemmingen zijn gegeven gelden bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – weg’, voor zover niet behorend tot gronden met de bestemming ‘Verkeer’, mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.