CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 54 - Aanpassingennotitie bijlage 2, eindverslag inspraak

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen15.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4. In het kader van het MER is er ook onderzoek uitgevoerd naar het verleggen van de zomerkade in het plangebied. De aanbevelingen uit dit onderzoek worden door initiatiefnemer overgenomen. Tevens is er een watervergunning nodig van het Waterschap Rivierenland. Zij beoordeelt wat de gevolgen zijn van het verleggen van de zomerkade van de waterhuishouding. Indien nodig neemt het waterschap in de watervergunning voorwaarden op voor het verplaatsen (aanleggen) en instandhouding van de zomerkade. 5. De Willemspolder is op basis van de Omgevingsverordening van provincie Gelderland grotendeels aangewezen als ganzenrustgebied. In de huidige omgevingsverordening (vastgesteld op 31 maart 2021) heeft het ganzenrustgebied een eigen ruimtelijk kader (voor 31 maart 2021 was het onderdeel van GO). Er is onderzoek verricht naar de gevolgen voor de ganzen indien de Willemspolder fase 1 wordt ingericht als waterrijk natuurgebied. De achterliggende MER gaat uitgebreid in op ganzensoorten, aantallen en effecten op de populatie. Op basis van de voorgestelde plannen concluderen we dat er geen ganzenrustgebied verloren gaat, maar dat het karakter van het ganzenrustgebied verandert. Uit overleg met provincie Gelderland blijkt dat dit geen significant negatieve effecten oplevert voor het plangebied zelf of voor de omliggende percelen. 6.

Het voorliggende bestemmingsplan is alleen voor Willemspolder fase 1. Initiatiefnemer heeft een gebiedsvisie Midden-Waal gemaakt waarbij Willemspolder fase 1 en 2 één aansluitend geheel vormen. Afhankelijk van onder andere de voortgang van de grondverwerving en de beleidsontwikkelingen kan gekozen worden voor Gouverneurspolder of Willemspolder fase 2 als opvolgende fase. Deze keuze wordt in de komende jaren gemaakt. 7. Hierboven staat aangegeven hoe we met de gemaakte opmerkingen omgaan. D. Reactie 5: inwoner 1. Waterrijk natuurgebied met extensieve recreatie. Fasering – Willemspolder fase 2 uitvoeren opvolgen aan Willemspolder fase 1 in plaats van de trein om te gooien naar de Gouverneurspolder. Het beoogde ‘treintje’ waardoor het materieel voor het ontgronden en het herinrichten door het gebied verplaatst respecteren/aanhouden hierdoor ontstaat er een de westkant extensieve recreatie in plaats van een open eindje. Dit komt tevens ten goede van de flora en fauna c.q. de verblijfplaats, de nestlocatie, de paarverblijven kortom het leefgebied van de aanwezige diersoorten en dus migratieplan. Vestigen en realiseren van een duurzame watergebonden bedrijvigheid in de vorm van een bouwgrondstoffencentrum. Bouwgrondstoffen 2.

Bouwgrondstoffencentrum; een duurzame centrum voor ‘opslag & overslag’ van bouwgrondstoffen? Conflicteert dit niet enorm met de natuurdoelstelling? Het doel is grondstoffen winnen in ruil voor een waterrijk natuurgebied met nevengeul en kleine eilanden met ruimte voor hoogwater en natuurrecreatie. 3. Het duurzame centrum voor ‘opslag & overslag van bouwstoffen’ is qua begrenzing strijdig met het bestemmingsplan, evenals de nieuwe invulling van de zogenoemde ‘duurzame watergebonden bedrijvigheid’. 4. Watergebonden bedrijfsbestemming of een terminal met laad- en loskade faciliteiten voor ‘opslag & overslag’ van onder andere bouwstoffen, is reeds aanwezig op circa 10 km afstand ‘CTU op bedrijvenpark Medel’, direct liggend aan het AmsterdamRijnkanaal. 5. Door de haven & scheepsvaarmobiliteit ontstaan er dieptes in de wateren waarvan de leefbaarheid te betwijfelen valt omdat de huidige flora en fauna in deze wateren beschadigen. 6. Aansluitend op bovenstaande staat hoogstwaarschijnlijk de (her)ontwikkeling van een duurzame bouwgrondstoffencentrum ook volledig los van de bouwgrondstoffenwinning in het gebied.

19

Drijvend zonnepark 7. Is 6 ha zonnepanelen in lijn met de gemeentelijke Klimaatdoelstellingen? Op maximaal 5 km afstand wordt circa 8 ha zonnepanelenpark gerealiseerd, ‘Zonneweide Spoorstraat in Echteld’. Op maximaal 6 km afstand wordt ca. 7,5 ha zonnepanelenpark gerealiseerd, Zonnepark Medel in Echteld’. Hoe is in de Willemspolder een drijvende zonneveld te verantwoorden? 8. Indien het doel van deze 6 ha zonnepanelen is ‘bijdragen aan de energietransitie en de Regionale Energie Strategie, waarom wordt het zonneveld dan niet gefuseerd nabij de Betuwelijn/A15? 9. Of is het doel van het drijvend zonneveld – een Clean energy Hub, de scheepvaart te verduurzamen en dus een extra businessmodel i.p.v. gemeentelijke Klimaatdoelstellingen? 2 windmolens = 18.000 MWH en 6 ha zonnepark = 4.350 MWH. Indien er meegedacht wordt in dit ‘businessmodel’, hoe kunnen de lokale bewoners mee profiteren van deze opbrengst? 10.

Indien er op een later moment de windmolens ‘toch’ inpasbaar zijn/worden, is het doel van de windmolens dan – ook een Clean Energy Hub of iets dergelijks als een extra businessmodel in plaats van de gemeentelijke Klimaatdoelstellingen? Indien er meegedacht wordt in dit ‘businessmodel’, hoe wordt er omgegaan met het ziektebeeld van mens & dier (op basis van laagfrequentie geluid en trillingen) en waardedaling van huizen (30%), de geluidsoverlast (tot 2,5 km), de knipperlichten, de slagschaduw van de 135 meter hoge windmolen? 11. In hoeverre conflicteren deze ‘duurzame ambities’ in dit Natura 200 gebied en het Gelderse Natuurnetwerk (kwaliteitsverlies) en de Groene ontwikkelingszone c.q. het projectdoel? Een gebied waarin de ontwikkeling van natuur en biodiversiteit voorop staat, zijn deze ‘duurzame ambities niet enorm in strijd met de natuur- en recreatiedoelstellingen en de zorgplicht voor een goed leefklimaat? 12. Laat de initiatiefnemer het doel van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, ‘grondstoffen winnen in ruil voor een waterrijk natuurgebied met nevengeulen en kleine eilanden met ruimte voor hoogwater en natuurrecreatie’ respecteren en de overige ‘businessmodellen’, zoals een drijven zonnepark, windmolens, clean energy hub en een duurzame grondstoffencentrum op een locatie integreren waar het wel past.

Verzocht wordt om het bestemmingsplan aan te passen conform de ingediende reactie. Reactie van het college op de inspraakreactie 1. Het voorliggende bestemmingsplan is alleen voor Willemspolder fase 1. Afhankelijk van onder andere de voortgang van de grondverwerving en de beleidsontwikkelingen kan gekozen worden voor Gouverneurspolder of Willemspolder fase 2 als opvolgende fase. Deze keuze wordt in de komende jaren gemaakt. 2. Zoals eerder in deze reactie nota is aangegeven, wordt de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. 3. Zie reactie onder punt 2. 4. Zie reactie onder punt 2. 5. Zie reactie onder punt 2. 6. Zie reactie onder punt 2. 7. De locatie voor het zonnepark is in de Klimaatnota niet direct aangewezen als zoekgebied voor ‘zon op land’. Echter in de klimaatnota is aangegeven dat ‘zon op water’ in principe overal is toegestaan mits: - ten hoogste 50% van het wateroppervlakte niet wordt bedenkt met zonnepanelen; - de panelen zo plat mogelijk om het water komen te liggen; - de ecologische meerwaarde wordt gerealiseerd. Het zonnepark voldoet aan bovenstaande voorwaarden. Het primaire doel van dit zonnepark is om de gewenste bedrijfsactiviteiten te voorzien van groene stroom.

Daarnaast kan de opgewekte energie worden benut voor duurzaamheidsdoelen, zoals de productie van duurzame brandstoffen voor de 20

scheepvaart. Overtollige energie kan op basis van een nader te ontwikkelen participatiemodel gedeeld worden met lokale bewoners. Nu er geen medewerking is voor de plaatsing van windmolens vervalt een groot deel van de duurzaam opgewekte energie voor participatie. De verwachte energieopbrengst van de zonnepanelen is 4.774 MWh. Het verbruik van het eigen materieel van Dekker is 2.130 MWh. Er resteert 2.644 MWh voor duurzame initiatieven en participatie van de omgeving in duurzame energie. De resterende hoeveelheid energie komt overeen met het verbruik van 881 huishoudens. In de situatie met windmolens zouden 6000 extra huishoudens kunnen participeren in de energieopbrengst (totaal: 6.881 huishoudens). 8. Zie reactie onder 7. 9. Het doel van het park is geen businessmodel op zich. Zie reactie onder 7. 10. In het bestemmingsplan wordt geen windmolens mogelijk gemaakt. Omdat dit wel een wens is van de initiatiefnemer zijn de windmolens meegenomen in de diverse onderzoeken en het MER. Indien er in de toekomst toch in de Willemspolder windmolens komen, dan wordt hiervoor een separate procedure gevoerd waarbij de daarvoor benodigde onderzoeken worden overlegd. 11.

Op basis van het uitgevoerde MER is inzichtelijk gemaakt dat de duurzaamheidsdoelstellingen verenigbaar zijn met de overige doelstellingen voor het gebied zoals de natuurdoelstelling met inbegrip van de doelstellingen van Natura 2000, het Gelders natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (provinciaal beleid). Wat er wel en niet kan in deze gebieden is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie Gelderland is nauw betrokken bij deze ontwikkeling. Ook heeft zij een formele vooroverlegreactie ingediend op dit punt die is verwerkt in het (ontwerp)bestemmingsplan. De provincie heeft aangegeven dat het realiseren van het gewenste plan niet in strijd is met hun beleid. 12. Zoals onder punt 3 is aangegeven is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. E. Reactie 6: inwoner 1. De handel in bouwgrondstoffen komen het bedrijf Dekker ten goede en leveren waardevolle producten voor bouwend Nederland. Het gevolg hiervan is dat er grote ruimtelijke ingrepen in het Rivierenlandschap staan te gebeuren over een traject van circa 25 km. De veranderingen worden gebracht met de gedachte dat ook de bewoners van dit gebied er een groot voordeel van gaan ondervinden. Dit wordt ernstig betwijfeld.

En wel hierop: het rivierenlandschap kennen we als een open ruimte (buitendijks) met een wisselend spel van land en water, verhogingen (dijken) en verdiepingen (kolken en strangen). Deze dynamiek geeft voor veel in de natuur voorkomende diersoorten een natuurlijke leefruimte. Zeker een vogelweide gebied zou uitermate goed beschermd moeten worden. De weide vogels staan immers in heel Nederland onder druk. En hieruit blijkt dat dit dus niet alleen door agrariërs veroorzaakt wordt. Daarnaast kunnen we genieten van dieren in de wei (koeien, paarden, schapen). We ruiken de geur van vers gemaaid gras en hooiland, en we ruiken soms het water. In het binnendijkse Rivierenlandschap komen deze waarden steeds meer onder druk te staan, door woningbouw, uitgestrekte gebieden met bomenteelt, industrie terreinen met blokkendozen en ook de aanleg van zonnevelden. Kortom de rijkdom van het buitendijkse gebied wordt door de streekbewoners beperkter, een ander heeft het geldelijk gewin. 2. De bijdrage aan ruimte voor de rivier is zeer gering en nog niet door Rijkswaterstaat vereist. In de door initiatiefnemer gegeven informatie wordt gesproken over 1 cm extra waterberging bij zeer hoog water. Daarnaast is het nog niet duidelijk wat er gebeurd in de aan te leggen sleuven of nevengeulen bij de zeer lage waterstanden, zoals we die in de huidige zomers kennen.

Deze zullen uitdrogen en het aanwezige bodemleven gaat verloren, de vissen en amfibieën gaan dood. Nu blijven de aanwezige kolken in de zomer nog redelijk vochtig, maar zelfs deze biotopen staan in de zomer ernstig onder druk. Alleen zeer diepe sleuven zullen voldoende water houden. 21

3. Initiatiefnemer gaat uit van geluidsarme en energiezuinige uitvoering van de werkzaamheden. Echter ook elektro-motoren kosten energie en produceren direct of indirect lawaai. Waar wordt deze energie geproduceerd, is het 6 ha grote drijvende zonne-park voldoende voor al deze acties? Hoeveel zwaar transport, aangevoerd materieel wat binnen het gebied plaats vindt, heeft geen diesel olie nodig?? Kortom, wat is de energie-, CO2- en stikstofbelasting van dit gehele proces? Of nemen we ook hier een voorschot op eventueel te behalen resultaat. 4. Toezicht. In de gepresenteerde plannen wordt gesproken over de mogelijkheid voor buitensport. Ook nu kun je wandelen, fietsen, aan de Spijkerse plas zitten etc.. Over dijken hollen, aan het Waalstrand recreëren etc.. Het bouwen van een aantal speeltoestellen zal daar niet veel aan toe of af doen. Het klimmen in een boom is uitdagender dan een voorgekookt klimrek. Maar wie ziet toe op vervuiling, depositie van allerlei afval, en niet minste belangrijke: persoonlijke veiligheid voor bezoekers? Initiatiefnemer heeft aangegeven dat zij dat niet doen, begrijpelijk, het is openbare ruimte. Nu is er nog een redelijk toezicht doordat agrariërs er met grote regelmaat komen en er jaarlijks vuilnis door de Waaljutter opgehaald wordt. In stadsparken is het duidelijk zichtbaar hoeveel vuil er door burgers achtergelaten wordt. 5.

Naast deze genoemde zaken zijn er voor veel mensen nog de angst voor beschadiging van huizen, geluidsoverlast en verkeersdruk. 6. Uit bovenstaande komt naar voren dat het mateloos storend wordt ervaren dat een bedrijf een enorm plattelandsgebied in haar bezit heeft, de leegomgeving de komende 50 jaar onder druk gaat zetten in een gebeid waar de afgelopen decennia al veel gebeurd is (Betuwelijn, Medel, windmolens). Beloftes van grote bedrijven worden slechts zelden nagekomen en meestal tot geldelijk gewin van de eigenaar leiden. 7. Daar waar de vertegenwoordigers van initiatiefnemer spreken van intensieve landbouw in het buitendijkse gebied, weten ze eigenlijk niet waar ze over spreken. De grond is van november tot en maart het terrein voor de dieren in dat gebeid. Daarnaast is er nog een duidelijke hoogwater periode, waarin er voor niemand toegang is. Weidevogels worden beschermd, vossen hebben vrij spel, bevers laten al hun sporen na, dus hoezo wordt de natuurwaarde verbeterd? Wordt de kaart van licht groen naar donder groen en blauw gekleurd. Wie of wat wordt er beter van?? Misschien moet op deze vraag een duidelijk antwoord geformuleerd worden. 8. Er wordt een beroep gedaan op het gevoel voor rentmeesterschap, onze samenleving leeft al van een zeer grote ‘hypotheek’ op de natuur. Reactie van het college op de inspraakreactie 1.

Het voorliggend bestemmingsplan heeft alleen betrekking op de ontwikkeling in de Willemspolder fase 1. In dit plangebied ligt geen weidevogelgebied. Het klopt dat het landschap zal veranderen. Bij de herinrichting is rekening gehouden met de aanwezige waarden. De nu agrarische gronden worden omgezet in (rivier)natuur waar extensieve recreatie mogelijk is. Deze natuurontwikkeling heeft een positief effect op de soortenrijkdom in het gebied. Na de herinrichting kunt u blijven genieten van dieren in de uiterwaarden, omdat het natuurbeheer in hoofdzaak wordt uitgevoerd door middel van begrazing. 2. In het ontwerp van de hoofd- en nevengeulen in het gebied is er rekening mee gehouden dat deze ook bij laagwater water blijven voeren. 3. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. De aanlegfase is de periode dat het gebied ontgonnen wordt en opnieuw wordt ingericht. Het klopt dat het grondverzetmaterieel nog steeds diesel verbruikt. Daarmee is in de uitgevoerde onderzoeken rekening gehouden. De verwachte energieopbrengst van de zonenpanelen is 4.774 MWh. Het verbruik van het eigen materieel van Dekker is 2.130 MWh. Er resteert 2.644 MWh voor duurzame initiatieven en participatie van de omgeving in duurzame energie. De resterende hoeveelheid energie komt overeen met 22

4.

5.

6.

7.

8.

het verbruik van 881 huishoudens. In de situatie met windmolens zouden 6000 extra huishoudens kunnen participeren in de energieopbrengst (totaal: 6.881 huishoudens). De gebruiksfase is de fase nadat alle werkzaamheden zijn afgerond en de gronden gebruikt worden volgens het bestemmingsplan en inrichtingsplan. In de gebruiksfase is de aan- en afvoer van bouwgrondstoffen alleen over water mogelijk en niet over land. De weg naar de bedrijfslocatie is bedoeld voor werknemers en leveranties (bijvoorbeeld van onderdelen of materieel). In de aanvulling op het MER zijn de transportbewegingen nader in beeld gebracht. Er is onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit en stikstof. Deze onderzoeken zijn terug te vinden als bijlage bij het MER (inclusief aanvulling). Uit deze onderzoeken blijkt dat er voldaan wordt aan de wettelijke normen m.b.t. de luchtkwaliteit en dat de ontwikkeling zorgt voor een netto afname aan stikstofuitstoot. De recreatieve inrichting van het gebied gaat uit van natuurlijke en gebiedseigen materialen. Het beheer (waaronder het opruimen van zwerfvuil) wordt in de huidige situatie in hoofdzaak door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd. De gemeente verzorgt het beheer op en rond de openbare weg. Deze situatie zetten we in de situatie na herinrichting voort. In een beheerplan zijn de afspraken nader uitgewerkt. Ook qua persoonlijke veiligheid veranderd er niks.

In principe is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de veiligheid op zijn eigen terrein. Bezoekers hebben natuurlijk ook een eigen verantwoordelijkheid. De genoemde effecten zijn onderzocht. In het MER zijn deze aspecten in beeld gebracht. Uit de onderzoeken blijkt dat de omgeving weinig overlast zal ervaren van deze ontwikkeling. De kans op bouwkundige schade is zeer gering. Initiatiefnemer heeft toegezegd om van de risicovolle bestemmingen voorafgaande aan de realisatie een bouwkundige opname te maken en de rapportage bij een notaris te deponeren. Op basis daarvan kan de verzekeraar schade op transparante wijze afwikkelen, indien deze onverwacht toch op zou treden. Aan de herinrichting van een deel van de Willemspolder zijn voorwaarden gesteld. Zo is in het bestemmingsplan het inrichtingsplan opgenomen als voorwaardelijke verplichting. Dat betekent dat de gemeente handhavend kan optreden op het moment dat initiatiefnemer verzuimd om het gebied conform het inrichtingsplan aan te leggen. Daarnaast stelt ook de provincie eisen met betrekking tot de ontgronding. De woordkeuze voor intensief agrarisch gebruik is onhandig gekozen. Op basis van het huidige bestemmingsplan mag het plangebied grotendeels gebruikt worden ten behoeve van agrarische activiteiten. Dit houdt in voor agrarische producten en/of het weiden van dieren.

Door de bestemming te wijzigen naar hoofdzakelijk natuur en water, vervalt het reguliere agrarische gebruik en is het alleen nog mogelijk om de gronden te beheren in het kader van de natuurdoelstelling. De omvorming van het gebied naar natuur en het wegnemen van de stikstofuitstoot als gevolg daarvan heeft een groot positief effect op de flora en fauna in het gebied. Er zijn diverse natuuronderzoeken uitgevoerd om inzicht te krijgen van de gevolgen van de gewenste ontwikkeling voor de natuur. Deze onderzoeken zijn als bijlage bij het MER opgenomen en in het MER zelf is de meerwaarde voor de natuur inzichtelijk gemaakt. Natuurontwikkeling is een belangrijke doelstelling van de herinrichting van Willemspolder fase 1.

F. Reactie 7: Koninklijk BLN-Schutevaer Deze reactie is gericht tegen het concept milieueffectrapportage 1. Waalcorridor. De Waalcorridor tussen de zeehavens aan de Noordzee en het Duitse achterland is een zeer belangrijke voor de binnenvaart. De capaciteit van de Waal is van groot belang voor internationaal transport en draagt significant bij een de economische welvaart in Nederland. De Waal voldoet al geruime tijd niet meer aan de internationaal vastgestelde eisen aan waterdiepte van 2,80 meter bij Overeengekomen Lage Rivierstand. De bevaarbaarheid neemt af en de grilligheid neemt toe. Daarom wordt gevraagd om geen maatregelen te nemen die de bevaarbaarheid verder verslechteren. 23

2. Morfologische effecten In het basisalternatief van het plan Willemspolder fase 1, is sprake van een maximale jaargemiddelde sedimentatie van 4 tot 6 cm in de vaargeul nabij de projectlocatie. Na hoogwater kan dit zelf oplopen tot 10 cm. Een dergelijke sedimentatie is in het belang van de binnenvaart niet acceptabel, temeer omdat de Waal over een grote lengte nu al bekend staat om zijn beperkte waterdiepte. Weliswaar kan met baggerwerk de vaargeul onderhouden worden. De praktijk leert echter dat het soms maanden duurt voordat een droogte wordt weggebaggerd. De huidige baggercontracten worden op jaarbasis afgesloten en er is geen afspraak over de maximale responsetijd voor het verwijderen van een ondiepte, waardoor hinder som maanden aanhoudt. Gevraagd wordt om het ontwerp zo aan te passen dat de hinder voor de scheepvaart niet optreedt of ander compenserende maatregelen te nemen. 3. Mitigerende maatregelen Het is belangrijk de nautische veiligheid te borgen. Er moet voorkomen worden dat de rivier ‘grilliger’ wordt. Een vaarweg met zijstromingen waarin zandbanken en erosieputten ontstaan is nautisch zeer onveilig. Het verhoogd de kans op grondingen en schepen worden minder goed bestuurbaar door ‘zuiging’ en ‘squat’.

Een gedegen onderhouds- en baggerprogramma, om de nautische veiligheid en de vaardiepte te kunnen blijven garanderen, is dan ook essentieel bij ingrepen op en aan de rivier. De kosten hiervoor (live circle costs) zouden vooraf duidelijk moeten zijn zodat hier geld voor gereserveerd kan worden. De veiligheid komt ook in het geding, omdat schippers bij havenmondingen en bij de uitloop van diverse nevengeulen een grotere afstand van de oevers kiezen om de invloed van dwarsstromingen te beperken. Hierdoor wordt de onderlinge afstand van de schepen of combinaties van schepen kleiner. 4. Omvang van de havenmond De aandacht gaat bij de mensen in de binnenvaart ook uit naar de manoeuvreerruimte in de haven. En dan wordt gekeken naar de omvang van de haven zelf, maar zeker ook naar de bewegingen die schepen of combinaties van schepen moeten maken om veilig de haven in en uit te varen. De maximaal toegelaten schepen op de Waal zijn 135 meter lang en 17 meter breed. Bij een gekoppelde samenstel kan de breedte tot 22,50 meer reiken. Bij zowel het invaren als bij het verlaten van de haven is er sprake van een overgang van stromend naar stilstaand water of andersom. Dat vereist een bijzondere dynamiek, maar ook een omvangrijke manoeuvreerruimte.

De mondingen van het Maas-Waalkanaal bij Nijmegen, van de overnachtingshaven van IJzendoorn en van het Amsterdam-Rijnkanaal bij Tiel zijn goede voorbeelden. Het is noodzakelijk bij de bouw c.q. herinrichting van de haven stil te staan bij de diepte, die meer zal moeten zijn dan de minst gepeilde diepte van de Waal, zodat schepen en duwbakken bij het laden en lossen de bodem van de haven niet raken. Om de milieubelasting van schepen niet onnodig te verzwaren is het van belang dat er voldoende ruimte is voor scheepsmanoeuvres, dat de doorgaande scheepvaart op de Waal geen hinder ondervindt van de bodemoneffenheden en er walstroomvoorzieningen zijn bij overslag- en ligplaatsen. 5. Samenvattend: - Voorkom negatieve effecten van meestromende nevengeulen op de middelbare en lange rivierstanden en verslechtering van de diepgang op de Waal; - Zorg voor een goed onderhoudsprogramma voor de Waal inclusief de garantie dat eventuele verondiepingen direct verwijderd worden; - Richt de haven zo on dat deze onder alle weersomstandigheden veilig kan worden ingevaren en ook worden verlaten. Reactie van het college op de inspraakreactie De ingediende reactie is gericht op het concept Milieueffectrapportage. Dit document heeft niet ter inzage gelegen en hierop kon ook geen reactie worden ingediend.

Voor zover de reactie ook relevant is met betrekking tot het (voorontwerp)bestemmingsplan is een reactie gegeven.

24

1. Rijkswaterstaat beoordeelt dit aspect nader bij het verlenen van een vergunning in het kader van de Waterwet. 2. In aanloop naar het aanvragen van een Watervergunning heeft initiatiefnemer de rivierkundige beoordeling nader afgestemd met Rijkswaterstaat. Daarbij zijn kleine aanpassingen in de aanleghoogte van onder andere de zomerkade en de oeverwal langs de Waal afgesproken. De verwachting is dat deze aanpassingen de morfologische effecten en dwarsstroming voor de scheepvaart verder beperken tot een voor de vaarwegbeheerder aanvaardbaar niveau. De ingreep heeft dan een minimale toename van de beheerinspanning op de vaarweg tot gevolg. 3. Zie reactie onder 2. 4. In het plan is sprake van een bestaande toegangsgeul in het gebied. Deze is functioneel ten behoeve van het beoogde gebruik. De mondig van de toegangsgeul wordt in zeer beperkte mate geoptimaliseerd. Hoewel het misschien wenselijk is om deze mondig verder te vergroten ten gunste van de manoeuvreerruimte voor schepen is dit op basis van de rivierkundige beoordeling door Rijkswaterstaat niet toegestaan. De ontwerpdiepte van de haven is inderdaad groter dan die van de Waal, zodat schepen zonder problemen kunnen worden gelost. Het ontwerp gaat uit van voldoende manoeuvreer- en draairuimte voor schepen. Walstroomvoorziening in de haven wordt voorzien. 5. Zie bovenstaande reacties.

Deze aspecten worden in detail geregeld in de door Rijkswaterstaat te verlenen Watervergunning. 4. Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening moeten we bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleggen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn. In dit kader is het voorontwerp bestemmingsplan toegezonden aan: A. Gasunie B. Waterschap Rivierenland C. Provincie Gelderland Van de vooroverlegreacties is hierna een samenvatting opgenomen en een reactie daarop van het college van burgemeester en wethouders. A. Gasunie Op de verbeelding van het plan zijn onze gastransportleidingen in het plangebied niet weergegeven. Er ligt hier niet alleen een leiding waarop beperkt beheer (BB) wordt toegepast (bruine leiding), maar ook een leiding plus ondergrondse afsluiter (S-9909) welke gewoon in gebruik is (rode leiding).

25

Voor wat de BB-leiding betreft, deze staat weliswaar ook al niet meer op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan maar als deze om wat voor reden dan ook verwijderd moet worden, zal dit met onze tracébeheerder afgestemd moeten worden. De gasvoerende leiding plus de afsluiter (rood op het plaatje) zal gewoon op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen dienen te worden. Er is wel contact geweest over het verwijderen van gasleidingen, maar er is nog geen overeenstemming bereikt. Reactie van het college op de vooroverlegreactie: Er is contact tussen de initiatiefnemer en de Gasunie over de gasleidingen die in het plangebied liggen. Het gewenste plan heeft geen invloed op de in gebruik zijnde leiding plus ondergrondse afsluiter (S-9909, rode tracé). Voor deze gasleiding nemen we een aanduiding op de verbeelding op en een regeling in de regels. Recentelijk heeft de Gasunie de exacte ligging van het leidingtracé N-574-1 in kaart gebracht. Er is een principe afspraak over deze buiten gebruik zijnde leiding waarop beperkt beheer (BB) wordt toegepast (N-574-1, bruine tracé), waarbij het tracé parallel aan de dijk wordt behouden en geconserveerd en het tracé haaks op de dijk richting de voormalige steenfabriek wordt verwijderd.

De werkzaamheden worden tijdens realisatie van Willemspolder fase 1 uitgevoerd waarbij Gasunie de leiding deels conserveert en deels verwijderd en initiatiefnemer het grondwerk verzorgd. Ook voor deze gasleiding is een aanduiding opgenomen op de verbeelding en een regeling opgenomen in de regels. B. Waterschap Rivierenland Uw toegezonden voorontwerp bestemmingsplan Willemspolder fase 1 IJzendoorn geeft aanleiding tot het maken van opmerkingen. Deze reactie is aan te merken als wateradvies in het kader van de watertoetsprocedure. Het toegezonden voorontwerp bestemmingsplan heeft betrekking op de herinrichting van een deel van de Willemspolder gelegen ten (zuid)westen van IJzendoorn. De winning van zand, klei en grind dient daarbij als motor voor de ontwikkeling. Het bestemmingsplan voorziet in het ruimtelijk kader van zowel deze ontgronding als de daaropvolgende definitieve inrichting van het gebied. Het plan schetst tevens een kader voor een verdere herinrichting van het uiterwaardegebied tussen het 26

Amsterdam-Rijnkanaal en Dodewaard. Deze ontwikkeling maakt echter geen onderdeel uit van het onderhavige (voorontwerp) bestemmingsplan. Onze reactie (wateradvies) heeft enkel betrekking op het plangebied Willemspolder fase 1. Het waterschap gaat ervanuit dat dat bij verdere ontwikkelingen een separaat watertoets proces wordt doorlopen waarbij het waterschap tijdig wordt betrokken. Doorlopen proces Waterschap Rivierenland is al langere tijd in gesprek met de initiatiefnemer over de ontwikkelingen in de Willemspolder fase 1. Deze ontwikkeling raakt de belangen en taken van het waterschap op een aantal onderdelen: Het plan heeft invloed op de primaire waterkering (Waalbandijk) en daarmee op de waterveiligheid. Onderdeel van het plan is het vergraven en verleggen van een deel van de aanwezige zomerkade (waterkering Echteld). De zomerkade betreft een zogenaamde 'overige waterkering' die in beheer is bij het waterschap. Effectief voorziet het plan in de ontpoldering van een deel van de huidige buitenpolder. Het plan is van invloed op het waterbeheer in zowel de buitenpolder als ook binnendijks (zowel het grondwater als oppervlaktewaterbeheer). Ook werkt het waterschap aan de versterking van de Waalbandijk over de gehele lengte van de gemeente Neder-Betuwe.

De plannen Willemspolder fase 1 raken de plannen van de dijkversterking zowel met betrekking tot het ontwerp als tot de uitvoering. Zowel voor de aanpassing van het bestemmingsplan als voor een besluit op basis van de ontgrondingswet is een MER nodig. Het (concept) MER is ter informatie bijgevoegd maar benoemd is dat tegen het concept MER (in deze fase) geen reacties kunnen worden ingediend. Omdat voor de waterhuishoudkundige effecten in de toelichting bij het voorontwerp bestemmingsplan wordt verwezen naar het MER hebben onze opmerkingen in dit wateradvies indirect ook betrekking op de effectbeschrijving zoals opgenomen in het MER. Wij merken op dat voor het MER eveneens een wateradvies benodigd is. Daarnaast is voor de ontwikkeling van het plan ook een watervergunning noodzakelijk. Bij het beoordelen van het plan maken wij onderscheid tussen de ontgrondingsfase en de eindfase na inrichting van het gebied. Inhoudelijke opmerkingen Zoals hierboven is benoemd zijn de plannen in de Willemspolder van invloed op het waterbeheer en de waterveiligheid in zowel de buitenpolder als het binnendijks gelegen gebied. Met betrekking tot de waterhuishoudkundige effecten wordt in de toelichting bij het voorontwerp bestemmingsplan verwezen naar de beschrijving die is opgenomen in het MER.

In de toelichting wordt benoemd dat de effecten van het plan op het vlak van rivierkunde, grondwater en waterkering aanvaardbaar worden geacht. Inhoudelijk hebben wij nog opmerkingen op en vragen bij de effectberekeningen die zijn opgenomen in het MER en daarmee dus ook onderdeel zijn van het bestemmingsplan. Over deze aspecten vindt nog nadere afstemming plaats met de initiatiefnemer. Zolang er nog geen duidelijkheid bestaat over deze aspecten kunnen wij de beoordeling dat de waterhuishoudkundige effecten van het plan aanvaardbaar worden geacht niet onderschrijven. Het betreft de volgende aspecten: 1. Het effect van de ontgronding op de primaire waterkering. De voorgenomen ontwikkeling omvat een (diepe) ontgraving in de beschermingszone van de primaire waterkering. Deze ontgraving is alleen mogelijk als door hydrologisch en geotechnisch onderzoek is aangetoond dat er geen negatief effect is op de algehele standzekerheid van de waterkering en hiermee de ontwikkeling dat een toekomstige dijkversterking niet negatief wordt beïnvloed. De basis voor de effectbeoordeling vormt de rapportage 'Herinrichting Willemspolder fase 1, Fugro d.d. 19 oktober 2020', opgenomen als bijlage 6 in het MER. Wij delen de conclusies uit deze rapportage niet. Onze opmerkingen en bedenkingen op de 27

effectbeoordeling hebben wij eerder kenbaar gemaakt aan de initiatiefnemer (memo d.d. 2 december 2020 'Reactie concept stukken MER Willemspolder fase 1 d.d. 15 oktober 2020). Deze memo is als onderbouwing opgenomen als bijlage 1 bij deze reactie. In navolging op de door ons gemaakte opmerkingen heeft diverse malen overleg plaatsgevonden. Door Fugro is recent een aanvullende technische notitie opgesteld waarin het aspect 'piping' voor de tijdelijke situatie nader is beschouwd. Deze notitie (d.d. 09 maart 2021) moet nog inhoudelijk worden beoordeeld. Wij gaan ervan uit dat de uitkomsten daarvan worden verwerkt in het MER. Deze uitkomsten en de beoordeling daarvan zijn mede bepalend voor onze beoordeling van de plannen. Ook in de eindfase heeft de ontwikkeling invloed op de waterkering. Deels worden de ontgravingen weer verondiept met relatief slecht doorlatend materiaal wat positief is voor de waterkering. Echter is onze constatering dat de geul zoals die is voorzien voor de eindsituatie ook van invloed op de dijkstabiliteit en daarmee op de opgave voor de aanstaande dijkversterking. Het waterschap is in afstemming met de initiatiefnemer over het treffen van compenserende of mitigerende maatregelen. Het komen tot overeenstemming over de invulling van deze maatregelen vormt ook een onderdeel van de afwegingen in het kader van de af te geven watervergunning.

Op dit moment is hierover nog geen duidelijkheid. 2. Invloed op het binnendijks (grond)watersysteem Het waterschap heeft als uitgangspunt voor buitendijkse ontwikkelingen dat er geen noemenswaardige wijziging/verslechtering mag plaatsvinden van de binnendijkse hydrologische situatie. In essentie geldt dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal moet plaatsvinden. Dit is vertaald in het uitgangspunt dat de kwelbelasting niet meer mag toenemen dan 2% en de grondwaterstand niet meer mag veranderen dan 5 cm. De basis voor de effectbeoordeling vormt de rapportage 'Beschouwing geohydrologische invloed Ontwikkeling Willemspolder - fase 1, Fugro d.d. 29 januari 2021'1, bijlage 5 van het MER. In deze rapportage zijn de effecten getoetst aan het hierboven genoemde uitgangspunt. Uit de geohydrologische beschouwing volgt dat de ontwikkeling in de ontgrondingsfase bij een (extreem) hoogwater een beperkte invloed heeft op het binnendijks watersysteem. Gezien ook het karakter van de berekeningen (een worst case situatie waarbij alle ontgrondingsputten gelijktijdig open zijn) beschouwen wij de berekende effecten voor een (extreem) hoogwatersituatie in lijn met onze uitgangspunten en daarmee als aanvaardbaar. Met betrekking tot de eindsituatie is in de geohydrologische beschouwing geconcludeerd dat de situatie bij extreem hoogwater verbetert (een afname van de kwel).

Voor een extreem laagwatersituatie worden grotere effecten berekend. Deze berekende effecten voldoen niet aan de eerdergenoemde uitgangspunten. Om de effecten voor het binnendijkse watersysteem in periode van (extreem) laagwater te beperken zijn aanvullende compenserende of mitigerende maatregelen noodzakelijk. Het voorzien in compenserende of mitigerende maatregelen is een vereiste voor het verlenen van een watervergunning. Over de invulling van deze maatregel(en) moet nog nadere afstemming plaatsvinden. Conclusie Het waterschap is al langere tijd in gesprek met de initiatiefnemer over de invulling van de plannen voor de Willemspolder fase 1. Zoals in het voorgaande naar voren is gebracht zijn er met betrekking tot de waterhuishouding echter nog een aantal zaken die nader uitgewerkt moeten worden. Vooralsnog kunnen wij derhalve niet instemmen met het plan. Wij adviseren negatief over het plan tenzij onze bezwaren en vragen in de nog lopende afstemming tussen de initiatiefnemer en het waterschap op een goede wijze worden ingevuld en verwerkt in het plan. Wij verzoeken u aan te geven op welke wijze onze opmerkingen worden verwerkt in het plan. Daarnaast verzoeken wij u het waterschap te betrekken bij de verdere procedure van het plan en de planning hiervan aan te geven.

28

Reactie van het college op de vooroverlegreactie 1. De technische notitie waarin het aspect 'piping' voor de tijdelijke situatie nader is beschouwd is inmiddels aangepast naar aanleiding van opmerkingen van het waterschap en door het waterschap akkoord bevonden. Ook de beschouwing van de permanente situatie, waarbij een pipingscherm wordt aangelegd door de ontgronding nabij de waterkering aan te vullen met relatief slecht doorlatend materiaal, is in overleg met het waterschap nader uitgewerkt. Op basis van een technische toets van dit pipingscherm door het Waterschap is overeenstemming over de maakbaarheid en effectiviteit in het kader van de dijkversterkingsopgave. Een aantal uitvoeringstechnische aspecten (zoals de afdichting onder de KRW geul) wordt nader uitgewerkt in een uitvoeringsnotitie die het waterschap beoordeelt in het kader van de procedure voor de verlening van de watervergunning. Het is niet noodzakelijk om hiervoor nadere bepalingen in het ontwerpbestemmingsplan op te nemen. 2. De mitigerende maatregel voor een extreem laagwatersituatie in de tijdelijke situatie werkt de initiatiefnemer in het kader van de procedure voor de verlening van de watervergunning in overleg met het Waterschap nader uit. Het is niet noodzakelijk om hiervoor nadere bepalingen in het (ontwerp)bestemmingsplan op te nemen. C.

Provincie Gelderland De provincie is enthousiast over de versterking van de natuurwaarden in de Willemspolder die het plan levert. De initiatiefnemer zet in op biodiversiteit, klimaatadaptatie en duurzaamheid. Dit uit zich in de nieuwe landschapsinrichting waarbij landbouwgrond wordt omgezet naar dynamische (rivier)natuur. Het aspect duurzaamheid uit zich in de realisatie van ‘Clean energy Hub’ waar mogelijkheden voor duurzame scheepvaart, zoals de inzet van waterstof als brandstof en het elektrisch laden van binnenvaartschepen, worden onderzocht. Daarnaast wordt ingezet op zonne-energie op bedrijfsgebouwen en op water. De Willemspolder biedt straks ook ruimte voor recreatie en buitensport/bewegen in de vorm van onder andere een ‘Beweeg & Beleefroute’. Dit draagt bij aan het bevorderen van een gezonde leefstijl voor omwonenden en recreanten. Hierbij enkele opmerkingen die samenhangen met provinciale belangen. Gelders Natuurbeleid. In het provinciaal ruimtelijk beleid wordt onderscheid gemaakt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Van deze gebieden zijn wezenlijke kenmerken of waarden vastgesteld, de kernkwaliteiten. Het GNN bestaat voor het overgrote deel uit bestaande natuur. In het GNN zijn geen nieuwe functies mogelijk, anders dan natuur.

In de GO zijn nieuwe functies toegestaan, als aangetoond is dat de kernkwaliteiten niet significant worden aangetast en de ontwikkeling gepaard gaat met een significante versterking van de kernkwaliteiten. In de toelichting van het bestemmingplan is een andere begrenzing van

29

het GO en GN gehanteerd. Daarbij is gekeken naar het natuurbeheerplan, waarbij uit is gegaan van het beste scenario voor de natuur. Hoewel dit een positief uitgangspunt is, maakt de aangehouden begrenzing de toepassing van het Gelderse natuurbeleid onnodig ingewikkeld. Daarom wordt uitgegaan van de GO/GNN begrenzing zoals is opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening. Het gebied waar de herontwikkeling plaats zal vinden betreft voor het grootste gedeelte GO gronden met een agrarische bestemming. De groene oeverrand rondom de twee bestaande zandwinplassen behoren tot het GNN en hebben in het vigerende bestemmingsplan ook een agrarische bestemming. 1. Ontwikkelingen in de Groene Ontwikkelingszone Met de beoogde herontwikkeling worden de agrarische GO gronden ingericht als natuurgronden en ook als zodanig bestemd. Dit zorgt voor een aanzienlijke bijdrage aan de ontwikkeling van riviergebonden natuur en levert per saldo een waardevolle versterking van de kernkwaliteiten op. De GO gronden ten westen van de bedrijfsbestemming worden ingericht ten behoeve van het bouwgrondstoffencentrum inclusief haven. Uit de NNN-toets blijkt dat de kernkwaliteiten van de GO met de uitbreiding van de bedrijfsbestemming niet worden aangetast maar door dit te compenseren juist worden versterkt. In de oostelijke plas is een drijvend zonnepark voorzien.

In de toelichting van het bestemmingsplan staat dit vermeld als een ontwikkeling in het GNN. Deze plas is echter onderdeel van de GO. Wij adviseren dan ook om het drijvend zonnepark te benaderen als een ontwikkeling binnen de GO. Aangezien ons GNN beleid strikter is dan ons GO beleid, maakt dit voor het effect op de natuurwaarden geen verschil. Dit effect is immers al onderzocht in de NNN- toets. 2. Ganzenrustgebied als onderdeel van de GO Een significant negatief effect treedt wel op in het ganzenrustgebied ten westen van het plangebied. Het foerageergebied voor de ganzen neemt met circa 22 hectare af. Dit verlies wordt echter binnen het plangebied gecompenseerd doordat ruim 25 hectare graskruidenvegetatie wordt ontwikkeld binnen de GO. Daarnaast neemt het wateroppervlakte in het plangebied toe waardoor het potentiële aanbod aan slaapplaatsen voor overwinterende ganzen toeneemt. Het areaal aan ganzenrustgebied en slaapplaatsfunctie neemt hierdoor toe en de samenhang blijft gewaarborgd. De kwaliteit van het ganzenrustgebied neemt wel deels af doordat gras-kruidenvegetatie van een lager calorische waarde is dan productiegrasland. Uit de Passende Beoordeling blijkt dat er voldoende foerageergebied overblijft om significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de kolgans, brandgans en grauwe gans uit te sluiten. 3.

Ontwikkelingen in het Gelders Natuurnetwerk Het noordwestelijke gedeelte en het noordoostelijke hoekje van de bedrijfsbestemming heeft overlap met het GNN. Dit wordt gecompenseerd door de inrichting van natuur op de agrarische gronden ten noorden van de oostelijke plas. Met de herontwikkeling van de agrarische gronden naar (rivier)natuurgronden zal de samenhang en de kernkwaliteiten van het GNN worden versterkt. Daarbij is er ook een toename van het oppervlakte aan GNN in de Willemspolder. Dit alles is planologisch geborgd in het natuurversterkingsplan. Het gebied met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – recreatieve bedrijvigheid’ valt binnen het GNN. Dit geldt ook voor een deel van het gebied met de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – landschapskunstelement’ waar onder andere een uitkijktoren is voorzien. Door deze specifieke aanduiding is het mogelijk om gebouwen en landschapskunstelementen binnen het GNN op te richten. Ondanks dat dit denkbaar is binnen GNN, adviseren wij om deze voorzieningen buiten het GNN te realiseren, omdat er in aangrenzend GO ook volop ruimte is. 4. Extensieve recreatie De paragraaf over het provinciaal beleid gaat ook in op recreatie.

In deze alinea staat het volgende: ‘Extensief dagrecreatief medegebruik, zoals dat in dit bestemmingsplan is toegestaan binnen de bestemming ‘Natuur’, valt niet aan te merken als ‘kleinschalige recreatie’ zoals dat gedefinieerd is in de Omgevingsverordening. Dit betekent dat artikel 2.49 (uit de Omgevingsverordening) niet van toepassing is op het plangebied en er niet aan de voorwaarden getoetst hoeft te worden’. Het is ons niet duidelijk wat hiermee wordt bedoeld. 30

Op basis van bovenstaande afwegingen is het advies van de provincie: om het drijvend zonnepark te benaderen als een ontwikkeling binnen de GO; de voorzieningen voor recreatieve bedrijvigheid, landschapskunstelementen en de uitkijktoren buiten de begrenzing van het GNN te realiseren, en; de alinea over extensief dagrecreatief medegebruik uit paragraaf 3.2.3 te verduidelijken. Reactie van het college op de overlegreactie: Goed om te horen dat de provincie positief tegen over de boogde ontwikkeling in de Willemspolder staat. 1. Het advies van de provincie nemen we over. De plas, waar onder andere het zonnepark is voorzien, blijft onderdeel van het GO. Het natuurcompensatieplan (bijlage 3 bij de regels) is aangepast op de meest actuele begrenzing van GNN en GO op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021). 2. Wij ondersteunen deze reactie. 3. Daar waar in de huidige situatie geen sprake is van GNN nemen we het advies van de provincie over om de status van GO te behouden. De meerderheid van de inrichtingselementen voor recreatief medegebruik vallen daardoor in GO. De specifieke vorm van recreatieve bedrijvigheid binnen het GNN is bewust gekozen en het is niet wenselijk om deze te verplaatsen naar een andere plek in het plangebied.

Het betreft kleinschalig recreatief medegebruik (HUMUS / stichting Bewell), dat een voortzetting vormt van het bestaande gebruik. Ook de locatie van de landschapskunstelementen is een weloverwogen keuze geweest. Verplaatsing van deze elementen doet afbreuk aan het inrichtingsplan. Deze landschapskunstelementen worden overigens buiten het GNN gerealiseerd. In het kader van de ecologische onderzoeken bij het MER zijn de effecten van de herinrichting op de kernkwaliteiten van het GNN in beeld gebracht. Daarbij zijn ook de effecten van het kleinschalige extensieve medegebruik beschouwd. Hiervan gaat geen significant negatief effect uit. Er is daarom geen aanleiding kleinschalige elementen (voor de beweeg- en beleefroute) te verplaatsen naar een locatie buiten het GNN. 4. Bedoeld wordt dat er geen sprake is van een vorm van recreatie zoals natuurkamperen. Het gaat hier om kleinschalig recreatief medegebruik die naar haar aard en omvang vergelijkbaar is met een schoolklas die een wandeling door de natuur maakt. In paragraaf 10.1.2 ‘Gebruik’ natuuronderzoek (bijlage 8 bij het MER) is gemotiveerd wat wordt verstaan onder extensieve recreatie en dat dit geen gevolgen heeft voor de kernkwaliteiten van het GNN omdat in het inrichtingsplan conflicten tussen natuur- en recreatiedoelstellingen vermeden worden. Er is sprake van extensieve recreatie in de vorm van natuurbeleving.

Door gerichte zonering en routestructuur wordt verstoring van gebieden met vogelconcentraties (van onder andere Wulpen en overwinterende ganzen) voorkomen. 5. Conclusie De ingediende inspraakreactie en vooroverlegreacties geven aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. - De bedrijfsbestemming wordt uit het bestemmingsplan gehaald. Voor de bedrijfsactiviteiten wordt een tijdelijke vergunning aangevraagd. De toelichting, regels en verbeelding worden hierop aangepast. - Toelichting, regels en verbeelding worden op een aantal punten aangepast ter verduidelijking. - Toelichting, regels en verbeelding worden op een aantal punten aangepast vanwege omissies. De algemene conclusie is dat het bestemmingsplan, met inachtneming van de aanpassingen, een ontwikkeling mogelijk maakt die getuigt van een goede ruimtelijke ordening. De gewenste ontwikkeling blijkt beleidsmatig en ruimtelijke planologisch inpasbaar.

31

6. Vervolgprocedure Het ontwerp bestemmingsplan zal op basis van art. 3.8 Wro als ontwerp ter inzage worden gelegd voor een periode van 6 weken. Na de inzage periode kan de gemeenteraad een besluit nemen over de vaststelling.

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595358/2