CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 54 - Aanpassingennotitie bijlage 2, eindverslag inspraak

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan met bijlagen15.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Eindverslag inspraak en vooroverleg Voorontwerp bestemmingsplan ‘Willemspolder, fase 1’

Datum: maart 2022

Eindverslag inspraakprocedure en vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro met betrekking tot het voorontwerp bestemmingsplan ‘Willemspolder, fase 1’. 1. Aanleiding Het (voorontwerp)bestemmingsplan ‘Willemspolder, fase 1’ biedt het planologisch kader om na ontgronding van de Willemspolder fase 1, het gebied te herinrichten met op hoofdlijnen de volgende onderdelen: - Waterrijk natuurgebied met extensieve recreatie; - vestigen en realiseren van een duurzame watergebonden bedrijvigheid in de vorm van een bouwgrondstoffencentrum, op de locatie van de voormalige steenfabriek1; - realiseren van een drijvend zonneveld. 2. Procedure Met betrekking tot het voorontwerp van het bestemmingsplan ‘Willemspolder, fase 1’ heeft inspraak plaatsgevonden overeenkomstig de ‘Participatie- en inspraakverordening NederBetuwe 2015’. Het voorontwerp heeft van 18 februari tot en met 17 maart 2021 ter inzage gelegen bij het Omgevingsloket van het gemeentehuis en was tegelijkertijd raadpleegbaar via de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. De terinzagelegging is bekendgemaakt in de Staatscourant en Hét Gemeentenieuws van 17 februari 2021 en op de gemeentelijke website, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld mondeling of schriftelijk zijn/haar inspraakreactie over het voorontwerp kenbaar te maken. 3.

Inspraakreacties en ontvankelijkheid Van de mogelijkheid tot het kenbaar maken van een schriftelijke inspraakreactie is gebruik gemaakt door: A. Reactie 1: inwoner (z/21/074277/149865) B. Reactie 2: inwoner (z/21/074277/150283) C. Reactie 3 en 3a: 7 inwoners (z/21/074277/150282 en z/21/074277/150788) D. Reactie 4: inwoner (z/21/074277/150284) E. Reactie 5: inwoner (z/21/074277/150389) F. Reactie 6: inwoner (z/21/074277/150450) G. Reactie 7: Koninklijk BLN-Schutevaer (z/21/074277/150503) Er is één reactie ingediend, maar later weer ingetrokken. Deze reactie is niet opgenomen in dit eindverslag. 3.1 Ontvankelijkheid De inspraakreacties zijn binnen de gestelde termijn ingediend bij de gemeente. Alle reacties zijn daarmee ontvankelijk. Reactie 8 heeft betrekking op het MER. Het MER heeft evenwel niet ter inzage gelegen. Voor zover de reactie betrekking heeft op het (voorontwerp) bestemmingsplan, zullen wij hierop in deze inspraaknota, nader ingaan. 3.2 Inhoudelijke behandeling inspraakreactie Van de inspraakreacties is hierna een samenvatting opgenomen en een reactie daarop van het college van burgemeester en wethouders. Naar aanleiding van de inspraakreacties is met de initiatiefnemer afgesproken om de bedrijfsbestemming in zijn geheel uit het bestemmingsplan te halen.

Voor de bedrijfsbestemming is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. Op basis van monitoring en evaluatie 1 Naar aanleiding van de inspraakreacties is met de initiatiefnemer afgestemd om de

bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan te halen. Hiervoor in de plaats is een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd.

1

wordt besloten of de tijdelijke bedrijfsbestemming omgezet wordt in een permanente bestemming. A. Reactie 1: inwoner De initiatiefnemer geeft aan alle gronden in het plangebied Willemspolder fase 1 in eigendom te hebben of op deze gronden rechten te kunnen doen gelden. Dit is niet juist. De gemeente wordt verzocht te wachten met het verlenen van haar medewerking aan dit plan totdat initiatiefnemer alle gronden daadwerkelijk in eigendom heeft en/of op de resterende gronden rechten kan doen gelden. Reactie van het college op de inspraakreactie De initiatiefnemer heeft bijna het hele plangebied in eigendom. Voor de realisatie van het plan moet de initiatiefnemer nog één perceel in eigendom verwerven. Hierover zijn door initiatiefnemer principeafspraken gemaakt met de eigenaar. De realisatie van het bestemmingsplan ‘Willemspolder, fase 1’ op het betreffende perceel zal pas na verwerving van het eigendom plaatsvinden. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan, zullen deze gronden zijn verworven, of zullen met de grondeigenaar definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van het bestemmingsplan. B. Reactie 2: inwoner 1. Het plan, zoals voorgesteld, zal een grote invloed hebben op de naburige agrarische percelen. De gebruikswaarde van deze percelen zal danig verminderen. Door het ontwikkelen van zogenaamde nieuwe natuur zal de flora en fauna in de omgeving veranderen.

Zo zal het aantal ganzen toenemen hetgeen gevolgen heeft voor de gewassen op de nabijgelegen agrarische percelen. 2. Het verleggen van de zomerdijk heeft gevolgen voor de hydrologische aspecten in het overblijvende deel van de Willemspolder. De zomerdijk is in de vorige eeuw in noordelijke richting verplaatst. De nieuw aangelegde zomerdijk bleek ‘zo lek te zijn als een mandje’ (citaat van een medewerker van WSRL). De kwel die dit deel van de zomerdijk veroorzaakt heeft gevolgen voor andere percelen in de Willemspolder. 3. Een deel van de huidige bezoekers meent dat nu al bijna alles is toegestaan in de Willemspolder. Er vinden veel stortingen van afval plaats en andere illegale activiteiten. Controle op het beheer van de ruimte rondom de Spijkerse plas is er nauwelijks. 4. Samengevat. Het voorgestelde plan heeft niet de instemming van insprekers, omdat het negatieve gevolgen heeft voor de gebruikswaarden van de percelen van insprekers door invloeden van hydrologie, ecologie, flora, fauna, ontsluiting en aantrekkingskracht voor dubieuze bezoekers. In het voorontwerp bestemmingsplan en de MER wordt hier niet of nauwelijks bij stilgestaan. Het lijkt ons juist deze aspecten mee te nemen in het bestemmingsplan en de MER. Indiener vindt dat door dit plan de gebruikswaarde van zijn percelen in en in de omgeving van de Willemspolder niet mag verminderen.

Reactie van het college op de inspraakreactie 1. Door het plan wijzigt het bestaande agrarische gebruik naar Water en Natuur. De delen buiten het plangebied behouden de agrarische bestemming. Natuurontwikkeling in de uiterwaarden van de Waal is een wenselijke ontwikkeling op basis van het overheidsbeleid, zoals Natura 2000, Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Kaderrichtlijn Water. Natuurlijke verspreiding van flora en fauna door deze gebieden zijn gewenste effecten, ten gunste van de biodiversiteit. Voor een toename van ganzen hoeft op basis van daarvoor uitgevoerde onderzoeken (zie plantoelichting paragraaf 3.2.3) niet te worden gevreesd. Op langere termijn wordt eerder stabilisatie of een lichte afname van de populatie voorzien. Het agrarisch gebruik van naburige agrarische percelen kan ongewijzigd worden voorgezet. 2. De nieuwe zomerkade wordt volgens de voorwaarden van Waterschap Rivierenland (WSRL) aangelegd en beschermt de resterende agrarische percelen in het overige deel van de Willemspolder minimaal op gelijkwaardige wijze zoals in de huidige situatie het geval is. Hydrologische effecten zijn daarom voor deze agrarische percelen niet aan de 2

orde. Overigens dient voor deze ontwikkeling ook een watervergunning te worden verleend waarbij Rijkwaterstaat de rivierkundige effecten van de ontwikkeling beoordeelt en het Waterschap Rivierenland de effecten op de waterkering en het grondwater. De effecten van de waterkering(en) zijn beschreven in het MER (paragraaf 5.2.3 MER en bijlage 6) en de aanvulling op het MER (paragraaf 2.8 en bijlage 2). 3. Deze inspraakreactie ziet niet op de planontwikkeling maar op het huidige gebruik van de polder. Illegale stortingen zijn uiteraard ongewenst en hierop zal preventief opgetreden moeten worden. In een beheerplan voor Willemspolder fase 1 zijn nadere afspraken gemaakt over beheer en toezicht. 4. Zie onze overwegingen onder 1-3. C.1 Reactie 3: zeven inwoners IJzendoorn Het plan roept veel vragen op en leidt bij bewoners tot bezorgdheid. Naar aanleiding van een gesprek met de gemeente concluderen insprekers dat het plan solistisch door Dekker is opgesteld. Gelet op de omvang van het plan dient deze reactie te worden beschouwd als een pro-forma inspraakreactie en zal op een later moment meer inhoudelijk op het plan worden ingegaan. Reactie van het college op de inspraakreactie Nadat de voor het plan opgestelde onderbouwing en bijbehorende omgevingsonderzoeken en MER door ons en de ODR is beoordeeld, staat het college, in beginsel, niet negatief tegenover de plannen.

Tevens is het plan met de provincie afgestemd. Gelet hierop hebben wij besloten om het plan als voorontwerp te publiceren, zodat wij ook het maatschappelijk draagvlak goed kunnen beoordelen. In het navolgende gaan wij op de inhoudelijke zienswijzen van insprekers in. C.2 Reactie 3: zeven inwoners IJzendoorn 1. Initiatiefnemer wil al 40 jaar een inrichting voor de op-, overslag en bewerking van zand en grind bij IJzendoorn beginnen voor de centrale verwerking van ruwe grondstoffen. Momenteel verwerkt initiatiefnemer het opgebaggerde materiaal ter plaatse van zijn zandwinning in een drijvende installatie tot industriezand. Van daaruit gaat het product rechtstreeks naar de klant of naar een van zijn op- en overslag locaties in Nederland en België. Bij de beoogde centrale verwerking wordt het opgebaggerde materiaal uit binnen – en buitenland naar IJzendoorn gebracht om daar te worden verwerkt. Het gaat daarbij om heel grote hoeveelheden: 730 schepen per jaar, 20 keer zo veel als de 37 schepen die op jaarbasis uit de ontzanding Willemspolder fase 1 vertrekken. Reactie van het college op de inspraakreactie De correcte hoeveelheden af te voeren materiaal en de daaraan gekoppelde transportbewegingen zijn weergegeven in paragraaf 2.3.2 van de aanvulling op het MER.

Op basis van een productiecapaciteit van 1.000.000 ton industriezand per jaar en een gemiddeld laadvermogen van 2.500 ton per schip is sprake van 400 schepen per jaar voor de afvoer van industriezand. 2. Daarmee verschuiven de lasten van winning in binnen- en buitenland naar IJzendoorn, zonder dat daar compensatie tegenover staat. Immers de ‘lusten’ in de vorm van natuur- en landschapsontwikkeling landen elders. De herrie is voor IJzendoorn. Het referentieniveau voor geluid is bij IJzendoorn erg laag (minder dan 40 dB(A)). Nog wel, want die zeldzame en onbetaalbare kwaliteit dreigt ons nu voorgoed te worden afgepakt. Waarom werkt de gemeente mee aan dit plan dat de milieuoverlast van zand- en grindwinning in binnen- en buitenland bij IJzendoorn legt? Het is toch veel redelijker als deze winlocaties in ruil voor nieuwe natuur of andere herontwikkeling de bijbehorende herrie dragen.

3

Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder in deze reactienota is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. 3. Ook worden er grote vraagtekens geplaatst bij de noodzaak van deze ontwikkeling op de Binnenwaard. Ten eerste bewijst initiatiefnemer al 40 jaar dat hij ook zonder een centrale verwerkingsinrichting bij IJzendoorn ‘goed boert’. Ten tweede hoort zo’n grote industriële ontwikkeling ten behoeve van het landelijke bouwgrondstoffenvoorziening thuis op een groot bovenregionaal industrieterrein en niet in een natuurgebied. Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder in deze reactienota is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. 4. Initiatiefnemer kent de weerstand tegen zijn plannen, maar heeft in het verleden aanbiedingen voor alternatieve locaties afgeslagen. De vorige drie pogingen om een dergelijk bedrijf te beginnen zijn gestrand omdat de beoogde functiewijziging niet paste binnen het beleid en regelgeving.

Reactie van het college op de inspraakreactie Deze reactie heeft geen betrekking op de voorgenomen herinrichting. 5. Ditmaal zit de ontwikkeling van de Binnenwaard tot bouwgrondstoffencentrum verpakt in de herontwikkeling van de Willemspolder. Het ‘mooie eindplaatje’ na 10 jaar ontzanden wordt voor het voetlicht gebracht, de mogelijke pijnpunten blijven onderbelicht. Er is zelfs een beeld ontstaan dat de activiteiten op de Binnenwaard tijdelijk zijn. Juichverhalen in de pers over fluisterstille winapparaten doen de rest. De beoogde verwerkingsinstallatie Yvonne is met een bronsterkte van 113-116 dB(A) beslist niet fluisterstil, maar een grote lawaaimaker. Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder in deze reactie nota is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. Het beoordelen van het geluidsrapport maakt onderdeel uit van de vergunningsprocedure. 6. De Binnenwaard moet niet alleen ruimte bieden aan het bouwgrondstoffencentrum. Onder het mom van startende bedrijvigheid lijkt initiatiefnemer daar permanent een bunkerstation voor schepen te willen vestigen. De te tanken brandstof bevat waterstof, die ter plaatst geproduceerd wordt met ‘groene stroom’.

Daarvoor wordt een zonneveld van 6 ha in de ‘natuurplas’ aangelegd en zijn er nog 2 windmolens gewenst. Het bunkerstation kan mogelijk uitgroeien tot een Brzo-inrichting (Besluit risico’s zware ongevallen). Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder in deze reactie nota is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. Dit geldt ook voor de startende bedrijvigheid.

4

7. Daarnaast moet het bestemmingsplan de ontgronding van een deel van de Willemspolder mogelijk maken. Deze ontgronding gaat gepaard met de nodige overlast voor de bevolking. Naast herrie en stof, is het gebied gedurende 10 jaar minder toegankelijk voor wandelen, zwemmen, vissen, vogels kijken etc.. De Waardweg verdwijnt en tijdens het uitdiepen van de oostelijke ontgrondingsplas lopen woningen aan de Waalbandijk en het Zondagsstraatje een reëel risico op scheurvorming. Daar staan enige natuurwinst, recreatieve voorzieningen en een waterstandsdaling van slechts 1 cm tegenover. Deze ontgronding draagt dan ook vooral bij aan de doelen van initiatiefnemer: bouwgrondstoffenwinning en energieopwekking voor de productie van waterstof. Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals in de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven wordt het project (Willemspolder, fase 1) gefaseerd uitgevoerd, waardoor het materieel voor het ontgronden en het herinrichten zich als het ware als een ‘treintje’ door het gebied verplaatsen. Als een deel is ontgrond en heringericht, wordt zo spoedig mogelijk daarna ook de eindinrichting aangebracht. Het plangebied wordt derhalve gefaseerd ingericht en (weer) opengesteld voor het publiek. Alleen gebiedsdelen die voor de bedrijfsvoering vanuit veiligheidsoverwegingen afgesloten moeten worden zijn niet toegankelijk.

Daardoor neemt de toegankelijkheid voor het publiek ook tijdens de realisatiefase toe ten opzichte van de huidige situatie. Opgemerkt wordt dat de opwekking van duurzame energie ook tegemoet komen aan maatschappelijke doelstellingen. 8. We hebben het voorontwerp bestemmingsplan, de toelichting op het plan en een aantal MERrapporten bestudeerd. Onze belangrijkste bevindingen zijn - De oppervlakte bedrijfsbestemming van de Binnenwaard blijft niet gelijk, zoals initiatiefnemer beweerd, maar neemt met 2 ha toe. Twee hectare met bestemming water hoort bij de bedrijfsbestemming te worden gesteld. De totale oppervlakte bedrijfsbestemming bedraagt daarom circa 12 ha. Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder in deze reactie nota is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. -

De beoogde activiteiten vallen in een hogere milieucategorie dan de huidige toegestane baksteenfabricage. Bovendien zijn ze geluidzoneringplichtig. Het bunkerstation voor waterstof kan uitgroeien tot een Brzo-inrichting. Hierdoor is er sprake van een relevante functiewijziging. Gelet hierop en de toename van de oppervlakte bedrijfsbestemming is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder in deze reactie nota is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. Het beoordelen van de milieucategorie en overige effecten van de ontwikkeling op de omgeving wordt meegenomen bij deze vergunningsprocedure. -

Het plan voldoet niet aan beleid en regelgeving.

Reactie van het college op de inspraakreactie Zie onderstaande reactie bij ‘beleid en regelgeving’.

5

-

Het geluidsonderzoek vertoont gebreken.

Reactie van het college op de inspraakreactie Zie onderstaande reactie bij ‘geluidsonderzoek’. 9. Het plan maakt naast natuurontwikkeling en recreatie als resultante van een 10 jaar durende ontgronding ook de permanente ontwikkeling van een industrieterrein met bijbehorende zonnepark mogelijk. Uitbreiding met nog 2 windmolens ligt daarbij in het verschiet. Het gaat om de herontwikkeling van een steenfabrieksterrein dat al veertig jaar niet meer in gebruik is. Het terrein ligt te midden van natuur: het Natura2000gebied Rijntakken, het Gelders natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Daarbij past geen herbestemming die leidt tot een vergroting van de bedrijfsoppervlakte en een functieverzwaring. Dat was tot nu toe ook altijd het beleid van de gemeente. Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder al is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. Het beoordelen van de milieucategorie maakt onderdeel uit van de vergunningprocedure. In het MER en de bijbehorende onderzoeken is het realiseren van 2 windmolens meegenomen, omdat dit een specifieke wens is van de initiatiefnemer.

Het realiseren van windmolens op deze plaats past niet in het vigerende klimaatbeleid van de gemeente en is daarom ook niet opgenomen in het (voorontwerp)bestemmingsplan. 10. Hoewel initiatiefnemer beweert dat de bedrijfsoppervlakte gelijk blijft en er geen sprake is van functieverzwaring, maken wij voldoende aannemelijk dat dit niet klopt. Gevraagd wordt om het plan in deze vorm niet verder in procedure te brengen. Reactie van het college op de inspraakreactie Het bestemmingsplan wordt aangepast. De bedrijfsbestemming is uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. Bijlagen: Het plan – Bouwgrondstoffencentrum Volgens artikel 3 Bedrijf in het voorontwerp bestemmingsplan zijn de gronden op de Binnenwaard bestemd voor winning, bewerking, toepassing, opslag en overslag en het transport over water van bouwgrondstoffen en bijbehorende voorzieningen. De drijvende klasseerinstallaties zijn uitsluitend toegestaan ter plaatst van de aanduiding klasseerinstallatie. Opslag van bouwgrondstoffen kan plaatsvinden op het land en in onderwaterdepots. Buitensopslag op land is uitsluitend toegestaan ter plaats van de aanduiding depot. De hoogte van buitenopslag van bouwgrondstoffen bedraagt maximaal 12 meter. 11.

Onduidelijkheid over plaats en omvang van de activiteiten. Het plan en de bijbehorende onderzoeksrapporten geven weinig duidelijkheid over de omvang van de activiteiten. Een representatieve bedrijfssituatie wordt niet beschreven. In het geluidrapport en onderzoek naar luchtkwaliteit wordt ervan uitgegaan dat er bij het bouwgrondstoffencentrum 730 schepen per jaar aankomen. Dat is 20 x zo veel als de 37 schepen die op jaarbasis uit de ontzanding Willemspolder fase 1 vertrekken. Het bouwgrondstoffencentrum wordt de centrale verwerkingsplek voor alle ontgrondingen van de initiatiefnemer in binnen- en buitenland. Uit de antwoorden van de initiatiefnemer op de vragen tijdens de informatieavond blijkt dat bouwgrondstoffen worden aangevoerd van buiten het gebied en dat dit een ongesorteerd mengsel van 6

zand en grind kan zijn dat met een drijvende installatie in de haven wordt bewerkt tot industriezand. Om welke hoeveelheden het gaat, wordt niet duidelijk. Evenmin is duidelijk of de klasseerinstallatie ingezet gaat worden om materiaal van concullega’s te verwerken. Geen gekke gedachte omdat in het project Geertjesgolf bij Druten initiatiefnemer ook zand klasseert voor andere bedrijven binnen het consortium Nederland. Hiermee zou alle milieuhinder van diverse zandwinningen bij IJzendoorn terechtkomen. Reactie van het college op de inspraakreactie De bedrijfsbestemming maakt geen onderdeel (meer) uit van het bestemmingsplan. De beoordeling van de gewenste activiteiten wordt meegenomen bij de vergunningsprocedure. 12. Over de bestemming ‘Bedrijf’ hebben we de volgende vragen: - De gronden met enkelbestemming bedrijf (artikel 3, paarse kleur) hebben op de kaart als functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’. Deze aanduiding wordt nergens verklaard. Wat betekent dit? Reactie van het college op de inspraakreactie Deze aanduiding is per abuis op de verbeelding van het voorontwerpbestemmingsplan opgenomen. Zoals eerder is aangegeven komt de gehele bedrijfsbestemming te vervallen en dus ook de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf-1’. -

De gronden met de bestemming bedrijf zijn ook bestemd voor winning en toepassing van bouwgrondstoffen. Wat wordt hiermee bedoeld? Er worden ter plaatse toch geen grondstoffen gewonnen of toegepast?

Reactie van het college op de inspraakreactie De bestemming bedrijf is uit het bestemmingsplan gehaald. -

Voor de opslag op land is een bepaalde locatie aangewezen. Voor de onderwateropslag niet. Op welke locaties mogen onderwaterdepots worden aangelegd? Het plan is daar niet duidelijk over.

Reactie van het college op de inspraakreactie Onderwateropslag wordt uitsluitend toegestaan binnen de bestemming Bedrijf. Depots onder water zijn opgenomen in de bestemmingsomschrijving onder 3.1.1.a. Per abuis is onderwateropslag niet genoemd in artikel 3.1.1.b., zodat duidelijk is dat opslag onder water uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – klasseerinstallatie’. Nu de bedrijfsbestemming komt te vervallen, komt ook artikel 3 Bedrijf te vervallen. Er is geen aanleiding meer om op dit punt het bestemmingsplan aan te passen. -

Zijn er meerdere klasseerinstallaties toegestaan? In artikel 3 onder b. staat immers dat drijvende klasseerinstallaties alleen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - klasseerinstallatie'.

Reactie van het college op de inspraakreactie Er is slechts één klasseerinstallatie in het plangebied toegestaan. Een drijvende klasseerinstallatie is samengesteld uit meerdere onderdelen met verschillende bewerkingstechnieken. Omdat het gaat om drijvende en dus mobiele installaties kunnen gelijkwaardige klasseerinstallaties worden ingezet. Nu de bedrijfsbestemming komt te vervallen, komt ook artikel 3 Bedrijf te vervallen. Er is geen aanleiding meer om op dit punt het bestemmingsplan aan te passen.

7

-

Hoe zit het met een vaste klasseerinstallatie? Is die overal op de paarse vlek toegestaan?

Reactie van het college op de inspraakreactie Het voorontwerpbestemmingsplan maakt de inzet van een drijvende klasseerinstallatie in de haven mogelijk. Een vaste klasseerinstallatie is niet toegestaan. Het in te zetten materieel wordt in de omgevingsvergunning milieu nader geregeld. Nu de bedrijfsbestemming (paarde vlek) komt te vervallen, komt ook artikel 3 Bedrijf te vervallen. -

Het bestemmingsplan bepaalt niet dat alleen klasseerinstallatie Yvonne ter plaatse is toegestaan. Is dit te regelen in het bestemmingsplan?

Reactie van het college op de inspraakreactie Omdat het gaat om drijvende en dus mobiele installaties, kunnen gelijkwaardige klasseerinstallaties worden ingezet. Het in te zetten materieel wordt in de omgevingsvergunning milieu nader geregeld. -

Wij denken dat dit niet te regelen is in het bestemmingsplan. Dit betekent dat er ook andere klasseerinstallaties kunnen worden ingezet. Initiatiefnemer beschikt over diverse klasseerinstallaties. De geluidzone in het voorliggende plan is berekend op basis van de Yvonne, maar had eigenlijk gebaseerd moeten worden op de ‘worst-case’ klasseerinstallatie die daar mogelijk zou kunnen komen te liggen.

Reactie van het college op de inspraakreactie Alleen klasseerinstallaties met minimaal gelijkwaardige milieueffecten kunnen worden ingezet. Het in te zetten materieel wordt in de omgevingsvergunning milieu nader geregeld. -

In Bijlage 13 bij het MER staat dat er 2 schepen per dag naar de Binnenwaard komen. Dit gaat 7 dagen per week door. In de weekenden wordt er niet gewerkt. Wij kunnen ons niet voorstellen dat deze schepen een paar dagen gaan liggen wachten om te kunnen laden of te lossen. Wij vermoeden daarom dat zeker het lossen buiten werktijden gewoon doorgaat. Volgens de toelichting is er in de haven ruimte voor twee schepen. In het weekend arriveren vier schepen, waar moeten die blijven?

Reactie van het college op de inspraakreactie De bedrijfstijden voor de werkzaamheden zijn tussen 7.00 uur en 19.00 uur. Dit wordt ook vastgelegd in de omgevingsvergunning milieu. Buiten deze bedrijfstijden worden geen schepen geladen of gelost. Er wordt niet gewerkt op zondag. Naast de klasseerinstallatie is er ruimte voor maximaal twee schepen binnen de haven. Andere schepen moeten buiten het plangebied een aanlegplaats zoeken, bijvoorbeeld in een reguliere overnachtingshaven. In de logistieke planning wordt hiermee zoveel als mogelijk rekening gehouden. In de aanvulling op het MER is het effect van schepen onderzocht die voor 07.00 uur aankomen of na 19.00 uur vertrekken. Dit heeft geen hoger geluidniveau dan 28 dB(A) in de avond- en nachtperiode tot gevolg. -

We zien nergens dat de plassen na uitvoering van de ontgronding worden afgesloten voor scheepvaart. Dat is naar onze mening wel nodig.

8

Reactie van het college op de inspraakreactie Indien de doorvaart naar de plassen (hoofdgeul) niet meer noodzakelijk is voor de afvoer van bouwgrondstoffen kan deze worden afgesloten. Het bestemmingsplan is echter niet het aangewezen instrument om dit te regelen. 13. Bedrijfsoppervlakte nieuwe situatie neemt met ca. 2 ha toe. In de toelichting op het voorontwerp (bladzijde 34) lezen we: De nieuwe bestemming 'Bedrijf' een iets andere vormgeving bij een gelijke oppervlakte en bestaat uit een landgedeelte (droog bedrijfsterrein) en een haven (nat bedrijfsterrein). De oppervlakte van de gronden met bestemming Baksteenfabriek bedraagt ca. 9.8 ha. Het plandeel grenzend aan de westzijde van de bedrijfsbestemming heeft de bestemming water gekregen (lichtblauwe vlak). Het is volgens artikel 6 Water bestemd voor: waterpartijen, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden, als natuurgebied en extensief dagrecreatief medegebruik. Naar onze mening maakt dit plandeel onderdeel uit van het bedrijf. Immers de schepen varen hier in en uit. Dat past niet binnen de bestemming Water. Een deel van het gebied is in de huidige situatie land, maar wordt afgegraven, tot een diepte van meer dan 20 m. Voor schepen is zo’n diepte niet nodig. Wij vermoeden dat hier ook onderwateropslag gepland is.

Het lichtblauwe oppervlak dient daarom in analogie met de bestemming van de overnachtingshaven, een bedrijfsbestemming te krijgen. Het gaat om een oppervlakte van ca. 2 ha. Ook de bedrijfsbestemming ter plaatse van het kantoor hoort bij de bedrijfsbestemming geteld te worden. Dit betekent dat de oppervlakte met bedrijfsbestemming in totaal ca. 12 ha bedraagt. Ook het 6 ha grote zonneveld behoort tot de inrichting te worden gerekend. Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder in deze reactie nota is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. De oppervlakte bedrijfsbestemming nemen we mee bij de vergunningprocedure. 14. Activiteiten Binnenwaard hebben grotere milieubelasting dan steenfabriek. In het voorontwerp bestemmingsplan is een geluidzone om de Binnenwaard opgenomen. Voor het geluidonderzoek wordt in de toelichting bij het plan verwezen naar bijlage 13 bij het MER. In deze bijlage lezen we op bladzijde 34: De haven met ‘Bouwgrondstoffen-HUB’ is een inrichting waar zand, grond, grind of steen gebroken, gemalen, gezeefd of gedroogd kan worden (categorie 11.3.k. van het Besluit omgevingsrecht).

Op basis van de systematiek van de Wet geluidhinder is er dan sprake van een geluidzonering. Dit betekent dat de gewenste installatie een grote lawaaimaker is. Op bladzijde 23 van de Toelichting bij het voorontwerp lezen we: De maximaal van toepassing zijn de milieucategorie voor de bestemming 'Bedrijf' binnen het plangebied is 4.2 op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. De richtafstand tussen de inrichting en milieugevoelige functies betreft 300 meter. Binnen 300 meter van de bedrijfsbestemming zijn geen woningen of andere milieugevoelige functies gelegen. Initiatiefnemer geeft niet aan op welke SBI-code deze milieucategorie is gebaseerd. Wij zijn van mening dat initiatiefnemer hier uitgaat van een onjuiste milieucategorie. Omdat er ook zand, grind en steen gebroken kan worden, hoort de activiteit te vallen onder steenbrekerijen (SBI-code 0812(2). Volgens de Richtafstandenlijst tabel 1 (behorend bij Bedrijven en milieuzonering VNG) een milieucategorie 5.2, met een richtafstand tot gevoelige functies van 700 meter en een geluidzoneplicht. De beoogde 9

activiteiten hebben een grotere milieubelasting dan de huidige toegestane activiteiten, waardoor er sprake is van een relevante functiewijziging. Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals eerder in deze reactie nota is aangegeven, is de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan gehaald. Voor activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard is een tijdelijke omgevingsvergunning (activiteiten afwijken bestemmingsplan en milieu) voor vijf jaar aangevraagd. Het beoordelen van de milieucategorie maakt onderdeel uit van de vergunningprocedure. Het plan - Startende bedrijvigheid / bunkerstation voor waterstof 15. Naast het bouwgrondstoffencentrum is startende bedrijvigheid (in de vorm van experimenten) toegestaan, die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, energieopwekking en innovatieve ontwikkelingen. Voor de energieopwekking mag een drijvend zonnepark van 6 ha worden aangelegd. Initiatiefnemer wil eigenlijk ook nog 2 windmolens op het terrein plaatsen, maar deze zijn door de gemeente uit het plan gehaald. We hebben een aantal vragen over de startende bedrijvigheid: - Op welke locaties is de startende bedrijvigheid toegestaan? Startende bedrijven lijken zich nu overal op het terrein te kunnen vestigen. Reactie van het college op de inspraakreactie De bedrijfsbestemming inclusief startende bedrijvigheid is uit het bestemmingsplan gehaald.

In de vergunningprocedure worden de bedrijfsactiviteiten meegenomen. -

Wat valt er allemaal onder startende bedrijvigheid in de vorm van experimenten? Betekent experiment dat de experimenteerbepalingen uit Crisis en herstelwet op deze bedrijvigheid van toepassing is? Het bestemmingsplan biedt hierover geen duidelijkheid.

Reactie van het college op de inspraakreactie De bedrijfsbestemming inclusief startende bedrijvigheid is uit het bestemmingsplan gehaald. -

Houdt het begrip startend in dat bedrijvigheid tijdelijk is of kan het ook permanent worden? In dat geval is er geen ruimte meer voor experimenten. Het bestemmingsplan zou startende bedrijven daarom slechts voor een beperkte periode mogen toestaan en er zouden ook milieugrenzen aan gesteld moeten worden (zie onder 4).

Reactie van het college op de inspraakreactie De bedrijfsbestemming inclusief startende bedrijvigheid is uit het bestemmingsplan gehaald. -

Op bladzijde 12 van de Toelichting wordt gesproken over ruimte voor duurzame startups (waterstofproductie en opslag in vloeibaar medium / pilotlocatie voor drijvende zonnepanelen voor offshore toepassingen/ aquathermie). Het extern veiligheidsrisico van zo’n startup op het bedrijfsterrein is onderzocht (toelichting bladzijde 25). Het gaat om een bedrijf voor de productie, opslag (vloeibaar/ lage druk) en overslag van waterstof als duurzame brandstof voor de scheepvaart. Bijlage 16 bij het MER bevat het onderzoek naar de externe veiligheid.

10

Kennelijk heeft initiatiefnemer concrete plannen om een waterstofbunkerstation voor schepen te beginnen. Onduidelijk is wat de omvang van de activiteit wordt. Hoeveel schepen, hoeveel waterstof? Het is duidelijk niet de bedoeling dat het een tijdelijk experiment is. Anders ga je geen 6 ha zonnepanelen aanleggen en bestaat er geen behoefte aan nog 2 windmolens voor energieopwekking. Het bedrijf kan volgens het onderzoek uitgroeien tot een Brzo inrichting. Is het echt de bedoeling van de gemeente dat hier onder het mom van een experiment een permanent bunkerstation voor schepen komt? En zo ja, waarom wordt dit dan niet expliciet beschreven in het plan? Zie ook de opmerkingen onder Waterstof. Reactie van het college op de inspraakreactie De bedrijfsbestemming inclusief startende bedrijvigheid is uit het bestemmingsplan gehaald. -

Het bestemmingsplan voorziet niet in de productie van waterstof en/of in een waterstof-bunkerstation. Als dit wel wordt geregeld: waar ligt dan het tankstation?

Reactie van het college op de inspraakreactie Zoals hierboven is aangegeven komt de bedrijfsbestemming te vervallen. -

Is artikel 12.4.1 zodanig opgesteld dat het hier uitsluitend opwekking van energie door middel van zonnepanelen mogelijk is? Of kan hier ook waterstofproductie onder worden verstaan?

Reactie van het college op de inspraakreactie De aanduidingsomschrijving van artikel 12.4.1 maakt ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - zonneparken' de opwekking, opslag, transport en benutting van duurzame energie en bijbehorende voorzieningen mogelijk. Daaronder valt niet de productie van waterstof. Om enige twijfel hierover weg te nemen passen we het artikel aan zodat uitsluitend duurzame energie kan worden opgewerkt middels zonnepanelen. Het plan - Ontgronding 16. Het voorontwerp bestemmingsplan is ook gericht op het planologisch mogelijk maken van de ontgronding van een deel van de Willemspolder. Deze ontgronding moet volgens de toelichting bijdragen aan: - Bouwgrondstoffenbehoefte: de gewonnen grondstoffen zand, grind en klei dragen bij aan de bouwgrondstoffenvoorziening voor de bouwopgave om de nationale woningvoorraad en economie op peil te houden. Er wordt gesuggereerd dat de bouwgrondstoffenwinning duurzaam is en bijdraagt aan circulaire economie. Een gotspe, want bouwgrondstoffenwinning is verre van duurzaam en helemaal niet circulair. Het zijn eindige grondstoffen. - Hoogwaterveiligheid: het project zorgt voor een waterstandsdaling van circa 1 cm bij hoogwater. Het volledige waterstand verlagend effect (circa 15 cm) kan in de volgende fase alsnog geactiveerd worden door het aanpassen van de Nieuweweg en realisatie van de volledige hoogwatergeul.

Initiatiefnemer wacht hiermee totdat hoogwaterveiligheidsdoel van het Programma Integraal Rivier Management concreet is (over 2 jaar). - Natuurontwikkeling: intensief agrarisch gebruik wordt omgevormd naar natuur. - Landschap en recreatie: hiervoor is een landschapsontwerp gemaakt. De ontgronding van de Willemspolder gaat gepaard met de nodige overlast voor de bevolking. Naast herrie en stof, is het gebied minder toegankelijk voor wandelen, 11

zwemmen, vissen, vogels kijken etc.. De Waardweg verdwijnt en tijdens het uitdiepen van de oostelijke ontgrondingsplas lopen woningen aan de Waalbandijk en het Zondagsestraatje een reëel risico op scheurvorming. Bodemdaling kan in droge perioden namelijk niet geheel worden uitgesloten, zo leert de geologische analyse (bijlage 5 bij MER). Ook een beverburcht moet het veld ruimen en er wordt een zonneveld van 6 ha in de ‘natuurplas’ aangelegd. Daar staan enige natuurwinst, recreatieve voorzieningen en een waterstandsdaling van slechts 1 cm tegenover. Wel wordt een potentiële waterstandsdaling van 15 cm in het vooruitzicht gesteld. Deze kan pas bereikt worden na voltooiing van Willemspolder fase 2 (in 2050) en het afgraven van de Nieuweweg tot 0 cm -NAP. De initiatiefnemer zegt welwillend tegenover deze verlaging te staan. Wij vragen ons af waarom de welwillende initiatiefnemer dan niet start met het verlagen van de Nieuweweg. Dat levert minder overlast en meer waterstandsdaling op dan 10 jaar ontgronden. Wij komen dan ook tot de conclusie dat de ontgronding vooral bijdraagt aan het verdienmodel van initiatiefnemer: bouwgrondstoffenwinning en energieopwekking voor de productie van waterstof. Reactie van het college op de inspraakreactie Het bestemmingsplan maakt een integrale gebiedsontwikkeling mogelijk op basis van het voorkeursalternatief.

Dit is een harmonieus inrichtingsplan dat is gebaseerd op de vijf maatschappelijke doelstellingen voor het plangebied, waarbij de winning van bouwgrondstoffen inderdaad een primair doel is. Initiatiefnemer maakt in het MER inzichtelijk welke mogelijkheden er zijn om het basisplan verder te verbeteren op basis van deze doelstellingen en welke milieueffecten daarmee gepaard gaan. Op dit moment zijn verregaande rivierverruimende maatregelen niet opportuun op basis van het overheidsbeleid. Overleg met Rijkswaterstaat wijst uit dat daar in deze fase ook geen vergunning voor kan worden verkregen. Beleid en regelgeving – Structuurvisie Neder-Betuwe 17. Hoe serieus toetsing van het voorontwerp bestemmingsplan aan de structuurvisie heeft plaatsgevonden, wordt niet duidelijk uit de toelichting. Op bladzijde 17 wordt ingegaan op de in de structuurvisie geschetste ontwikkelingsrichting voor de uiterwaarden: waterveiligheid, natuur en landschapsbeleving. Het plan Willemspolder fase 1 sluit hier volgens de toelichting bij aan door de overwegend agrarisch gebruikte uiterwaarden te veranderen in een waterrijk natuurgebied, waar nieuwe extensieve recreatiemogelijkheden gecreëerd worden en wordt bijgedragen aan de klimaatadaptatie met oog voor cultuurhistorie en vergezichten.

Uit de toelichting op het voorontwerp bestemmingsplan blijkt niet dat er een gemeentelijke toets op het plan heeft plaatsgevonden en wat daarvan de bevindingen zijn. Op bladzijde 17 staat alleen dat In overleg met de betrokken ambtenaren is vastgesteld dat de eerste versie van de in ontwikkeling zijnde Omgevingsvisie geen beperkingen geeft voor de ontwikkeling. De toetsing aan de Structuurvisie, zoals beschreven in de toelichting, heeft alleen betrekking op de herinrichting van de Willemspolder na de ontzanding. Een toetsing van de permanente vestiging van het bouwgrondstoffencentrum aan de Structuurvisie ontbreekt. Deze ontwikkeling behoort te worden getoetst aan het gemeentelijk beleid over werklocaties. Op bladzijde 49 van de Structuurvisie staat een richtinggevende uitspraak over bedrijvigheid in de uiterwaarden: De uiterwaarden bieden evenals in de huidige situatie ruimte aan natuur, landbouw en extensieve recreatie en in beginsel niet aan woningbouw. Woningbouw is slechts incidenteel, in een bijzondere vorm aanwezig. De aanwezige bedrijfseconomische functies worden gerespecteerd, nieuwe functies of functiewijziging vinden niet plaats. Op bladzijde 52 staan richtinggevende uitspraken over werken, waaronder: (Sub)regionale bedrijven, zonder lokale binding, hebben een plek gevonden op het bedrijventerrein Medel of op een subregionaal bedrijventerrein.

Vaak zal het gaan om categorie 4 bedrijven en hoger, zoals vermeld in de VNG-brochure. Wij constateren dat de ontwikkeling van het bouwgrondstoffencentrum niet past binnen het gemeentelijk beleid voor werklocaties. 12

Reactie van het college op de inspraakreactie De structuurvisie Neder-Betuwe geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid aan. De door insprekers aangehaalde uitspraken kunnen we dan ook niet zonder die context interpreteren. Ten aanzien van het onderdeel Werken merken we op dat de bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan is gehaald, waardoor het niet meer nodig is om dit punt te toetsen aan de structuurvisie. De tekst over de Omgevingsvisie passen we aan, omdat de tekst is gebaseerd op een eerste versie en inmiddels is een ontwerp-Omgevingsvisie gereed. Beleid en regelgeving – Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening Gelderland bevat een aantal instructieregels voor bestemmingsplannen. Niet aan alle instructieregels is voldaan. 18. Kadegebonden bedrijvigheid of niet? Op bladzijde 10 verwijst initiatiefnemer naar artikel 2.11 van de Omgevingsverordening Gelderland als reden om de Binnenwaard om te vormen tot een bouwgrondstoffencentrum. Dit artikel bepaalt dat een bestemmingsplan bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten alleen bestemt voor bedrijvigheid die voor goederenoverslag of productieactiviteiten afhankelijk is van een vestigingslocatie direct aan vaarwater met een eigen kade of in de directe nabijheid van een openbare kade.

Maar valt de Binnenwaard wel onder deze regel? Volgens de Omgevingsverordening is een kadegebonden bedrijventerrein gedefinieerd als: een terrein met een of meerdere bedrijven met minstens één openbare laad-of loskade langs voor binnenvaartschepen toegankelijk vaarwater. De bestaande kade is erg klein en niet openbaar toegankelijk. Bovendien gaat de initiatiefnemer deze kade niet gebruiken, maar legt een nieuwe haven aan, deels in Natura 2000-gebied en GNN. Ook schrijft de Omgevingsverordening niet voor dat het hergebruik grootschaliger moet zijn dan het huidige toegestane gebruik van de steenfabriek. Reactie van het college op de inspraakreactie Aangezien de bedrijfsbestemming in het bestemmingsplan komt te vervallen, is het niet meer nodig dat dit onderdeel wordt getoetst aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. 19. Ontwikkeling Binnenwaard is niet getoetst aan Regionaal programma werklocaties. Zoals we onder ‘ladder voor duurzame verstelijking’ al aantoonden, hebben we te maken met een uitbreiding van de het bedrijventerrein, zowel in omvang als in aard. Artikel 2.10 van de Omgevingsverordening Gelderland bepaalt dat een bestemmingsplan een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein alleen mogelijk maakt als deze ontwikkeling past binnen het vigerende Regionaal programma werklocaties.

Vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van het Regionaal programma kan de ontwikkeling onder de volgende voorwaarden toch mogelijk zijn: − er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; − er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en − Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling. Volgens de toelichting geldt deze bepaling ook als bedrijvigheid met een gemengde bestemming mogelijk wordt gemaakt. Wij constateren dat het plan niet is getoetst aan het Regionaal programma werklocaties. Reactie van het college op de inspraakreactie Aangezien de bedrijfsbestemming in het bestemmingsplan komt te vervallen, is het niet meer nodig dat dit onderdeel wordt getoetst aan het Regionaal programma werklocaties.

13

3. Ontwikkeling Binnenwaard past niet in buitengebied De Binnenwaard ligt in het buitengebied. Volgens artikel 2.12 van de Omgevingsverordening Gelderland maakt een bestemmingsplan geen vestiging mogelijk in het buitengebied van vormen van bedrijvigheid die naar huidige planologische inzichten wat betreft de ruimtelijke aanvaarbaarheid thuishoren op een bedrijventerrein. In afwijking hiervan is nieuwvestiging toch mogelijk als: sprake is van functieverandering, of het vigerende Regionaal programma werklocaties hierover afspraken bevat. Volgens de toelichting verstaat de provincie onder functieverandering een ontwikkeling die leidt tot hergebruik van bestaande bebouwing, zorgt voor een kwaliteitsverbetering in het gebied en daar qua aard, schaal en functie past. Gelet op de omvang en de herrie is bovendien geen sprake van kwaliteitsverbetering in het gebied. Het past hier qua aard schaal niet. Het is voor bovenregionaal gebruik: spul dat in binnen- en buitenland wordt gewonnen, wordt bij IJzendoorn verwerkt. En er is ook nog sprake van de opwekking van waterstof voor de scheepvaart. Zoiets hoort thuis op een groot industrieterrein. Reactie van het college op de inspraakreactie Aangezien de bedrijfsbestemming in het bestemmingsplan komt te vervallen, is het niet meer nodig dat dit onderdeel wordt getoetst aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

Waterstof – experiment met waterstof 20. In de pers verschijnen de laatste tijd berichten dat initiatiefnemer samen met haar partners SolarDuck en Voyex (Overigens een B.V., waarvan de hoofdvestiging is gevestigd op Waalbandijk 1 te IJzendoorn KvK nr. 78738083. CEO: Wiard Leenders) voornemens is een proef op te zetten om aan te kunnen tonen dat waterstof opgeslagen kan worden in olie. In de proef wordt een drijvende zonne-eiland van 39 panelen aangesloten op een zogeheten electrolyzer die waterstof produceert. De waterstof wordt gekoppeld aan een olie-achtige vloeistof, een Liquid Organic Hydrogen Carrier (LOHC). Zo ontstaat ‘waterstofolie’, die getankt kan worden door schepen. Het voorgenomen bestemmingsplan moet ruimte bieden aan startende bedrijvigheid (in de vorm van experimenten) die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, energieopwekking en innovatieve ontwikkelingen. Maar initiatiefnemer wacht niet met experimenteren met waterstof totdat dit is geregeld in het bestemmingsplan. Uit de artikelen blijkt namelijk dat de proef in april start in de werkhaven van het bedrijf. Wij denken dat hiermee de overnachtingshaven ter hoogte van de werklocatie van Dekker wordt bedoeld. Dat betekent dat de proef gesitueerd wordt in de directe nabijheid van de dorpskern IJzendoorn, waar 1100 mensen wonen. Het gaat om een experiment waarbij waterstof wordt opgeslagen in olie.

Onduidelijk is welke gevaren en welke overlast aan dit procedé kleven voor het dorp IJzendoorn. Ook is ons niet gebleken dat hiervoor al vergunningen zijn aangevraagd of afgegeven. Het produceren en opslaan van waterstof, het bewerken van waterstof en het bunkeren van waterstof zijn vergunningplichtige activiteiten. Het kan niet zo zijn dat dit traject onder het mom van een proef wordt overgeslagen. Reactie van het college op de inspraakreactie Deze reactie heeft geen betrekking op het voorliggende bestemmingsplan. De locatie waar naar verwezen wordt, de overnachtingshaven in IJzendoorn, ligt buiten het plangebied. Ter informatie: een proefneming met de productie van waterstof en de opslag daarvan in een vloeibaar medium wordt door initiatiefnemer pas uitgevoerd na het verkrijgen van de daarvoor noodzakelijke vergunningen en toestemmingen. Waterstof – experiment met waterstof 21. Wij vermoeden dat het experiment in de werkhaven er op gericht is om kennis op te doen voor het bunkerstation dat initiatiefnemer op de bedrijfsbestemming wil 14

beginnen. Het bunkerstation voor het tanken van waterstof op de Binnenwaard is dan ook niet bedoeld als experimenteel startend bedrijf, maar als een permanente activiteit. Dat blijkt ook uit bijlage 16 bij het MER, dat een indicatieve beoordeling naar de externe veiligheid van waterstof bevat. Hierin lezen we dat initiatiefnemer zich bij de realisatie van de inrichting zal houden aan de richtlijnen die gesteld zijn in de PGS 35. Dit baart ons grote zorgen, want PGS 35 is geschreven (overigens nog in concept) voor waterstofinstallaties voor het afleveren van waterstof aan voertuigen en werktuigen. Expliciet is namelijk vermeld dat de PGS 35 niet van toepassing is op: − de productie van waterstof; − het afleveren van waterstof aan vaartuigen; − het afleveren aan bufferopslagen. Waterstofgas is veertien keer lichter dan lucht en geurloos. Het kleine molecuul dringt bijna overal doorheen. Er is weinig energie nodig om het te ontsteken: de wrijving van kledingstukken kan hiervoor al voldoende zijn. Het is licht ontvlambaar en kan explosies veroorzaken. Een complicatie is dat mensen een waterstofbrand niet goed kunnen signaleren. Waterstof geeft een kleurloze, nauwelijks zichtbare vlam en vrijwel geen warmtestraling. Hierdoor wordt het effectief bestrijden van een waterstofbrand ernstig bemoeilijkt.

Het blussen van een waterstofbrand kan ongewenst zijn, omdat na blussing een explosieve gaswolk kan ontstaan die opnieuw kan ontsteken. Dit gevoegd bij het langsvaren of afmeren van schepen met gevaarlijke stoffen, kan tot gevaarlijke situaties leiden. Er is nergens gekwantificeerd hoeveel waterstof initiatiefnemer wil gaan produceren. Als dat boven een bepaalde drempelwaarde uitkomt, moet het bedrijf worden aangemerkt als een Brzo-inrichting. De hoeveelheid te produceren waterstof is ook bepalend voor de energiebehoefte. Voor de productie van waterstof is veel elektriciteit nodig. Initiatiefnemer wil dit opwekken met zonnepanelen. Wij vragen ons af of de 6 ha zonnepanelen voldoende zijn voor de ambities van initiatiefnemer. Wij vrezen dat de 2 windmolens die nu nog uit het plan gehaald zijn, later toch nodig blijken te zijn. Bij de productie van waterstof komt veel warmte bij vrij. Daarom is in het productieproces dag en nacht koeling nodig. In verband met de koeling van de units is in het geluidmodel een puntbron opgenomen van 90 dB(A) met bedrijfstijd van 24 uur 7 dagen per week. Ook het aan- en afkoppelen van de te bunkeren schepen zorgt voor extra geluidsoverlast. De vestiging van bunkerstation voor schepen in combinatie met de productie van waterstof zorgt voor een extra verzwaring van de activiteiten.

Reactie van het college op de inspraakreactie Deze reactie heeft geen betrekking op het voorliggende bestemmingsplan. Verder verwijzen wij naar de reactie onder punt 15. Geluidsonderzoek 22. Indieners van de reactie hebben een separate reactie ingediend met betrekking tot het geluidsonderzoek. Voor de reactie op dit punt wordt verwezen naar bijlage 1. Samenvatting Commentaar Het rapport is een niet geslaagde poging om in één rapport de milieueffecten voor het MER en de informatie voor de vergunningaanvragen in het kader van de Ontgrondingenwet/ Waterwet/ Natuurbeschermingswetten te behandelen. Het rapport is daarmee slecht leesbaar geworden en de indeling is rommelig. Het rapport bevat heel veel vakjargon en is voor de gewone burger niet te doorgronden. Reactie van het college op de inspraakreactie De eisen vanuit wet- en regelgeving maken een bepaalde wetenschappelijke opbouw van de rapportage en het gebruik van bepaalde terminologie noodzakelijk. In het MER is een meer publieksvriendelijke weergave van de resultaten gegeven. In de aanvulling op het MER is een 15

uitgebreide nadere toelichting op de bedrijfsactiviteiten gegeven, onder meer naar aanleiding van voorgaande inspraakreacties. De hoofdpunten van kritiek zijn:  Geen onderbouwing van uitgangspunten zoals bronvermogens. Reactie van het college op de inspraakreactie Bij grondverzetmaterieel en schepen wordt gebruik gemaakt van algemeen aanvaarde kentallen voor de akoestische bronvermogens. Voor specifiek materieel, zoals de klasseerinstallatie is het akoestisch bronvermogen gebaseerd op metingen uit de praktijk, zoals is onderbouwd in de rapportage. 

Het te pas en te onpas suggereren dat met de elektrische aandrijving de geluidproblemen de wereld uit zijn.

Reactie van het college op de inspraakreactie Het akoestisch onderzoek brengt de feitelijk berekende geluidsbelasting in beeld. 

Opname van activiteiten die niet zijn voorzien in het bestemmingsplan (windmolens en productie, overslag en opslag van waterstof)

Reactie van het college op de inspraakreactie Het akoestisch onderzoek brengt alle activiteiten van het voornemen in beeld. Windmolens en productie, overslag en opslag van waterstof maken geen onderdeel (meer) uit van het bestemmingsplan. In de aanvulling op het MER is de situatie zonder windmolens in beeld gebracht. 

Krampachtig vasthouden een te lage rekenhoogte; terwijl bij een MER het gaat om de milieueffecten die los staan van de beoordeling voor vergunningen.

Reactie van het college op de inspraakreactie Het akoestisch onderzoek gaat uit van de in wet- en regelgeving voorgeschreven rekenhoogten. 

Geen informatie over de opbouw van model (afschermende objecten, harde en zachte oppervlakken) mede omdat figuren nauwelijks leesbaar zijn.

Reactie van het college op de inspraakreactie Het model is ons inziens opgebouwd volgens de in wet- en regelgeving voorgeschreven wijze en navolgbaar via de in de bijlagen opgenomen informatie. 

Niet geloofwaardige grillige contouren als gevolg van de lage rekenhoogte en (vermoedelijk) een verkeerd gekozen raster

Reactie van het college op de inspraakreactie Het rapport geeft de contouren weer zoals het model deze berekent. 

Relatief heel veel aandacht aan de geluidsituatie in de huidige situatie zoals het geluid van het verkeer op de dijk (suggestie neem beoordeling op in bijlage)

Reactie van het college op de inspraakreactie De referentiesituatie verdient een volwaardige plaats in de rapportage. Suggestie nemen we niet over. 

De geluidproductie van de waterstofactiviteiten is niet onderbouwd; bovendien zijn deze activiteiten niet geïntegreerd in het rapport. 16

Reactie van het college op de inspraakreactie De waterstofactiviteiten maken geen onderdeel (meer) uit van het bestemmingsplan. 

Onvoldoende onderbouwing van de bewering dat laagfrequent geluid geen hinder zal veroorzaken.

Reactie van het college op de inspraakreactie De beschouwing van laagfrequent geluid is gebaseerd op de stand van de wetenschap op dit gebied en gaat mede uit van feitelijke metingen aan de bron. 

Onjuiste berekening van het effect van de mitigerende maatregelen.

Reactie van het college op de inspraakreactie Mitigerende maatregelen zijn in het model op de in wet- en regelgeving voorgeschreven wijze berekend. 

Mitigerende maatregelen zijn organisatorische maatregelen die niet te controleren zijn.

Reactie van het college op de inspraakreactie De aanwezigheid van mitigerende maatregelen, zoals de aanwezigheid van een grondwal of een omkasting om een installatie, is in de praktijk te controleren en daarmee handhaafbaar. 

Onvoldoende onderbouwing van de voorgestelde grenswaarden.

Reactie van het college op de inspraakreactie De voorgestelde grenswaarden zijn onderbouwd op basis van de geldende wet- en regelgeving. In de procedure van de omgevingsvergunning dient hierover nog een nadere bestuurlijke afweging plaats te vinden. C. Reactie 4: inwoner 1. Een eerste opmerking die wordt geplaats heeft betrekking op het realiseren van 2 windmolens en een 6 ha zonnepanelenpark t.b.v. de transitie naar duurzame energie. In hoeverre zijn deze groene energie transities te rechtvaardigen in een natura 2000 gebied, een gebied waarin de ontwikkeling van natuur en biodiversiteit voorop staat? Beide doelstellingen zijn niet met elkaar te verenigen. Groene stroom is pas groen als die niet ten koste gaat van natuur. Is het niet een veel betere optie om de windmolens in te passen in de reeds bestaande locatie langs de Betuwelijn en snelweg A15? En de zonnepanelen inpassen ten oosten van het kantoor Dekker ter hoogte van de vluchthaven? Op deze manier wordt vraag en aanbod dichtbij elkaar gecombineerd. 2. Het doel natuurontwikkeling valt bij een tweede initiatief nog te betwijfelen. Namelijk bij het verdiepen van de bestaande plassen om de aanvoer van externe bouwstoffen mogelijk te maken en op te slaan. Door het verdiepen van de bestaande plassen om de aanvoer van externe bouwstoffen mogelijk te maken en op te slaan.

Door het verdiepen van de plassen wordt de huidige flora en fauna in deze plassen beschadigd en ontstaan dieptes waarvan de leefbaarheid te betwijfelen valt. 3. Verder worden er vraagtekens gesteld of er in de plannen wel voldoende naar de omgevingseffecten is gekeken. Ten eerste ontstaan er veranderingen in de grondstromen voor de percelen in directe omgeving van het plangebied. Dit heeft een versnelde toename van kwelwater bij verhoogde waterstand tot gevolg. Zowel de stijging als daling hebben invloed op de mate van exploitatie van de percelen. Er is immers al de nodige nadelige ervaring met kwelwater rond de huidige reeds gerealiseerde ontzandingen.

17

4. In de plannen is beschreven dat er een nieuwe zomerkade aangelegd zal worden. Echter in de eerste jaren na aanleg zal deze kade nog een zekere mate van instabiliteit hebben. Een voorbeeld hiervan heeft zich voorgedaan bij het ontzanden van de bestaande plannen toen de zomerkade doorbrak in de winterperiode. Toen is gebleken dat verantwoordelijkheid achteraf voor deze doorbraak moeilijk is aan te wijzen. In het plan zijn onvoldoende aanknopingspunten dat men hier nu vooral wel voldoende bij stil heeft gestaan. 5. De Willemspolder heeft momenteel te maken met overlast van de overwinterende – en naar voedsel zoekende – ganzen. Wanneer grasland wordt omgezet naar natuurgebied of water zal het gemak waarmee de ganzen hun voedsel vinden dalen. Het aanbod daalt, het natuurgras is minder voedzaam, heeft een lagere calorische waarde en naastgelegen graslanden worden interessanter. Op deze percelen zal het relatieve ganzen aantal stijgen waardoor de overlast en schade zal toenemen. Er zal wellicht een perceptie bestaan dat deze schade toch vergoed wordt vanuit het Faunafonds. Het Faunafonds rekent echter een methode waarbij een mate van benadering wordt gehanteerd en een deel onder eigen risico wordt geschaard. Wanneer de hoeveelheid ganzen relatief zal toenemen, stijgt de mate van afwijking en zal tevens het eigen risico toenemen.

Dit soort gevolgen moet bekend, erkend en gecompenseerd worden door de initiatiefnemer. 6. Tenslotte wordt gepleit voor logica en continuïteit in de ontwikkeling van het toekomstig gebied van fase 1, naar 2 en tenslotte naar fase 3. Er wordt ook gesproken over het omdraaien van de laatste 2 fases. Echter denk ik dat dit niet ten goede komt aan de kwaliteit van de Willemspolder als geheeld en de efficiëntie van de projecten die hieraan relateren. 7. Samengevat wordt de gemeente Neder-Betuwe gevraagd aandacht te schenken aan de gemaakte opmerkingen bij het plaatsen van windmolens en zonnepanelen en verdiepen huidige plassen, de Firma Dekker de effecten op grondstromen, de zomerkade en naast gelegen agrarische gebieden breder uiteen te zetten en verder te onderbouwen. En commitment te geven op het waarborgen van de kwaliteit van de Willemspolder als 1 entiteit. Reactie van het college op de inspraakreactie 1. Initiatiefnemer heeft de wens om twee windmolens in het plangebied te realiseren. In het MER is daarom ook onderzocht wat de effecten van windmolens zijn op de omgeving. In het (voorontwerp) bestemmingsplan zijn de windmolens niet meegenomen, omdat het realiseren van windmolens in de uiterwaarden niet past in de recent geactualiseerde klimaatnota. In de klimaatnota is een zoekgebied opgenomen voor windmolens. Dit zoekgebied is langs de A15 en de Betuwelijn.

Er is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de drijvende zonnepalen op de flora en fauna. Hieruit is naar voren gekomen dat de drijvende zonnepanelen in zijn totaliteit bezien geen negatieve gevolgen heeft voor de flora en fauna. 2. De bestaande plassen zijn ontstaan door eerdere ontgrondingen. De diepte van deze plassen zijn zodanig dat deze al te typeren zijn als diep water. Het verder verdiepen van deze plassen tast de aanwezige flora en fauna niet aan. 3. In het MER en de daarbij horende onderzoeken is onderzocht wat de gevolgen/effecten van de gewenste ontwikkeling zijn op de omgeving. Hierbij zijn verschillende aspecten onderzocht. Een van de onderzochte aspecten zijn de hydrologische effecten. Uit het onderzoek naar de geohydrologische invloed is gebleken dat er een beperkte geohydrologische invloed is op de omgeving. De verschillen tussen het basisalternatief en het voorkeursalternatief zijn zeer beperkt. Gelet op de vooroverlegreactie van Waterschap Rivierenland is sprake van aanvaardbare grondwatereffecten bij (extreem) hoogwater. In een extreem laagwatersituatie in de tijdelijke situatie worden in het kader van de te verlenen watervergunning mogelijk nog mitigerende maatregelen voorgeschreven. Het is niet noodzakelijk om hiervoor nadere bepalingen in het (ontwerp)bestemmingsplan op te nemen. 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11595358/2