Bijlage 5 - Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Zonnepark Dodewaard-Zetten (gemeenten Neder-Betuwe en Overbetuwe) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
N. de Vries, G. Aalbersberg & W.A. Ytsma
Rapport 285
Zonnepark Dodewaard – Zetten (gemeenten Neder-Betuwe en Overbetuwe) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
N. de Vries, G. Aalbersberg & W.A. Ytsma
Rapport 285
Colofon Zonnepark Dodewaard – Zetten (gemeenten Neder-Betuwe en Overbetuwe) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
Een onderzoek in opdracht van Vissers Ploegmakers b.v.
Salisbury Archeologisch Rapport 285
N. de Vries, G. Aalbersberg & W.A. Ytsma
Beheer en plaats van documentatie Salisbury Archeologie b.v.
Versie 1.0 20 september 2019 (concept)
Autorisatie — G. Aalbersberg (Senior KNA-prospector)
Status bevoegd gezag— ######### (Gemeentelijk archeoloog)
SalisburyArcheologie bv Vestiging Noord-Nederland Vaart z.z. 7a 9401 GE Assen 085-3031540 www.salisburybv.nl info@salisburybv.nl
ISSN 2468-4538
Inhoud Locatie en administratieve gegevens
6
1
Aanleiding voor het onderzoek
7
Onderzoekskader Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Doel van het onderzoek Onderzoeksvragen Bureauonderzoek
7 8 10 10 10 12
Geplande ingrepen en effecten Gebruikte bronnen Aardwetenschappelijke gegevens Bodemkaart Bekende archeologische waarden Archeologie Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek De Tweede Wereldoorlog 2.8.1 Historisch onderzoek niet-gesprongen explosieven 2.8.2 Geofysisch onderzoek niet-gesprongen explosieven 2.9 Bekende verstoringen 2.10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel 2.11 Advies Conclusie en aanbevelingen
12 12 13 18 18 23 26 27 27 28 28 29 30 31
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
3
3.1 Beantwoording onderzoeksvragen 3.2 Selectieadvies Literatuur 33
31 32
Lijst van afbeeldingen
34
Lijst van bijlagen
34
Bijlage 1
35
Waarderingscriteria
Locatie en administratieve gegevens Projectnaam
Zonnepark Dodewaard - Zetten (gemeenten Neder-Betuwe en Overbetuwe)
Projectcode
20192547
Type onderzoek
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
OM-nummer
4723186100
Projectleider
G. Aalbersberg Senior KNA Prospector
Contact
T: 085-3031540 M: 06-28500730 E: gerard.aalbersberg@salisburybv.nl
Opdrachtgever
Vissers Ploegmakers b.v.
Contact
dhr. R. de Mol Nieuwe Waterweg 1 5347 JS Oss T: 0643833102 E: rdemol@vissersploegmakers.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Neder-Betuwe dhr. H.J. van Oort Postbus 20 4043 ZG Opheusden T: 14 0488 Gemeente Overbetuwe dhr. J. Habraken Postbus 11 6660 AA Elst T: 14 0481
Plaats
Hemmen
Gemeente
Overbetuwe en Neder-Betuwe
Provincie
Gelderland
Kaartblad
39H
Kadastrale gegevens
DDW00 - D – 1740; VBG02 - F – 224; VBG02 - F – 2490; VBG02 - F - 223
Coördinaten
Centrumcoördinaat: 175.086 / 436920
Oppervlakte
Circa 36,5 ha
NAP-hoogte maaiveld
Circa 7,20 m +NAP
Uitvoering onderzoek
Juli 2019
Beheer en locatie documentatie
Salisbury Archeologie b.v. en e-depot
6
1 Aanleiding voor het onderzoek 1.1
Onderzoekskader
In opdracht van Vissers Ploegmakers b.v. heeft Salisbury Archeologie b.v. een bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van Zonnepark Dodewaard-Zetten (afb. 1). Het plangebied bevindt zich tussen het de Leigraafsweg en de spoorlijn Arnhem-Tiel, tussen de plaatsen Dodewaard en Zetten. Het plangebied ligt deels in de gemeente Overbetuwe en deels in de gemeente Neder-Betuwe. Op de beleidskaarten van beide gemeenten is te zien dat er binnen het plangebied twee AMK-terreinen aanwezig zijn, en daarnaast zones met een hoge archeologische verwachting, en zones met een lage archeologische verwachting en attentiezones rond bekende vindplaatsen en AMK-terreinen (afb. 2). Voor de zones met een hoge verwachting geld dat bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -mv archeologisch onderzoek plaats moet vinden.1 Voor de zones met een lage verwachting geldt dat bij ingrepen groter dan 2500 m2 en dieper dan 30 cm -mv archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Voor AMK-terreinen geldt dat er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden wanneer er ingrepen dieper dan 30 cm -mv plaatsvinden, ongeacht de oppervlakte. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1), het archeologiebeleid van de gemeenten Overbetuwe en Neder-Betuwe en aanvullende eisen en richtlijnen zoals geformuleerd in het voor dit onderzoek.
Het onderzoek is uitgevoerd in juli en augustus 2019.
Afb. 1. Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (bron: https://www.opentopo.nl)
1
https://www.overbetuwe,nl, https://www.nederbetuwe.nl).
7
Afb. 2. Uitsnede van de archeologische beleidskaarten van de gemeenten Overbetuwe en Neder-Betuwe (bron: https://www.overbetuwe,nl, https://www.nederbetuwe.nl).
1.2
Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie
Op dit moment is het plangebied in gebruik als weiland. Namens haar opdrachtgever wil Vissers Ploegmakers b.v. in het gebied een zonnepark ontwikkelen. De geplande inrichting van het zonnepark is weergegeven in afbeeldingen 3, 4 en 5.
8
Afb. 3. Inrichtingstekening van het plangebied met in rood en geel de kabelsleuven (bron: opdrachtgever)
Afb. 4.
Aanleg slootoevers
9
Afb. 5.
1.3
Te dempen en te graven sloten
Begrenzing onderzoeks- en plangebied
In dit rapport wordt een onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Met het plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de plannen van de opdrachtgever betrekking hebben. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord door de voorgenomen ingrepen. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te verkrijgen van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Het onderzoeksgebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt al naar gelang het te onderzoeken aspect. In dit onderzoek is een op het plangebied gecentreerd vierkant met zijn van ca. 3,5 km als onderzoeksgebied gehanteerd.
1.4
Doel van het onderzoek
Het doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden om en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde verwachting.
1.5
Onderzoeksvragen
Voor het bureau- en inventariserend onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld, en overgenomen uit de richtlijnen van de gemeente Overbetuwe:
Wat is de aard (ontstaanswijze en classificatie), diepteligging, genese en gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten en natuurlijke afzettingen in het gebied omringende (binnen een afstand tot ca. 200 m van de onderzoekslocatie)? 10
Wat is de aard (ontstaanswijze), diepteligging, genese, gaafheid, dikte, en omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)?
Wat is het historisch landgebruik van de onderzoekslocatie en het omringende gebied geweest?
Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek) zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom de onderzoekslocatie bekend? Vermeld per vondst- en/of spoorcomplex minimaal:
a) bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens)
b) de materiaalcategorie
c) ouderdom
d) ruimtelijke (geografische) verspreiding
e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag)
f ) fragmentatie
e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag)
f ) fragmentatie
Welke natuurlijke formatieprocessen (sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) hebben een rol gespeeld in het onderzoeksgebied?
Met welke culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, (de) constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) hebben een rol gespeeld in het onderzoeksgebied?
Welke formatieprocessen kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten?
Wat is de aard (materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen?
Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek?
Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategie) kunnen vondst- en/of spoorcomplexen systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden.
11
2 Bureauonderzoek 2.1
Geplande ingrepen en effecten
Voor de inrichting is een inrichtingstekening aanwezig (afb. 3). Bij de ontwikkeling tot zonnepark zijn de volgende ingrepen nodig, die elk hun eigen effect op eventuele archeologische resten hebben:
intrillen palen: de palen voor de tafels, waar de zonnepanelen worden bevestigd, bestaan uit een smal Uprofiel van ca. 7 x 7 cm. Er van uitgaand dat de palen Het U-profiel meet 7x7 cm en worden geplaatst om de 3,92 meter. De palen worden de grond ingetrild, waardoor de verstoring van het bodemarchief beperkt blijft. Het aldus verstoorde oppervlakte binnen de AMK-terreinen bedraagt ca. 0,07 %; voor het plangebied als geheel is dit nog minder (0,04 %; zie ook tabel 1);
kabelsleuven: het graven van kabelsleuven zal onvermijdelijk tot bodemverstoring leiden. Of daarbij archeologische resten verstoord zullen worden is op dit moment onbekend, en hangt mede af van de diepte van de sleuven en de diepte waarop eventuele archeologische resten zich bevinden. Binnen de AMKterreinen zou, bij het huidige ontwerp, iets minder dan 2% van het oppervlakte verstoord worden;
aanleg natuuroevers: het profiel van de bestaande sloten zal worden aangepast en afgevlakt (afb. 4), waarbij een zone met riet van 3,7 m tot 4,2 m breed ontstaat. Waar deze sloten aan de AMK-terreinen grenzen is de kans groot dat archeologische resten verstoord zullen worden. Van de wortels en rhyzomen van riet is bekend dat ze tot op grote afstand en aanzienlijke diepte de bodem in kunnen dringen. Op deze manier wordt zuurstof over een groter gedeelte van de vindplaats in het bodemprofiel geïntroduceerd. De geplande zone met riet zal er dus toe leiden dat de conserveringsgraad van organische artefacten en botanische resten zal verslechteren;
overige ingrepen: op de inrichtingstekening staat een nieuw wandelpad aangegeven, dat vanaf de bestaande bebouwing op het Nuon-terrein min of meer in zuidoostelijke richting naar de Leigraafsweg zal open. Het is op dit moment niet bekend of dit met bodemingrepen gepaard zal gaan. Bij de transformatorhuisjes zal 50 cm worden ontgraven. Wanneer bij het benaderen van verdachte objecten van NGE bodemverstoring plaats vindt zal dit ook archeologisch moeten worden begeleid. Overzicht van verstoorde oppervlaktes van de palen en leidingen.
palen
totaal
binnen AMKterreinen
% verstoring (totaal)
% verstoring (AMK-terrein)
ca. 11350
ca. 8650
ca. 55,6 m2
ca. 42,4 m2
0,02 %
0,07 %
leidingen
ca. 2630 m*
ca. 1470 m
1,12 %
1,78 %
benaderen verdachte objecten
Onbekend
Onbekend
Onbekend
Onbekend
*
uitgangspunt is dat de leidingsleuf ongeveer 1 m breed wordt.
2.2
Gebruikte bronnen
Voor het bureauonderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
Actueel hoogtebestand Nederland (AHN, http://www.ahn.nl)
De bodemkaart van Nederland (https://zoeken.cultuureelerfgoed.nl)
De geomorfologische kaart van Nederland (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
De archeologische monumentenkaart (AMK: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
Provinciaal beleid en kennisagenda
Gemeentelijk beleid Neder- Betuwe en Overbetuwe
Bonneblad 1900 (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
Historisch kaartmateriaal (http://www.topotijdreis.nl) 12
Google Earth (https://www.google.nl/intl/nl/earth/)
Ondergrondgegevens (https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens)
Verstoringen (http://www.bodemloket.nl)
Kadastrale Minuut (http://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
Kadastrale gegevens (https://www.kadaster.nl)
Bodembelastingkaart
Luchtfoto’s (https://www.dokdata.com);
Vooronderzoek Conventionele Explosieven;2
Resultaten booronderzoek TSNO tracé Andelst en Zetten.3
2.3
Aardwetenschappelijke gegevens
Het plangebied ligt in het oostelijk deel van het Nederlandse rivierengebied, waarvan de ondiepe ondergrond uit afzettingen van de Rijn en Maas bestaat, die in het Laat Weichselien en het Holoceen zijn afgezet. In het rivierenlandschap van voor de bedijking zochten de rivieren zelf hun weg door het landschap, waarbij ze regelmatig buiten de oevers traden en er sediment werd afgezet. In de periode na de bedijkingen is er nauwelijks nog sediment afgezet in het gebied. In het Laat Weichselien (circa 15.000-12.000 BP), het einde van de laatste ijstijd, heerste er in Nederland een periglaciaal klimaat en was toendra vegetatie aanwezig. De afvoer van water door de rivieren was onregelmatig en de toevoer van sediment was groot. Het water van de Maas en een deel van de Rijn werd via een brede riviervlakte met een vlechtend riviersysteem naar zee afgevoerd. Een vlechtende riviervlakte wordt gekenmerkt door een stelsel van brede, ondiepe beddingen die zich splitsen en weer bij elkaar komen. Tussen de beddingen liggen zand- en grindbanken. In dit losse sediment kunnen beddingen zich snel verleggen. De rivierafzettingen die in deze riviervlakte werden afgezet worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye.
Tijdens het Allerød-interstadiaal (circa 13.500 – 13.000 BP), een warmere fase met toenemende begroeiing, werd het debiet van de rivieren regelmatiger en veranderde het rivierenpatroon. De afvoer concentreerde zich in enkele hoofdgeulen die een meanderend karakter hadden. Bij hoogwater trad de rivier buiten de bedding en overstroomde de riviervlakte, waarbij op de grove beddingen van de vlechtende rivieren oever- en komafzettingen werden afgezet. De in deze periode afgezette rivierklei is vermengd met zand, ingewaaid vanuit de in de winters droog liggende rivierbeddingen. De afgezette laag wordt ook de Afzetting van Wijchen genoemd en maakt deel uit van de Formatie van Kreftenheye. Na het Allerød-interstadiaal werd het klimaat weer kouder en werd het rivierpatroon weer vlechtend. Opnieuw vormde zich een brede riviervlakte, waarbij veel van de oudere afzettingen werden opgeruimd. De afzettingen uit deze fase behoren eveneens tot de Formatie van Kreftenheye. In het Vroeg Holoceen, vanaf circa 12.000 BP veranderde onder invloed van het warmer wordende klimaat het rivierstelsel weer naar een meanderend stelsel. Over het in onbruik geraakte deel van de vlakte van de vlechtende rivieren werd opnieuw een kleilaag afgezet, de afzettingen van Wijchen, eerder ook wel Hochflutlehm genoemd. Door het opwarmen van het klimaat smolt het landijs en steeg de zeespiegel.
Door de zeespiegelstijging werden de rivierdalen vanuit het westen geleidelijk met sediment gevuld. Dit had als gevolg dat de rivieren buiten de oude rivierdalen nieuwe lopen werden gevormd. Vanuit deze jongere, meanderende rivieren, de voorlopers van de huidige Rijn en Maas, werden de afzettingen van de Formatie van Kreftenheye afgedekt. In de loop van het Holoceen vonden met regelmaat rivierverleggingen plaats, waarbij rivierbeddingen werden verlaten of afgesneden. Er ontstonden nieuwe rivierstelsel die het water van de Rijn en Maas afvoerden en hierdoor worden ouderen afzettingen geërodeerd of geleidelijk bedekt door jongere afzettingen.
2 3
Boeijen & Hoebens, 2017. Aalbersberg, in prep.
13
Afb. 6.
Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). 14
Afb. 7.
Het plangebied en omgeving op de paleogeografische kaart van Berendsen en Stouthamer (2001)
15
Afb. 8.
Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3, 0,5 m opgevuld bron: https://www.ahn.nl).
16
Afb. 9.
Uitsnede van de bodemkaart met het plangebied en directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).
17
Op de paleogeografische kaart van de Maas-Rijn delta ligt het plangebied op de Veedijk stroomgordel (afb. 3).4 Deze is actief tussen 5105 en 4500 BP. De stroomgordel wordt beschouwd als een onderdeel van de Winsen riviergordel, en is beschreven als een meander van voor de aggradatie. De oeverwallen liggen direct op de Laat Glaciale terrasresten. Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied geheel in een rivierkomvlakte (code 1M23; afb. 6) tussen twee hoge dijken (code D3). Op enige afstand van het plangebied bevinden zich andere fluviatiele landvormen, waaronder geulen en oeverwallen. Dit beeld wordt bevestigd door het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3, afb. 8), is te zien dat het plangebied in het komgebied tussen de beide rivieren ligt.
2.4
Bodemkaart
Op de bodemkaart worden er drie verschillende bodemkundige eenheden onderscheiden binnen het plangebied, namelijk kalkloze poldervaaggronden, zware klei, profielverloop 4 (kaartcode Rn44C), kalkloze poldervaaggronden, zavel en lichte klei, profielverloop 3, 3 of 4 (kaartcode Rn67C), en kalkloze poldervaaggronden, zware zavel en lichte klei, profielverloop 5 (kaartcode Rn95C; afb. 9). De grondwatertrappen zijn respectievelijk IIIb, Vb, en VI. Dit houdt in dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand in het plangebied tussen de 25 en 40 cm -mv (IIIb en Vb) en 40 en 80 cm -mv (VI) staat, en de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm (IIIb) en dieper dan 120 cm -mv (Vb en VI) staat. Wanneer organische archeologische resten dieper dan 120 cm -mv aanwezig zijn zullen deze over het algemeen goed geconserveerd zijn, omdat ze daar permanent in een waterverzadigde en zuurstofarme omgeving bevinden. Organische resten die hoger dan 1,2 m – mv liggen zijn waarschijnlijk minder goed geconserveerd. Opgemerkt moet worden dat de bodemkaart ruim 50 jaar geleden is opgesteld, en door agrarische werkzaamheden de grondwaterstand aanzienlijk verlaagd kan zijn. Een nieuwe, vlakdekkende bron van bodemgegevens is echter nog niet beschikbaar.
Concluderend kan worden gezegd dat het plangebied in de kom tussen de Nederrijn en de Waal gelegen is, waar in het verleden meerdere rivierlopen gemeanderd hebben. Deze rivierlopen zullen het een en ander aan sediment hebben opgeruimd. Op basis van de kaarten van Berendsen en Cohen lijkt het aannemelijk dat het gebied vanaf circa 4500 BP niet meer in een actief riviermilieu lag, en dat bewoning mogelijk werd. Het plangebied is relatief laag, en ligt tussen de oeverwallen van huidige beide rivieren.
2.5
Bekende archeologische waarden
Gemeentelijke beleidskaart Het plangebied ligt in de gemeentes Neder-Betuwe en Overbetuwe, die elk een eigen beleidskaart hebben. Binnen het plangebied zijn ook nog eens verschillende archeologische verwachtingen. In afbeelding 6 zijn de verwachtingen per gemeente binnen het plangebied samengevoegd. Te zien is dat binnen het plangebied twee AMK-terreinen aanwezig zijn, waar ingrepen dieper dan 30 cm ongeacht de omvang niet zijn toegestaan zonder archeologisch onderzoek. De terreinen met een hoge archeologische waarde moeten bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm mv vooraf gegaan worden door archeologisch onderzoek. In de delen met een lage archeologische verwachting is onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 2500 m2 en dieper dan 30 cm -mv. In de praktijk komt het erop neer dat er in het gehele plangebied archeologisch onderzoek noodzakelijk is
Archeologische waarden Tijdens het bureauonderzoek zijn de AMK (archeologische monumentenkaart)-terreinen, archeologische waarnemingen en eerder uitgevoerd onderzoek (onderzoeksmeldingen) in het onderzoeksgebied geïnventariseerd (afb. 7). De AMK-terreinen, de bekende archeologische waarnemingen en de onderzoeksmeldingen zijn geraadpleegd via ARCHIS 3 (https://archis.cultureelerfgoed.nl).
Archeologische monumenten (AMK-terreinen)
In het plangebied en de directe omgeving ervan zijn meerdere AMK-terreinen aangewezen. AMK-terrein 11344 en AMK-terrein 12565 bevinden zich in het plangebied.
AMK-terrein 11344 betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Bronstijd. Havinga ontdekte in 1967 tijdens zijn karteringen hier een bewoningslaag op Bronstijdniveau. Het terrein maakt deel uit van een
4
Cohen et al., 2009.
18
uitgebreider geheel, met diverse vondstconcentraties, die misschien als huisplaatsen geïnterpreteerd kunnen worden.
AMK-terrein 12565 is een terrein met sporen van bewoning uit het Laat Neolithicum. Bij booronderzoek werd hier een vondstlaag ontdekt, bestaande uit een vuile donkergrijze klei, met houtskool, bot verbrand leem, fosfaatvlekken en aardewerk dat met grove kwarts gemagerd was. De vondstlaag bevindt zich op een diepte van 0,45 m - 0,80 m -mv. Een 14C-monster gaf een datering in het Laat Neolithicum. Bij een opgraving in 1967 werd in het cunet van Rijksweg 15 een nederzetting uit het Laat Neolithicum, doorlopend tot in de Bronstijd ontdekt. Deze vindplaats vormt hier waarschijnlijk een onderdeel van. Er is geadviseerd deze vindplaats van hoge archeologische waarde in situ te behouden. Indien behoud niet mogelijk is, dient de vindplaats te worden opgegraven.
AMK-terrein 3988 betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Betreft oude woongrond, vastgesteld bij de bodemkartering van 1946. Hierbij is aardewerk verzameld uit de Romeinse tijd, mogelijk één fragment vijfde eeuws aardewerk. Bij de bodemkartering van 1967 werd hier door Havinga een bewoningslaag van na de bronstijd vastgesteld. In ARCHIS wordt tevens melding gemaakt van fragmenten kogelpot- en steengoedaardewerk.
AMK-terrein 11345 betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd. Bij de bodemkartering in 1967 is door Havinga een bewoningslaag van na de Bronstijd vastgesteld. Leden van de historische kring Kesteren en omstreken hebben in 1976 waarnemingen gedaan bij het rooien van een boomgaard op dit terrein. Hierbij werd Romeins bouwmateriaal, dakpan, tubuli, beton, natuursteen en veel aardewerk gevonden. Waarschijnlijk is hier sprake van steenbouw uit de Romeinse tijd.
AMK-terrein 12567 en 12568 betreft een terrein met sporen van bewoning uit het Vroeg Neolithicum en de Midden Bronstijd.5 Booronderzoek leverde twee vondstconcentraties op. Het aardewerk is dikwandig en grof gemagerd (met kwarts) en doet een datering in de Midden Bronstijd vermoeden. Organisch materiaal is goed geconserveerd. De vondstlaag is relatief hooggelegen circa 0,5 m - 0,75 m -mv. Gravend onderzoek in 1996 bevestigde dat er sprake is van twee vondstconcentraties op een diepte van 0,60 m tot 0,90 m -mv. Het materiaal uit deze concentraties dateert voornamelijk uit de Midden Bronstijd. Grondsporen werden niet aangetroffen. De vondstconcentraties maken deel uit van de perifere zones van twee nederzettingen, waarvan de kernen zich mogelijk ten noorden en ten zuiden van het Betuweroutetracé bevinden. Op een diepte van 1,20 m -1,50 m -mv is een vondststrooiing ontdekt, mogelijk verspoeld materiaal of materiaal uit een off-site context.
AMK-terrein 12579 betreft een terrein op stroomrug met bewoningssporen uit het Neolithicum/Bronstijd. Advies: het terrein is deels verstoord door recente bebouwing. De archeologische waarde heeft het terrein vooral te danken aan de aanwezigheid van meerdere fasen. nader onderzocht te worden. Het betreft een vindplaats met (waarschijnlijk) twee bewoningsniveau's. Het oudste kan gedateerd worden in het Neolithicum/Bronstijd; het jongste in de Romeinse tijd en/of Late IJzertijd. In de boringen werd houtskool, aardewerk, bot en fosfaat aangetroffen.
de gemeentegrens (parallel aan de Leigraaf) tussen Neder-Betuwe en Overbetuwe loopt door dit deze percelen en deelt de vindplaats in twee delen 5
19
Afb. 10. AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondstlocaties (bron: ARCHIS 3).
Onderzoeksmeldingen en vondstlocaties In totaal zijn er 32 onderzoeksmeldingen en 38 vondstmeldingen bekend binnen het onderzoeksgebied (zie afb. 10). Een aantal onderzoeken wordt momenteel nog uitgevoerd of is nog niet gerapporteerd, en van de afgesloten projecten is niet altijd een rapport beschikbaar. Een selectie van de meest relevante onderzoeken wordt hieronder besproken. Onderzoeksmeldingen
Zaaknummer 2084562100 betreft een karterend en waarderend booronderzoek naar aanleiding van de aanleg van de Betuwelijn. In dit onderzoek zijn verspreid over 33 vindplaatsen 1600 boringen uitgevoerd. Vindplaats 135 uit dit onderzoek valt samen met onderhavig plangebied. In 10 boringen op deze vindplaats is archeologisch materiaal aangetroffen. Dit materiaal bestaat uit aardewerk, verbrand bot en verbrande leem, en stamt vermoedelijk uit de periode Neolithicum – IJzertijd. De vindplaats bestaat waarschijnlijk uit twee huisplaatsen. Proefsleuvenonderzoek is aanbevolen.6
Zaaknummer 4613041100 betreft een bureauonderzoek naar aanleiding van een geplande nieuwe 380 kV leiding en de vervanging van ondersteunende infrastructuur. In het plangebied staat een hoogspanningsstation, dat vervangen en verplaatst zal worden. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in de ondergrond de Veedijk-stroomgordel aanwezig is, waarop archeologische resten vanaf de Bronstijd aanwezig kunnen zijn. Volgens dit bureau-onderzoek bevindt de top van de stroomgordel zich waarschijnlijk op circa 4 m -mv. Op de gemeentelijke kaarten staat aangegeven dat het plangebied reeds vergraven is. Omdat de geplande werkzaamheden waarschijnlijk het archeologische niveau niet gaan bereiken en de top van de bodem in het plangebied al vergraven is, is geen vervolgonderzoek aanbevolen.7
Zaaknummer 3992591100 betreft een bureauonderzoek naar aanleiding van de renovatie van een woning waarbij een kelder van 45 m2 en 300 cm -mv wordt aangelegd. Hoewel er een gerede kans is op resten 6 7
Asmussen, 1996. Benjamins, 2018
20
vanaf de Bronstijd en met name uit de Romeinse tijd is het plangebied vrijgegeven omdat de kosten niet opwegen tegen de kenniswinst. 8
Zaaknummer 2399937100 betreft een rapportage van proefputten die zijn gegraven naar aanleiding van een pilot studie naar bodemverstoring door agrarische activiteit met als doel om verwachtingskaarten preciezer op te kunnen stellen. In het onderzoek zijn 80 proefputten gegraven van 100 x 100 cm (als uitgangspunt) tot het grondwater of tot 30 cm onder de verstoring. Het profiel is gedocumenteerd en geïnspecteerd op vondsten. Geconcludeerd is dat de verstoring meestal beperkt is tot de bovenste 50-60 cm, afhankelijk van het type ingrepen wat heeft plaats gevonden. Conclusies wat dit concreet betekend voor de beleids- en verwachtingskaarten ontbreken.9
Zaaknummer 2063129100 betreft een bureau- en booronderzoek naar aanleiding van een geplande ontwikkeling in het plangebied. Op basis van het bureauonderzoek is een middelhoge verwachting voor het plangebied opgesteld. In het plangebied is een crevasse aanwezig. Dergelijke landvormen zijn, door hun relatief hoge ligging en goede drainage in het relatief grove sediment, zijn gunstig voor bewoning. Tijdens het booronderzoek zijn 42 boringen uitgevoerd. Bij de oppervlaktekartering is ter hoogte van de crevasse aardewerk aangetroffen, wat op bewoning vanaf de IJzertijd tot de Middeleeuwen kan wijzen. Uit het booronderzoek blijkt dat er door ploegen slechts minimale verstoring heeft plaatsgevonden, maar er zijn in de boringen zijn geen indicatoren aangetroffen. Er is vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen.10
Zaaknummer 4034548100 betreft een bureauonderzoek naar aanleiding van een nieuwe persleiding tussen Zetten en Dodewaard. Het tracé heeft een lengte van 14,5 km. Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat er in het gehele tracé een gerede kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten. Om vertraging te voorkomen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd, om zones aan te kunnen wijzen die kunnen worden vrijgegeven. Voor de tracédelen waar wel archeologische resten worden aangetroffen of verwacht moet dan vervolgens een opgraving (variant archeologische begeleiding) worden uitgevoerd.11 Het leidingtracé doorsnijdt de oostelijke hoek van het plangebied, en loopt vervolgens in noordwestelijke richting tot aan de spoorlijn Tiel-Arnhem om verder parallel aan de spoorlijn richting west door te lopen. In het oostelijke deel van het plangebied zijn 18 boringen gezet. In een boring is een stukje verspoeld aardewerk aangetroffen.12; in meerdere boringen zijn vegetatiehorizonten waargenomen. Op AMK-terrein 11344 zijn geen boringen gezet. De aanleg van dit deel van het tracé zal archeologisch begeleid worden. In boring 152 direct ten noordwesten van AMK-terrein 11344 is een (mogelijke) archeologische laag aangetroffen.
Vondstmeldingen
Zaaknummer 2923909100 betreft een detectorvondst van twee fibulae die in de Middeleeuwen en Late IJzertijd-Vroeg-Romeinse tijd dateren.
Zaaknummer 3108337100 betreft de waarneming van een bewoningslaag, waarschijnlijk uit de Bronstijd.
Zaaknummer 3251975100 betreft de melding van een omgracht terrein, waarop het huis Boelenham gestaan heeft. Dit was in ieder geval een 17e-eeuws huis (dit blijkt uit een afbeelding uit de 17e eeuw, Kopergrafure uit Meissner's Schatzkästlein), maar mogelijk ook ouder. De eerste vermelding van het huis Boelenham is te vinden in der Ridderschap van het Kwartier van Nijmegen (p. 105): "Jan van Lynden, h. van Boelenham 1540" Volgens J. Honders heeft de huidige bewoner bij diep graven bakstenen gevonden van behoorlijke afmetingen en een restant van een rinding, een soort put of torentje.
Zaaknummer 2885215100 betreft waarnemingen tijdens een proefsleuvenonderzoek. Voor het AAO werd een reeks proefsleuven aangelegd over een lengte van 800 meter. Tijdens het AAO zijn vrijwel geen archeologische resten aangetroffen. Er is slechts een spoor van antropogene aard, een kuil uit vermoedelijk het Laat-Neolithicum of de Bronstijd. Daarnaast is er een gering aantal mobilia aangetroffen, die zich waarschijnlijk door verspoeling in secundaire positie bevinden. De arte- en ecofacten zijn slecht geconserveerd. In kwalitatief opzicht is de vindplaats niet behoudenswaardig.
Hanemaaijer, 2016 Kluiving et al., 2013 10 Schorn. 2005 11 Ras, 2018 12 Aalbersberg, in prep. 8 9
21
Zaaknummer 3055525100 betreft een waarneming tijdens een inspectie van een Betuweroute project. Hierbij is een kleine hoeveelheid aardewerk aangetroffen.
Zaaknummer 3055517100 betreft een waarneming van sloten of greppels tijdens de werkzaamheden van de Betuwelijn.
Zaaknummer 2983322100 betreft de waarneming van een restgeul naast een terrein met intensieve bewoning, waargenomen tijdens een booronderzoek.
Zaaknummer 3140689100 betreft een opgraving in 1967 door de ROB o.l.v. R.S. Hulst op reeds door L.H. Wageningen ontdekte woongrond (zie waarn. 25550) naar aanleiding van de aanleg van rijksweg A15. Hierbij zijn drie fasen met menselijke activiteiten aangetoond, namelijk Midden-Neolithisch, LaatNeolithisch en Midden-Bronstijd, met de nadruk op de laatste periode.13
Zaaknummer 3055890100 betreft de waarneming van kuilen, paalkuilen, greppels en een cultuurlaag uit de Vroege- tot Midden Bronstijd. De sporen zijn waargenomen tijdens werkzaamheden voor de Betuweroute.
Zaaknummer 3055882100 betreft de waarneming van een paar greppels tijdens werkzaamheden van de Betuweroute. De datering is onbekend.
Zaaknummer 3146448100 betreft een vindplaats die bestaat uit twee kernen. De vondstlaag van beide kernen bevindt zich op de hoogst gelegen delen van een pakket crevasse-afzettingen. De westelijke kern meet 50 bij 23 meter, de oostelijke kern meet 20 bij 15 meter. De vondstlaag is in beide gevallen ca. 25 cm dik. De conservering van het materiaal in de vondstlaag en sporen is matig. De periferie van de vondstlaag is een 10 meter brede zone. De vondstlaag is hier 5 cm tot 15 cm dik. De conservering van het materiaal in de vondstlaag is matig. De vindplaats is afgedekt door een pakket komafzettingen. Alleen in werkput 1 zijn grondsporen aangetroffen. De onderzochte vindplaats maakt deel uit van een groter complex waarvan een deel is opgegraven, ten zuiden van de rijksweg A15. Hoe ver de vindplaats zich ten zuiden van de rijksweg uitstrekt is niet bekend. De vindplaats is in de omgeving van de snelweg verstoord. De vindplaats heeft een hoge contextwaarde.
Zaaknummer 3055874100 betreft een inspectie gedaan tijdens het Betuweroute onderzoek. Het betreft de waarneming van een greppel van onbepaalde ouderdom.
Zaaknummer 3108280100 betreft de waarneming van scherven gevonden in 1967 in een bewoningslaag. De scherven lijken uit de periode Neolithicum- Bronstijd te stammen.
Zaaknummer 2838973100 betreft de vondst van 'Enkele kleine fragmenten van een kwartsgruis verschraald aardewerk. Enkele brokjes gebakken leem. Fragmenten vuursteen afval. Splinters gecalcineerd bot. Fragmenten natuursteen. Uit laklaag op ca. 0,60 m in profielkant van een nieuwe sloot, en losse vondsten naast de sloot. Gemeld in nov.'68. Gevonden door Hulst d.d. 3/12/68.’
Zaaknummer 31008320100 betreft de waarneming van een bewoningslaag uit de Bronstijd.
13
Theunissen, 1999.
22
Afb. 11.
Resultaten booronderzoek ten behoeve van TSNO trajecten Andelst en Zetten – Dodewaard (bron: Aalbersberg et al in prep.)
Concluderend kan worden gesteld dat er in en rond het plangebied veel bewoning geweest is in met name het laat Neolithicum en de Bronstijd, en dat dit vertegenwoordigd is in vondstmateriaal en een duidelijke bewoningslaag.
2.6
Archeologie
Het landschap van Over-Betuwe en Ooijpolder-Millingerwaard in een oud cultuurlandschap dat wordt gekenmerkt door de opbouw in uiterwaarden, oeverwallen en kommen.14 Het zomerbed van de grote rivieren is over het algemeen omgeven door zomerkaden. Tussen de zomerkaden en de winterdijken liggen de uiterwaarden: graslanden met een onregelmatige percelering, hier en daar met oude beddingen (strangen) of meestromende nevengeulen. De uiterwaarden hebben een gevarieerde bodemopbouw: de lagere delen bestaan vaak uit lichte klei, de hoger gelegen delen uit zavel of fijn zand. In geomorfologisch opzicht zijn de kronkelwaarden van belang, parallelle gebogen ruggen die gevormd zijn door het verplaatsen van een meander. Delen van de uiterwaarden zijn afgegraven voor de baksteenfabricage; op veel plaatsen staan ook nog (vroegere) steenfabrieken. Restanten van voormalige defensielinies kunnen worden aangetroffen (Romeins, waterlinies) alsmede woonplaatsen van voor de bedijking (vooral IJzertijd en Romeinse tijd). De winterdijken dateren van de 13e en 14e eeuw na Chr., maar zijn in de loop van de eeuwen voortdurend opgehoogd en versterkt. Zij zijn op veel plaatsen bij hoog water doorgebroken. Een kronkel in de dijk, al dan niet in combinatie met een doorbraakkolk (wiel) wijst op een dijkdoorbraak.
Op enige afstand, parallel aan de rivier liggen de oeverwallen, brede ruggen die bestaan uit lichte klei of zavel. Alle dorpen en steden in het rivierengebied liggen op de oeverwallen (en op fossiele stroomruggen, zie hieronder), en hier liggen ook de meeste akkers, de kassen en de boomgaarden. Bijzonder zijn de kromme en S-vormige percelen, die dateren uit
14
http://www.cultgis.nl
23
de Karolingische tijd. Op de oeverwallen en de fossiele stroomruggen liggen ook de kastelen, kasteelterreinen en bodemsporen van prehistorische en vroeg-historische bewoning. De komgebieden zijn laaggelegen terreinen achter de oeverwallen, waarvan de bodemmeestal uit zware klei klei bestaat. Vroeger waren deze gebieden zeer nat en werden ze extensief gebruikt als hooiland. Specifieke vormen van bodemgebruik zijn grienden en eendenkooien. Hoewel de komgebieden vroeger bijna onbewoond waren stonden er een beperkt aantal boerderijen op terpen. De komgebieden worden op sommige plaatsen doorsneden door langgerekte ruggen, die duiden op een fossiele rivierloop. Beide oeverwallen en de eventuele restgeul van zo’n fossiele rivier noemen we een stroomrug. Het dorpje Flieren ligt bijvoorbeeld op zo’n stroomrug, net als Ressen. Andere hoge terreinen in de kommen zijn de donken: zandige heuvels, ontstaan door verstuiving aan het eind van de laatste ijstijd of in het begin van het Holoceen. Soms lagen deze heuvels zo hoog dat ze nadien niet door rivierafzettingen zijn bedekt. Voor het Neolithicum zijn er ongetwijfeld al mensen in het gebied van de Over-Betuwe en de Millingerwaard geweest, maar bewijzen hiervoor zijn nog niet gevonden. Eventuele bewoningsporen en gebruiksvoorwerpen zijn bedekt met rivierafzettingen.
De eerste aanwijzingen voor bewoning stammen uit het Neolithicum (Nieuwe Steentijd), toen de eerste boeren in het gebied neerstreken. Archeologische sporen, die wijzen op bewoning in het gebied vanaf de Nieuwe Steentijd, worden vrijwel uitsluitend op de hogere oeverwallen en donken aangetroffen. In veel gevallen zijn deze oudste bewoningssporen onzichtbaar geconserveerd onder latere rivierafzettingen. In de IJzertijd en de Romeinse tijd was de regio een van de dichtstbevolkte delen van ons land. Bijzonder zijn de resten van twee Romeinse tempels in Elst. Onder de middeleeuwse kerk zijn grote muurdelen gevonden van deze heiligdommen die in de eerste eeuw na Chr. zijn gebouwd. Sporen die wijzen op intensieve bewoning in de Romeinse tijd zijn overal in de regio gevonden. In de Ooijpolder betreft het nederzettingen bij Persingen en bij het Wylermeer en sporen bij onder andere Ooij. Maar ook uit Nijmegen, uit de Millingerwaard en de Duffelt zijn vele vondsten en bewoningsresten uit de Romeinse tijd bekend. Dit mag geen verbazing wekken, gezien de onmiddellijke nabijheid van de legioenslegerplaats Noviomagum (Nijmegen), de castelIa of garnizoenslegerplaatsen en de wachtposten langs de grens van het Romeinse Rijk, die hier de Rijn volgde.
Omstreeks 250 na Christus moet zich ter hoogte van Millingen een grote overstroming hebben voorgedaan, waarbij een nieuwe zijtak van de Rijn ontstond: de Waal. De oeverwallen en kommen van de Waal zijn dan ook relatief jong en bedekken de voordien gevormde rivierafzettingen. In de derde en vierde eeuw raakten de Romeinen hun greep op het gebied geleidelijk kwijt. De dichte bewoning die het gebied kende uit de IJzertijd en de Romeinse tijd nam af, maar in tegenstelling tot andere delen van het land bleef de regio bewoond. In de Karolingische tijd nam de bevolking toe en breidden de dorpen zich uit, terwijl in die tijd mogelijk ook nieuwe dorpen zijn gesticht. Verondersteld wordt dat alle dorpen en stadjes in het gebied al bestonden in het jaar 1000. Bevolkingstoename betekende ook dat er meer landbouwgrond moest komen. De meest geschikte gronden, de hoogste delen van de oeverwallen, donken en stroomruggen, zijn het eerst als landbouwgrond in gebruik genomen. We kunnen deze oudste ontginningen herkennen aan de wat onregelmatige percelering in de vorm van grillig gevormde blokken. Vervolgens werden ook de minder gunstige delen van de ruggen in gebruik genomen als akkerland. Vaak betreft het strookvormige percelen die in grotere blokken bij elkaar liggen. Soms zijn deze stroken niet rechthoekig, maar vertonen ze flauwe bochten.
Dit zijn de voor het rivierengebied kenmerkende kromme akkers. Via de sloten stroomde het overtollige neerslagwater naar de rivier of naar de komgebieden, waar het geleidelijk volgens de helling van het terrein naar het westen wegstroomde of verdampte. De lagere delen van het gebied, de uiterwaarden en de kommen, waar vrijwel elk jaar overstromingen plaatsvonden, werden gebruikt als weiland of hooiland. De intensivering van het landgebruik bracht de bewoners van de dorpen langs de rivier ertoe kaden aan te leggen om het rivierwater en het neerslagwater uit de omgeving te keren. Aanvankelijk gebeurde dit door haaks op de oeverwal een kade of zijdwende op te werpen, later gevolgd door een achterkade die de landbouwgrond afschermde van de drassige kommen. Toch bleken deze maatregelen op den duur onvoldoende om wateroverlast door rivieroverstromingen tegen te gaan. Dit had onder meer te maken met grote ontginningen in de bovenstroomde delen van het stroomgebied van de Rijn. Door deze ontginningen verminderde het waterbufferende vermogen van het landschap en werd neerslagwater sneller afgevoerd naar de Rijn en zijn zijrivieren. De overstromingen werden veelvuldiger en bedreigden de dorpen en de landbouwgronden. Het dorp Ooij werd in de dertiende eeuw bij een overstroming vrijwel geheel verwoest.
Men ging ook langs de rivier dijkjes aanleggen, eerst elk dorpsgebied voor zich, later werden de verschillende dijkjes op elkaar aangesloten en ontstonden de doorgaande bandijken langs de rivieren. De bandijken dateren waarschijnlijk uit de tweede helft van de dertiende eeuw, in de Over-Betuwe wat eerder dan in de Ooypolder en Millingerwaard. De Duffeltse bandijk, die liep van Kleef via Millingen, Kekerdom en Leuth naar het Wylermeer, de Ooijse bandijk en de dijken in de Liemers dateren van kort voor 1300. 24
Afb. 12.
Het plangebied op een uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832 (bron: http://zoeken.cultureelerfgoed.nl).
Afb. 13.
Het plangebied op een kaart van 1900 (http://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
25
Afb. 14.
Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1962 (bron: https://www.topotijdreis.nl)
Afb. 15.
Het plangebied op een topografische kaart uit 1980 (bron: https://www.topotijdreis.nl).
2.7
Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek
Op het Minuutplan is het plangebied geheel in gebruik als akkerland/weiland (afb 8). Er lijkt een weg door het oostelijke deel van het plangebied te lopen, maar dit kan evengoed een zandpad geweest zijn. De weg is niet benoemd. Ook lopen de Leigraafseweg en de Veedijk door het plangebied. Op later kaartmateriaal (Bonneblad 1900, afb. 13) is dit het geval. Pas rond 1960 veranderd het beeld (afb. 14). De Leigraafseweg staat nu als Veedijk vermeldt, en in het noordelijke deel van het plangebied wordt een transformatorstation gebouwd.
26
Op kaartmateriaal van begin jaren ’70 verschijnt de Leigraafseweg langs de zuidelijke rand van het plangebied, op zijn huidige locatie (afb. 11). Het plangebied is op historisch kaartmateriaal onbebouwd geweest, op de huidige bebouwing na.
2.8
De Tweede Wereldoorlog
2.8.1 Historisch onderzoek niet-gesprongen explosieven Onderstaande is afkomstig uit het door Bodac b.v. ten behoeve van de nieuwe persleidingtracés Andelst en Zetten-Dodewaard uitgevoerde historisch vooronderzoek en toegespitst op het plangebied van het zonnepark.15 Deze gegevens worden puur ter informatie vermeldt en er kunnen geen conclusies of rechten omtrent vrijgave aan verleend worden. Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland binnen. De troepen aan de grens met Duitsland konden niet veel anders doen dan versperringen opwerpen en zich daarna terugtrekken richting het westen. Ten oosten van het onderzoeksgebied, tussen Elst en Nijmegen, bevond zich de Groep Betuwe bestaande uit het 8ste Grensbataljon en het IIIde bataljon, 43ste Regiment Infanterie. De troepen werden in de middag aangevallen door Duitse troepen. Hoewel de aanval niet veel voorstelde trokken de Nederlandse troepen zich hierop via verschillende routes terug naar Kesteren. Deze terugtocht verliep niet volgens plan, vanwege communicatieproblemen en het overhaaste karakter van de terugtocht. Twee soldaten van het 8ste Grensbataljon en één soldaat van het III bataljon, 43ste Regiment Infanterie sneuvelden omdat ze bij Andelst en Dodewaard op mijnen stapten, die even daarvoor door Nederlandse troepen van de 9de Compagnie Pioniers op scherp waren gesteld. Meerdere soldaten raakten gewond.
Er werden vernielingen van verkeers- en spoorbruggen en wegversperringen voorbereid. Een van die vernielingen bevond zich binnen het onderzoeksgebied, namelijk de spoorbrug bij het station Hemmen-Dodewaard (grenzend aan en ten noordwesten van het geplande zonnepark). Deze brug werd op 10 mei 1940 door de 9de Compagnie Pioniers tot ontploffing gebracht. In mei 1944 werd op het emplacement Hemmen-Dodewaard de personentrein 2019 Amersfoort - Kesteren Nijmegen beschoten. De locomotief raakte defect. Deze dag voerden 35 Spitfires van 401, 411 en 412 Squadron aanvallen uit in een groot gebied tussen Vlissingen en Eindhoven, ter ondersteuning van bommen-werpers van de Amerikaanse 8ste luchtmacht. Hierbij werden zes treinen beschadigd, maar in het Operations Record Book van 2nd Tactical Air Force wordt niet vermeld waar deze treinen zich bevonden. Ook in de Operations Record Book van de drie Squadrons is geen nadere informatie aangetroffen over de locaties van de beschietingen. Mogelijk vond één van de aanvallen plaats op het emplacement Hemmen-Dodewaard. Dit emplacement ligt binnen het onderzoeksgebied. In de nacht van 6 op 7 oktober 1944 hadden de geallieerden zich teruggetrokken uit Opheusden en een kilometer naar het oosten een nieuwe verdedigingslinie opgesteld.
Dit zou de geallieerde luchtmacht en artillerie de mogelijkheid geven om Opheusden te bestoken, zonder gevaar te lopen de eigen troepen te raken. Nog voordat deze nieuwe linie goed en wel was ingericht, bereidden de Duitsers al een nieuwe aanval voor. In de vroege ochtend maakten zij gebruik van een gat in de verdediging en infiltreerden honderden Duitse soldaten en tanks de geallieerde linies. Pas bij het station Hemmen-Dodewaard stuitten ze op Amerikaanse troepen die aan het uitrusten waren van de gevechten rond Opheusden: “Weldra leverden beide partijen een uitgebreid vuurgevecht met machinegeweren en 60mm mortieren.” Ook de geallieerde artillerie werd ingezet om de aanval te stoppen: “Het Duitse bataljon bevond zich op dat moment in open terrein waar alleen de sloten enige dekking konden verschaffen. Het was een hopeloze situatie.” Niet alleen rond het station Hemmen-Dodewaard werd met artillerie geschoten, ook bij Opheusden kwamen weer granaten neer; op de coördinaten 557712 en 562719 (beide binnen onderzoeksgebied) werden Duitsers beschoten. Zo wisten de Amerikanen de aanval te stoppen en de Duitsers terug te dringen richting Opheusden. Het gat in de verdediging werd gesloten en de verdedigingslijn hersteld, waarbij ongeveer 180 Duitsers krijgsgevangen werden gemaakt. Deze gevechten vonden binnen het onderzoeksgebied plaats.
De kraters mogelijk afkomstig van artillerie, mortieren en bommen zijn weergegeven op afbeelding 16. Bij archeologisch veldonderzoek zullen indien aangetroffen deze kraters worden gedocumenteerd.
15
Boeijen & Hoebens 2017
27
2.8.2 Geofysisch onderzoek niet-gesprongen explosieven Conform het projectplan is in het plangebied van het zonnepark gedetecteerd op de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven door T&A Survey b.v. Dit heeft geresulteerd in zeer veel verdachte locaties weergegeven op afbeelding 17. Deze locaties zullen worden benaderd en worden ontgraven. Het ontgraven dient onder archeologische begeleiding plaats te vinden.
Afb. 16.
2.9
Locaties kraters mogelijk afkomstig van artillerie, mortieren en bommen in het plangebied
Bekende verstoringen
In Dinoloket is een hele serie boringen bekend in het plangebied. De boringen zijn tot minimaal 5,0 m -mv gezet, en laten in het zuiden, een raai die haaks op de knik in de Leigraafseweg is gezet, zien dat er een zandopduiking onder de huidige Leigraafseweg zit, die naar het noorden toe weg duikt. De verdere opbouw bestaat uit klei, met af en toe een veenbandje of zandbandje. Ook zijn er twee raaien geo-elektrisch onderzoek uitgevoerd. De modellen ervan staan niet in Dinoloket. In bodemloket zijn alleen enkele dempingen bekend van voormalig kavelsloten. Er zijn geen verdere saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan. Op de bodembelastingkaart van gemeente Neder-Betuwe is het plangebied verdacht voor afwerpmunitie, landmijnen en geschutsstellingen (zie paragraaf 2.7).
28
Afb. 17.
Verdachte locaties NGE T&A Survey b.v.
2.10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op basis van het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor resten vanaf de Bronstijd. De vele vondstmeldingen in de regio betreffen met name vondsten vanaf de Bronstijd, hoewel vondsten uit het (laat) Neolithicum ook genoemd worden. In verscheidene meldingen wordt een leeflaag of bewoningsgrond genoemd. Deze zou plaatselijk al op 60 cm -mv voorkomen. Binnen het plangebied zijn twee AMK-terreinen aanwezig, waarin ook resten uit het Laat Neolithicum en de Bronstijd aanwezig zijn. In de beschrijvingen van de AMK-terreinen wordt erover gesproken dat de bewoningslaag op circa 45 -80 cm -mv zit. Ook wordt beschreven dat het waarschijnlijk om meerdere huisplaatsen gaat. Archeologische resten zullen bestaan uit grondsporen van boerderijen, schuren, spiekers, greppels, water- en afvalputten, aardewerk, verbrand bot, bewerkt (vuur)steen, en wanneer resten waterverzadigd zijn bewaard uit onverbrand bot, bewerkt hout, leer, zaden en pitten. Resten van voor de periode Laat-Neolithicum – Vroege Bronstijd zijn onwaarschijnlijk. Door de activiteit van de Veedijk stroomgordel kunnen deze resten al zijn opgeruimd. Resten van na de Bronstijd kunnen voorkomen, op hetzelfde niveau of iets hoger. Dit betreft resten uit de periode IJzertijd – Middeleeuwen.
Deze resten kunnen eveneens bestaan uit grondsporen van boerderijen, schuren, spiekers, greppels, water- en afvalputten, aardewerk, verbrand bot, bewerkt steen, metaal, en wanneer resten waterverzadigd zijn bewaard uit onverbrand bot, bewerkt hout, leer, zaden en pitten. Resten uit de Nieuwe tijd worden verwacht op basis van historisch kaartmateriaal met name resten uit de Tweede Wereldoorlog zoals bomkraters. Tevens kan de oude loop van de Leigraafseweg worden verwacht. Ook moet rekening gehouden worden met de gedempte sloten.+
29
2.11 Advies Er zijn een of meerdere vindplaatsen uit de Bronstijd in het plangebied aanwezig. Daarnaast zijn verdachte locaties met explosieven en kraters uit WOII aanwezig. Wanneer door de voorgenomen plannen bodemverstoring plaats gaat vinden die het archeologisch niveau (45-80 cm -mv) gaan raken, zal er vervolgonderzoek plaats moeten vinden ter plaatse van de verstoring (dit geldt ook voor ontgravingen voor het opsporen van explosieven. In eerste instantie kan dit bestaan uit een verkennend/karterend booronderzoek om de begrenzing van de vindplaatsen vast te stellen. Nadien kan er een proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding worden uitgevoerd om de archeologische resten ex situ te behouden.
30
3 Conclusie en aanbevelingen 3.1
Beantwoording onderzoeksvragen
Wat is de aard (ontstaanswijze en classificatie), diepteligging, genese en gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten en natuurlijke afzettingen in het omringende (binnen een afstand tot ca. 200 m van de onderzoekslocatie) gebied? Binnen het plangebied zijn geul-/beddingafzettingen en oeverwalafzettingen van de Veedijk stroomrug aanwezig, met bijbehorende komafzettingen. Deze afzettingen zijn vanaf maaiveld aanwezig, en slechts de top is door agrarische activiteit geroerd. Wat is de aard (ontstaanswijze), diepteligging, genese, gaafheid, dikte, en omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? In de omgeving kan sprake zijn van een afdekkende kleilaag die ontstaan is door het buiten de oevers treden van de rivier. Wat is het historisch landgebruik van de onderzoekslocatie en het omringende gebied geweest? Het plangebied en de omringende percelen zijn altijd in gebruik geweest als weiland.
Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek) zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom de onderzoekslocatie bekend? Vermeld per vondst- en/of spoorcomplex minimaal: a) bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens) b) de materiaalcategorie c) ouderdom d) ruimtelijke (geografische) verspreiding e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag) f ) fragmentatie e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag) f ) fragmentatie Zie hoofdstukken 2.4 en 2.6. Welke natuurlijke formatieprocessen (sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) hebben een rol gespeeld in het onderzoeksgebied? In het plangebied kunnen de processen die met een rivierensysteem samen hangen een rol hebben gespeeld. Met name dan erosie door verlegging van de rivier of sedimentatie door het buiten de oevers treden van de rivier. Met welke culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-]constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) hebben een rol gespeeld in het onderzoeksgebied? Percelering van de weilanden en herverkaveling hebben een rol gespeeld. Zoals in bodemdata vermeld is relatief recentelijk nog een sloot gedempt.
Ook heeft de verplaatsing van de Leigraafseweg een rol gespeeld. Welke formatieprocessen kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? De aanwezigheid van een oeverwal heeft een rol gespeeld. De locatie was geschikt voor bewoning vanaf het laat Neolithicum – Vroege Bronstijd, en de vondsten weerspiegelen dat. De cultuurlaag is circa 45-80 cm -mv gelegen, waardoor deze beschermd is tegen diepploegen.
31
Wat is de aard (materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? In het plangebied kan een nederzetting met alle bijbehorende structuren en vondsten worden verwacht die in ieder geval dateert in de Bronstijd. Ook moet er rekening gehouden worden met landinrichting buiten de nederzetting en andere off-site fenomenen. Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek? Deze resten manifesteren zich in prospectief booronderzoek als een cultuurlaag met daarin houtskool, aardewerk, puinresten of fosfaatvlekken. Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategie) kunnen vondst- en/of spoorcomplexen systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.). Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden. Op basis van de reeds bekende informatie kunnen de vindplaatsen met verkennend/karterend booronderzoek begrensd worden, waarna er met proefsleuvenonderzoek de nederzettingen kunnen worden onderzocht om de gaafheid en conservering vast te stellen om tot een goed selectieadvies te kunnen komen, of de werkzaamheden kunnen begeleid worden.
3.2
Selectieadvies
Op basis van de resultaten van het hier gerapporteerde onderzoek is er sprake van een hoge archeologische verwachting binnen het plangebied. De palen voor de tafels voor de zonnepanelen veroorzaken een minimale verstoring. De kabelsleuven en transformatorhuisjes veroorzaken wel bodemverstoring. Het ontgraven van de verdachte NGE locaties zullen archeologisch moeten worden begeleid. De gebieden met een lage verwachting zullen door de grote oppervlakte ook moeten worden onderzocht. Deze werkzaamheden kunnen voorafgegaan worden door een verkennend/karterend booronderzoek om de vindplaatsen te begrenzen, waarna er met proefsleuvenonderzoek of begeleidingen de nederzettingen kunnen worden onderzocht om de gaafheid en conservering vast te stellen om tot een goed selectieadvies te kunnen komen, of de werkzaamheden kunnen begeleid worden waarmee de archeologische waarden ex situ bewaard worden. leidingen: archeologische begeleiding trafohuisjes: archeologische begeleiding palen: geen onderzoek benaderen NGE: archeologische begeleiding Geadviseerd wordt om in overleg te gaan met de bevoegde gezagen van Overbetuwe en Nederbetuwe om een uniforme aanpak vast te stellen voor het veldwerk. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen.
Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Met betrekking tot de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeenten Overbetuwe en Neder-Betuwe.
32
Literatuur Aalbersberg, G., in prep.: Transportstelsel Noord (TSNO), tracés Andelst en Zetten (gemeenten Neder-Betuwe en Overbetuwe) Een inventariserend veldonderzoek (IVO-O) (Salisbury rapport 279, conceptversie). Salisbury Archeologie b.v., Assen. Asmussen, P.S.G., 1966, Archeologische begeleiding Betuweroute. Aanvullende archeologische kartering en waardering. RAAP-rapport 96. Benjamins, I., 2018, Bureauonderzoek Archeologie. 380 KV Dodewaard. Arcadis. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen, H.J.A. & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen; zanddieptekaarten van het rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel; Provincie Gelderland, Arnhem. Boeijen, J.D. & R.A.J. Hoebens,2017: Vooronderzoek Conventionele Explosieven. Transportstelsels en rioolgemalen Noord: traject 4-5. Dodewaard-Zetten-Andelst. BODAC b.v., Schindel Transportstelsels en rioolgemalen Noord: traject 4-5. Dodewaard-Zetten-Andelst Bosch, J.H.A., 2008: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2. (Deltares-rapport | 2008-U-R0881/A.) Deltares, Utrecht. Hanemaijer, M., 2016, Bureau voor Archeologie Rapport 293. Kerkstraat 13, Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe: een bureauonderzoek. Bureau voor Archeologie rapport 293, Utrecht.
Kluiving, S.J., Van der Laan, J., Hammer, J., Sueur, C., 2014, Bodemverstoringsonderzoek door middel van 80 bodemprofielputten, gemeente Neder-Betuwe (Gld.). Geo-Logical-reeks 67, Delft. Schorn, E.A., 2005, Plangebied Veldstraat te Zetten (gemeente Overbetuwe). Inventariserend archeologisch veldonderzoek. Karterende Fase. BAAC-rapport 05.043. Vos, P.L. & S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares, Utrecht. Geraadpleegde websites webadres
laatst bezocht op
https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl
31-7-19
https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens
31-7-19
https://www.dinoloket.nl/nomenclator-ondiep
31-7-19
https://zoeken.cultureelerfgoed.nl
31-7-19
http://www.ahn.nl
31-7-19
http://www.pdok.nl
31-7-19
http://www.topotijdreis.nl
31-7-19
http://www.cultgis.nl
31-7-19
www.dokdata.com
2-8-19
33
Lijst van afbeeldingen Afb. 1. Afb. 2.
Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (bron: https://www.opentopo.nl) ............... 7 Uitsnede van de archeologische beleidskaarten van de gemeenten Overbetuwe en Neder-Betuwe (bron: https://www.overbetuwe,nl, https://www.nederbetuwe.nl). .............................................................................. 8 Afb. 3. Inrichtingstekening van het plangebied met in rood en geel de kabelsleuven (bron: opdrachtgever) ...... 9 Afb. 4. Aanleg slootoevers........................................................................................................................................................................... 9 Afb. 5. Te dempen en te graven sloten ................................................................................................................................................ 10 Afb. 6. Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................................................ 14 Afb. 7. Het plangebied en omgeving op de paleogeografische kaart van Berendsen en Stouthamer (2001) ...... 15 Afb. 8.