Bijlage 3h - Bijlage 8 bij de toelichting - Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
worden met de ingreep. Bij aantreffen van een broedgeval in het plangebied wordt een rustzone afgezet door een ecologisch deskundige en wordt de locatie met rust gelaten tot de jongen zijn uitgevlogen. Er mogen geen werkzaamheden in de directe zone rond een nest plaatsvinden. De omvang van deze zone wordt door de begeleidend ecoloog bepaald. Eventueel kan er met schermen gewerkt worden die visuele verstoring en/of verstoring door geluid naar een broedgeval beperken.
6.4. •
•
Voorafgaand aan het dempen van sloten dienen door een ecologisch deskundige de aanwezige vissen overgeplaatst te worden naar een alternatieve locatie (afvissen). Ook bij ingrijpende werkzaamheden aan oevers dient voorafgaand door een ecologisch deskundige beoordeeld te worden of afvissen nodig is.
6.5. •
Vissen
Ongewervelden
Maaisel van kruidenrijke en diverse vegetaties dient bij voorkeur te worden afgevoerd naar een alternatieve locatie waar ongewervelden kunnen wegkruipen. Hier moet het enkele dagen worden neergelegd.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
23
7. Conclusie en advies 7.1.
-
Beantwoording onderzoeksvragen
Om na te gaan of door de geplande ingrepen in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord. Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten en is daardoor een Voortoets noodzakelijk? Ja, er dient in het kader van het Natura 2000-gebied Rijntakken een stikstofberekening te worden uitgevoerd waarin de effecten van het project, tijdens de uitvoerfase en gebruiksfase. Een Voortoets geeft antwoord op de volgende vragen: o Zijn er (negatieve) effecten op plaatselijk aangewezen habitatsoorten en -typen te verwachten? o Ondervinden de aangewezen instandhoudingsdoelen van het Natura 2000 gebied negatieve effecten van de werkzaamheden? o Is het noodzakelijk een Passende beoordeling op te stellen voor het project? •
Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Netwerk Nederland (GNN) te verwachten en is daardoor een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk?
Nee, het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een toetsing in dit kader is daarom niet nodig. Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, binnen het plangebied of de invloedsfeer van de werkzaamheden is de aanwezigheid van de onderstaande soorten niet uit te sluiten: - Wezel - Hermelijn - Bunzing - Steenmarter - Steenuil
-
Huismus Vleermuizen (foerageergebied en verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten) Heikikker Poelkikker Grote modderkruiper Platte schijfhoren
•
Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Ja, wanneer de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen kunnen algemene broedvogels en in gebruik zijnde nesten verstoord en/of vernietigd worden door de geplande werkzaamheden. Dit is een overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Daarnaast zijn vanwege de potentiële aanwezigheid van andere beschermde soorten de werkzaamheden mogelijk in strijd met artikel 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Zie ook tabel 7.1 •
Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Mogelijk. Alvorens hier gerichte uitspraken over te kunnen doen, dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om te bepalen welke beschermde soorten binnen het plangebied voorkomen en welke mitigerende maatregelen mogelijk of noodzakelijk zijn om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen (zie Tabel 7.1). Daarnaast moeten negatieve effecten op niet-beschermde of vrijgestelde soorten worden voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Deze staan beschreven in hoofdstuk 6. •
Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Ja. Aanvullend onderzoek is nodig naar de soorten genoemd in tabel 7.1 Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing?
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
24
Er worden geen houtopstanden geveld waar de regels van de Wet natuurbescherming op van toepassing zijn. Aangezien het plangebied binnen de door de gemeente Neder-Betuwe vastgestelde begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming ligt geldt hier de APV. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor
een vergunning aangevraagd dient te worden bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.
Tabel 7.1 | Samenvatting effecten en vervolgstappen per aangetroffen of soortgroep of natuurwaarde.
Beschermde groep Houtopstanden Natura-2000 gebied De Rijntakken Beschermde soorten: Kleine marterachtigen Steenmarter Verblijfplaatsen gebouwbewonende vleermuizen Huismus Foerageergebied vleermuizen Steenuil Algemene broedvogels Heikikker Poelkikker Grote modderkruiper Platte schijfhoren
Effecten? Ja Mogelijk
Vervolgstappen? Mogelijk vergunningaanvraag Stikstofberekening
Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk Ja Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk
Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Werken buiten broedseizoen Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
25
7.2.
Conclusie
Uiteindelijk is hiermee de uiteindelijke vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren? De voorgenomen werkzaamheden hebben mogelijk negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Een stikstofberekening dient te worden uitgevoerd. Met inachtneming van de in hoofdstuk 6 beschreven mitigerende maatregelen, zijn negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde soorten niet uitgesloten. Er is aanleiding tot vervolgonderzoek (Tabel 7.1)
7.3.
Kansen voor natuur
Er liggen kansen om de nieuwe woningbouw geschikt te maken voor vleermuizen en broedvogels door natuurinclusief te bouwen. Natuurinclusief bouwen klinkt misschien ingewikkeld, maar dat is het niet. Soms is wat ruimte achter het dakbeschot of onder de dakpannen al voldoende om verblijfplaatsen te creëren voor vogels en vleermuizen. Het gaat dus ook niet ten koste van het woongenot of de isolatie van het huis. Voor vleermuizen is het plaatsen van (duurzame) inbouwkasten, het openlaten van holle delen van muren (spouw) waartoe een invliegopening leidt, of het plaatsen van afwerking zoals boeiboorden waar ruimte achter openblijft. In de regel is alle bebouwing hoger dan 3 m geschikt. Voor gierzwaluwen is het plaatsen van nestkasten voldoende, omdat foerageerlocaties op grote afstand van nestplekken kunnen liggen. De nestkasten dienen op minimaal 3 meter hoogte te worden geplaatst en voldoende vrije ruimte te hebben om in- en uit te kunnen vliegen. Voor huismussen kunnen ook nestplekken worden gerealiseerd. Daarnaast moet in de nabije omgeving wel worden gezorgd voor voldoende schuilplekken in hagen of andere dichte groene structuren, en idealiter zijn er (kleine) waterpartijen aanwezig die voor drinkwater zorgen. Meer informatie is te vinden op https://www.bouwnatuurinclusief.nl/ of https://www.checklistgroenbouwen.nl/.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
26
8. Literatuurlijst
8.1.
Literatuur
Bat Habitat key, 2018. Bat Roosts in Trees. A guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Pelagic Publishing, Exeter. Broekhuizen, S., Klees, D. en Müskens G. 2010. De steenmarter. Zoogdiervereniging. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Gjerde, L., 2004. Methods in surveying advertisement calling Vespertilio murinus L., 1758, and notes on its fall distribution in Europe.
Le Rhinolophe 17:127132. Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch
Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Korsten, E. & Brekelmans, F., 2014, Massaal in winterslaap, Stadswerk Magazine, 07/2014, pp. 40 - 42 Limpens, H.G.J.A. 2012. Slopen restaureren renoveren nieuwbouw na-isolatie: Vleermuisvriendelijk bouwen, Zoogdiervereniging. Limpens, H. G.J.A. & J. Regelink, 2017. Cursus vleermuizen en Planologie, Zoogdiervereniging. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021) Vleermuisprotocol maart 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Sendor, T., 2002. Population ecology of the pipistrelle bat (Pipistrellus pipistrellus Schreber, 1774): the significance of the year-round use of hibernacula for life histories. Philipps-Universität, Marburg. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2018. Vogelatlas van Nederland. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
27
Šuba, J. & D. Vietniece & G. Pētersons, 2010. The particoloured bat Vespertilio murinus in Rīga (Latvia) during autumn and winter. Environmental and Experimental Biology 8:93-96 Voortman, T., & Bakker, G., 2020. Spatial and temporal variation in maternity roost site use of common pipistrelles Pipistrellus pipistrellus (Mammalia: Chiroptera) in Rotterdam. Deinsea 19:1-16
Websites Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/ Effecten op Natura2000 gebieden https://calculator.aerius.nl/calculator https://natura2000.nl/gebieden https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicator.aspx Natuur Netwerk Nederland Data.overheid.nl/datasets
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
28
Bijlage A. Wettelijk kader Wet Natuurbescherming
Natura 2000-gebieden
De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO is het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk.
De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden.
Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen.
Zorgplicht Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.
Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er mogelijk sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; • Voortoets; • Passende Beoordeling; • ADC-toets. Voortoets Middels een Voortoets wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden. De Voortoets bestaat uit een beschrijving van het plan of project, de te verwachten effecten binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en een analyse of daarbij (mogelijkerwijs) sprake is van significante effecten. In deze analyse mogen mitigerende en compenserende maatregelen niet meegenomen worden (Zie Kader 1, Mitigerende en compenserende maatregelen). Indien niet kan worden uitgesloten dat er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen optreden moet een Passende Beoordeling worden opgesteld.
Indien er zeker geen significant negatief effect is te verwachten dan is er geen vergunning nodig, bij het indienen van een aanvraag
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
29
wordt er een besluit tot afwijzing genomen door het bevoegd gezag. Kader 1 | Mitigerende en compenserende maatregelen
Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die de schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien, voorkomen of verminderen. Het doel van dergelijke maatregelen is het voorkomen van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Compenserende maatregelen zijn maatregelen die de aantasting (significante effecten) op de aangewezen habitats en -soorten in een natura 2000-gebied als gevolg van een project of plan compenseren. Passende beoordeling Indien uit de Voortoets blijkt dat er een kans is op een significant negatief effect, dient er een Passende Beoordeling uitgevoerd te worden. Tijdens het vaststellen van de mogelijk negatieve effecten mogen mitigerende maatregelen wél meegewogen worden in de beoordeling, compenserende maatregelen niet. Indien uit deze toetsing blijkt de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast worden kan een vergunning worden verleend en kan het plan vastgesteld worden. Blijkt er echter dat er werkelijk sprake is van mogelijk significante effecten dan wordt een vergunning alleen afgegeven indien er geen Alternatieven zijn, er Dwingende redenen van groot openbaar belang zijn en er Compensatie plaatsvindt: de ADC-toets.
Het hoofdstuk 3 ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) nationaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor een ontheffingsaanvraag. Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen (Zie kader 2, Opzettelijkheid en Kader 3, Verstoring en vernietiging door verstoring): opzettelijk doden en vangen van vogels; opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; eieren rapen en onder zich hebben; opzettelijk verstoren van vogels; het verbod onder 4 is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijk invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie.
ADC-toets Indien negatieve effecten niet uit te sluiten zijn, kan het plan alleen vastgesteld en vergund worden indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden (artikel 2.8-4) a. Er zijn geen Alternatieve oplossingen b. Het project wordt uitgevoerd onder Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard c. Er worden Compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Soortbescherming
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
30
Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora en fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels. Kader 2 | Opzettelijkheid in de Wet Natuurbescherming
Opzettelijkheid Een situatie waarbij iemand een handeling verricht waarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt wordt dat deze gedraging leidt tot overtreding van een verbod, ook als een kwade intentie ontbreekt. Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Voor in het wild levende dieren van soorten, genoemd in de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, gelden de volgende verbodsbepalingen (Zie kader 2, Opzettelijkheid en Kader 3, Verstoring en vernietiging door verstoring): 1. opzettelijk doden en vangen; opzettelijk verstoren; opzettelijk vernielen of rapen eieren; opzettelijk beschadigen of vernielen voortplantingsof rustplaatsen; opzettelijk plukken of vernielen planten. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8, lid 5: 1. ter bescherming van flora en fauna, en instandhouding van natuurlijke habitats;
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of de daartoe benodigde kweek; op selectieve wijze een aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben. Nationale beschermde soorten (artikel 3.10) Voor in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de Wet natuurbescherming bijlage, onderdeel A gelden de volgende verbodsbepalingen: a. opzettelijk doden of vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Voor vaatplanten van de soorten, genoemd in de Wet natuurbescherming bijlage, onderdeel B gelden de volgende verbodsbepalingen: c. in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen.
Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8 lid 5 en artikel 3.10, lid 2: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; b. ter voorkoming van schade of overlast; c. ter beperking van de omvang van populaties; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud landbouw of bossen;
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
31
f.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; h. in het algemeen belang, of i. bestendig gebruik. Kader 3 | Verstoring en vernietiging door verstoring
Ecologische verstoring In ecologisch opzicht is verstoring een verandering door het toedoen van mensen in hoe een dier gebruik kan maken van essentiële hulpbronnen. Het kan hierbij ook gaan om een verandering in de perceptie van het dier. Dit betreft voornamelijk de toegang tot voedselbronnen en nest- of verblijfplaatsen (Gill, 2007). Dit is vaak een tijdelijke verstoring van individuen, wat soms ook kan leiden tot negatieve effecten op populatieniveau (Bejder et al. 2009). Juridische verstoring Verstoring is in juridisch opzicht een relatief begrip. Sommige verstorende handelingen zijn per definitie tijdelijk, de hierdoor optredende verstoring is dus hooguit tijdelijk en kortdurend. Niet elke (tijdelijke) verstoring is een verstoring in de zin van de wet. Uit jurisprudentie (zie bronnen) kan worden afgeleid dat een (tijdelijke) verstoring, waarbij dieren zich (tijdelijk) aan een veranderde leefomgeving moeten aanpassen, niet leidt tot een opzettelijke verstoring in het kader van de Wet natuurbescherming. Wanneer verstoring leidt tot vernietiging Wanneer een verstoring van dusdanig duur of intentie is kan het voorkomen dat dieren hun nest of verblijfplaats permanent verlaten. In deze gevallen is er juridisch sprake van het vernietigen van een nest of verblijfplaats en worden verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden.
Actieve soortbescherming Naast de passieve soortbescherming zijn provincies wettelijk verplicht om soorten te beschermen middels de Natuurvisie (artikel 1.7) en de actieve
soortbescherming (artikel 1.12). In het kader van deze actieve bescherming kunnen de provincies de lijst met beschermde soorten uitbreiden en/of gebieden aanwijzen waarvoor een extra inspanning nodig is om de staat van instandhouding van populaties te behouden of te herstellen. Vogellijst Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd in het kader van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1). De nesten van vogels zijn beschermd als ze door de vogels in gebruik zijn, zowel in als buiten de gangbare broedperiode (15 maart tot 15 juli). De meeste vogels maken elk jaar een nieuw nest of zijn in staat een nieuw nest te maken. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd waardoor de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn (zie Kader 4, Jaarrond beschermde vogelnesten en Tabel 1). De wetgever verstaat onder verblijfplaatsen van vogels ook nesten en holtes waar de vogels ook buiten de broedtijd regelmatig verblijven.
Beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming (voorheen Boswet). Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
32
De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de “bebouwde kom Wet natuurbescherming” ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Dit valt vaak min of meer gelijk met de ‘bebouwde kom Verkeerswet’, maar kan afwijken. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de algemene plaatselijke verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan
Ontheffing, vergunning of vrijstelling Het is mogelijk om voor de in de Wet natuurbescherming vermelde verboden een ontheffing of vergunning aan te vragen. Er kan alleen een ontheffing verleend worden als er aan drie criteria is voldaan: • Er is geen alternatieve bevredigende oplossing mogelijk; • Er moet sprake zijn van een wettelijk belang behorend bij het artikel dat overtreden wordt; • Er mag geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de populatie plaatsvinden.
Vrijstelling Het is niet altijd nodig om een ontheffing aan te vragen wanneer er gevolgen voor beschermde planten- en diersoorten optreden. Er zijn verschillende soorten vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden indien strikt en aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. De zorgplicht blijft ook bij het werken via een gedragscode onverminderd van kracht. Naast de gedragscode is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling te krijgen (artikel 3.11). Deze ministeriële regelingen zijn opgesteld door Gedeputeerde Staten als vrijstellingslijsten. Zie Tabel 2 voor een overzicht voor de vrijgestelde soorten per provincie.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken (NNN). Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het NNN plaatsvinden en een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd en/of negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden dient altijd een ‘Nee, tenzij’-toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
33
Kader 4 | Jaarrond beschermde vogelnesten
De meeste vogels gebruiken hun nest slechts eenmalig voor de voortplanting. Elk jaar bouwen de dieren een nieuw nest op meestal een andere locatie. Nesten van deze vogels zijn slechts gedurende het broedseizoen beschermd. Er zijn echter ook vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn. Er worden 5 categorieën onderscheiden (zie Tabel A voor de soorten per provincie): 1. Vogels waarvan de nesten ook buiten het broedseizoen als rust- en voortplantingsplaats gebruikt worden (voorbeeld: steenuil). 2. Koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: gierzwaluw en huismus). 3. Vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar en kerkuil). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. (voorbeeld: ransuil). 5.
Vogels die weliswaar terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of in de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De nesten van deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
34
LNV
ZH
ZL
UT
OV
NH
NB
LI
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
GR
GE
FR
FL
DR
Tabel A1 | Overzicht beschermingsstatus van nesten van Nederlandse broedvogels. * zijn kolonie broedende vogels. Afwijkingen t.o.v. landelijk beleid weergegeven per provincie. In Limburg zijn 4 categorieën ingedeeld. Nederlandse naam WetenschappeAanwezig in Provincie lijke naam bebouwde omgeving Bijeneter* Merops apiaster nee 4 Blauwe reiger* Ardea cinerea ja 5b 4 Boerenzwaluw* Hirundo rustica ja 3 2 3 Bonte vliegenvanger Ficedula hypoleuca ja 0 0 Boomklever Sitta europaea ja 0 0 Boomkruiper Certhia brachydactyla ja 0 0 Boomleeuwerik Lullula arborea nee Boomvalk Falco subbuteo nee 5a 3 Bosuil Strix aluco nee 4 2 3 Brilduiker Bucephala clangula nee 0 0 0 Buizerd Buteo buteo nee 5a 4 Draaihals Jynx torquilla nee 5b 4 Eider Somateria mollissima nee 0 0 0 Ekster Pica pica ja 0 0 0 Gekraagde roodstaart Phoenicurus phoenicurus ja 0 0 Gierzwaluw* Apus apus ja 4 Glanskop Parus palustris ja 0 0 Graspieper Anthus pratensis nee Grauwe klauwier Lanius collurio nee 4 Grauwe vliegenvanger Muscicapa striata ja 0 0 Groene specht Picus viridis nee 5b 0 Grote bonte specht Dendrocopos major nee 5b 0 Grote gele kwikstaart Motacilla cinerea nee 4 2 Grutto Limosa limosa nee 4 5 Havik Accipiter gentilis nee 5a 3 Hop Upupa epops nee 0 0 0 Huismus* Passer domesticus ja 4 Huiszwaluw Delichon urbicum ja 5b 2 2 IJsvogel Alcedo atthis nee 5b 4 Kerkuil Tyto alba ja 1 4 1 Kleine bonte specht Dendrocopos
minor nee 5b 0 Kleine vliegenvanger Ficedula parva nee 0 0 0 Kneu Linaria cannabina nee Koekoek Cuculus canorus nee Koolmees Parus major ja 0 0 0 Kortsnavelboomkruiper Certhia f. macrodactyla ja 0 0 Kramsvogel Turdus pilaris nee 4 Kwartelkoning Crex crex nee 4 Matkop Poecile montanus nee Middelste bonte specht Dendrocopos medius nee 5b 5 Nachtegaal Luscinia megarhynchos nee Nachtzwaluw Caprimulgus europaeus nee Oehoe Bubo bubo nee 5a 4 1 Oeverloper Actitis hypoleucos nee Oeverzwaluw* Riparia riparia ja 5b 4 Ooievaar Ciconia ciconia ja 5a 4 2 Paapje Saxicola rubetra nee 4 Patrijs Perdix perdix nee Pijlstaart Anas acuta nee Pimpelmees Parus caeruleus Ja 0 0 0 Porseleinhoen Porzana porzana nee Raaf Corvus corax nee 5a 3 4 Ransuil Asio otus nee 3 Ringmus Passer montanus ja 4 5 Roek* Corvus frugilegus ja 4 1
0 5 5 5 5 5 0 4 5 5 4 5 5 5 5 2 5 0 0 5 5 5 3 0 4 5 2 5 5 3 5 5 0 0 5 5 0 0 0 0 0 0 3 0 5 3 0 0 0 5 0 5 4 0 2
35
0
4 5 5
4 5a
5a 0 0 0 55b 5a
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
3
4 0 4 0 0 0 4 3
LNV 0 0 5 0 3 0 0 4 0 5 1 5 5 0 0 0 0 0 4 0 0 0 5 0 5 5 5 5 0
2
4 4 0 1 0 3
ZH
ZL
4
UT
5b
OV
5a
NH
4
NB
3 4 0
0
5b 3
LI
5a
GR
nee nee nee ja ja nee nee nee nee ja ja nee ja nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee ja ja ja ja nee nee
GE
Milvus milvus Botaurus stellaris Aegolius funereus Haematopus ostralegus Falco peregrinus Spatula clypeata Locustella luscinioides Accipiter nisus Hippolais icterina Sturnus vulgaris Athene vidalii Oenanthe oenanthe Falco tinnunculus Tringa totanus Alauda arvensis Asio flammeus Sterna hirundo Gallinago gallinago Pernis apivorus Oriolus oriolus Anas crecca Numenius arquata Haliaeetus albicilla Streptopelia turtur Corvus corone Periparus ater Phoenicurus ochruros Dryocopus martius Milvus migrans
FR
Rode wouw Roerdomp Ruigpootuil Scholekster Slechtvalk Slobeend Snor Sperwer Spotvogel Spreeuw Steenuil Tapuit Torenvalk Tureluur Veldleeuwerik Velduil Visdief Watersnip Wespendief Wielewaal Wintertaling Wulp Zeearend Zomertortel Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht Zwarte wouw
FL
DR
Tabel A2 | Overzicht beschermingsstatus van nesten van Nederlandse broedvogels. * zijn kolonie broedende vogels. Afwijkingen t.o.v. landelijk beleid weergegeven per provincie. In Limburg zijn 4 categorieën ingedeeld. Nederlandse naam Wetenschappelijke Aanwezig in Provincie naam bebouwde omgeving
5 4 5 0
3 4
36
Bijlage B. Overzicht algemene vrijstellingen Tabel B | Overzicht vrijgestelde soorten per provincie, V = vrijgesteld. Soortgroep
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Drenthe
Flevoland
Friesland
Gelderland
Groningen
Limburg
N-Brabant
N-Holland
Overijssel
Utrecht
Zeeland
Z-Holland
LNV
Provincie
Zoogdieren
Aardmuis
Microtus agrestis
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Bunzing
Mustela putorius
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Dwergmuis
Micromys minutus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Egel
Erinaceus europaeus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Zoogdieren
Gewone bosspitsmuis
Sorex areneus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Haas
Lepus europeus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Hermelijn
Mustela erminea
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Huisspitsmuis
Crocidura russula
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Konijn
Oryctolagus cuniculus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Ondergrondse woelmuis
Pitymys subterraneus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Ree
Capreolus capreolus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Rosse woelmuis
Clethrionomys glareolus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Steenmarter
Martes foina
Zoogdieren
Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Veldmuis
Microtus arvalis
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Vos
Vulpes vulpes
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Wezel
Mustela nivalis
V
V
V
V
V
Zoogdieren
Wild zwijn
Sus scrofa
Zoogdieren
Woelrat
Arvicola terrestris
Reptielen
Hazelworm
Anguis fragilis
V3
Reptielen
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
V4
Amfibieën
Bruine kikker
Rana temporaria
V
V
V
V
V
Amfibieën
Gewone pad
Bufo bufo
V
V
V
V
Amfibieën
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
V
V
V
Amfibieën
Meerkikker
Pelophylax ridibundus
V
V
Amfibieën
Bastaardkikker
Pelophylax kl. esculentus
V
V
V
V1
V
V
V
V2
V
V
V
V V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
1 alleen vrijgesteld in de periode tussen maart t/m april en juli t/m november 2 alleen vrijgesteld in de periode tussen 15 augustus t/m februari 3 alleen vrijgesteld in de periodes juli, augustus en september 4 alleen vrijgesteld in de periode tussen 15 augustus t/m 15 oktober
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
37
Bijlage C. Nederlandse vleermuissoorten Tabel C | Overzicht van type verblijfplaatsen van vleermuissoorten in Nederland. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen zomer, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. Daarnaast is onderscheid gemaakt tussen gebouw- en/of boombewonende soorten. Het aantal X geeft aan hoe waarschijnlijk het type verblijfplaats is voor de soort, waarbij er vier keer een X verdeeld wordt over iedere functie (Dietz et al. 2011, Bat Habitat key 2018, Limpens 2012, Limpens & Regelink 2017). Een (X) betreffen uitzonderingen, Een * betekent paart en overwintert in typische (ondergrondse) winterverblijven zoals groeves, bunkers, kelders, etc.
Zomerverblijf
Kraamverblijf
Paarverblijf
Soort
Gebouw
Boom
Gebouw
Boom
Gebouw
Baardvleermuis Brandts vleermuis Watervleermuis Franjestaart Ingekorven vleermuis Meervleermuis Vale vleermuis Bechsteins vleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Gewone dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Tweekleurige vleermuis Rosse vleermuis Bosvleermuis Mopsvleermuis
XX XXX (X) X XXXX XXXX XXX XX XX XXXX XXX XXX XX XXXX XXXX (X)
XX X XXXX XXX
XX XXX (X) X XXXX XXXX XXXX
XX X XXXX XXX
XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XX* XX XX* XXXX* XXXX* XXXX* XXX XXX XX XXXX XXXX (X) (X) XXX*
XX
X XX XX X X XX (X) XXXX XXXX XX
XX XXXX XXX XXX (X) XXXX XXXX (X) XX
(X) XXXX XX X X XXXX (X) XXXX XXXX XX
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
Boom
XX
X X XX (X) XXXX XXXX X
Winterverblijf Gebouw
XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XXXX* XXX XXX XX XXXX XXXX (X) (X) XXX*
Boom
X X XX (X) XXXX XXXX X
38
Bijlage D. Ecologisch deskundige
Alle mitigerende maatregelen moeten worden begeleid en/of uitgevoerd door een ecologisch deskundige op het gebied van vleermuizen, jaarrond beschermde nestplaatsen en broedvogels. Voorafgaande aan de uitvoering van de gewenste werkzaamheden, dient te alle tijden de aannemer/uitvoerder de werkzaamheden af te stemmen met een ecologisch deskundige. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstaat onder een ecologisch deskundige iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van habitats en soorten. Deze persoon heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: • op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of; • op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of; • als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of; • zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties. Alle medewerkers van Bureau Viridis voldoen aan de eisen van het ministerie en zijn ecologisch deskundig.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
39