Bijlage 3h - Bijlage 8 bij de toelichting - Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
April 2021
Quickscan Wet natuurbescherming
Herenland-West Opheusden
In opdracht van: gemeente Neder-Betuwe Projectnummer: 2021-082
© 2021 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87
Btwnr
NL 820598215B01
IBAN
NL46 TRIO 0198 4486 00
Tekst: Veldonderzoek: Foto’s:
R. (Rick) Buesink F. (Ferdy) Timmermans & R. (Rick) Buesink R. (Rick) Buesink
Foto voorblad:
Overzicht zuidelijke schuur perceel
Projectnummer: Wijze van citeren:
2021-082 Buesink, R, 2021.Quickscan Herenland-West te Opheusden Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2021-082.
In opdracht van: Contactpersoon:
Gemeente Neder-Betuwe Rob Huisman, MLG
Datum: Ondertekening: Paraaf:
21 april 2021 E. (Ewoud) van der Ploeg
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving.
Door de inzet van conform de wet ecologisch deskundigen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
Inhoud
1.
2.
3.
4.
5.
Aanleiding ..................................................... 4
Algemene maatregelen ........................... 22
1.1.
Situatie ....................................................... 4
6.2.
Zorgplicht................................................. 22
1.2.
Beschrijving van het plangebied ................ 4
6.3.
Algemene broedvogels ............................ 22
1.3.
Probleemstelling ........................................ 5
6.4.
Vissen....................................................... 23
1.4.
Geldigheid onderzoek ................................ 5
6.5.
Ongewervelden ....................................... 23
Onderzoeksmethode ...................................... 8
7.
Conclusie en advies ...................................... 24
2.1.
Literatuuronderzoek .................................. 8
7.1.
Beantwoording onderzoeksvragen ......... 24
2.2.
Veldonderzoek ........................................... 8
7.2.
Conclusie ................................................. 26
2.3.
Effectenanalyse .......................................... 8
7.3.
Kansen voor natuur ................................. 26
Gebiedsbescherming ...................................... 9
8.
Literatuurlijst ............................................... 27
3.1.
Natura 2000-gebieden ............................... 9
8.1.
3.2.
Gelders Natuur Netwerk (GNN) ............... 10
Websites............................................................... 28
Soortbescherming ........................................ 11
Bijlage A.
Literatuur ................................................. 27
Wettelijk kader ................................. 29
4.1.
Vaatplanten ............................................. 11
Wet Natuurbescherming...................................... 29
4.2.
Grondgebonden zoogdieren .................... 11
Zorgplicht ............................................................. 29
4.3.
Vleermuizen ............................................. 13
Natura 2000-gebieden ......................................... 29
4.4.
Vogels....................................................... 15
Soortbescherming ................................................ 30
4.5.
Vissen ....................................................... 17
Beschermde houtopstanden ................................ 32
4.6.
Amfibieën................................................. 18
Ontheffing, vergunning of vrijstelling .................. 33
4.7.
Reptielen .................................................. 19
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ........................ 33
4.8.
Ongewervelden........................................ 19
Bijlage B.
Overzicht algemene vrijstellingen ...... 37
Houtopstanden ............................................ 21
Bijlage C.
Nederlandse vleermuissoorten.......... 38
Bijlage D.
Ecologisch deskundige ...................... 39
5.1. 6.
6.1.
Conclusie houtopstanden ........................ 21
Mitigatie soortbescherming .......................... 22
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
1
Samenvatting
In Opheusden liggen plannen voor de ontwikkeling van de woonwijk Herenland-West. Hier worden ruim vijftig nieuwe woningen gerealiseerd. Binnen het plangebied zijn aan de noordzijde vier gebouwen gesitueerd. Het zuidelijk deel bestaat uit verschillende sloten en grasland. In opdracht van gemeente Neder-Betuwe heeft Viridis een quickscan wet natuurbescherming uitgevoerd in het plangebied. De resultaten staan omschreven in onderhavige rapportage en zijn kort samengevat in Tabel 1, 2 en 3. Tabel 1 | Samenvatting gebiedsbescherming met effecten en vervolgstappen Gebied
Bescherming
Afstand
Effecten?
Vervolgstappen?
Rijntakken
Natura 2000
0,5 Km
Mogelijk
Stikstofberekening
Tabel 2 | Samenvatting soortbescherming met aanwezigheid, effecten en vervolgstappen per soortgroep. Wnb = Wet natuurbescherming.
Beschermde soorten Kleine marterachtigen Verblijfplaatsen gebouwbewonende vleermuizen Huismus Foerageergebied vleermuizen Steenuil Algemene broedvogels Heikikker Poelkikker Grote modderkruiper Platte schijfhoren
Bescherming 3.10 Wnb 3.5 Wnb 3.1 Wnb 3.5 Wnb 3.1 Wnb 3.1 Wnb 3.5 Wnb 3.5 Wnb 3.5 Wnb 3.5 Wnb
Effecten? mogelijk mogelijk mogelijk ja mogelijk ja mogelijk mogelijk mogelijk mogelijk
Vervolgstappen? Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Werken buiten broedseizoen Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek
Tabel 3 | Samenvatting beschermde houtopstanden met vervolgstappen Houtopstanden
Aanwezig?
Bescherming
Vervolgstappen?
Houtopstanden
Ja
APV
Mogelijk kapmelding
Mitigerende maatregelen staan genoemd in hoofdstuk 6. Daarnaast dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (Tabel 2) om vast te stellen of beschermde soorten binnen het plangebied voorkomen. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek dient plaats te vinden in specifieke periodes. Indien het noodzakelijk is aanvullend onderzoek uit te voeren dient er rekening gehouden met een onderzoeksperiode volgens onderstaande tabel (Tabel 4).
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
2
Tabel 4 | Onderzoeksperiodes per soort(groep). Per soort(groep) aangegeven in welke periodes onderzoek plaats kan vinden (NGB, 2017). Voor sommige soorten geldt dat de periode en de inspanning per functie verschillend kan zijn. Type
Minimaal aantal onderzoeken
Tussenperiode (dagen)
feb
Vleermuis – zomer
3 bezoeken
20
1 1 1 1
Vleermuis – najaar
2 bezoeken
20
Vleermuis – foerageergebied
2 bezoeken
56
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
Kleine marterachtigen
nvt
ntb
Steenuil
4 bezoeken
ntb
Huismus
2-4 bezoeken
10
Poelkikker
2 bezoeken
10
Heikikker
2 bezoeken
15
Grote modderkruiper
1 bezoek
n.v.t.
Platte schijfhoren
1 bezoek
1
1
1
mrt
1
1
apr
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
mei
jun
1
1
1
1
1
1
1
2
2
2
2
1
1
1
1
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
jul
1
1
1
1
aug
sep
2
2
2
2
2
2
2
2
1
1
1
1
okt
1
1
3
1
1. Aanleiding
1.1.
Situatie
In Opheusden liggen plannen voor de ontwikkeling van de woonwijk Herenland-West. Deze uitbreiding is gepland aan de westgrens van het dorp, in gebied dat momenteel een agrarisch gebruik kent. Hier worden ruim 50 nieuwe woningen gerealiseerd. Momenteel is binnen het plangebied verschillende bebouwing aanwezig in het noordelijk deel. Het zuidelijk deel van het plangebied bestaat uit enkele sloten en weides. Ten zuiden van het plangebied ligt een recent gegraven plas met natuurlijke oevers. Binnen het gebied waren zes gebouwen aanwezig. Twee hiervan zijn reeds gesloopt en één hiervan wordt mogelijk gesloopt. De andere twee worden met zekerheid gesloopt. Daarnaast zal een sloot gedempt worden en zullen er werkzaamheden aan slootoevers en weides plaatsvinden om deze gereed te maken voor de aanbouw van de 50 woningen. In het zuiden zal (onder Hamsestraat 75) een nieuwe sloot gegraven worden, die in verbinding staat met de sloot evenwijdig aan de Zijlstrastraat. Dergelijke ingrepen kunnen negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde natuurwaarden1. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De Wet natuurbescherming heeft drie beschermingsregimes: • gebiedsbescherming; • soortenbescherming; • beschermde houtopstanden. In Bijlage A vindt u meer informatie over de Wet natuurbescherming en overige relevante wetgeving.
Voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden is een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijke voorkomen van beschermde natuurwaarden middels een verkennend natuurwaardenonderzoek (Quickscan). Het doel van dit onderzoek is om te bepalen of er door het uitvoeren van de werkzaamheden een overtreding van de Wet natuurbescherming of andere wet- en regelgeving (NNN) is te verwachten. Zo ja, wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de vigerende wet- en regelgeving uit te voeren? In onderhavig rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toetsing beschreven.
1.2.
Beschrijving van het plangebied
Het plangebied bevindt zich ten westen van Opheusden, tussen een reeds bestaande (vrij recent gebouwde) woonwijk, de Hamsestraat en ten zuiden een spoorweg. Het relatief groene terrein bestaat uit een perceel van grasland, een oude tuin/boomgaarden, twee schuren (in Figuur 1.1 ‘A’ en ‘D’), één kas (In Figuur 1.1 ‘B’) en enkele sloten. Daarnaast bevindt zich binnen het plangebied een woning, deze blijft behouden (in Figuur 1.1 ‘C’). In Figuur 1.1 en Afbeelding 1.1 t/m 1.6 is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien. Hierin is ook het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied te zien. De bebouwing die tijdens het veldbezoek nog aanwezig waren zijn in Figuur 1.1 eveneens aangegeven.
1
Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Gelderland
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
4
1.3.
Probleemstelling
Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of een vergunning of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming geeft een Quickscan Wet natuurbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten en is een Voortoets noodzakelijk? • Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland te verwachten en is een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk? Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren?
Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren?
1.4.
Geldigheid onderzoek
Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
5
Figuur 1.1 | Overzicht en ligging van het plangebied.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
6
Afbeelding 1.1 | Sloot op westgrens plangebied
Afbeelding 1.2 |Overzicht van perceel en zuidelijke schuur D
Afbeelding 1.3 | Grote heg op de grens van plangebied
Afbeelding 1.4 | Knotessen in verruigde tuin
Afbeelding 1.5 | Woning C met braakliggend terrein
Afbeelding 1.6 |Rand van plangebied: locatie nieuwe sloot
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
7
2. Onderzoeksmethode
Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied onderzocht door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie. Op deze manier wordt het voorkomen bepaald van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming en wordt gekeken of de voorgenomen ingrepen effecten hebben op beschermde natuurgebieden of beschermde houtopstanden. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.
2.1.
mogelijke voorkomen van deze soorten. Voor literatuuronderzoek naar houtopstanden is gebruik gemaakt van bestaande digitale kaarten van de bebouwde kom voor de betreffende gemeente.
2.2.
Veldonderzoek
Bureau Viridis heeft op 8 april 2021 een veldbezoek uitgevoerd. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is.
Literatuuronderzoek
Voor het literatuuronderzoek naar beschermde gebieden, soorten en houtopstanden is o.a. gebruik gemaakt van informatiebronnen beschikbaar gesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Provinciale Structuurvisie van de betreffende provincie. Daarnaast zijn verspreidingsgegevens uit het archief van Bureau Viridis, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 8. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het
2.3.
Effectenanalyse
De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in onderhavige rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of mitigerende maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft wordt dit aangeven in de toetsing.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
8
3. Gebiedsbescherming
De wetgeving met betrekking tot beschermde gebieden betreft Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Bescherming van Natura 2000 gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Vanuit de Provinciale Structuurvisie zijn een aantal gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en daarmee provinciaal beschermd. Naast de gebiedsbescherming geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle Natura 2000gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Ook de niet-beschermde gebieden vallen hier dus onder. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Bij elke project dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht, zie ook Bijlage A.
3.1.
Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Hierbij zijn er specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd per gebied. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kunnen mogelijk leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer het mogelijk is dat er effecten kunnen zijn dan dient er door middel van een Voortoets op voorhand getoetst te worden wat de effecten van een project tijdens de uitvoerfase en gebruiksfase zijn op de ter plaatse aangewezen habitattypen en -soorten. Indien het niet mogelijk is om significante negatieve effecten op voorhand uit te sluiten is er sprake van een vergunningsplicht en moet een ‘Passende beoordeling’ uitgevoerd
worden. Dit is er van afhankelijk of de plannen significant negatieve invloed kunnen hebben of niet. In deze toetsing worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op een afstand van 0,5 kilometer (Figuur 3.1). Effectbeoordeling Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000 gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is geen sprake. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie. In de uitvoerende fase en gebruiksfase kan een tijdelijke verhoging van stikstofdepositie plaatsvinden ten gevolge van respectievelijk uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens werkzaamheden gebruikt worden en emissie door bewoning (gasverbruik) en door toename in verkeer.
Gelet op de schaal van de werkzaamheden en de korte afstand tot het Natura-2000-gebied is het niet uitgesloten dat deze uitstoot significante bijdrage levert aan de bestaande achtergronddepositie en leidt tot een overschrijding van grenswaarden voor het Natura 2000-gebied. Conclusie Natura 2000 Het is noodzakelijk om een Voortoets in het kader van Natura 2000 uit te voeren. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op 0,5 km afstand van het plangebied.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
9
3.2.
Gelders Natuur Netwerk (GNN)
Het Natuur Netwerk Nederland (NNN, in dit geval Gelders Natuur Netwerk, GNN) vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de gebieden aangewezen voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het GNN. De planologische verankering van het GNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Een ‘Nee, tenzij’-toets dient te worden uitgevoerd wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het GNN plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden en/of een bestemmingsplanwijziging moet worden doorgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden als gevolg van de voorgenomen maatregelen.
Conclusie GNN Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’toets niet nodig omdat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt (Figuur 3.1).
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
10
4. Soortbescherming
Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 3.1); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande ingreep. Bij ruimtelijke ingrepen houdt dit hoofdzakelijk verband met de bescherming van nesten, bescherming van verblijfplaatsen en voortplantingsbiotoop en verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor de soorten en gebieden geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle inheemse dier- en plantensoorten, inclusief de niet beschermde en vrijgestelde soorten. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Deze zorgverplichting geldt voor alle hieronder beschreven soortgroepen en zal daarom niet nog eens per soortgroep worden beschreven.
In het volgende hoofdstuk worden algemene mitigerende maatregelen beschreven om aan de zorgplicht te voldoen. Hieronder worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Per soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.
4.1.
Vaatplanten
Binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk voedselrijke gronden aanwezig. De omgeving van het plangebied wordt goed ontwaterd en het plangebied is regelmatig gemaaid. De aanwezige bebouwing is niet heel oud en muren worden goed schoongehouden. In een gebied als deze zijn beschermde plantensoorten van stedelijke omgeving daarom niet verwachten. Op basis van verspreidingsgegevens van de NDFF komen in de omgeving rode-lijst soorten voor zoals bijvoorbeeld gewone agrimonie (Agrimonia eupatoria), ruige leeuwentand (Leontodon hispidus), gladde ereprijs (Veronica polita) en schijnraket (Erucastrum gallicum). Deze soorten groeien ook op braakliggende en omgewerkte terreinen, als deze zonnig zijn en klei bevatten. Binnen het plangebied zijn deze terreinen aanwezig. Effectbeoordeling vaatplaten Ondanks dat het veldonderzoek is uitgevoerd in een minder geschikte periode voor het inventariseren van planten, is er op basis van het literatuur- en veldonderzoek niet te verwachten dat beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Negatieve effecten op beschermde soorten vaatplanten zijn daarom uitgesloten. Een nader onderzoek naar beschermde vaatplanten is daarom niet noodzakelijk. Wel moet er rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht (1.11 van de Wet natuurbescherming).
Conclusie vaatplanten Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied geen beschermde vaatplanten aanwezig zijn.
4.2.
Grondgebonden zoogdieren
In de omgeving komen algemene zoogdieren als haas (Lepus europaeus), konijn (Oryctolagus cuniculus), egel (Erinaceus europaeus), ree (Capreolus capreolus) en vos (Vulpes vulpes) voor. Deze zijn binnen het plangebied te verwachten. Met name het zuidelijke deel is geschikt hiervoor. Verder zijn beschermde soorten als
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
11
bunzing (Mustela putorius), hermelijn (Mustela erminea) en wezel (Mustela nivalis) in de omgeving van het plangebied waargenomen. Deze laatste soort is onder de Neder-Rijn slechts van incidentele waarnemingen bekend, en ook van hermelijn zijn zeer weinig meldingen in de omgeving van Opheusden (NDFF). Tijdens het veldwerk zijn drie hazen aangetroffen. Deze verscholen zich in de dichte begroeiing van de verruigde tuin boven Hamsestraat 77. Algemene, in provincie Gelderland vrijgestelde soorten (Bijlage B) die in het plangebied te verwachten zijn zijn egel, veldmuis (Microtus arvalis), bosmuis (Apodemus sylvaticus), aardmuis (Microtus agrestis), bosspitsmuis (Sorex araneus) en eventueel ree en vos.
Afbeelding 4.2 | Takkenhoop in het noorden van het plangebied
Kleine marterachtigen Binnen het plangebied is geschikt habitat voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing aanwezig. Een afwisseling van extensiever beheerde graslandjes aan de zuidzijde van het plangebied , verschillende half-natuurlijke oevers (afbeelding 4.1) en rommelhoekjes met takkenstapels (afbeelding 4.2) of andere objecten (afbeelding 4.3) vormen geschikt habitat met zowel foerageerterrein als schuilmogelijkheden.
Afbeelding 4.3 | Dichte klimop en diverse onbeheerd achtergelaten spullen achter schuur A
Afbeelding 4.1 | Extensief grasland en half-natuurlijke oevers in het zuiden van het plangebied.
Steenmarter Op de westelijke rand van het gebied bevindt zich aangrenzend een rommelige, vervallen schuur met een duiventil (afbeelding 4.4). Onder dit gebouw is voldoende ruimte voor een verblijfplaats van steenmarter (Martes foina). Binnen het plangebied zelf is een verblijfplaats van deze soort met grote zekerheid uit te sluiten, omdat er geen toegankelijke grote openingen tot de gebouwen zijn.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
12
4.3.
Vleermuizen
Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied.
Afbeelding 4.4 | Duiventil en vervallen schuur op de rand van het plangebied (westen)
Overige beschermde grondgebonden zoogdieren Overige beschermde grondgebonden zoogdieren zijn op basis van verspreiding of habitatgeschiktheid binnen het plangebied uit te sluiten. Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren De werkzaamheden zullen zonder mitigatie negatieve effecten hebben als de bovengenoemde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn. Voor de vrijgestelde soorten geldt enkel dat er, om negatieve effecten op de soorten te voorkomen, rekening gehouden moet worden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Dit houdt in dat de in hoofdstuk 6 genoemde mitigerende maatregelen in acht genomen moeten worden. Voor marterachtigen (wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter) dient aanvullend onderzoek met sporenbuisjes of cameravallen de aanwezigheid vast te stellen of uit te sluiten. Conclusie grondgebonden zoogdieren Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren niet uitgesloten zijn. • Aanvullend onderzoek aan- of afwezigheid van kleine marterachtigen of steenmarter moet aantonen. • Er rekening gehouden moet worden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).
Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen zijn globaal te verdelen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)en boombewonende soorten zoals rosse vleermuis (Nyctalus noctula), meervleermuis (Myotis dasycneme) en watervleermuis (Myotis daubentoni). Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.). Andere soorten zoals de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten.
Afbeelding 4.5 | Binnenkant van schuur A
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
13
Er zijn binnen het plangebied verschillende bomen aanwezig. Deze zijn allen gecontroleerd op geschikte verblijfplaatsen (holtes, breuken of loshangend schors). Er zijn geen geschikte verblijfplaatsen aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom binnen het plangebied uitgesloten. Echter worden franjestaart en gewone grootoorvleermuis incidenteel ook in boerderijen of schuren aangetroffen, waardoor verblijfplaatsen deze soorten niet volledig uit te sluiten zijn.
Afbeelding 4.6 | buitenkant van schuur A, met onvolledig afgesloten steenmuur
Gebouwbewonende vleermuissoorten Uit de omgeving is enkel gewone dwergvleermuis bekend. Laatvlieger (Eptesicus serrotinus) is echter op basis van habitatgeschiktheid ook rond het plangebied te verwachten. Eén gebouw is enkel een plastic kas. Schuur A is van buitenaf via openingen onder het dak toegankelijk voor vleermuizen. De buitenmuur verschilt van de binnenmuur, dus mogelijk is hier een spouw aanwezig met ruimte voor verblijfplaatsen (afbeelding 4.5 en 4.6). De woning C (afbeelding 4.7) is via verschillende lage- en hogere openingen toegankelijk voor gebouwbewonende vleermuizen. Schuur D, in het midden van het plangebied is ongeschikt voor vleermuizen. Niet alleen bestaan de muren en de dakrand uit beplating met een glad oppervlak, ook bied de dakrand slechts zeer kleine openingen, die niet doorlopen waardoor ze zeer ondiep en klein zijn. Ook de plastic constructie aan de noordoostzijde van het plangebied is ongeschikt voor vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuissoorten als ruige- en gewone dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii en Pipistrellus pipistrellis), meervleermuis en laatvlieger zijn dus in twee gebouwen te verwachten. Boombewonende vleermuissoorten In de omgeving zijn waarnemingen van overwinterende franjestaarten (Myotus natterni) en baard/brandtsvleermuizen (Myotus mystacinus/brandtii) bekend, echter enkel ten noorden van de Neder-Rijn.
Ook zijn er watervleermuis (Myotus daubentonii), en gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) overwinterend of foeragerend waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF).
Afbeelding 4.7 | Tussen de dakrand en steenmuur van woning zit een invliegbare, duimbrede ruimte. Daarnaast is er invliegruimte onder de dakpannen.
Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route gebruiken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een significant negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Het verdwijnen van een essentiële vliegroute leidt zo tot het niet meer functioneren van een verblijfplaats. Dergelijke essentiële vliegroutes zijn strikt beschermd. In het plangebied is geen sprake van doorlopende lijnvormige elementen. Essentiële vliegroutes zijn daarom in het plangebied uitgesloten.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
14
Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. Binnen het plangebied bevindt zich deels een oude, verruigde tuin (Afbeelding 4.8), die voor een deel overlapt met de tuin in het naastgelegen perceel. Dit is binnen de bebouwde kom een van de grotere bosjes. Het is daarom niet uitgesloten dat er essentieel foerageergebied aanwezig is in het plangebied.
foerageergebieden van vleermuizen zijn niet uitgesloten. Zonder aanvullend onderzoek is er tijdens kapof sloopwerkzaamheden sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming (3.5 lid 1 en 2). Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen en foerageergebied (volgens het Vleermuisprotocol 2021) is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Onderzoek naar boombewonende vleermuizen is niet nodig. Conclusie vleermuizen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Het niet uitgesloten is dat in het plangebied verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. • Het is uitgesloten dat er in het plangebied verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. • Negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten niet kunnen worden uitgesloten. • Er geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. • Het plangebied als essentieel foerageergebied door vleermuizen gebruikt kan worden.
4.4.
Afbeelding 4.8 | Verruigde tuin met diverse plantensoorten in noorden van plangebied.
Vogels
Voor vogels wordt in de Wet natuurbescherming onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is bekeken of er jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn in de bebouwing of bomen. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels.
Effectbeoordeling vleermuizen Twee gebouwen binnen het plangebied hebben verschillende openingen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Negatieve effecten op vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet uit te sluiten door de werkzaamheden. Omdat er geen lijnvormige elementen worden aangetast is het uitgesloten dat de sloopwerkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste vliegroutes van vleermuizen. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van essentieel foerageergebied. Negatieve effecten op
Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), gierzwaluw (Apus apus), havik (Accipiter gentilis), huismus (Passer domesticus), ooievaar (Ciconia ciconia), ransuil (Asio otus), slechtvalk (Falco peregrinus), sperwer (Accipiter nisus) en steenuil (Athene vidalii). Deze laatste soort is op de grens van het plangebied waargenomen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
15
De bebouwing die binnen het plangebied aanwezig is oogt geschikt voor broedvogels. Ze bevatten veel invliegopeningen, en zijn omringd door een groene omgeving. Hieronder worden de te verwachten soorten kort besproken. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Er zijn tijdens het veldbezoek huismussen waargenomen in het plangebied. Deze zijn aangetroffen in en rond de woningen ten noorden van het plangebied. De aanwezigheid van de huismus kan niet worden uitgesloten in de bebouwing binnen het plangebied. Twee gebouwen zijn geschikt, en er zijn in het noordelijke gebouw (schuur A) veel sporen van aanwezige vogels aangetroffen (afbeelding 4.9). Dat deze niet van huismus zijn is niet uit te sluiten. Het woonhuis in het oosten van het plangebied heeft ronde dakpannen waar ruimte onder aanwezig is waar huismussen tot broeden kunnen komen.
De begroeiing binnen en langs de grenzen van het plangebied maken van het plangebied geschikt leef- en broedgebied. Een deel van dit leefgebied zal verdwijnen door de werkzaamheden. Nader onderzoek is noodzakelijk om de gebruiksfuncties voor de huismus in het plangebied verder inzichtelijk te maken.
Afbeelding 4.10 | Opening onder dakrand op hoek van woning C
Afbeelding 4.9 | Opening onder dakrand op hoek van schuur A achter dakgoot
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies op daken van woningen en (vaak) oude gebouwen. Meest gebruikte nestlocaties zijn op daken onder scheefliggende of kapotte dakpannen, nokpannen, gaten en kieren onder de dakrand en dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms gaten in muren, kunstmatige nestkasten of nestpannen, in ventilatieschachten en in gaten achter regenpijpen gebruikt. Een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond is één van de vereisten waar elke nestlocatie aan voldoet. Hoogte heeft altijd voorkeur boven gelijksoortige lager gelegen potentiële nestlocaties. Daarnaast is in daken een hellingshoek van 45 graden vereist om de gierzwaluw de mogelijkheid te geven om uit te vliegen. Woning C is het enige deel van het plangebied waar enkele geschikte kieren aangetroffen zijn voor gierzwaluw, achter de dakgoot (Afbeelding 4.10). Overige bebouwing is ongeschikt wegens een te gladde muur, onvoldoende hoogte voor uitvliegen of geen geschikte openingen. Omdat woning C behouden blijft zal er door de werkzaamheden geen invloed zijn op de gierzwaluw. Steenuil Vlak naast het plangebied is een steenuilkast aanwezig (afbeelding 4.11).
Deze ligt binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden en bovendien wordt door de werkzaamheden vermoedelijk een groot deel van essentieel foerageergebied binnen het plangebied. Nader onderzoek moet aantonen of deze kast in gebruik is door steenuilen en of door steenuilen gebruik wordt gemaakt van het plangebied.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
16
winterkoning (Troglodytes troglodytes), merel (Turdus merula) en roodborst (Erithacus rubecula). Daarnaast kan er in de (half-natuurlijke) oevers van de sloten waterhoen (Gallinula chloropus), fuut (Podiceps cristatus), wilde eend (Anas platyrhynchos) of zelfs grauwe gans (Anser anser) tot broeden komen. Het extensieve en op sommige plekken verruigde grasland in het zuiden dat het grootste deel van het plangebied uitmaakt kan broedterrein zijn voor graspieper (Anthus pratensis), kievit (Vanellus vanellus). En alhoewel patrijs (Perdix perdix) enkel onder de Parallelweg is waargenomen, voldoet het habitat aan de eisen voor deze soort. Afbeelding 4.11 | Kast steenuil in naastgelegen tuin, vlak naast grens plangebied
Overige vogels met jaarrond beschermde nesten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk), in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil). De aanwezige (naald)bomen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten, maar er zijn geen nesten aangetroffen, en er is eveneens geen activiteit van nestbouw vastgesteld. Ondanks dat schuur A voldoende invliegopeningen heeft voor kerkuil of steenuil, zijn er nergens sporen gevonden en is er aan de binnenzijde van de schuur géén geschikte broedmogelijkheid. De aanwezigheid van deze uilensoorten in de bebouwing kan dus worden uitgesloten. Wel kan het gebied zeer goed als foerageerterrein worden gebruikt door individuen die in de omliggende gebouwen broeden. Algemene broedvogels In het plangebied kunnen algemene broedvogels zoals merel (Turdus merula) en houtduif (Columba palumbus) tot broeden komen in de begroeiing en kauw (Corvus monedula) en spreeuw (Sturnus vulgaris) in de gebouwen. Tijdens het veldwerk zijn enkele zingende graspiepers (Anthus pratensis), een jagende torenvalk (Falco tinnunculus) en een broedende meerkoet (Fulica atra) aangetroffen.
Gezien het gevarieerde en extensief beheerde landschap binnen het plangebied zijn er meer soorten te verwachten die tot broeden kunnen komen. In de verruigde tuin met veel struiken, bomen en houtstapels in het noorden van het plangebied zouden bijvoorbeeld heggenmus (Prunella modularis),
Effectbeoordeling vogels De sloop van de gebouwen kan leiden tot overtreding van artikel 3.1 Wnb, vanwege de mogelijke aanwezigheid van huismussen. Ook kan verstoring of negatieve effecten op het leefgebied van steenuil niet worden uitgesloten. Naar deze soorten zal aanvullend onderzoek uitgevoerd moeten worden. Daarnaast kunnen algemene broedvogels tot broeden komen in de plangebieden. In gebruik zijnde nesten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Wanneer er werkzaamheden worden uitgevoerd terwijl er nesten in gebruik zijn kunnen negatieve effecten optreden. Om negatieve effecten op in gebruik zijnde nesten van algemene broedvogels te voorkomen dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Zie hoofdstuk 6. Conclusie vogels Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied of in de directe omgeving kunnen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. • Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten zijn niet uitgesloten. • Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar huismus en steenuil • Er binnen het plangebied algemene broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden kunnen komen, waarvan de nesten tijdens werkzaamheden in het broedseizoen vernield kunnen worden of ernstige verstoring tot hetzelfde effect leidt. • Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1, lid 2.
• Mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk, de mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6.
4.5.
Vissen
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
17
Iets ten zuiden van het plangebied, op het Dodewaardse Veld is een populatie grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) aanwezig (NDFF). In het zuidelijk deel van het plangebied zijn enkele sloten aanwezig, waar ook werkzaamheden aan plaats zullen vinden. De zuidelijkste sloot heeft een half-natuurlijke oever met een aflopende rand en veel oevervegetatie (Afbeelding 4.1). Tijdens veldwerk is hier één kleine modderkruiper (Cobitis taenia), een niet-beschermde soort, in de oever aangetroffen (Afbeelding 4.12).
voorkomen dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. De mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6. In het geval van dempen zullen aanwezige vissen verplaatst moeten worden. Conclusie vissen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied zijn mogelijk grote modderkruipers aanwezig. • Aanvullend onderzoek moet de aanwezigheid van grote modderkruiper uitsluiten of vaststellen. • In het kader van de zorgverplichting algemeen voorkomende vissen bij het dempen van de watergang overgeplaatst moeten worden.
4.6.
Afbeelding 4.12 | Kleine modderkruiper
Grote modderkruiper De aanwezigheid van grote modderkruiper is hier niet uit te sluiten. Deze soort verkiest vaak periodiek droogvallende sloten en oevers, maar vanwege zijn onopvallende leefwijze is de verspreiding slecht bekend. Overige beschermde vissen Andere soorten beschermde vissen zijn op basis van verspreiding uitgesloten binnen het plangebied. Effectbeoordeling vissen Graafwerkzaamheden aan de oevers van de sloten of het dempen van sommige sloten kan negatieve effecten hebben op mogelijk aanwezige grote modderkruiper. Dit is een overtreding van artikel 3.5 Wnb. Om de aanwezigheid van grote modderkruiper binnen het plangebied uit te sluiten zal aanvullend onderzoek uitgevoerd moeten worden. Ook moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Dit houdt in dat verstoring of doden van niet-beschermde soorten zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Om bij het dempen van sloten negatieve effecten op niet-beschermde soorten te
Amfibieën
Op het Dodewaardse Veld zijn ook waarnemingen van heikikker (Rana arvalis) bekend. Daarnaast is ten noorden en ten zuiden van het plangebied poelkikker (Pelophylax lessonae) bekend. Historische waarnemingen van rugstreeppad (Epidalea calamita) zijn uit de regio bekend (NDFF). Algemene soorten als bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo),kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en groene kikkers (Phelophylax sp.) zullen ook binnen het plangebied voorkomen. Tijdens veldwerk zijn eiklompen en eisnoeren van gewone pad en bruine kikker aangetroffen. De sloten ten zuiden van het plangebied zien er zeer geschikt uit als voortplantingsgebied voor verschillende soorten amfibieën, waaronder ook heikikker, rugstreeppad en eventueel poelkikker. Zeker vanwege de half-natuurlijke oevers van de zuidelijke sloot en de ligging van een recent gegraven plas aan de zuidkant van het plangebied tegen de Parallelweg zijn op basis van habitatgeschiktheid enkele beschermde soorten binnen het plangebied niet uit te sluiten: Heikikker Van het Dodewaardse Veld zijn eveneens waarnemingen van heikikker bekend. In westelijk Nederland komt de soort veel voor in veenweidegebied, ook in de westelijke Betuwe. De half-natuurlijke oevers van de heldere sloten zijn geschikt voortplantingsterrein voor de heikikker en de soort kan niet zonder aanvullend onderzoek uitgesloten worden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
18
Poelkikker De kleinste van de drie groene kikkers is een warmteminnende soort met een voorkeur voor goed begroeide, onbeschaduwde poelen, watergangen en vennen. De soort is uit de regio van het plangebied enkel bekend uit de uiterwaarden ten noorden van het plangebied en van het Dodewaardse Veld. Rugstreeppad Van de rugstreeppad zijn enkel historische waarnemingen bekend (voor 2000) in de regio (NDFF). Alhoewel het habitat geschikt oogt en de soort ten noorden en ten zuiden van het plangebied voor kwam, is het onwaarschijnlijk dat rugstreeppad nog aanwezig is in het plangebied en kan hij op basis van actuele verspreiding worden uitgesloten. Overige beschermde amfibieën Andere beschermde amfibieën zijn op basis van verspreiding en habitatgeschiktheid uit te sluiten. Effectbeoordeling amfibieën Op basis van literatuur, verspreidingsgegevens en veldonderzoek zijn er binnen het plangebied verschillende algemene, vrijgestelde amfibieën te verwachten. Ook zijn heikikker en poelkikker niet uit te sluiten binnen het plangebied. De werkzaamheden omvat het dempen van een brede watergang met natuurlijke oever. Deze is verbonden met enkele kleinere sloten. Ook zal er een verbinding tussen een huidige brede sloot aangelegd worden. Deze werkzaamheden kunnen mogelijk negatieve effecten hebben op de in het plangebied aanwezige amfibieën. Deze zijn beschermd volgens artikel 3.5 Wnb.
Er moet daarnaast rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Om negatieve effecten te voorkomen dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. De mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6. Ook is vervolgonderzoek nodig naar heikikker en poelkikker. Conclusie amfibieën Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied mogelijk beschermde amfibieën aanwezig zijn. • Vervolgonderzoek moet de aanwezigheid van heikikker en poelkikker uitsluiten of aantonen.
• Mitigerende maatregelen zijn daarnaast noodzakelijk voor algemene soorten, de mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6.
4.7.
Reptielen
In de uiterwaarden ten Noorden van het plangebied komt de gevlekte ringslang (Natrix helvetica) voor. Deze soort heeft echter naast nat foerageerhabitat ook overwinteringshabitat nodig. Dit is niet in het plangebied aanwezig. De afstand tot de dichtstbijzijnde populatie is te groot. Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen andere beschermde reptielen verwacht in het plangebied. De meeste reptielensoorten houden zich vooral op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos, heide- en veengebieden. Ringslangen komen veel voor nabij watervoerende elementen zoals oevers van grote waterpartijen en poelen. Al deze biotopen zijn in het plangebied niet aanwezig. Effectbeoordeling reptielen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde reptielen in de omgeving van het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde reptielen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie reptielen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied geen beschermde reptielen aanwezig zijn.
4.8.
Ongewervelden
Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF komt enkel rivierrombout (Gomphus flavipes) in de omgeving van het plangebied voor. Deze soort heeft echter zeer kritische habitateisen en ontwikkelt zich uitsluitend in stromend water van grote rivieren. Binnen het plangebied kan de aanwezigheid (op foeragerende exemplaren na) worden uitgesloten. Op basis van terreingesteldheid is de aanwezigheid van platte schijfhoren (Anisus vorticulus) in de sloten die mogelijk gedempt gaan worden niet uit te sluiten. Er groeit geen iep of sleedoorn binnen het plangebied, de waardplant van respectievelijk iepenpage (Satyrium w-album) en sleedoornpage (Thecla
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
19
betulae). Teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) is een zuidelijke beschermde nachtvlindersoort die in verspreiding toeneemt, maar recent zijn slechts incidentele waarnemingen in de omgeving gedaan. Andere beschermde ongewervelden zijn uit te sluiten, op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid.
voorkomen dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. De mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6. Conclusie ongewervelden Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: →
Effectbeoordeling ongewervelden Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is platte schijfhoren niet uit te sluiten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Aanvullend onderzoek is nodig om aanwezigheid uit te sluiten of aan te tonen. Ook moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Om negatieve effecten en vestiging van beschermde soorten te
→ →
Platte schijfhoren niet uit te sluiten is binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Naar de aanwezigheid van deze soort dient aanvullend onderzoek te worden gedaan. In het plangebied zijn verder geen beschermde ongewervelden aanwezig. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11).
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
20
5. Houtopstanden
In de Wet natuurbescherming is in hoofdstuk 4 de bescherming van houtopstanden opgenomen. Voor bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming geldt een meldings- en herplantingsplicht. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is
geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de “bebouwde kom Wet natuurbescherming” ligt wordt bepaald door de gemeenteraad. Dit valt vaak min of meer gelijk met de ‘bebouwde kom Verkeerswet’, maar kan afwijken. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan.
5.1.
Conclusie houtopstanden
Er worden geen houtopstanden geveld waar de regels van de Wet natuurbescherming op van toepassing zijn. Aangezien het plangebied binnen de door de gemeente Neder-Betuwe vastgestelde begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming ligt geldt hier de APV. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning aangevraagd dient te worden bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
21
6. Mitigatie soortbescherming
Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel te verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau. Voor een aantal soorten geldt dat niet middels mitigerende maatregelen voorkomen kan worden dat er negatieve effecten optreden en daarmee verbodsartikelen worden overtreden. Naar deze soorten dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om aanof afwezigheid vast te stellen.
6.1. •
•
• •
Algemene maatregelen
De werkzaamheden dienen door een deskundige ecoloog begeleid te worden. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de maatregelen op een juiste manier uitgevoerd worden en zo wordt er tevens invulling gegeven aan de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). In Bijlage D is beschreven wat door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstaan wordt onder een ecologisch des kundige. Er moet een ecologisch werkprotocol opgesteld worden waarin alle te nemen maatregelen worden vastgelegd. Dit ecologisch werkprotocol moet op locatie aanwezig zijn en onder alle betrokken partijen bekend zijn. Werkzaamheden moeten aantoonbaar conform dit protocol worden uitgevoerd. Mochten er zich gedurende de werkzaamheden ten aanzien van beschermde soorten onvoorziene omstandigheden voordoen, wordt direct contact opgenomen met de ecologisch deskundige.
6.2.
Zorgplicht
In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de algemene zorgverplichting opgenomen. In dit artikel is beschreven dat eenieder verplicht is om voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De algemene zorgplicht geldt te allen tijde bij het uitvoeren van werkzaamheden, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde
soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden. • Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. • Werk vanuit het midden van het plangebied naar de rand, of werk langzaam in één werkrichting zodat verstoorde dieren de mogelijkheid hebben om het plangebied te verlaten. Draag er tevens zorg voor dat de richting waarin de dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. • Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is. De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht. Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel. • Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden.
6.3.
Algemene broedvogels
Veel broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd als ze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Soorten die tot broeden kunnen komen in of nabij het plangebied zijn o.a. roodborst, winterkoning, spreeuw, merel en houtduif. Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 3.1, lid 2 te voorkomen. • Er kunnen in het plangebied algemene vogels tot broeden komen. Deze vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode;
Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Herenland-West Opheusden MLG
22
•
•
•
•
•
•
•
De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd; Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode. Voor verlaten nestplaatsen geldt dit niet; Het is in dit kader aan te bevelen om de werkzaamheden voor zover dat mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren; Indien dit niet mogelijk is, dient het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor vogels om tot broeden te komen; Het plangebied dient tot aan de start van de werkzaamheden ongeschikt gehouden te worden voor de vestiging van broedvogels door frequent te slepen en te maaien, en plantafval van het terrein te verwijderen; Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken en/of het plangebied broedvrij te houden, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige (Bijlage D) gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedende vogels; Wanneer er geen vogels nestelen kan er mits aan de overige voorwaarden is voldaan, begonnen