CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Centrumplan Ochten'16.643 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Doorvertaling bestemmingsplan

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Figuur 20. Goede ruimtelijke ordening (NIBM-Tool)

In dit scenario is rekening gehouden met een toename van 1460 motorvoertuigbewegingen per weekdag zoals uit het verkeer- en parkeeronderzoek is gebleken (zie figuur 15). Hierbij is nog geen rekening gehouden met het aandeel vrachtverkeer. De verkeersgeneratie vrachtverkeer bedraagt in de toekomst: elke ochtend een kleine bakwagen / busje voor brood/gebak 4x per week bakwagen met vers diepvriesproducten 4x per week vrachtwagen met kruidenierswagen Omgerekend naar etmaalintensiteit komt bovenstaande neer op 6,28 vrachtbewegingen per etmaal. Ruim genomen komt dat dus neer op zeven vrachtbewegingen, wat betekent dat dit circa 0,48% vormt van de in totaal 1467 motorvoertuigbewegingen. Dit is weergegeven in figuur 20. Uit NIBM-tool volgt dat de ontwikkeling niet-in-betekende-mate bijdraagt en dat geen nader onderzoek nodig is. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis an het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) van het RIVM kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens).

Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. 28

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Onderstaande figuur toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via het CIMLK op 2 november 2023) met bijbehorende grenswaarden.

Figuur 21. Uitsnede Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (bron: RIVM - cimlk.nl)

Uit het overzicht blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. 4.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemering voor dit bestemmingsplan.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico's worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van

Toelichting (ontwerp)

29

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1.

de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht; 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's; 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's; 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit. 4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de risicokaart via Atlas Leefomgeving. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen. Eventuele risicobronnen liggen op enige afstand van het plangebied.

30

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Figuur 22. Uitsnede risicokaart via Atlas Leefomgeving, plangebied ter plaatse van zwarte ster

Stationaire risicovolle activiteiten Het plan voorziet niet in het oprichten van stationaire risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten of activiteiten waarvoor risicoafstanden gelden op grond van het Vuurwerkbesluit of Activiteitenbesluit. Hierdoor ontstaan er door dit plan geen belemmering voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen of buiten het plangebied. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Transport gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt verder dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: De bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en De zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 20 oktober 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Zie Bijlage 5. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) “zeer kwetsbaar gebouw”, bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Toelichting (ontwerp)

31

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of vorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dat advies tijdig te volgen en aan de verplichting te voldoen. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt tenslotte dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. 4.6.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waak en de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.

4.7

Waterhuishouding

4.7.1

Regelgeving

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland; Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodemen oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde

32

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk.

Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit : De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen.

Gemeentelijke rioleringsplan 2019-2023 De gemeente Neder-Betuwe heeft voor de periode 2019-2023 een Gemeente RioleringsPlan (GRP) vastgesteld waarin ook het voormalige Waterplan is opgenomen. Het plan bestaat daarmee uit twee delen en is opgezet volgens een regionaal format. Samenwerking op het gebied van de waterketen in de regio rivierenland heeft in 2017 geleid tot deze gezamenlijke blauwdruk en de invulling van een eerste regiovisie GRP in een separaat hoofdstuk. Omdat de opgave in het watersysteem door uitvoering van maatregelen de afgelopen jaren aanzienlijk kleiner is, is het eerder op zichzelf staande waterplan in het GRP geïntegreerd opgenomen. In het GRP zijn de kaders van het riool en waterbeleid vastgelegd en zijn de gemeentelijke visie en ambities voor de komende jaren opgenomen. Met betrekking tot het watersysteem en de inpassing in de ruimtelijke ordening is het volgende van belang. Water moet in een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming worden meegenomen. Bij nieuwe ontwikkelingen speelt water zelfs al een belangrijke rol in de locatiekeuze. Zo wordt vroegtijdig zicht gekregen op de gevolgen voor het watersysteem en op de restricties voor de voorgenomen ontwikkeling. Het realiseren van ruimte voor water is een volwaardig onderdeel van de grondexploitatie. De gekozen (hemel)waterstructuur wordt in de bestemmingsplannen planologisch veilig gesteld.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die worden gerealiseerd moeten klimaatbestendig en water robuust zijn en zullen hydrologische neutraal moeten worden aangelegd. Dat houdt in dat een plan geen negatieve effecten mag hebben op het functioneren van het watersysteem, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht. Concreet betekent dit dat: De afvoer uit het gebied niet groter is dan in de uitgangssituatie. De omvang van de grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt. De grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven of verbeteren. Toelichting (ontwerp)

33

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten De grondwaterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf. Het plangebied zo moet worden ingericht dat de gevolgen op de (grond)waterstanden, niet leiden tot knelpunten in of rondom het plangebied. Bij de toetsing wordt rekening gehouden met klimaatverandering en extreme situaties. 4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Mees Ruimte & Milieu de digitale watertoets uitgevoerd en aan het bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 6. Op basis van de ingevoerde gegevens blijkt de normale procedure van toepassing. De aanvraag is op 6 september 2022 ingediend bij Waterschap Rivierenland. Grondwatersysteem Het plangebied is gelegen in het rivierenlandschap met de kenmerkende afwisseling tussen oeverwallen en kommen. Het gebied is gelegen op een oerverwal naast de Waal. De grondwaterstroomrichting volgt grotendeels het reliëf vanaf de hoger gelegen delen naar de komgebieden. Kwel en infiltratiegebieden In de gemeente Neder-Betuwe zijn twee kwel/infiltratie stromingen van verschillende schaal te onderscheiden. Ten eerste is er de regionale kwelstroom van stuwwallen naar rivierengebied. Dit is een diep gelegen grondwaterstroming die als kwel tot uiting kan komen waar afdichtende lagen in de diepe ondergrond onderbroken zijn. Ten tweede is er de lokale (rivier)kwelstroom. De ligging van inzijgings- en kwelgebieden voor deze lokale kwel varieert met de rivierstanden. Als de waterstand in de rivieren hoog is, kwelt grondwater op in de zone achter de dijk, in perioden met lage rivierstanden zakt het juist weg in de bodem. Oppervlaktewatersysteem Binnen de kom van Ochten bevindt zich weinig tot geen oppervlaktewater. Wel zijn er veel waterlopen aanwezig.

Het betreft het historische watersysteem, dat nog steeds grotendeels aanwezig is en voornamelijk is aangelegd vanwege de optredende kwel. Diverse noord-zuid gerichte A- en B-watergangen zorgen voor de afwatering op de Linge. Deze watergangen maken onderdeel uit van de ruimtelijke structuur van de kern. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

34

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Figuur 23. Vastgestelde legger wateren Waterschap Rivierenland

Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een supermarkt met een oppervlakte van 1.564 m2 en een dorpshuis van 466 m2. In totaal is in de toekomstige situatie sprake van 2.030 m2 bebouwd oppervlak. In de huidige situatie is sprake van een bebouwd oppervlak van 1.536 m2, waarvan 1.413 m2 aan dorpshuis en een woning van 123 m2. In totaal is sprake van een toename van 494 m2. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Waterberging De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. De vuistregel is dat er 436 m3 waterberging nodig is per 10.000 m2 nieuw verhard oppervlak. Aangezien sprake is van een toename van 494 m2 aan verhard oppervlak dient minimaal 21,6 m3 te worden gecompenseerd. Om voldoende watercompenserende maatregelen te nemen is Attis Adviesbureau voor ruimtelijke inrichting en techniek gevraagd om een berging voorstel te doen. Zie Bijlage 7. In de voorliggende ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van vegetatiedaken om water te compenseren.

Op de daken van het dorpshuis wordt een bergingscapaciteit gerealiseerd van circa 20 m3 en op het dakvlak van de supermarkt komt een bergingscapaciteit van circa 10 m3. In totaal betreft de theoretische waterbergingscapaciteit dus circa 30 m3. Hier gaat een correctie van 15% af vanwege overige risico's en de theoretische benadering. De gecorrigeerde bergingscapaciteit bedraagt circa 25 m3. Dit is ruim voldoende om het minimum van 21,6 m3 te compenseren. In het figuur hieronder wordt verbeeld hoe de vegetatie daken worden gerealiseerd.

Toelichting (ontwerp)

35

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Figuur 24. Uitsnede berging voorstel (bron: Attis Adviesbureau voor ruimtelijke inrichting en techniek)

4.7.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.

4.8

Ecologie

4.8.1

Regelgeving

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur.

36

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS was het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS waren alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan).

Op het moment dat een ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie vraagt dit om nadere aandacht. Wanneer sprake is van een bijdrage zal worst case een passende beoordeling gemaakt moeten worden. In geval van een bestemmingsplanprocedure leidt dit tot een planMER-plicht. Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. 4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

4.8.2.1 Soortenbescherming Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb). In dit kader is door Adviesbureau Van der Goes en Groot een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. De quickscan is als Bijlage 8 toegevoegd aan het bestemmingsplan. Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Vogels In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing voor broedvogels is dan niet nodig. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van de Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een

Toelichting (ontwerp)

37

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Een nader onderzoek is inmiddels in gang gezet. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten, wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Vleermuizen Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Naderonderzoek Van der Goes en Groot Het naderonderzoek is uitgevoerd in de periode augustus 2022 – juli 2023. Zie ook Bijlage 9.

De inventarisatie is uitgevoerd door bureau Van der Goes en Groot. De conclusies uit dit onderzoek luiden als volgt: In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot eind juli. In het plangebied zijn alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. Rondvliegende vleermuizen met sociale geluiden die waargenomen zijn net buiten het plangebied vertoonden enkel gebouw gebonden activiteit met bebouwing buiten het plangebied. Nabij het plangebied, maar buiten de invloedssfeer daarvan is één paarverblijf van Ruige dwergvleermuis aangetroffen. De werkzaamheden zullen hier geen negatieve invloed op hebben. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen 'essentieel' deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.

Daarnaast werd het gebied maar maximaal door twee vleermuizen en over het algemeen maar door één Gewone dwergvleermuis tegelijk gebruikt. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht.

4.8.2.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Gelderland. De realisatie van het plan kan negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. Het plangebied ligt op zo’n 200 meter afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken (zie figuur 24).

38

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Figuur 24. Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied Rijntakken

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling en de bijhorende toename aan verkeersgeneratie is door MBH Consult B.V. een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. De berekening van het projecteffect is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. De onderbouwing van het onderzoek en de rekenbestanden zijn toegevoegd aan dit bestemmingsplan in Bijlage 10. Er zijn twee projectberekeningen uitgevoerd: één gericht op de bouwfase en de tweede gericht op de beoogde gebruiksfase. De resultaten van beide berekeningen zijn hetzelfde: Het projecteffect bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Zodoende zijn er geen belemmeringen voor dit plan voor wat betreft het aspect stikstofdepositie. 4.8.3

Conclusie

Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht. Daarnaast treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000-gebieden, waardoor het onderwerp 'stikstof' geen belemmering vorm voor het voorliggende plan.

4.9

Archeologie & cultuurhistorie

4.9.1

Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten

Toelichting (ontwerp)

39

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de omgevingswet staat gepland voor 2024. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen tot aan de inweringtreding van de Omgevingswet. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2024 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Archeologische Beleidskaart 2016 van de gemeente Neder-Betuwe, zoals door de gemeenteraad vastgesteld op 14 april 2016. In deze beleidskaart zijn verschillende verwachtingswaarden aan het plangebied toegekend. Om de mogelijk aanwezige waarden te beschermen heeft de gemeente Neder-Betuwe een parapluplan 'Archeologie' opgesteld. In dit parapluplan zijn de verschillende archeologische verwachtingswaarden voorzien van de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1, 2 en 3”. In deze bestemmingen is bepaald dat voor bodem verstorende werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor de mogelijk aanwezige waarden een vergunning verplicht is. Voor de verschillende verwachtingswaarden gelden criteria voor wanneer een vergunning verplicht is en archeologisch onderzoek verricht moet worden. Achtereenvolgens gelden de onderstaande dubbelbestemmingen voor de verschillende verwachtingswaarden:

Figuur 25. Archeologische verwachtingswaarde (Bron: parapluplan 'Archeologie' gemeente Neder-Betuwe)

In voorliggend bestemmingsplan zijn de voornoemde archeologische dubbelbestemmingen één-op-één overgenomen uit het parapluplan 'Archeologie'. In figuur 26 is een uitsnede van de beleidskaart opgenomen.Voor het plangebied geld dat de 'Waarde - Archeologie 1' gevolgd moet worden. Daarmee zijn de eventueel aanwezige archeologische waarden voldoende beschermd.

40

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Figuur 26. Uitsnede archeologische beleidskaart Neder-Betuwe (bron: website gemeente Neder-Betuwe)

4.9.2.1 Archeologie Door Hameland Advies is een Bureauonderzoek Archeologie uitgevoerd op 9 september 2022. Zie Bijlage 11 voor dit onderzoek. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied voor het grootste gedeelte gelegen is op de stroomgordels van Distelkamp - Afferden en Echteld en voor het overige gedeelte op de glooiingen van deze stroomgordels. De stroomgordels waren respectievelijk actief van 2.955 tot 250 v. Chr. (Midden-Neolithicum t/m IJzertijd) en 820 v. Chr. tot 49 n. Chr. (Late Bronstijd t/m Vroeg Romeinse Tijd). Er geldt een hoge archeologische verwachting vanaf dat de stroomgordels sediment zijn gaan afzetten, wat voor dit plangebied dus het Midden-Neolithicum betreft. Het dynamische milieu van de stroomgordels is erg aantrekkelijk voor bewoning en landgebruik in het verleden. Voor resten ouder dan de stroomgordel geldt een onbekende verwachting, aangezien deze verspoeld kunnen zijn. Uit eerder archeologisch onderzoek binnen het plangebied is gebleken dat de bodem van het plangebied bestaat uit oever- en beddingafzettingen, deze zijn aangetroffen tussen 90-140 cm-mv. Ook is er een vuile archeologische laag aangetroffen in twee boringen op 100-110 cm-mv. Onderzoeken uit de omgeving geven ditzelfde beeld weer. Daarnaast zijn in de omgeving ook meerdere archeologische vondsten gedaan.

Zo is er veel Romeins en middeleeuws vondstmateriaal en een nederzetting uit de 11de/12de eeuw aangetroffen.

Toelichting (ontwerp)

41

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Uit het cartografische onderzoek blijkt dat het plangebied op de oudst beschikbare kaarten langs een weg heeft gelegen in het centrum van Ochten. Het plangebied zelf was voornamelijk in gebruik als boomgaard. Eind jaren '50 van de 20ste eeuw is het plangebied bebouwd geraakt en deels bestraat. In de tweede helft van de 20ste eeuw is ook een deel weer gesloopt en is de huidige bebouwing gerealiseerd. Van een klein deel van de huidige bebouwing zijn bouwtekeningen beschikbaar. Hieruit blijkt dat die gefundeerd is tot 70-85 cm-mv. Tot welke diepte het overige deel van de bebouwing en de voormalige bebouwing de bodem hebben verstoord is niet bekend. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er een grote kans is op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Volgens het booronderzoek door RAAP uit 2007 bevindt er zich een archeologische 'vuile' laag vanaf 100 cm-mv binnen het plangebied. Aangezien de nieuwe ontwikkelingen de bodem tot 83 cm-mv zullen verstoren, zit er een buffer van 17 cm tussen de archeologische laag en de toekomstige verstoring. Daarom adviseert Hamaland Advies om 'archeologievriendelijk' te gaan bouwen, door de afstand tussen de funderingen en de archeologische laag te vergroten. Dit kan door een bufferzone te hanteren vanaf de top van de archeologische 'vuile' laag. Tijdens telefonisch overleg met regioarcheoloog H.J.

van Oort op 8-9- 2022 is besproken dat dit een bufferzone van 30 cm dient te zijn, conform de leidraad voor 'archeologie sparend bouwen' van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Alle werkzaamheden zullen dan boven die gestelde bufferzone moeten plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plangebied op te hogen tot deze zone veilig is voor de ingrepen. Mocht dit niet mogelijk zijn wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om de aard en omvang van de eventuele vindplaats vast te stellen. Hier zal vooraf een PvA en PvE voor moeten worden opgesteld. Na het proefsleuvenonderzoek kan worden vastgesteld of een opgraving noodzakelijk is en of de sloop van de huidige bebouwing eventueel archeologisch begeleid dient te worden. 4.9.2.2 Second Opinion Archeologisch Onderzoek Op verzoek van de gemeente Neder-Betuwe is A=M Adviespraktijk gevraagd het onderzoek van Hamaland Advies en de daarin opgenomen aanbevelingen kritisch te beoordelen. Zie Bijlage 12 voor deze Second Opinion. De conclusie uit de herbeoordeling luidt als volgt: Het gehele plangebied kan worden vrijgegeven en dat van verder archeologisch onderzoek door de gemeente kan worden afgezien. Dit betreft dus tevens de sloop en aanleg/bouw van een nieuw dorpshuis en de supermarkt. De nu bekende bodemingrepen raken een mogelijk aanwezige archeologische laag immers niet.

Deze blijven daarmee in-situ- behouden. Hierop geldt één uitzondering: rekening houdend met het uitgangspunt dat de aanleg van riolering en nutstraces (kabels en leidingen) de meest diepe verstoringen zijn in het plangebied en nog onbekend is op welke diepte deze worden aangelegd, zal de gemeente bij de aanleg daarvan duidelijk moeten maken dat deze een mogelijke archeologische laag niet verstoren. Mocht dat wel het geval zijn, dan is de meest pragmatische vorm van nader onderzoek bij het graven van de sleuven voor kabels en leidingen en riolering een archeoloog aanwezig te laten zijn, die de bodemopbouw en mogelijk sporen kan optekenen en mogelijke vondsten kan bergen. Dit in overleg met de civieltechnische medewerker(s). c.q. de uitvoerders. 4.9.2.3 Advies Omgang Archeologie Zoals hierboven in de herbeoordeling van A=M Adviespraktijk is aangegeven, dient gemeente duidelijk te maken dat een mogelijke archeologische laag niet verstoort zal worden door de aanleg van riolering en nutstraces. De gemeente Neder-Betuwe heeft A=M Adviespraktijk verzocht aan te geven hoe de rioolaanleg zich verhoudt tot de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied en tot welke maatregelen dit mogelijk zou kunnen leiden. Dit heeft geleid tot een advies, zie daarvoor Bijlage 13.

A=M Adviespraktijk concludeert dat in het plangebied de mogelijkheid bestaat dat een archeologische leeflaag kan worden aangetast door riolering. De locaties waar deze kans bestaat, staan aangegeven met de nummers 1,2, 3 en 4 in onderstaande figuur.

42

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Figuur 27. Locaties waar aantasting kan plaatsvinden (bron: Advies Omgang Archeologie A=M Adviespraktijk)

A=M Adviespraktijk adviseert de hierboven aangegeven rioolaanleg (nrs. 1 t/m 4), overeenkomstig artikel 3.5.5 sub c van het paraplubestemmingsplan Archeologie, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Dit artikel is één op één overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. 4.9.2.4 Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in een Rijks- of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 4.9.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. In samen spraak met de gemeente wordt het advies van A=M Adviespraktijk gevolgd.

4.10

Leidingen

4.10.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

Toelichting (ontwerp)

43

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

4.10.3 Conclusie Het aspect leidingen heeft geen invloed op de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Niet-gesprongen explosieven

4.11.1 Regelgeving In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan Uit het rapport 'Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe' (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente Neder-Betuwe verdacht is op het voorkomen van artillerie-, mortier- en raketbeschietingen. Een oppervlaktedetectieonderzoek moet uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij de start van de uitvoering van werkzaamheden. Indien er materiaal wordt gedetecteerd, kan dit vervolgens op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. 4.11.3 Conclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op het aspect explosieven.

44

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2

Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3

Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.

5.4

Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf worden de bestemmingsplan - voorzover noodzakelijk en niet eerder besproken afzonderlijk toegelicht. Voor een goed begrip van de regeling dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd. 5.4.1

Detailhandel

Deze bestemming is opgenomen voor de te realiseren supermarkt en de te handhaven detailhandel ter plaatse van de bestaande supermarkt. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor detailhandel en groenvoorzieningen. De supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt'. Bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met in achtname van de verschillende maatvoeringseisen.

Toelichting (ontwerp)

45

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

5.4.2

Maatschappelijk

Deze bestemming heeft betrekking op het nieuwe dorpshuis. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor maatschappelijke doeleinden, zorginstellingen en ondersteunende horeca. Bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met inachtneming van de verschillende maatvoeringseisen. 5.4.3

Verkeer - Verblijfsgebied

Deze bestemming richt zich op een groot deel van het openbaar gebied. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder meer bestemd voor voorzieningen ten behoeve van verkeer, vervoer en verblijf, hondenuitlaatplaatsen, groen- en speelvoorzieningen, straatmeubilair, kunstobjecten, terrassen, standplaatsen voor ambulante handel, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. Garageboxen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'garagebox'. De bebouwingsmogelijkheden binnen de bestemming zijn zeer beperkt. Voor garageboxen is een specifieke bebouwingsregeling opgenomen 5.4.4

Waarde - Archeologie 1

De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie ' is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Hierbij is aangesloten bij de Archeologische beleidskaart van de gemeente Neder Betuwe. Zie ook paragraaf 4.9 van deze toelichting. Er wordt aangesloten bij het parapluplan 'Archeologie'. Hieruit volgt dat de 'waarde - Archeologie 1' van toepassing is op het voorliggende plangebied. Voor een aantal werkzaamheden op of in de 'Waarde - archeologisch 1'-grond is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. De voorwaarden voor wanneer een omgevingsvergunning is vereist is gedifferentieerd in de dubbelbestemming. 5.4.5

Vrijwaringszone - dijk 2

Naar aanleiding van de watertoets (zie Bijlage 6) heeft het waterschap Rivierenland gevraagd de buitenbeschermingszone aan te duiden met een algemene aanduidingsregel: 'Vrijwaringszone - dijk 2'. In buitenbeschermingszones zijn de volgende zaken niet toegestaan zonder watervergunning; afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar, aanleggen van bodemenergiesystemen en werken met explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen.

46

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Dokter M. van Drielplein Ochten

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1

Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. 6.1.2

Conclusie

De initiatiefnemer en de gemeente hebben een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is op deze manier vezekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie

Op 17 oktober 2022 is een informatieavond georganiseerd in het Dorpshuis in Ochten, ten behoeve van de verplaatsing van de MCD supermarkt en de sloop en nieuwbouw van het dorpshuis op het dokter M. van Drielplein in Ochten. De informatieavond was bedoeld om omwonenden en geïnteresseerden te informeren over de plannen. De informatieavond was vormgegeven als een inloopavond, waar de verschillende betrokken partijen de mogelijkheid kregen om nadere uitleg te geven over hun bijdrage aan de plannen.Hierbij waren de initiatiefnemer van Boon Food Group, vertegenwoordigers van het buurthuis en de gemeente aanwezig. Ook waren ook verschillende stakeholders van de partij zoals de architect, verkeerskundige en jurist. In totaal hadden tien omwonenden zich aangemeld voor de inloopavond. Uiteindelijk zijn er circa 50 á 60 belangstellenden gekomen om de plannen te bekijken tijdens de inloopavond. 6.2.2

Procedure

De gemeente heeft een participatieplan opgesteld. Hierin wordt omschreven wat de aanleiding en het doel van het initiatief is. Het participatieniveau wat wordt aangegeven is 'meeweten'. De ontwikkeling bevindt zich in de Definitief Ontwerp fase waarbij we toewerken naar een ter inzage legging voor einde van 2023. De opbouw van het participatietraject is als volgt: a. eind september - persbericht gemeente; b. Voorafgaand aan de terinzagelegging zal nog een participatiebijeenkomst worden georganiseerd; c. december 2023 - terugkoppeling; Daarna zal de vergunningsfase starten. Hiermee wordt het formele beroep van bezwaar en beroep bedoelt. Wanneer dat is afgerond kan gestart worden met de realisatiefase. Van de participatieonderdelen zal steeds verslag worden gedaan. 6.2.3

Zienswijzen

PM

Toelichting (ontwerp)

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14530209/1