CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Nota van uitgangspunten

Raadsvergadering 7 december 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Nota van uitgangspunten voor omgevingsplan ‘Kernen’17.343 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.6

Agrarische activiteiten Hoe is het nu geregeld? Binnen de kernen liggen enkele percelen met de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen voor het gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. Verder is geregeld wat er binnen de bestemmingen mag worden gebouwd. Er zijn alleen grondgebonden agrarische activiteiten toegestaan. Tevens is het hobbymatig houden van dieren en een bedrijfswoning toegestaan. De milieuregels waar agrarisch bedrijven aan moeten voldoen zijn geregeld in verschillende milieuwetgeving zoals de Wet geurhinder en veehouderij en het activiteitenbesluit. Deze milieuaspecten, voor zover relevant voor de fysieke omgeving, komen in hoofdstuk 5 Activiteit overstijgende regels/Bruidsschat en milieuthema’s aan bod. Is er nieuw beleid/regelgeving? De gemeente heeft de Beleidsregels fruitstallen en fruitautomaten vastgesteld. Deze beleidsregeling regelt de te verkopen producten, de locatie en omvang van de fruitstal of -automaat en de bijbehorende reclamevormen. Hoe gaan we het regelen in het omgevingsplan? Voor de regeling van het omgevingsplan sluiten we aan bij de bestaande regels uit het bestemmingsplan. 26

Het wonen in de bedrijfswoning kunnen we zowel onder de functie wonen als onder agrarisch activiteiten opnemen. Het is wenselijk voor bedrijfswoningen, net als nu, andere regels te kunnen stellen dan voor reguliere woningen. Het is daarom wenselijk het wonen in een bedrijfswoning apart te regelen in het omgevingsplan. De beleidsregels voor fruitstallen en fruitautomaten kunnen we in het omgevingsplan opnemen. Conform het beleid zijn tijdelijke fruitstallen meldingsplichtig en permanente voorzieningen vergunningsplichtig. Voorstellen  Voor de regeling voor agrarische activiteiten in het omgevingsplan aansluiten bij de regeling uit het bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe.  Wonen in een bedrijfswoning als aparte functie opnemen.  De mogelijkheid voor fruitstallen en fruitautomaten conform het huidige beleid overnemen.

3.7

Natuur Hoe is het nu geregeld? In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland zijn instructieregels voor de natuurgebieden opgenomen (Gelders natuurnetwerk (GNN) en Gelderse ontwikkelzone (GO), weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden). Dit zijn beschermingsregels en regels die het afwijken daarvan mogelijk maken. De meeste beschermde gebieden liggen buiten de Kernen. Er liggen enkele percelen binnen het plangebied van de kernen (in Dodewaard). Is er nieuw beleid regelgeving? Er is geen nieuw beleid of regelgeving op het gebied van natuur waarvoor we in het omgevingsplan iets moeten regelen. Hoe gaan we het regelen in het omgevingsplan? Als de gemeente niets regelt in het omgevingsplan dan heeft dat geen gevolgen voor de huidige situatie. De natuurtoetsingen beoordeling ligt bij de provincies. Voor de percelen die binnen de beschermde gebieden liggen nemen we, conform de huidige situatie, een functie natuur op. Daarmee voldoen we ook aan de instructieregels van de provincie. Voorstellen  Bestaande natuurbestemmingen opnemen in het omgevingsplan.  Verder geen specifieke regeling of signalering voor de natuurgebieden opnemen.

27

4 4.1

Bouwen van bouwwerken, aanleg- en sloopactiviteiten Bouwen van bouwwerken Hoe is het nu geregeld? Het verbod om te bouwen zonder vergunning staat nu in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het Besluit omgevingsrecht (Bor) is voor heel Nederland geregeld welke bouwwerken vergunningsvrij zijn, zoals dakkappelen en bijgebouwen en mantelzorgwoningen. Voor de overige bouwactiviteiten is altijd een omgevingsvergunning nodig. Deze wordt voor het ruimtelijke aspect getoetst aan het bestemmingsplan en de welstandsnota. Daarnaast vindt er bij een vergunningsaanvraag een toets plaats of er aan de bouwkundige eisen voldaan wordt. Is er nieuw beleid/regelgeving? (Bouw)activiteiten waarvoor in het omgevingsplan regels worden gesteld zijn onder de Omgevingswet niet meer automatisch vergunningsplichtig, zoals dat nu wel het geval is. In het omgevingsplan moet worden opgenomen of er een vergunningsplicht is, of onder welke voorwaarden een bouwactiviteit vergunningsvrij of meldingsplichtig is. Met de Omgevingswet wordt er een knip gemaakt in de vergunningverlening voor bouwen tussen een bouwtechnische vergunning (regelt het Rijk in het Bbl) en de ruimtelijke vergunning (moeten gemeenten regelen). Voor bouwwerken waarvoor bouwtechnische eisen gelden is een vergunning of een melding op grond van de Omgevingswet vereist.

De vergunningsplicht voor de ruimtelijke vergunning moet in het omgevingsplan worden opgenomen. In het Bbl zijn activiteiten opgenomen waarvoor geen vergunning nodig is. Dit betreft zowel activiteiten waarvoor geen bouwtechnische vergunning nodig is al activiteiten waarvoor geen ruimtelijke vergunning nodig is. Zo is voor het plaatsen van zonnepanelen geen bouwtechnische vergunning nodig. Voor het plaatsen van zonnepanelen op het achterdak is ook geen ruimtelijke vergunning nodig. Daarnaast zijn in de bruidsschat situaties opgenomen die vergunningsvrij zijn. In het algemeen geldt dat de vergunningsvrije bouwactiviteiten onder de Omgevingswet en de bruidsschat overeenkomen met de onder de Wabo en Bor vergunningsvrije bouwactiviteiten. Uit de praktijk blijkt dat het wenselijk is om op grotere percelen meer mogelijkheden te creëren voor bijgebouwen. Hierna gaan we concreter op deze situaties in. Hoe gaan we het regelen in het omgevingsplan? De huidige regels voor het vergunningsvrij bouwen van bouwwerken nemen we over in het omgevingsplan, voor zover dit niet via het Bbl is geregeld. In principe wordt er beleidsneutraal verhuisd maar er is toch gekeken in hoeverre het wenselijk/mogelijk is meer bouwwerken vergunningsvrij te laten. Dit leidt tot minder regels voor burger, minder ambtelijke uren voor het beoordelen van aanvragen maar ook tot minder legesinkomsten. Hoofgebouwen 28

Afgesproken is om in principe beleidsneutraal over te gaan richting de nieuwe Omgevingswet. Om die reden blijft de omgevingsvergunningsplicht voor het bouwen van hoofdgebouwen behouden. In het omgevingsplan nemen we de huidige maatvoeringseisen en bouwvlakken uit de geldende bestemmingsplannen over. Om het isoleren van gebouwen te stimuleren is het wenselijk om gebouwen buiten de huidige bouwvlakken iets te kunnen vergroten. Onder paragraaf 2.2 Duurzaamheid en klimaatadaptatie gaan we daar nader op in. Mantelzorgwoning Wat vergunningsvrij is blijft vergunningsvrij. De overige mantelzorgwoningen die nu ook vergunningsplichtig zijn blijven vergunningsplichtig. We denken aan het maken van beleid voor ruimere mogelijkheden voor mantelzorgwoningen. Als hier beleid voor is vastgesteld, dan kunnen we dat in het omgevingsplan opnemen. Bijgebouwen Bijgebouwen zijn in het bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe toegestaan binnen het bouwvlak en het (achtererf)gebied dat daarvoor specifiek is aangeduid. Voor de omvang van de bijgebouwen is een staffel opgenomen voor de bijgebouwen. Hoe groter het perceel is hoe meer oppervlakte aan bijgebouwen is toegestaan. In de praktijk blijkt dat het wenselijk is om onder voorwaarden een groter oppervlak aan bijgebouwen toe te staan op grote percelen. We stellen voor in het omgevingsplan een categorie toe te voegen waarbij meer bebouwing is toegestaan.

Nu is opgenomen dat op percelen van > 800 m2, er 120 m2 aan bijgebouwen gerealiseerd mag worden. Dit wordt dan maximaal 120 m2 aan bijgebouwen op percelen van 800-1.000 m2 en 150 m2 op percelen die groter zijn dan 1.000 m2. Omdat het oppervlakte aan bijgebouwen dat volgens het bestemmingsplan is toegestaan vrijwel altijd verleend wordt, heeft het weinig meerwaarde hiervoor een vergunningsplicht op te nemen. In het kader van de deregulering stellen we voor deze bijgebouwen vergunningsvrij toe te staan. Dakkapellen Een deel van de dakkapellen (aan de achterzijde en de niet naar het openbare gebied gekeerde zijkant en met bepaalde afmetingen) zijn via de rijksregels (Bbl) vergunningsvrij. Daarnaast zijn op basis van de bestemmingsplannen ruimere mogelijkheden voor het realiseren van dakkapellen. Hiervoor is op basis van de Wabo en Bor nu een vergunning nodig. Om tot minder regels te komen stellen we voor om dakkapellen die aan de welstandcriteria voldoen vergunningsvrij mogelijk te maken. Voor dakkapellen op monumenten en binnen historische kernen, beschermd stads- en dorpsgezicht, historische linten is het wenselijk de vergunningsplicht te handhaven. Erkers Een deel van de erkers (aan de zijkant en achterzijde en met bepaalde afmetingen) zijn vergunningsvrij. In het bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe is een regeling opgenomen op grond waarvan erkers zijn toegestaan.

Deze regeling nemen we over zodat er een beleidsneutrale overgang ontstaat. Bouwtechnische regels De bouwtechnische activiteiten die niet door het Rijk geregeld zijn, zijn opgenomen in de bruidsschat (aansluiten op nutsvoorzieningen, bereikbaarheid voor hulpdiensten). De bruidsschat nemen we in een latere fase op in het permanente omgevingsplan, tenzij het handiger is nu regels op te nemen in het 29

omgevingsplan. Het is niet wenselijk dat de regels voor het bouwen op verschillende plaatsen (POP en bruidsschat) staan. Het voorstel is daarom de bouwtechnische regels nu beleidsneutraal over te nemen conform de bruidsschat. Voorstellen  Voor hoofdgebouwen een vergunningsplicht behouden voor het herbouwen of uitbreiden.  Voor hoofdgebouwen de huidige maatvoeringseisen en bouwvlakken overnemen.  Voor de activiteiten die nu ook al vergunningsvrij zijn vergunningsvrij opnemen, voor zover dit niet landelijk geregeld is.  Voor erkers de huidige regeling opnemen.  Bijgebouwen en aanbouwen die op basis van de geldende de bestemmingsplannen zijn toegestaan vergunningsvrij opnemen.  Voor percelen groter dan 1.000 m², 150 m² aan bijgebouwen toestaan.  Dakkapellen aan de voorzijde van woningen vergunningsvrij mogelijk maken als ze aan de welstandseisen voldoen. Dit geldt niet voor monumenten en binnen historische kernen, beschermd stads- en dorpsgezicht en historische linten.  De bouwtechnische activiteiten overnemen op basis van de bruidsschat.

4.2

Sloopactiviteiten Hoe is het nu geregeld? Het slopen is nu geregeld in het Bouwbesluit. In veel gevallen volstaat een melding. Als er meer dan 1 m3 sloopafval ontstaat of als er asbest aanwezig is moet een vergunning aangevraagd worden. In het geldende bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe is een sloopvergunning opgenomen voor gebouwen binnen het beschermd dorpsgezicht ter bescherming van het dorpsgezicht. Is er nieuw beleid/regelgeving? De regels voor sloopactiviteiten zijn ondergebracht in hoofdstuk 7 van het Bbl. Hierin worden onder andere regels gesteld over de procedure van sloopwerkzaamheden, over inhoudelijke regels, over het scheiden van bouw- en sloopafval en het mobiel breken van bouw- en sloopafval. Dit hoeven we dus niet in het omgevingsplan te regelen. Hoe gaan we het regelen in het omgevingsplan? Het is wenselijk om de huidige regeling, een vergunningsplicht voor het slopen binnen een beschermd dorpsgezicht over te nemen. Het bestaande beschermde dorpsgezicht gaat straks op in een integraal ensemble. Deze integrale ensembles nemen we in een paraplubestemmingsplan op. Deze kunnen we zodra gereed in een omgevingsplan opnemen. Voorstel Voor het slopen van gebouwen binnen het beschermd dorpsgezicht een vergunningsplicht opnemen. 30

4.3

Aanlegactiviteiten Hoe is het nu geregeld? Binnen de geldende bestemmingsplannen zijn regels opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden en de waterkeringen. Voor bepaalde werkzaamheden is een vergunningsplicht opgenomen om nader te kunnen afwegen of deze waarden geschaad worden. Is er nieuw beleid/regelgeving? Wat betreft aanlegactiviteiten gelden geen specifieke wensen en ambities. Hoe gaan we het regelen in het omgevingsplan? De huidige regelingen nemen we over in het omgevingsplan Kernen. Voorstel De huidige regelingen ter bescherming van de archeologische waarden en waterkeringen overnemen.

31

5 5.1

Activiteit overstijgende regels/Bruidsschat en milieuthema’s Algemeen Hoe is het nu geregeld? Het opnemen van regels over milieuaspecten in een plan is nieuw voor gemeenten. De wetgever heeft de keuze gemaakt om bepaalde milieuaspecten niet meer te regelen maar dit over te laten aan gemeenten. Gemeenten moeten dit doen in hun omgevingsplan. De milieuaspecten die het betreft, worden op dit moment grotendeels geregeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de overgang van het huidige recht naar het omgevingsplan is van belang dat de wetgever de bedoelde milieuaspecten niet per 1 januari 2024 laat vervallen maar bij wijze van overgangsrecht onderdeel laat worden van het tijdelijke omgevingsplan van gemeenten. Deze overgangsrechtelijke constructie wordt ook wel de Bruidsschat genoemd. De Bruidsschat is beleidsneutraal ten opzichte van het huidige recht (voornamelijk het Activiteitenbesluit milieubeheer). In het plan van aanpak voor de transitieperiode is gekozen voor de insteek om de planologisch relevante aspecten uit de Bruidsschat mee te nemen bij de gebiedsgerichte verhuizing van de regels naar het permanente omgevingsplan. De overige delen van de Bruidsschat verhuizen we op een later moment. In deze Nota van Uitgangspunten concretiseren we dit door aan te geven welke onderdelen van de Bruidsschat we in het nieuwe omgevingsplan Kernen opnemen.

Is er nieuw beleid / regelgeving? Onder het kopje Hoe is het nu geregeld? Is al vermeld dat de wetgever bepaalde milieuaspecten niet meer gaat regelen maar dit overlaat aan gemeenten om te regelen in het omgevingsplan. Dit betekent echter niet dat de wetgever helemaal geen regels over de bedoelde milieuaspecten stelt. De wetgever heeft wel instructieregels gemaakt aan de hand waarvan gemeenten hun omgevingsplan moeten maken. Deze instructieregels staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De Bruidsschat voldoet (op onderdelen) niet aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit betekent dat wij bij het opstellen van een nieuw omgevingsplan Kernen niet kunnen volstaan met het één op één overnemen van de regels uit de Bruidsschat. In dit hoofdstuk bespreken we de keuzes die het Besluit kwaliteit leefomgeving over de betreffende milieuaspecten bevat en doen we voorstellen over de wijze van regeling in het omgevingsplan. In tegenstelling tot de bespreking van de overige aspecten in de Nota van Uitgangspunten zullen de vragen Hoe is het nu geregeld? En Is er nieuw beleid / regelgeving? niet bij elk onderdeel worden herhaald. Voor elk onderdeel geldt namelijk hetgeen hierboven onder de betreffende vragen is aangegeven.

Uitgangspunt beleidsneutraal In de voorstellen die we in dit hoofdstuk doen, is aangesloten bij de huidige regeling in met name het Activiteitenbesluit milieubeheer nu en dus de Bruidsschat per 1 januari 2024. Dit is ook logisch omdat een andere keuze vaak vraagt om een beleidsmatige grondslag dan wel een nader onderzoek naar de gevolgen van een keuze. Daar waar het beleidsneutraal overnemen van de huidige regels niet mogelijk is (vanwege de nieuwe instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving) is dit uitdrukkelijk aangegeven. Specifieke zorgplicht voor milieu Op verschillende plaatsen in dit hoofdstuk verwijzen we naar een specifieke zorgplicht voor het milieu die we in het nieuwe omgevingsplan Kernen opnemen. Deze zorgplicht in combinatie met een bevoegdheid voor B&W om in een 32

specifieke situatie op basis van die zorgplicht nadere eisen te stellen (zogenaamde maatwerkvoorschriften), zorgen ervoor dat er in het nieuwe omgevingsplan Kernen een flexibiliteitsmogelijkheid zit om in individuele overlastsituaties of in situaties waarin de regels van het omgevingsplan onnodig knellend zijn, maatwerk te kunnen bieden. De specifieke zorgplichtbepaling voor het milieu ziet er als volgt uit:

33

De bevoegdheid om nadere eisen te stellen ziet er als volgt uit: Artikel xx Specifieke zorgplicht Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu is verplicht: 1 alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 2 voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; 3 als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Bovengenoemde verplichting betekent in ieder geval dat: 4 alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; 5 alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; 6 de beste beschikbare technieken worden toegepast; 7 geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; 8 alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; 9 afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; 10 voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en 11 afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit. 12 de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; 13 de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

De bevoegdheid om nadere eisen te stellen ziet er als volgt uit: Artikel YY Maatwerkvoorschrift 1 2 3

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel xx. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen van het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 (instructieregels milieu) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

34

5.2

Geluid Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels (onder andere normen) voor:  het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en  het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen). Geluidgevoelige gebouwen Het Bkl bevat een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied) onder. Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties. Voormalige bedrijfswoningen Het Bkl geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om in het omgevingsplan voormalige bedrijfswoningen aan te wijzen voor zover die voormalige bedrijfswoning met een agrarisch bedrijf, horecabedrijf of met een bedrijf op een bedrijventerrein functioneel verbonden was. De geluidnormen die in het omgevingsplan worden opgenomen zijn niet van toepassing op deze aangewezen voormalige bedrijfswoningen. De aanwijzing in het omgevingsplan dient per individueel geval gemotiveerd te worden.

Voorstel In het nieuwe omgevingsplan voor de kernen stellen wij voor geen voormalige bedrijfswoningen aan te wijzen. Als in een individueel geval mocht blijken dat een dergelijke aanwijzing gewenst is, kunnen we het omgevingsplan wijzigen.

Geluidaandachtsgebieden (geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen) Het Bkl stelt dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluid gevoelig object in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. We voldoen aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. De geluidsaandachtsgebieden worden berekend op basis van de Omgevingsregeling en hoeven niet in het omgevingsplan opgenomen te worden. Het Bkl stelt dat we in het omgevingsplan flexibiliteitsbepalingen kunnen opnemen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het Hogere grenswaardenbesluit zoals we dat nu kennen). Voorstellen  In het omgevingsplan Kernen de instructieregels van het Bkl (standaardwaarden en flexibiliteitsbepalingen) overnemen.  Voor de kenbaarheid in het omgevingsplan de begrenzing van de geluidaandachtsgebieden opnemen. Geluidveroorzakende activiteiten Het Bkl bepaalt dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit op een geluidgevoelig gebouw 35

aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste indien het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Onder geluidveroorzakende activiteiten vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals bedrijven). Het Bkl wijst de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een ‘uit de hand gelopen hobby’ geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met het huidige recht waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Voorstel In het omgevingsplan Kernen expliciet opnemen dat een beroep of bedrijf aan huis en een uit de hand gelopen hobby niet onder de activiteit wonen vallen (en dus een geluidveroorzakende activiteit zijn).

Het Bkl bepaalt verder ook dat de regels over geluid niet van toepassing zijn op:  het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;  onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd; Een activiteit die onder het huidige recht wel wordt uitgezonderd van de geluidsregels voor activiteiten maar door het Bkl niet, betreft:  het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden. Het Bkl geeft gemeenten de mogelijkheid om voor activiteiten geen waarde vast te stellen maar te volstaan met andere regels. De activiteit bijwonen van godsdienstige bijeenkomsten enzovoorts is een Grondwettelijk recht. Op grond van de Wet openbare manifestaties kan de gemeente nadere regels stellen aan duur en geluid als dit vanwege ervaren overlast noodzakelijk zou zijn.

Voorstel Het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden, overeenkomstig het huidige recht in het omgevingsplan Kernen uitzonderen van de geluidsregels voor activiteiten.

Festiviteiten Onder het huidige recht is op grond van het Activiteitenbesluit in de Algemene Plaatselijke Verordening Neder-Betuwe (artikel 4.2 en 4.3) een regeling getroffen dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit niet gelden tijdens door het college aangewezen collectieve festiviteiten en aan het college gemelde incidentele festiviteiten. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten we deze regeling in het Omgevingsplan opnemen. 36

In ons plan van aanpak voor de transitieperiode is als uitgangspunt vastgesteld dat we de regels uit de gemeentelijke verordeningen, waaronder (delen van) de APV op een later moment thematisch verhuizen. Voorstel In de regeling voor geluid in het omgevingsplan Kernen verwijzen naar de huidige festiviteitenregeling uit de APV. Gebieden met functiemenging of rustige gebieden Het Bkl bevat (zoals gezegd) standaardnormen om geluidsgevoelige gebouwen te beschermen tegen geluidveroorzakende activiteiten. Deze standaardnormen van het Bkl zijn gelijk aan de waarden die in het huidige recht zijn opgenomen. Het Bkl geeft gemeenten de mogelijkheid om voor gebieden met functiemenging een soepelere norm of voor rustige gebieden een strengere norm te hanteren. Als de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Als de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. Voorstel In het omgevingsplan Kernen geen rustige gebieden of gebieden met functiemenging aanwijzen. Indien dit in de toekomst nodig of wenselijk wordt geacht, zal dit, na onderzoek, leiden tot een wijziging van het omgevingsplan.

Piekgeluid Naast de normen voor het continue geluid bevat het Bkl ook normen voor piekgeluid. Piekgeluiden zijn plotselinge en harde geluiden (bijvoorbeeld dichtslaan van autodeuren of laden en lossen met een vrachtwagen). Het Bkl bevat in tegenstelling tot het huidige recht, geen normen voor het maximale piekgeluid in de dagperiode (periode tussen 07.00 – 19.00 uur). Het Bkl bevat dus alleen normen voor het piekgeluid in de avondperiode (19.00 – 23.00 uur) en de nachtperiode (23.00 – 07.00 uur). Aan deze wijziging ligt ten grondslag dat de wetgever normen voor het piekgeluid alleen maar noodzakelijk acht met het oog op het voorkomen van slaapverstoring. Voorstel In het omgevingsplan Kernen overeenkomstig de instructieregels van het Bkl, geen normen voor het piekgeluid in de dagperiode opnemen. Onder het huidige recht worden de twee onderstaande activiteiten uitgezonderd van de normen voor het piekgeluid:  het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of  het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan In het Bkl worden deze twee activiteiten niet meer uitgezonderd.

Het verrichten van sportactiviteiten in de open lucht en het komen en gaan van bezoekers kan gepaard gaan met maximale geluidsniveaus die hoger liggen dan de toegestane maximale geluidsniveaus (het gaat dan wel alleen maar om de 37

avond en nachtperiode). Onder het geluid door het komen en gaan van bezoekers wordt onder meer begrepen het dichtslaan van autoportieren en het starten en gas geven bij het wegrijden van voertuigen. Voor beide uitzonderingen geldt dat het redelijkerwijs niet mogelijk is deze pieken te beheersen op basis van een geluidsnorm. Verder is de zorgplicht met bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften (zoals beschreven onder het kopje specifieke zorgplicht milieu) ook op deze activiteiten van toepassing zodat in individuele overlastgevende situaties ingegrepen kan worden door het stellen van nadere regels. Voorstel Het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen en het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan, overeenkomstig het huidige recht in het omgevingsplan Kernen uitsluiten van de normen voor piekgeluid. Tankstations Voor tankstations hanteert het huidige recht (Activiteitenbesluit) een andere dagindeling dan het Bkl.

Deze andere indeling heeft tot gevolg dat  er in de tijd tussen 07.00 en 19.00 uur onder het Bkl geen norm voor piekgeluid geldt;  de norm voor het piekgeluid in de tijd tussen 19.00 en 21.00 uur onder het Bkl een lagere norm voor het piekgeluid gaat gelden;  in de tijd tussen 19.00 en 21.00 uur is de norm voor het geluid onder het Bkl lager en in de tijd tussen 21.00 en 23.00 uur is de norm van het Bkl hoger. Het Bkl geeft gemeenten de mogelijkheid om de dagindeling en bijbehorende normering van het huidige recht te blijven hanteren voor bestaande tankstations. Voor nieuwe tankstations is dit eerst mogelijk als vast is komen te staan dat met de andere dagindeling en bijbehorende normering voldaan kan worden aan de normering voor de binnenwaarde (het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen). Dit is pas mogelijk als daar onderzoek naar gedaan is. Het omgevingsplan maakt de vestiging van nieuwe tankstations echter niet mogelijk. Als de vestiging van een tankstation gewenst is, zal het omgevingsplan gewijzigd moeten worden. Voorstel Voor bestaande tankstations de dagindeling met bijbehorende normering van het huidige recht hanteren.

5.3

Trillingen Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat een instructieregel om er in het omgevingsplan zorg voor te dragen voor dat trillingen (in een frequentie van 1 tot 80 Hz) veroorzaakt door een activiteit (anders dan wonen en doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen) in trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Trillinggevoelig gebouw Het Bkl verstaat onder een trillinggevoelig gebouw, met uitzondering van woonschepen en woonwagens, hetzelfde als een geluidsgevoelig gebouw (zie hiervoor). 38

Voormalige bedrijfswoningen Bedrijfswoningen met een voormalige functionele binding met een trillingveroorzakende activiteit kunnen in het omgevingsplan worden uitgezonderd van de bescherming tegen trillinghinder. Dit geldt voor voormalige bedrijfswoningen in de agrarische sector, op een bedrijventerrein of in de horecasector. De aanwijzing in het omgevingsplan dient per individueel geval gemotiveerd te worden. Voorstel In het nieuwe omgevingsplan voor de kernen vooralsnog geen voormalige bedrijfswoningen aanwijzen. Wanneer in een individueel geval mocht blijken dat een dergelijke aanwijzing gewenst is, kunnen we het omgevingsplan wijzigen.

Het Bkl stelt dat er sprake is van aanvaardbaarheid ndien de standaardwaarden uit het Bkl in het omgevingplan worden opgenomen. Ten opzichte van de huidige regelgeving (Activiteitenbesluit) is de normering voor herhaald voorkomende trillingen nieuw. We kunnen in het omgevingsplan gemotiveerd (na onderzoek) afwijken van de standaardwaarden uit het Bkl en voor rustige gebieden kiezen voor een strengere norm en voor bijvoorbeeld bedrijventerreinen voor een soepelere norm. De instructieregels over trillingen en dus ook de normering) zijn niet van toepassing op trillingen veroorzaakt door activiteiten die samenhangen met het wonen (wel op beroepen en bedrijven aan huis en uit de hand gelopen hobby’s) en doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. De gemeenteraad kan in het omgevingsplan echter wel regels over trillingen veroorzaakt door deze activiteiten stellen. Dit moet dan wel gemotiveerd worden. Bij nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van (spoor)wegen moeten we in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onderzoek doen naar hinder vanwege trillingen en eventueel te nemen maatregelen. Voorstellen  In het nieuwe omgevingsplan voor de kernen de standaardwaarden uit het Bkl opnemen.  Voor de activiteiten die niet onder de instructieregels vallen geen regels opnemen.

5.4

Geur Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat een instructieregel om er in het omgevingsplan zorg voor te dragen dat de geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het Bkl maakt als het gaat om geurveroorzakende activiteiten onderscheid in:  Het houden van landbouwhuisdieren;  Andere agrarische activiteiten;  Zuiveringstechnische werken;  Overige bronnen van geurhinder (vaak betiteld als industriële geurhinder). Cumulatie van geurhinder De cumulatie van geurhinder (geurhinder door meerdere geurveroorzakende activiteiten op één geurgevoelig gebouw) valt blijkens de toelichting op het Bkl ook onder de ‘aanvaardbaarheidsinstructieregel’. Hoewel cumulatie in het huidige recht (Activiteitenbesluit en Wet geurhinder en veehouderij) niet betrokken hoeft 39

te worden bij de vergunningverlening van bedrijven is in jurisprudentie over bestemmingsplannen bepaald dat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel degelijk rekening moet worden gehouden met cumulatie. Voorstel In het omgevingsplan Kernen een expliciete bepaling over cumulatie van geurhinder opnemen in de vorm van een bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften in situatie waar cumulatie van geurhinder tot overlast kan leiden. Geurgevoelige gebouwen Het Bkl bevat een definitie van het begrip geurgevoelig gebouw. Als geurgevoelig gebouw wordt aangemerkt: gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Met het begrip geurgevoelig gebouw heeft de wetgever aansluiting gezocht bij het begrip geluidgevoelig gebouw. Het begrip is beperkter dan het huidige begrip geurgevoelig object. Onder een geurgevoelig object werden ook kantoren, recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen zoals chalets begrepen. De gemeenteraad kan in het omgevingsplan het begrip geurgevoelig gebouw zoals gehanteerd door het Bkl uitbreiden en ook locaties als geurgevoelig aanmerken. Voorstel In het omgevingsplan voor de kernen het begrip geurgevoelig gebouw van het Bkl hanteren, dit begrip niet uitbreiden en ook geen geurgevoelige locaties aanwijzen.

Voormalige bedrijfswoningen Het Bkl geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om in het omgevingsplan voormalige bedrijfswoningen aan te wijzen voor zover die voormalige bedrijfswoning met een agrarisch bedrijf, horecabedrijf of met een bedrijf op een bedrijventerrein functioneel verbonden was. De geurnormen die we in het omgevingsplan opnemen zijn niet van toepassing op deze aangewezen voormalige bedrijfswoningen. Voorstel In het omgevingsplan voor de kernen vooralsnog geen voormalige bedrijfswoningen aanwijzen. Wanneer in een individueel geval mocht blijken dat een dergelijke aanwijzing gewenst is, kunnen we het omgevingsplan wijzigen.. Geurveroorzakende activiteiten Onder geurveroorzakende activiteiten vallen nagenoeg alle activiteiten (waaronder bijvoorbeeld (agrarische) bedrijfsmatige activiteiten en horeca). Het Bkl wijst de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geurveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een ‘uit de hand gelopen hobby’ geen verband houden met de activiteit wonen.

40

Voorstel In het omgevingsplan Kernen expliciet opnemen dat een beroep of bedrijf aan huis en een uit de hand gelopen hobby (een activiteit in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is) geurveroorzakende activiteiten zijn en dus niet onder de activiteit wonen vallen. Hoewel de activiteit wonen dus in beginsel niet onder de geurregels valt, heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om hier in het omgevingsplan van af te wijken. Bijvoorbeeld door het stellen van regels over de geur van het stoken van hout in kachels en open haarden. Voorstel In het omgevingsplan Kernen geen regels opnemen voor geurhinder ten gevolge van de activiteit wonen. In het nieuwe omgevingsplan Kernen nemen we een zorgplicht op met daaraan gekoppeld een bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Via deze weg kunnen we in een individuele overlastsituatie ingrijpen. Agrarische geurhinder Het Bkl werkt voor het houden van landbouwhuisdieren en overige agrarische activiteiten (onder andere opslag mest, substraat en voer) uit wat er in ieder geval wordt begrepen onder een aanvaardbare geurhinder. Agrarische geurhinder speelt echter met name in het buitengebied. De agrarische geurhinder regelen we dan ook in het nieuwe omgevingsplan buitengebied. Tot die tijd kunnen we voor de kernen volstaan met het overgangsrecht zoals dat in de Bruidsschat (het Tijdelijke omgevingsplan) is opgenomen.

Voorstel Het aspect agrarische geurhinder niet meenemen in het omgevingsplan voor de kernen. Zuiveringstechnisch werk Net als bij het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten werkt het Bkl voor geurhinder door een zuiveringstechnisch werk uit wat er in ieder geval wordt begrepen onder een aanvaardbare geurhinder. In het huidige recht is dit opgenomen in het Activiteitenbesluit. Regels over de geurhinder van een zuiveringstechnisch werk hoeven we alleen in een omgevingsplan op te nemen indien het omgevingsplan de vestiging van een zuiveringstechnisch werk mogelijk maakt. In Neder-Betuwe is een zuiveringstechnisch werk (RWZI) gelegen aan de Appelenburgseveldweg te Dodewaard. Deze locatie is gelegen in het buitengebied op meer dan 500 meter van de kern Opheusden en meer dan 1 kilometer van de kern Dodewaard. De geurregels voor een zuiveringstechnisch werk zijn met name van toepassing op en in het buitengebied. De geurhinder vanwege een zuiveringstechnisch werk regelen we dan ook in het nieuwe omgevingsplan buitengebied. Tot die tijd kunnen we voor de kernen volstaan met het overgangsrecht zoals dat in de Bruidsschat (het Tijdelijke omgevingsplan) is opgenomen.

41

Voorstel Het aspect geurhinder bij een zuiveringstechnisch werk niet meenemen in het omgevingsplan voor de kernen. Bebouwingscontour geur Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan de begrenzing van de bebouwingscontour geur wordt vastgelegd. De bebouwingscontour is de opvolger van het begrip bebouwde kom zoals dat in de huidige regelgeving wordt gehanteerd. Onder de huidige regelgeving betreft het niet de bebouwde kom zoals we dat kennen van de verkeerswetgeving maar de stedenbouwkundige bebouwde kom. De wetgever wilde een eind maken aan de begripsverwarring (wat is nu bebouwde kom in het kader van geurhinder) en heeft in het Bkl de verplichting opgenomen voor het aanwijzen van een bebouwingscontour geur. Binnen de bebouwingscontour gelden voor de geurbronnen (Agrarische geurhinder en geurhinder door een zuiveringstechnisch werk) strengere geurnormen dan buiten de bebouwingscontour geur. Wij nemen in het nieuwe omgevingsplan Kernen geen geurregels op voor de bronnen agrarische geurhinder en geurhinder door zuiveringstechnische werken. Omdat het overgangsrecht zoals opgenomen in de Bruidsschat verwijst naar de bebouwde kom is het niet noodzakelijk om in het nieuwe omgevingsplan Kernen een bebouwingscontour geur op te nemen. Op het moment dat wij een nieuw omgevingsplan buitengebied gaan opstellen, leggen we ook een bebouwingscontour geur vast.

Dit leggen we expliciet aan de gemeenteraad voor in de Nota van Uitgangspunten voor het nieuwe omgevingsplan buitengebied. Voorstel In het omgevingsplan Kernen geen regels opnemen over agrarische geurhinder en geurhinder door een zuiveringstechnisch werk. Ook geen bebouwingscontour geur aanwijzen. Dit nemen we mee in het nieuwe omgevingsplan Buitengebied. Waar waarden gelden De normen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen, gelden op de gevel van gevoelige gebouwen. De gemeente mag in het omgevingsplan ook vastleggen dat de waarde geldt op een punt dichterbij de geurveroorzakende activiteit. De gemeente kan dit gebruiken om bijvoorbeeld de geurruimte van veehouderijen te beperken. Niet door uit te gaan van de gevel van het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw, maar door geurnormen op te nemen die gelden op een referentiepunt op een vaste afstand van de veehouderij. Dit is denkbaar in een situatie waar de dichtstbijzijnde gevoelige gebouw op een grote afstand van een veehouderij staat. Wanneer de gemeente(raad) hiertoe zou besluiten is wel een op de individuele situatie(s) gericht onderzoek en onderbouwing nodig. Voorstel In het omgevingsplan Kernen geen regels over agrarische geurhinder en geurhinder door een zuiveringstechnisch werk opnemen. Ook geen regeling opnemen over ‘waar waarden gelden’.

Industriële geurhinder Het Bkl heeft voor andere dan de hiervoor genoemde bronnen (agrarisch en zuiveringstechnisch) niet uitgewerkt wat er wordt begrepen onder een aanvaardbare 42

geurhinder. Voor enkele geurbronnen (onder andere restaurants) zijn er specifieke voorschriften opgenomen in de Bruidsschat zoals een ontgeuringsfilter of een afvoerpijp (2 meter boven de daklijn). Deze specifieke voorschriften uit de Bruidsschat (Tijdelijk omgevingsplan) nemen wij niet mee in het nieuwe omgevingsplan Kernen. Overeenkomstig het bepaalde in het plan van aanpak voor de transitieperiode zetten wij deze voorschriften op een later moment thematisch en voor het hele grondgebied over naar het permanente omgevingsplan. De specifieke zorgplicht voor geurhinder die in het huidige recht is opgenomen (Activiteitenbesluit milieubeheer) komt in het Bkl niet meer terug omdat de wetgever van oordeel is dat de specifieke zorgplicht voor geurhinder weinig toevoegt aan de algemene zorgplicht voor milieu. De specifieke zorgplicht voor geurhinder sluit echter goed aan op de aanvaardbaarheidseis van het Bkl en is kenbaarder dan een algemene zorgplicht voor het milieu en dus ook makkelijker te handhaven. Dit omdat de specifieke zorgplicht voor geurhinder zich specifiek richt op activiteiten die geurhinder veroorzaken terwijl de algemene zorgplicht voor milieu zich richt op alle activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarnaast biedt een specifieke zorgplicht voor geur de mogelijkheid om een verwijzing naar het Gelderse Geurbeleid (van de provincie) op te nemen.

Dit Gelderse Geurbeleid wordt ook nu al gebruikt om met behulp van specifiek onderzoek aan te tonen dat er sprake is van (on)aanvaardbare geurhinder. Specifieke zorgplicht geur uit huidige recht:

43

Voorstel In het omgevingsplan Kernen de specifieke zorgplicht voor geurhinder zoals die is opgenomen in het huidige recht overnemen. De specifieke zorgplicht voor geurhinder koppelen we aan een bevoegdheid voor het nemen van een maatwerkvoorschrift zodat we in een eventuele individuele overlastsituatie concretere maatregelen kunnen voorschrijven. Daarnaast nemen we voor de vraag wat (on)aanvaardbaar is, een verwijzing op naar het Gelderse Geurbeleid.

5.5

Bodem Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat in het omgevingsplan:  Regels worden opgenomen over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie;  Moet worden gewaarborgd dat sanerende en beschermende maatregelen in stand worden gehouden;  Bodembeheergebieden kunnen worden aangewezen;  De landbodem wordt ingedeeld in bodemfunctieklassen. Naast deze instructieregels in het Bkl zijn er in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels opgenomen over:  Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit;  Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;  Saneren van de bodem;  Het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie;  Het toepassen van bouwstoffen;  Het toepassen van grond of baggerspecie. In het omgevingsplan kan de gemeenteraad door middel van een maatwerkregel afwijken van de regels zoals die in het Bal zijn opgenomen. In het huidige recht zijn de regels over deze onderwerpen opgenomen in de Woningwet, de gemeentelijke bouwverordening (bouwen op bodemgevoelige locatie) en met name de Wet bodembescherming, het Besluit uniforme saneringen en het Besluit bodemkwaliteit. Voor de toepassing van het huidige recht is in de regio Rivierenland een regionale Nota Bodembeleid opgesteld.

Hierin is verder ingevuld in welke situaties welke type bodemonderzoek noodzakelijk is. Ook is hierin verder invulling gegeven aan de mogelijkheden en randvoorwaarden voor afvoer, hergebruik en opslag van grond en baggerspecie. De bodemkwaliteitskaart, bodemfunctiekaart en het gebiedsspecifiek beleid maken onderdeel uit van de regionale nota bodembeheer. Op dit moment wordt op regionaal niveau onderzocht welke regels er in het permanente omgevingsplan nodig zijn voor een beleidsneutrale verhuizing. De gemeenteraad zal hier separaat aan het nieuwe omgevingsplan Kernen over geïnformeerd worden. 44

Voorstel Het aspect bodem niet meenemen in het omgevingsplan Kernen.

5.6

Externe veiligheid In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden eisen aan het Omgevingsplan gesteld ten aanzien van aangewezen risicobronnen en de bescherming van gevoelige objecten. De gevoelige objecten worden opgesplitst in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en locaties en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De risicobronnen worden aangewezen in bijlage VII van het Bkl. De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties worden aangewezen in bijlage VI van het Bkl. Zeer kwetsbare gebouwen De categorie zeer kwetsbare gebouwen is nieuw ten opzichte van het huidige recht. De gebouwen in deze categorie vielen eerder onder de categorie kwetsbare objecten. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen.

Het gaat om de volgende gebouwen:  woonfunctie voor 24-uurszorg  basisscholen  scholen voor minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking  dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking  gezondheidszorg met bedgebied (ziekenhuizen en verpleeghuizen)  kinderopvang  gevangenissen Kwetsbare gebouwen en locaties Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en kwetsbare locaties zijn locaties bestemd voor grote evenementen met meer dan 5.000 bezoekers of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om:  woonfunctie  bijeenkomstfunctie  kantoorfunctie  sportfunctie  middelbare scholen  gezondheidszorg zonder bedgebied  locatie voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. De instructieregels van het Bkl voor (beperkt) kwetsbare gebouwen zijn inhoudelijk vergelijkbaar met die in het huidige recht (Besluit externe veiligheid inrichtingen). De gemeenteraad kan in het omgevingsplan andere categorieën van gebouwen of locaties aanmerken als zeer kwetsbaar, kwetsbaar of beperkt kwetsbaar en gebouwen of locaties meer bescherming bieden.

45

Voorstel In het omgevingsplan Kernen gebruik maken van de indeling van gebouwen en locaties zoals het Bkl die voorstelt. Plaatsgebonden risico In het Bkl worden instructieregels gegeven over het plaatsgebonden risico bij risicoactiviteiten. Voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties moet het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar in acht worden genomen en bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met dit plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen deze plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties slechts na een zwaarwegende motivering mogen worden toegestaan. Dit komt overeen met het huidige recht. Nieuw is dat in een omgevingsplan ook veiligheidsafstanden vanaf meldingsplichtige activiteiten met EV-risico’s in acht genomen moeten worden. Enkele van deze veiligheidsafstanden (voor zover gelegen buiten het eigen terrein) zijn als veiligheidszone in de huidige bestemmingsplannen opgenomen.

Voorstel Overeenkomstig de huidige systematiek in het bestemmingsplan Kernen in het omgevingsplan Kernen de plaatsgebonden risicocontour en veiligheidsafstanden van risicoactiviteiten aanduiden (voor zover gelegen buiten het eigen terrein) en regelen dat binnen de contour geen nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties zijn toegestaan. Groepsrisico Het Bkl introduceert zogenaamde aandachtsgebieden rond risicobronnen. Deze aandachtsgebieden zijn nieuw ten opzichte van het huidige recht. Als aandachtsgebied externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De aandachtsgebieden gelden op grond van de Omgevingswet en Bkl en hoeven niet in het omgevingsplan aangewezen te worden. Het aanwijzen van de aandachtsgebieden heeft echter wel een communicatieve functie naar zowel inwoners als naar de eigen organisatie. Uitgangspunt voor het nieuwe omgevingsveiligheidsbeleid is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen die aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn.

Een (deel van een) brand- of explosieaandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen het voorschriftengebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving aanvullende bouwvoorschriften (verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. Dit is in Neder-Betuwe in ieder geval op één locatie het geval (zie hieronder). De aandachtsgebieden in en nabij de kernen zijn geïnventariseerd (zie bijlage). Binnen de brand- en explosieaandachtsgebieden worden nieuwe zeer kwetsbare 46

gebouwen verboden. Voor de aanwezige maatschappelijke functies binnen de aandachtsgebieden betekent dit dat een verkleuring naar een zeer kwetsbaar gebouw wordt verboden (bijvoorbeeld van middelbare school naar basisschool). Dit heeft in Neder-Betuwe echter geen consequenties. Voorstellen  De brand- en explosieaandachtsgebieden in het omgevingsplan begrenzen.  Binnen deze aandachtsgebieden in het omgevingsplan geen nieuwe zeer kwetsbare gebouwen toestaan.  In Neder-Betuwe tenminste één voorschriftengebied in het omgevingsplan aanwijzen. Concreet betekenen deze voorstellen dat:  Binnen het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied van het LPGtankstation aan de Spoorstraat 4 te Kesteren, binnen de bestemming “Maatschappelijk”, met functieaanduiding “specifieke vorm Maatschappelijk – 2” (de Schutse, Stationsstraat 30 te Kesteren) een voorschriftengebied aanwijzen, omdat hier sprake is van een zeer kwetsbaar gebouw. Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw gelden dan extra bouwtechnische voorschriften. Toelaten en uitbreiden risicobronnen De instructieregels op het vlak van externe veiligheid hebben naast de bescherming van kwetsbare gebouwen ook betrekking op het toelaten van nieuwe of de uitbreiding van bestaande risicobronnen.

In de systematiek van de bestemmingsplannen (zowel die van de kernen als die voor de bedrijventerreinen) worden de bestaande risicovolle inrichtingen aangeduid en toegestaan. Uitbreiding van deze bestaande risicovolle inrichtingen is binnen de bestemmingsplannen niet toegestaan indien het plaatsgebonden risico daarmee groter wordt dan het bouwperceel of dan is aangeduid op de verbeelding. Het begrip risicovolle inrichting komt onder de Omgevingswet niet terug. In bijlagen VII t/m X van het Bkl is aangegeven wat er onder een risicobron wordt verstaan. Deze opsomming van risicobronnen is ruimer dan het begrip risicovolle inrichting zoals dat in de bestemmingsplannen wordt gehanteerd. Daarnaast moet bij sommige activiteiten met EV-risico’s rekening worden gehouden met grote aandachtsgebieden. Deze kunnen de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen beperken. Ook zijn personen in (zeer) kwetsbare gebouwen op deze percelen mogelijk onvoldoende beschermd. Verder kunnen activiteiten met EV-risico’s soms leiden tot ongewenst vervoer van gevaarlijke stoffen door of nabij woonkernen. Voorstel In het omgevingsplan geen nieuwe risicobronnen toestaan en de uitbreiding van bestaande risicobronnen alleen toestaan als veiligheidszones, PR-contouren en aandachtsgebieden van een milieubelastende activiteit binnen het eigen terrein liggen.

5.7

Luchtkwaliteit Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels voor luchtkwaliteit als het gaat om:  de aanleg van een auto(snel)weg en een wegtunnelbuis, en 47

 de aanleg van wegen, spoor- en vaarwegen of het mogelijk maken van activiteiten die gevolgen hebben voor de verkeersintensiteit en het toestaan van bepaalde bedrijven in de aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Deze instructieregels zijn niet relevant voor het nieuwe omgevingsplan Kernen omdat de gemeente niet is aangewezen als aandachtgebied luchtkwaliteit (in de Omgevingsregeling) en het nieuwe omgevingsplan Kernen niet de aanleg van een auto(snel)weg en een wegtunnelbuis mogelijk maakt. De gemeente kan maatwerkregels stellen in het omgevingsplan over de luchtemissie van activiteiten. Voorbeelden zijn particuliere vuurkorven of het stoken van houtkachels. Deze activiteiten gaan we in het omgevingsplan onder een zorgplichtbepaling laten vallen met daaraan gekoppeld een bevoegdheid om in individuele gevallen van overlast maatwerkvoorschriften te kunnen nemen. Voorstel In het omgevingsplan een zorgplichtbepaling opnemen gekoppeld aan een bevoegdheid tot het nemen van maatwerkvoorschriften.

5.8

Lozingen De regels over het lozen van (huishoudelijk) afvalwater staan in het huidige recht in het Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah), het Activiteitenbesluit (voor zover uit een inrichting wordt geloosd) of in het Besluit lozingen buiten inrichtingen (Blbi). De wetgever gaat dit thema niet meer landelijk regelen zodat de regels uit deze AMvB’s moeten worden overgezet naar het gemeentelijke omgevingsplan. Per 1 januari 2024 maken deze regels dan ook onderdeel uit van de Bruidsschat en daarmee het Tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente NederBetuwe. Voorstel Deze regels in een thematische wijziging in één keer voor het hele grondgebied van de gemeente overzetten naar het permanente omgevingsplan. De regels over lozing nemen we niet mee in het nieuwe omgevingsplan Kernen.

5.9

Overige aspecten Naast de milieuregels die voortvloeien uit de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er milieuregels waarvoor geen landelijke instructieregels gelden maar waar de gemeente bij het maken van het omgevingsplan wel rekening moet houden. Deze aspecten bespreken we hieronder.

5.9.1

Spuitzonering Hoe is het nu geregeld? In de landelijke en provinciale wet- en regelgeving is niets opgenomen over spuitzones. Naar aanleiding van verschillende uitspraken van met name de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over ontwikkelingen nabij met name fruitboomgaarden is er een soort regel ontstaan. Deze ‘regel’ stelt dat, als er 48

minimaal 50 meter afstand tussen een gevoelig object (woning) en fruitboomgaarden wordt aangehouden, er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het is de verwachting dat deze lijn niet wijzigt door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In het bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe is voor een beperkt gebied (in de kern Opheusden achter woningen aan de Hamsestraat) een spuitvrije zone opgenomen. Binnen deze zone is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Is er nieuw beleid/regelgeving? Er is geen nieuw beleid en ook geen nieuwe regelgeving. Hoe gaan we het regelen in het omgevingsplan? Het opnemen van een spuitvrije zone op agrarische gronden in de nabijheid van woningen beperkt het bestaande planologisch toegestane gebruik van deze gronden. Bij nieuwe ontwikkelingen houdt de gemeente nu in de praktijk wel rekening met de (aanwezige en mogelijke) spuitzones. Het nieuwe omgevingsplan Kernen maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Daar waar nu een spuitvrije zone is opgenomen nemen we over. Voorstellen  Alleen de bestaande spuitvrije zone (in de kern Opheusden achter woningen aan de Hamsestraat) opnemen.  Verder geen zone of regeling opnemen om spuitzones te reguleren. 5.9.2

Ontplofbare Oorlogsresten Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor Ontplofbare Oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. In de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn geen regels opgenomen over ontplofbare oorlogsresten. De gemeente Neder-Betuwe heeft een bodembelastingkaart waarop verdachte locaties van explosieven staan aangegeven. Vrijwel de gehele gemeente is verdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. Bij het verrichten van werkzaamheden in de grond moeten we met name in het kader van de Arbowetgeving en de openbare orde en veiligheid rekening houden met ontplofbare oorlogsresten. In de toelichting bij het omgevingsplan wordt hier aandacht aan besteed. Voorstellen  In het omgevingsplan geen regeling opnemen voor niet gesprongen explosieven. Er is op dit moment geen basis (beleid) voor het stellen van een dergelijke regeling. Op het moment dat er beleid wordt vastgesteld kunnen we dit aspect alsnog in het omgevingsplan opnemen.  De bodembelastingkaart wel opnemen in het omgevingsplan.

Hierdoor wordt de kaart voor inwoners raadpleegbaar via de landelijke voorziening van het DSO.

49

6 6.1

Wijzigingsbevoegdheden en afwijkingen Wijzigingsbevoegdheden Hoe is het nu geregeld? In het bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen als aan de voorwaarden zoals in de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen wordt voldaan. In het bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe zijn de volgende wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Bestemming Centrum Centrum Horeca Horeca Wonen en Wonen - 1 Wonen Algemeen Wonen - 1 Waarde - Archeologie

Wijzigingen naar Horecabedrijf toestaan Wonen op de begane grond Een zwaardere horecacategorie toestaan Horeca op de verdieping toestaan Wijzigen situering bouwvlak Eén extra woning toestaan op een perceel Een hogere goot- en bouwhoogte toestaan Andere bouwwijze De archeologische zone aanpassen

Is er nieuw beleid/regelgeving? De Omgevingswet kent het instrument wijzigingsbevoegdheid niet meer. Het is wel mogelijk dat de gemeenteraad bepaalde wijzigingen van het omgevingsplan delegeert aan het college. Hoe gaan we het regelen in het omgevingsplan? De raad kan een delegatiebesluit nemen zodat het college het omgevingsplan kan wijzigingen, voor die situaties waar in de geldende bestemmingsplannen een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen. Nu kan het college ook een wijzigingsplan vaststellen. Voorstel Het wijzigingen van het omgevingsplan voor die situaties die nu met een wijzigingsbevoegdheid mogelijk zijn delegeren aan het college onder de voorwaarden zoals die nu in het bestemmingsplan zijn opgenomen.

6.2

Afwijkingen Hoe is het nu geregeld? In bestemmingsplannen zijn mogelijkheden opgenomen om met een omgevingsvergunning, onder voorwaarden, af te wijken van het bestemmingsplan. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn opgenomen om beperkte afwijkingen toe te staan maar er nog wel een toets kan plaatsvinden of er aan de voorwaarden voldaan wordt. Bestemming Bedrijf

Afwijking Staat van bedrijfsactiviteiten – andere categorie ten aanzien van verkeersaantrekkende werking 50

Bedrijf Detailhandel Groen Maatschappelijk Leiding - Riool Waarde - Archeologie Waarde - Beschermd dorpsgezicht Waterstaat - Waterkering Waterstaat - Waterkering Waterstaat - Waterlopen aanduiding vrijwaringszone - dijk 1 Algemeen Algemeen Algemeen Algemeen

Staat van bedrijfsactiviteiten – bedrijf die niet in de lijst voorkomt of in een andere categorie zit Dienstverlening op de begane grond Nieuwe parkeervoorzieningen en in- en uitritten Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak Bouwen ten behoeve van andere bestemming Bouwen ten behoeve van andere bestemming Hoofdvormgeving van gebouw/bouwwerk veranderen Bouwen ten behoeve van andere bestemming Uitvoering van het project Bouwen ten behoeve van andere bestemming Bouwen ten behoeve van andere bestemming Langduriger evenementen Publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten Bed & breakfast Jongerenontmoetingsplaats

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13422529/1