CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2i - Bijlage 9 bij de toelichting - Inventarisatie beschermde soorten

Raadsvergadering 25 april 2024, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Dodewaard, Dalwagen 78b (MFC)’12.573 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

7

35

Conclusies en aanbevelingen Tijdens de inventarisatie zijn drie soorten vleermuizen en Steenmarter aangetroffen (zie Tabel 7). Van Gewone dwergvleermuis is ook een verblijf gevonden. Daarnaast is één waarnemingen van een vogel met een jaarrond beschermd nest gedaan, namelijk Steenuil.

Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties binnen het plangebied. Vogels

Roofvogels/uilen met jaarrond beschermd nest

Aanwezig

Verblijf (aantal)

Essentieel leefgebied

Ja (Steenuil)

nee

nee

nee

nee

nee

ja

nee

ja

Verblijf (aantal, type)

Foerageergebied

Essentieel foerageergebied

Vliegroute

Essentiële vliegroute

1 zv nee nee

ja ja ja

nee nee nee

nee ja ja

nee nee nee

Marterachtigen Kleine marterachtigen (Wezel, Hermelijn, Bunzing) Steenmarter Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis

 In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen, zoals de Zwarte kraai en Grote bonte specht. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot eind juli.  In het plangebied is Steenmarter vastgesteld. Indien ingrijpende werkzaamheden worden verricht aan de bosschages en struwelen in het plangebied, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

36

worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen wordt een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.  In het plangebied is een verblijvende vleermuis aangetroffen. Het gaat om Gewone dwergvleermuis. Indien werkzaamheden worden verricht aan of nabij het gebouw waarin deze verblijfplaats is aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (Waboprocedure) of een ontheffing (ontheffingsaanvraag Wnb). Zie ook Bijlage 4.5.1.  Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.

 De in het onderzoek vastgestelde vliegroute in het plangebied is op grond van de daar gevonden aantallen vleermuizen en vergelijkbare lijnelementen in de omgeving, die als alternatief gebruikt kunnen worden, niet beoordeeld als ‘essentieel’ en wordt niet in betekenende mate beïnvloed door de plannen.  Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht (zie Bijlage 4.1.1).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

8

37

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BARATAUD, M., Y. TUPINIER, H. LIMPENS & A C. BETAIN, 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Biotope editions, Publications scientifiques du muséum. ISBN 9782366621440. BIJLSMA, R.G., HUSTINGS F. & C.J. CAMPHUYSEN, 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht. BRIGGS, B. & D. KING, 1998. The Bat Detective. A fieldguide for bat detection. Stag Electronics, West Sussex. BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., A. KIEFFER, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij. Zeist. DIJK A.J. VAN & A. BOELE, 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion uitgevers B.V., Baarn. HOLLANDER, J.C.H. DEN, 2022. Quickscan MFC Dodewaard. RANA22B0. Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V., Leimuiden. HUSTINGS F., BORGGREVE C., VAN TURNHOUT C. & THISSEN J. 2004. Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels volgens Nederlandse en IUCN-criteria. SOVON-onderzoeksrapport 2004/13. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding.

Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. KWAK, R. VAN, BEUSEKOM, R. VAN, FOPPEN, R., LOUWE KOOIJMANS, J. & DE PATER, K. 2018. Bedreigde vogels van Nederland. Vogels van de Rode Lijst in hun leefgebied. KNNV uitgeverij, Zeist. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. BOUWENS, S., 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. In opdracht van provincie Noord-Brabant. 2017.32, Zoogdiervereniging SIERDSEMA, HENK, 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

38

Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. WISMEIJER, H., 2002. Zoogdieren van Europa. ANWB bv/ TIRION Uitgevers bv, Baarn.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

39

9

Bijlagen

Bijlage 1

Kaart uitgezette materialen t.b.v. van het onderzoek naar marterachtigen Verspreidingskaart Steenmarter Verspreidingskaarten vleermuizen Huidige natuurwetgeving

Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Bijlage 1 Kaart uitgezette materialen t.b.v. van het onderzoek naar marterachtigen

C1 St C2

1 2

0

3 4 5

45 Meters

Meervleermuis Dodewaard Legenda Dalwagen 78B

© Kadaster Nederland

Verspreidingskaart 2023

Kraam-Zomerronde 1

C1 = cameraval (nr.) Kraam-Zomerronde 2 St = Struikrover Kraam-Zomerronde 3 Middernachtzwermen Sporenbuizen (nr.)

" !

Paarverblijf Zomerverblijf

^ Kraamverblijf ! .

Winterverblijf

Paarronde 1

foerageergebied

Paarronde 2

vliegroute

Van der Goes en Groot

±

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

! 1

! 2-5

!

!

!

6-10 11-25 >25

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Bijlage 2 Verspreidingskaart Steenmarter

Steenmarter (4 beelden) Steenmarter (3 beelden)

0

45 Meters

Meervleermuis Dodewaard Legenda Dalwagen 78B

© Kadaster Nederland

Verspreidingskaart 2023

Kraam-Zomerronde 1

Steenmarter op2 cameraval Kraam-Zomerronde

(aantal gemaakte beelden)

Kraam-Zomerronde 3

Middernachtzwermen

" !

Paarverblijf Zomerverblijf

^ Kraamverblijf ! .

Winterverblijf

Paarronde 1

foerageergebied

Paarronde 2

vliegroute

Van der Goes en Groot

±

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

! 1

! 2-5

!

!

!

6-10 11-25 >25

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Bijlage 3 Verspreidingskaarten vleermuizen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Bijlage 4 Huidige natuurwetgeving Bijlage 4.1 Wet Natuurbescherming (Wnb) De Wet Natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 4.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 4.2 Soortbescherming Bijlage 4.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 4.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 8.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

ZL

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ + + +

+ + + +

+ + +

+

+

+

+

+

+

+ +

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + +3 + +4 + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

+ +

+

+ +

Dalwagen 78B te Dodewaard

Bijlage 4.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 4.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 4.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 4.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 4.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig:  in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid.  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.  ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.

 ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 4.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘jaarrond beschermde broedvogels’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 1 = soorten die ook buiten het 4 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 2 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 3 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 4 bebouwing of biotoop, 2 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 3 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 4 afhankelijk van bebouwing, 1 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken. 4

De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken! Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen.

Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Bijlage 4.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.

Bijlage 4.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 4.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.

Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.

Bijlage 4.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 4.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 4.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.

Bijlage 4.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

Zie Bijlage 4.2.1

Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing

ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 4.2.2 ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 4.2.3

ghhghj

Zie Bijlage 4.2.3 ghhghj Geen ontheffing mogelijk ghhghj

Ontheffing onder voorwaarden mogelijk ghhghj

kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 4 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 4.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Dalwagen 78B te Dodewaard

ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:  Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.  Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd.

Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-198

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13934262/1