CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - Toelichting

Raadsvergadering 7 december 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Tielsestraat 85c Opheusden’14.933 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

beschikken niet over een groepsrisicocontour. Wel zijn explosie aandachtsgebieden in kaart gebracht, deze zijn op afbeelding 5.1 aangegeven met de oranje contouren. Het plangebied ligt op ruim voldoende afstand van de LPG inrichtingen. 5.4.3

Conclusie

Het initiatief is in overeenstemming met de wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied is gelegen in een gebied dat wordt gekenmerkt door diverse functies. Aan de Tielsestraat liggen hoofdzakelijk bedrijven, agrarisch en niet-agrarisch, met daarbij behorende bedrijfswoningen maar ook reguliere woningen. Ook nabij gelegen is een maatschappelijke functie in de vorm van een begraafplaats en uitvaartcentrum. Door deze functiemenging is het plangebied aan te merken als omgevingstype ‘gemengd gebied’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden voor zowel een rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

26

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De beoogde opslagfunctie kan worden gekwalificeerd zijnde milieucategorie 2. Anderzijds is er een vergunning verleend voor het in werking hebben van een houtzagerij. Een houtzagerij wordt aangemerkt zijnde categorie 3.2 bedrijf, waarvoor in het omgevingstype ‘gemengd’ gebied een richtafstand van 50 meter geldt. Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling breidt het bedrijfsperceel zich in zuidelijke en westelijke richting uit. Ten zuiden bevinden zich binnen 50 meter geen milieugevoelige functies. Het bedrijfsperceel komt als gevolg van de uitbreiding wel dichter op de woning aan de Tielsestraat 85b te liggen. De afstand tussen het bedrijfsperceel en dit woonperceel bedraagt als gevolg van de uitbreiding circa 45 meter. De daadwerkelijke afstand tussen het beoogde bouwvlak en deze woning bedraagt 58 meter. Geluidsgevoelige activiteiten, zoals het laden en lossen zullen daarnaast inpandig plaatsvinden.

Daarom wordt aangenomen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden geen nieuwe milieugevoelige functies opgericht. Daarmee is geen sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

27

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

In het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Het voornemen levert dan ook geen extra belemmeringen op voor de bedrijfsvoering van omliggende agrarisch bedrijven. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond plannen die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt op circa 750 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Van directe negatieve efecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijk toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht worden. Van Weesteren Adviseurs Ruimtelijke Ontwikkeling heeft daarom een BJZ.nu Bestemmingsplannen

28

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

AERIUS-berkening uitgevoerd. Deze is als Bijlage 3 bijgevoegd. Uit de berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdeposititie op Natura 2000-gebieden. Negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn dan ook uit te sluiten. Er is geen Wet natuurbeschermingsvergunning nodig. 5.7.1.2 Gelders Natuurwerk Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN. De gronden welke zijn aangemerkt als GNN liggen op circa 750 meter afstand vanaf het plangebied. Er is geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van geluidverstoring, verlichting of stikstofdepositie. Gelet op vorenstaande en vanwege de lokale invloedsfeer wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect heeft op gronden die behoren tot het GNN. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.2.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is sprake van de sloop van een bedrijfsgebouw en de demontatie en heropbouw van een tweede bedrijfsgebouw. Het gebrek aan opening en kieren in beide gebouwen, de huidige inrichting, het grotendeels bestrate erf en intensieve beheer maken het plangebied tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. Daarnaast wordt er geen beplanting gerooid ten behoeve van het voornemen. Gelet op het vorenstaande wordt een natuurwaardeonderzoek niet noodzakelijk geacht. Opgemerkt wordt dat ten alle tijde rekening wordt gehouden met de zorgplichtingbepaling uit de Wet natuurbescherming. Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving.

Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. 5.7.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het plan in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake ecologie.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

29

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van plannen waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is gelegen binnen gronden die zijn aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 5’, in de planregels is bepaald dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een nieuw te bouwen oppervlak van 2.000 m². In voorliggend geval wordt het bestaande bedrijfsgebouw gedemonteerd, opnieuw opgebouwd en uitgebreid tot circa 4.200 m2 . Hoewel dit oppervlak de onderzoeksgrens uit de dubbelbestemming overschrijdt, wordt deze bebouwing toegevoegd op reeds verharde ondergrond.

De gronden zijn daardoor reeds geroerd waardoor het niet waarschijnlijk is dat zich hier archeologische resten bevinden. Ook zullen geen werkzaamheden plaatsvinden, dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, in of nabij het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Ook kent het plangebied zelf geen cultuurhistorische waarden. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op de archeologische waarden. Daarnaast kent het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

30

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 750 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit is ook gebleken uit de stikstofberekening (zie paragraaf 5.7). Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. De beoogde ontwikkeling is opgenomen in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage, namelijk: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”.

Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

31

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

In de nota van toelichting op het Besluit m.e.r wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook dorpen hieronder vallen. Wat stedelijke ontwikkeling inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” In een uitspraak uit 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een (standaard) beoordelingskader voor de kwalificatie van stedelijke ontwikkelingsprojecten gegeven. De Afdeling stelt voorop dat het begrip “stedelijk ontwikkelingsproject” ruimte voor interpretatie laat. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Op basis van jurisprudentie is gebleken dat deze concrete omstandigheden van het geval kunnen worden beoordeeld aan de hand van verschillende aspecten. Concreet gaat het onder andere om aspecten zoals: de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen (functie)wijziging, en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden.

De concrete plannen zien immers toe op de uitbreiding van een bestaand bedrijf. Daarbij wordt een nieuwe bouwmogelijkheid gecreëerd voor het bouwen van een bedrijfsgebouw van circa 4.000 m2 . Dit oppervlakte ligt ruim onder de in voorgaande paragraaf genoemde drempelwaarden. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Zo voorziet dit bestemmingsplan in de uitbreiding van de bestemming 'Bedrijf' van circa 7.000 m2 , terwijl pas bij 20 hectare bedrijfsvloeroppervlakte of meer sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Zo wordt er geen nieuw bedrijf toegevoegd en betreft het enkel een uitbreiding die met name is benodigd voor de opslag van materiaal waarmee geen extra verkeersbewegingen gemoeid zijn. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan en er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan MER noodzakelijk maakt.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

32

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde en duurzame watersystemen. Het Waterschap Rijn en IJssel laat in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten het waterschap in de samenwerking met haar partners wil leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden: het (grond)waterpeil te beheren; rioolwater te zuiveren; zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en stevige dijken. 6.1.3

Provinciaal beleid

Het Regionaal waterprogramma 2021-2027 bevat het waterbeleid van de provincie. Hierin beschrijft de provincie haar doelen, hoe ze deze wil bereiken en met welk pakket aan acties en maatregelen. Daarnaast wordt in het programma de integrale en strategische visie en het beleid op het gebied van regionaal waterbeheer beschreven. 6.1.4

Waterschap Rivierenland

'Versterken. Verbinden. Vergroenen.' is de titel van het waterbeheerprogramma 2022-2027 van waterschap Rivierenland. Hierin staat hun rol omschreven als deskundige en omgevingsbewuste partner om mee samen te werken en hoe ze hun dagelijks beheer van water en dijken bewerkstelligen. Tevens opgenomen is het beleid betreft overstromingen, extreem weer, hoe wordt gewerkt aan schoon water en hoe toegewerkt moet worden naar klimaat- en energieneutraliteit en circulariteit.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

BJZ.nu Bestemmingsplannen

33

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Rivierenland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van toepassing is. Doordat in voorliggend geval meer dan 1.500 m2 aan verharding wordt toegevoegd dient hiervoor gecompenseerd te worden. Zodoende is in overleg met het waterschap de waterhuishouding in de beoogde situatie als volgt geregeld: Hierna is de berekening opgenomen, hoe de benodigde compensatie is berekend. Er is sprake van een toename van 7.290 m² x 436 m³/10.000 m² = 318 m³. Waarna vervolgens 318 m³/0,3 = 1.059 m² aan nieuw oppervlaktewater noodzakelijk. Dit zal geschieden door de watergang te verbreden over een lengte van 574 meter met een breedte van 1,85 meter. 574 x 1,85 = 1.062 m² nieuw oppervlakte water. Hiermee vind er voldoende watercompensatie plaats. Watercompensatie vindt plaats door de c-watergang en greppel te verbreden. Deze zal tevens worden voorzien van een natuurvriendelijke oever door de aanplant van onder andere knotwilgen. In Bijlage 4 is hiervan een overzicht opgenomen, afbeelding 6.1 is hier een uitsnede van. Om de compensatie van verharding juridisch te borgen is hiervoor in de regels en verbeelding van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Afbeelding 6.1: Verbeelding compensatie verharding (Bron: Van Westreenen)

BJZ.nu Bestemmingsplannen

34

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

6.2.3

Klimaatadaptatie

Hittegolven, hoosbuien en droogte zijn inmiddels bekende gevolgen van de niet meer te ontkennen klimaatverandering en gaan vaak gepaard met aanzienlijke schade en risico’s voor economie, gezondheid en veiligheid. Om schadelijke gevolgen van klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan, is voor klimaatadaptatiemaatregelen een belangrijke rol weggelegd. 6.2.3.1 Klimaatadaptatiebeleid In het Deltaprogramma worden telkens vier belangrijke effecten van de klimaatverandering genoemd: wateroverlast; droogte en waterveiligheid (overstromingen). hittestress; Klimaatadaptatiemaatregelen zullen moeten bijdragen aan het terugdringen of ten minste beheersbaar houden van deze effecten. Om wat voor maatregelen gaat het? Een aantal voorbeelden: 1. 2. 3.

Extra waterberging in gecreëerde ‘wadi’s’ of afvoer naar zaksloot/ watergang. Gescheiden waterafvoersystemen om overbelasting van het riool te voorkomen. Meer bomen planten en nieuwbouw met lichte gekleurde daken uitvoeren of met minder ramen op het westen/oosten of met buitenzonwering voor alle ramen op de oost-, zuid- en westgevels om hittestress te beperken.

6.2.3.2 Extra waterberging Door de klimaatverandering worden regenbuien intensiever, neemt de kans op wateroverlast toe en wordt de riolering meer belast. Daarnaast wordt door de warmere periodes het thema verdroging steeds belangrijker. Echter door bebouwing wordt steeds meer oppervlak verhard waardoor regenwater niet meer kan infiltreren in de bodem. Hierdoor neemt de druk op de capaciteit van het riool toe. Omdat hemelwater in principe schoon water is kun je het ook slim gebruiken. Daarom is bij de realisatie van dit een ontwerp gemaakt dat al het regenwater afgevoerd wordt naar te graven sloot. Deze watergang/sloot dragen bij aan een natuurlijkere waterhuishouding en zorgen ervoor dat regenwater blijft waar het valt, ze helpen het grondwaterpeil hoger te houden en ontlasten de riolering. 6.2.3.3 Aanleg groen Met de aanleg van groen kun je vaak al veel schade en overlast door klimaatverandering tegengegaan. Als je op de juiste manier groen aanlegt, kan het helpen tegen wateroverlast en hitte. Verder maakt groen een terrein niet alleen klimaatbestendiger, maar ook biodiverser en aantrekkelijker. Het is belangrijk om rekening te houden met schaduw en licht, maar ook met de bodem en ondergrond. Doordat het terrein voor een groot deel bestaan uit verhardingen, stroomt regenwater snel naar het laagste punt.

Dat kan leiden tot schade en overlast in panden, op (parkeer)terreinen en wegen. Meer groen kan de wateroverlast verminderen, doordat groen het regenwater afvangt en er meer water wegzakt (infiltreert) in de bodem. Als het nodig is, kun je de groene maatregelen aanvullen met technische maatregelen, zoals waterberging via wadi’s. 6.2.3.4 Beperking hittestress Door de grote hoeveelheid verhardingen kan het op terrein en de gebouwen erg heet worden. Bij hitte kunnen mensen niet goed meer werken. Ook bepaalde machines en producten kunnen niet tegen te hoge temperaturen. Hitte kun je tegengaan door lichte kleuren te gebruiken voor daken, gevels, gebouwen en verhardingen. Ook slimme keuzes voor schaduw, zoals zonwering, kunnen de opwarming aanzienlijk verminderen. In het plangebied wordt dit voorkomen door de aanleg van groen, en dit komt tot uiting in de landschappelijke inpassing van het geheel (zoals reeds in hoofdstuk 3.1 en 3.2 uitgebreid is beschreven).

BJZ.nu Bestemmingsplannen

35

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

6.2.4

Conclusie

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

36

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische aspecten en planverantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

7.2.2

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, BJZ.nu Bestemmingsplannen

37

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

etc.); wijzigingsbevoegdheid: op welke onderdelen Burgermeerster en wethouders het plan kunnen wijzigen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Tevens worden vormen van strijdig gebruik beschreven. Algemene aanduidingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de beschrijvingen van de specifieke aanduidingen binnen het bestemmingsplan beschreven. Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan te wijzigen. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Op basis van de geldende bestemmingsplannen zijn binnen het plangebied de bestemming ‘Bedrijf’ en 'Agrarisch' overgenomen, met dien verstande dit inhoudelijk in de regels enkele wijzingen hebben plaatsgevonden. De bestemming 'Groen' is komen te vervallen. Daarnaast zijn de gronden in het plangebied (net zoals in het geldende bestemmingsplan) voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' en de aanduidingen 'vrijwaringszone - weg' en 'specifieke vorm van bedrijf - houthandel'.

Ten slotte is een bouwvlak opgenomen ten behoeve van de beoogde bedrijfsbebouwing. 'Agrarisch' (Artikel 3) De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor grond gebonden agrarische BJZ.nu Bestemmingsplannen

38

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

productie, teelt en het houden van dieren met daarbij behorende voorzieningen. Doordat de bestemming agrarisch niet beschikt over een bouwvlak, zijn de bouwmogelijkheden beperkt. 'Bedrijf' (Artikel 4) De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn dankzij de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houthandel' uitsluitend bestemd voor een houthandel, met bijbehorende voorzieningen en opslag, bewoning en landschappelijke beplanting. Nieuwe bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. 'Waarde - Archeologie 5' (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden. In de bouwregels is bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Als uitzondering hierop is onder andere gegeven: wanneer de totale bebouwde oppervlakte kleiner is dan 2.000 m2 , of niet dieper gaat dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

39

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een planschadeafwentelingsovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Neder-Betuwe. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

40

BP 'Tielsestraat 85c Opheusden' vastgesteld

Hoofdstuk 9

9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

Vooroverleg en inspraak

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Gelderland

Het voorgenomen plan wordt met de provincie in het kader van vooroverleg besproken. 9.1.3

Waterschap Rivierenland

Het waterschap is geïnformeerd over het voornemen door gebruik te maken van de digitale watertoets. Verwezen wordt naar de watertoetsprocedure opgenomen in subparagraaf 6.2.2.

9.2

Inspraak

Gelet op de omvang en de impact van het initiatief wordt een inspraakprocedure niet noodzakelijk geacht.

9.3

Zienswijzen

Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13417808/1