Bijlage 2 - Toelichting, regels en bijlagen
Tekst van het document
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van de te realiseren gevoelige bestemmingen (scholen) en de woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Op basis van de rekenresultaten uit de NIBM-tool en de resultaten uit tabel 4.4.2 kan gesteld worden dat de toename van het verkeer ten gevolge van het plan tevens niet tot een norm-overschrijding van de grenswaarde zal leiden. De toename van NO2 en PM10 ten gevolge van het totale verkeer van het plan is respectievelijk maximaal 1,79 µg/m3 en 0,50 µg/m3. Met een bestaande achtergrondconcentratie van 18,7 (NO2) en 16,7 (PM10) zal de toename van het verkeer derhalve niet leiden tot een concentratie hoger dan de grenswaardes van 40 µg/m3.
34
4.4.3
Conclusie
Op basis van het onderzoek luchtkwaliteit kan gesteld worden dat er voor het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen gelden voor de doorgang van het bestemmingsplan. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor de concentratie verontreinigende stoffen in de lucht ter plaatse van de gevoelige bestemmingen en de woningbouw wordt tevens ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Ook met de toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van het plan worden de grenswaarden bij lange na niet overschreden.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: y ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; y rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.5.2
Onderzoek
In de beoogde situatie worden een kerk, een school met gymzaal en woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie en een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Er heeft een quickscan bedrijven en milieuzonering plaatsgevonden, zie bijlage 15. Daarin wordt geconcludeerd dat zowel binnen het plan Betuwestraat-Noord als in de omgeving matige functievermenging plaatsvindt van horeca, bedrijven en maatschappelijke functies. Daarnaast is het plangebied pal gelegen aan drukke wegen: de Cuneraweg (N233) aan de oostzijde en de Betuwestraatweg aan de zuidzijde. Beide vallen onder 'hoofdinfrastructuur'. Derhalve wordt het gebied getypeerd als een gemengd gebied. Bestemmingen binnen het plan Om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen dient te worden aangetoond dat woningen in de omgeving en de geplande woningen geen belemmering zullen ervaren van de situering van de kerk en school. Daarnaast geldt ook dat de kerk en school niet worden beperkt in eventuele toekomstige activiteiten. Voor een school en kerk geldt milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. In figuur 4.1 is een plattegrond met daarin de geplande woningen, nevenfuncties en richtafstand weergegeven.
De kanttekening dient gemaakt te worden dat de inrichting van het plan zoals weergegeven in figuur 4.1 niet definitief is. De situatie die in figuur 4.1 is weergegeven is daarentegen representatief voor alle andere posities van de school en kerk. Met andere woorden, indien blijkt dat in deze variant de richtafstanden behaald worden, kan dit gelden voor alle andere situaties.
35
Figuur 4.5.1 Richtafstanden school en kerk weergegeven met de rode lijn Uit figuur 4.5.1 kan geconcludeerd worden dat de richtafstand tot de school en kerk behaald wordt. Derhalve kan worden gesteld dat gevoelige bestemmingen in de omgeving (zowel binnen- als buitenplas) geen belemmering ervaren ten gevolge van de nevenfuncties. Aanvullend onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Wanneer de inrichting van het plan wijzigt wat betreft positionering van school en kerk zal dit geen effect hebben op deze conclusie. De grootste richtafstand van 10m dient gerespecteerd te worden, dit zal geen belemmering geven in dit plan.
36
Bestemmingen binnen 200 meter van het plangebied In figuur 4.5.2 zijn de richtafstanden tot en met 200 meter rondom het plangebied geprojecteerd. Hierbij zijn ook mogelijk relevante bestemmingen genummerd. Deze bestemmingen worden onder figuur 4.5.2 nader toegelicht.
Figuur 4.5.2 Relevante bestemmingen binnen 200 meter tot het plangebied Op circa 150 meter ten zuidwesten (nummer 1 in figuur 4.5.2) van het plan is een bestemming 'gemeentewerf en gsm-mast' gelegen. Voor dergelijke bestemmingen geldt milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied geldt. Derhalve zorgt deze bestemming niet voor belemmeringen en wordt nader onderzoek voor deze bestemmingen niet noodzakelijk geacht. Op circa 150 meter ten oosten (nummer 2 in figuur 4.5.2) van het plan is een voetbalvereniging gelegen, waarvoor milieucategorie 3.1 geldt. Voor een dergelijke bestemming geldt volgens de VNG-brochure een richtafstand van 30 meter. Derhalve zal ook deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Op circa 150 meter ten noorden (nummer 3 in figuur 4.5.2) van het plan is bedrijf gelegen met als bestemming 'bedrijf – agrarisch verwant' gelegen. De bestemming heeft de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – ch' en 'specifieke vorm van bedrijf – vbg'. Aansluitend bij deze specifieke functieaanduiding zullen de activiteiten ter plaatse van deze bestemming voortkomen uit het vervaardigen, bewerken, verkopen en opslaan van goederen die verband houden met de agrarische sector. Daarnaast vindt de handel plaats van caravans.
Voor de desbetreffende activiteiten geldt maximaal een milieucategorie 3.1. Met een richtafstand van 30 meter zal ook deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
37
In een bereik tot 300 meter afstand van het plan zijn diverse andere bestemmingen gelegen. Echter valt geen van deze bestemmingen te categoriseren in een voor het plangebied relevante milieucategorie. Derhalve zorgen deze bestemmingen niet voor de belemmering van het plan en wordt nader onderzoek voor deze bestemmingen niet noodzakelijk geacht. Bestemmingen op meer dan 200 meter van het plangebied Inrichtingen tot milieucategorie 4.2 kennen een richtafstand tot ten hoogste 300 meter. Op grotere afstand zijn derhalve alleen inrichtingen vanaf categorie 5.1 potentieel belemmerend in relatie tot het plangebied. De grootste richtafstand uit de VNG-publicatie bedraagt 1.000 meter voor een gemengd gebied. In figuur 4.5.3 is deze zone rond het plangebied weergegeven.
Figuur 4.5.3 Relevante bestemmingsplannen buiten de 200 meter van het plangebied In een bereik van 300 tot 1.000 meter afstand van het plan zijn diverse bestemmingen gelegen welke mogelijk relevant kunnen zijn (genummerd 4, 5 in figuur 4.5.3). Ter plaatse van aanduiding 4 (in figuur 4.5.3) is op circa 1.000 meter afstand een bedrijventerrein gevestigd. Volgend uit het bestemmingsplan is hier bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 3.2 toegestaan (richtafstand 50 meter in een gemengd gebied). Derhalve zal deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Op circa 900 meter van het plangebied is zijn meerdere bedrijfsbestemmingen gevestigd . Maatgevend van deze bestemmingen is het op- en overslagterrein dat gelegen is op deze locatie (nummer 5 in figuur 4.5.3). Voor dergelijke inrichtingen geldt een maximaal milieucategorie 5.1. Toebehorend aan milieucategorie 5.1 is een richtafstand van 300 meter in een gemengd gebied. Derhalve zal ook deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan.
38
In een bereik van 300 tot 1.000 meter afstand van het plan zijn diverse andere bestemmingen gelegen. Echter valt geen van deze bestemmingen te categoriseren in een voor het plangebied relevante milieucategorie. Derhalve zorgen deze bestemmingen niet voor de belemmering van het plan en wordt nader onderzoek voor deze bestemmingen niet noodzakelijk geacht. 4.5.3
Conclusie
Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en er worden geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Toetsingskader
y y y
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
39
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.6.2
Onderzoek
Voor het aspect externe veiligheid is een onderzoek uitgevoerd om de mogelijke scenario's inzichtelijk te maken, zie bijlage 12. Met behulp van de risicokaart kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. In figuur 4.6.1 is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.
Figuur 4.6.1 Uitsnede risicokaart met aanduiding locatie
40
Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen De hogedruk aardgastransportleidingen (nummers 5 in figuur 4.6.1.) ligt op meer dan 580 meter tot het plangebied. Derhalve worden geen belemmeringen verwacht. Risicovolle inrichtingen Uit het onderzoek blijkt dat gezien de afstanden van het plangebied tot risicovolle inrichtingen (nummers 1, 2, 3 en 4 in figuur 4.6.1.) geen belemmeringen worden verwacht. Binnen de grenswaarde van het plaatsgebonden risico Bevt (PR 10-6/jaar) worden geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd. Aan deze grenswaarde wordt dan ook voldaan. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het weg, het spoor en het water Op circa 1,8 kilometer ten zuiden van het plangebied is een spoorweg (nummer 5 in figuur 4.6.1) gelegen. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In tabel 4.6.2 zijn per bron de invloedsgebieden en aantallen transporten per stofcategorie weergegeven. Tabel 4.6.2 Overzicht invloedsgebieden en aantal transporten
Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de in tabel 4.6.2 lichtblauw gearceerde stofcategorieën. Op circa 20 meter afstand ten oosten van grens van het plangebied is de provinciale weg N233 gelegen waarover tevens vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gezien de afstand van de weg tot het plangebied (binnen 200 meter) moet het groepsrisico worden bepaald en is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Uit het onderzoek blijkt dat de oriëntatiewaarde en de 10% van de oriëntatiewaarde niet worden overschreden. Voor de N223 en de spoorweg kan derhalve worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording Analyse scenario Door een ongeval met een tankwagen op de spoorlijn kunnen giftige gassen (B3 en D4) vrijkomen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. Het maatgevend scenario op de provinciale weg is een BLEVE (tankwagen LPG) (een vuurbal en een drukgolf). De effecten van een warme BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Hierna wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden.
De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden van zelfredzaamheid, bestrijding van calamiteiten en bereikbaarheid.
41
Zelfredzaamheid Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Voor personen in de omgeving is het handelingsperspectief vluchten van toepassing (uit het zicht van de brand, onder dekking van objecten). Bij een calamiteit met giftige gassen dan wel een BLEVE is het handelingsperspectief verder binnen blijven en schuilen. Indien er schuilmogelijkheden zijn, is een schuilmogelijkheid binnenshuis een goed handelingsperspectief (niet nabij ramen). Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron en niet direct bij het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De brandweer kan door middel van waterschermverspreiding van een gifwolk vertragen. Daarnaast wordt zoveel mogelijk afstand gehouden tussen de (zeer) kwetsbare functies in het plangebied en de risicobronnen. De zone van 200 meter is de zone die het meest bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico.
De gronden met de aanduiding 'maatschappelijk', waarbinnen onder andere een school mogelijk is, is gelegen buiten de 200 meter zone van de N233. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid is in de gelegenheid gesteld om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen. Dit advies is op 9 januari 2023 opgesteld. Met het advies van de Veiligheidsregio en de te nemen maatregelen zullen de risico's zoveel mogelijk worden beperkt en wordt de ontwikkeling van het plan uit oogpunt van externe veiligheid verantwoord geacht. Geadviseerd wordt om de nieuwe bebouwing te voorzien van een centraal afschakelbare mechanische ventilatievoorziening. Dit is een goede maatregel voor het vergroten van de zelfredzaamheid bij een toxische wolk bij een calamiteit op de transportroutes. Deze maatregel wordt als voorwaardelijke verplichting in de planregels geborgd. 4.6.3
Conclusie
Maatgevend scenario is een calamiteit op de N233 dan wel een calamiteit op de spoorweg. Voor de onderbouwing van het groepsrisico zijn de vuistregels gehanteerd uit het Handleiding Risicoanalyse Transport (HaRT). Bij toepassing van de vuistregels blijkt dat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. De toepassing van een centraal afschakelbare mechanische ventilatievoorziening is in de regels geborgd.
4.7
Waterhuishouding
4.7.1
Toetsingskader
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van de beoogde ontwikkeling wordt overlegd gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
42
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het waterschapsbeleid en het gemeentelijk beleid nader worden behandeld. Europa: y Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: y Nationaal Waterplan (NW); y Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); y Waterwet. Provinciaal: y Omgevingsplan; y Provinciale Omgevingsvisie; y Omgevingsverordening. Waterschapsbeleid Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode van 2022-2027 willen bereiken, met wie, hoe en waarom. De missie is dat het waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Dit doen zij niet samen, maar met partners as burgers, gemeente en provincie en als deskundige partner. Er zijn 6 hoofddoelen geformuleerd en nader uitgewerkt, dit betreffen: y Beschermen tegen overstromingen. y Water eerlijk verdelen. y Voorbereiden op extreem weer. y Werken aan schoon water. y Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. y Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. y Toewerken naar circulariteit.
Bij het beschermen tegen overstromingen zijn als doelen voor de langetermijn gesteld dat in 2050 alle primaire waterkeringen aan de landelijke normen voldoen en dat in 2030 de boezemkades op orde zijn. Dit wordt onder andere behaald door te participeren in kennisprogramma/s en het monitoren van de keringen. Ook het water eerlijk verdelen zal onder andere door het monitoren gaan en het onderzoeken van mogelijkheden tot actieve voorraadvorming. Door kennis te vergroten op het gebied van effecten van klimaatverandering en met gebiedsgerichte oplossingen te komen kan er voorbereid worden op extreem weer. Uitvoeren van KRW-onderzoekprogramma zal bijdragen aan schoon water. Door in 2050 een grote diversiteit in het beheergebied, goede beleving van het rivierengebied, goede zwemwaterkwaliteit en beheer van vaarwegen als doelen te stellen, kan er worden gewerkt aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Door onder andere inzicht te verwerven in emissies en te kijken naar maatregelen kan er toegewerkt worden naar klimaat- en energieneutraliteit. Als laatst is als doel gesteld om in 2050 volledig circulair te werken. Dit wordt onder andere gedaan door het opstellen van een stoffenbalans zodat er niks verspild wordt. In de Beleidsregels van het waterschap is vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak.
Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). In het stedelijk gebied is de toename voor de eerste 500 m2 verhard oppervlak vrijgesteld van watercompensatie en voor het landelijk gebied is dit 1.500 m2.
43
Gemeentelijk beleid In de gemeente Neder-Betuwe is een gemeentelijk rioleringsplan (GRP) opgesteld voor de periode 2019-2023 [Ref.3]. De gemeente kiest ervoor om bij nieuwbouw altijd een gescheiden stelsel toe te passen. Waarbij afvalwater apart wordt ingezameld van het hemelwater. Verder worden de volgende eisen gesteld bij nieuwbouw: y In nieuwbouwprojecten wordt de norm gesteld dat er bij een bui van 100 mm in één uur geen water in de woningen mag komen. Door de ontwikkelaar dient aangetoond te worden dat dit niet gebeurd. De gemeente toetst of aan de norm voldaan wordt. y In nieuwbouw projecten wordt het vloerpeil minimaal 0,25 m boven as-weg (tonrond) of 0,35 m boven as-weg (V-profiel) aangelegd. Bij inbreidingen wordt een hoogteplan ter goedkeuring aan de gemeente overlegd. y Nieuwe hemelwatersystemen moeten een bui met een herhalingstijd van ten minste één keer per twee jaar verwerken zonder wateroverlast y Voor alle verharde oppervlakken waarvan het afstromende hemelwater niet of niet doelmatig op eigen terrein kan worden verwerkt biedt de gemeente een afvoermogelijkheid. De voorkeur hierbij gaat uit naar infiltratie in de bodem of afvoer naar oppervlaktewater (direct of indirect). y Nieuwbouw dient aangesloten te worden op het bestaande vuilwaterstelsel. 4.7.2 Onderzoek Voor de ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd, deze is bijlage 6 toegevoegd.
Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het noordwesten van Kesteren. Momenteel is de locatie bijna compleet onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Tabel 4.7.1 laat de bodemopbouw zien, in tabel 4.6 zijn de kenmerken van de grondwaterstand weergegeven. Tabel 4.7.1 Bodemopbouw planlocatie
Tabel 4.6 Kenmerken grondwaterstand nabij planlocatie
44
Waterkwantiteit Conform de Legger van Waterschap Rivierenland grenst het plangebied ten oosten en westen aan B-watergangen, zie figuur 4.7.1 Ten zuiden grenst een A-watergang. Een B-watergang heeft een beschermingszone van 1 meter en een A-watergang heeft een beschermingszone van 4 meter. Binnen deze beschermingszone geldt conform de Keur van Waterschap Rivierenland beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.
Figuur 4.7.1 Uitsnede Legger oppervlaktewater waterschap Rivierenland Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is momenteel aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt een nieuw woonwijk, een kerk en een basisschool gerealiseerd.
45
Bodem en grondwater Nieuwe ontwikkelingen dienen geen negatieve invloed te hebben op de grondwaterstand en de grondwaterkwaliteit. Bij aanleg van infrastructuur is een minimale ontwateringsdiepte (het verschil tussen maaiveld en GHG) van 1 m aanbevolen. Voor de gebouwen adviseren we een drooglegging van 1,30m. Dit ter voorkoming van overlast. Het huidige maaiveld ligt minimaal op NAP +6,8 m en de GHG bedraagt NAP +5,5 m. De ontwateringsdiepte zal dus geen problemen opleveren. Waterkwantiteit In de huidige situatie staat in het plangebied een woning met bijgebouwen en een verharde oprit. In totaal bedraagt dit ongeveer 1.200 m². Er zal sprake zijn van significante toename van het verhard oppervlakte. Doordat dit meer is dan 1.500 m2, moet er gecompenseerd worden. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui) of 664 m3 waterberging per hectare verharding voor compensatie in een technische voorziening (bijvoorbeeld in wadi's of kratten). In tabel 4.7.2 is een overzicht van de toekomstige verharding weergegeven. Tabel 4.7.2 Verhard oppervlak huidig-toekomstig
Uitgaande van 436 m³ waterberging worden per hectare verharding, dient er totaal 2.145 m³ ((49.200/10.000)*436) waterberging gecreëerd te worden indien uitgegaan wordt van open water. Bij een peilstijging van maximaal 30 cm komt dit neer op een totale toename van wateroppervlak van 7.150 m². In de plannen is een extra wateroppervlak van 9.200 m² voorzien. Er wordt dus ruimschoots genoeg waterberging gecreëerd. Middels een maatwerkberekening wordt de toename waterbergingsopgave nader gespecificeerd. De conclusie zal feitelijk niet anders worden gezien het overschot aan extra wateroppervlak. Waterveiligheid Het plangebied bevindt zich niet in de beschermings- of kernzone van een waterkering. Negatieve effecten op waterkerende functies kunnen uitgesloten worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. De beoogde ontwikkeling kan bijdragen aan de waterkwaliteit en ecologie. Toepassing van natuurvriendelijke oevers bij de aanleg van waterbergingen creëert een goed leefmilieu voor flora en fauna. Dit draagt weer bij aan de waterkwaliteit. Vanwege de lozing van hemelwater op het oppervlaktewater wordt geadviseerd om geen onkruidbestrijdingsmiddelen toe te passen. Ook het wassen van auto's is niet wenselijk.
46
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: y hemelwater vasthouden voor benutting, y (in-) filtratie van afstromend hemelwater, y afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, y afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. De ontwikkeling van het plangebied zal leiden tot een toename van het aanbod van vuilwater. De aangehouden vuilwaterproductie is gebaseerd op publicaties van stichting Rioned. Voor woningen is in de berekening wordt uitgegaan van een productie van 120 l per persoon per dag. Verder is een gemiddelde woningbezetting van 2,95 persoon per woning aangenomen. Gebaseerd op informatie vanuit de schoolvereniging, wordt het een school van circa 400 leerlingen. Een vuilwater productie van 2,5 liter per uur is aangenomen. Een school is circa 7 uur per dag in gebruik. Dit komt neer op 17,5 liter per leerling per dag. De kerk gaat ruimte bieden aan 1.750 personen. De capaciteit zal echter slechts een klein gedeelte van de tijd volledig benut worden.
Dit zorgt voor een piek in vuilwaterproductie, hier dient in het rioleringsontwerp rekening mee gehouden te worden. Gemiddeld is de productie geschat op 10 liter per persoon per dag. De verwachte toename van vuilwaterproductie is in totaal 139 m3/dag. De toename aan vuilwater is fors. In overleg met de gemeente Neder-Betuwe zal tijdens de verdere planvorming de mogelijkheden besproken worden ten aanzien van de aansluiting op de bestaande gemeentelijke riolering. 4.7.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Hieruit blijkt dat er compensatie voor verharding nodig is. Deze ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het watersysteem. Hierin zijn de volgende uitgangspunten gebruikt: y Vuilwater en hemelwater gescheiden afgevoerd worden. y Extra waterberging gerealiseerd wordt om te compenseren voor 4,92 ha verhard oppervlak. In de huidige plannen wordt hier aan voldaan. Dit dient echter gevalideerd te worden door middel van een maatwerk berekening in overleg met het waterschap. y Extra vuilwaterproductie van circa 139 m³/dag. y 35% van nieuw aan te leggen oever dient natuurvriendelijk te zijn. y Bij een bui van 100 mm in één uur mag geen wateroverlast in woningen ontstaan. y In nieuwbouw projecten wordt het vloerpeil minimaal 0,25 m boven as-weg (tonrond) of 0,35 m boven as-weg (V-profiel) aangelegd. Gezien de forse toename aan verhard oppervlak wordt er nog een modelberekening uitgevoerd waarin de (geo)hydrologische effecten nader worden beschouwd.
4.8
Ecologie
4.8.1
Toetsingskader
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
47
Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: y soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; y soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; y overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. 4.8.2
Onderzoek
Soortenbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot verkleining van de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op deze soorten. Ten aanzien van aanwezige beschermde soorten is een quickscan uitgevoerd, zie bijlage 10. Hierin is onderzocht of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden voor de voorgenomen ingreep.
48
De aanwezigheid van geschikte habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 4.8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.8.1 Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
49
*Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek Op basis van de quickscan Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor roofvogels, ransuil, huismus, gierzwaluw, steenuil, vleermuizen, kleine marterachtigen, steenmarter en poelkikker. Tevens is een nadere inspectie in de groeiperiode van planten noodzakelijk om de aan- of afwezigheid van beschermde plantensoorten uit te kunnen sluiten. Aanvullend ecologisch onderzoek naar de grote vos is enkel benodigd indien de aanwezige iepen en/of wilgenbomen gekapt worden. Om vast te kunnen stellen of, naast de reeds aangetroffen nesten en holtes, nesten van roofvogels, ransuil en eenhoorn en/of bomen met holtes, spleten en/of loshangend schors aanwezig zijn, is een nadere inspectie in de winterperiode/bladloze periode noodzakelijk. Bij het aantreffen van een nest of verblijfplaats van roofvogel, ransuil, eekhoorn en/of boombewonende vleermuis is mogelijk nader onderzoek benodigd. Gelet op de bomen met holtes en scheuren, de watergangen en bomenlanen, zijn bij de bouwfase en gebruiksfase, overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen en vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven.
Additionele (bouw)verlichting richting bovengenoemde elementen dient te worden voorkomen. Indien verstoring door een toename in verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen. Overtreding ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de voorgenomen sloop- en kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden, dient voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval te verwijderen buiten het broedseizoen van vogels.
50
Voor beschermde soorten behorende tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten. Medio 2022 is middels een natuurtoets Wnb nader onderzoek naar beschermde soorten uitgevoerd, zie bijlage 11. Uit het onderzoek is gebleken dat de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, de steenmarter en de wezel het plangebied gebruiken. De gewone dwergvleermuis en de wezel hebben zowel een verblijfplaats als een foerageergebied binnen de begrenzing van het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis en de wezel. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet er een ontheffingsaanvraag op verbodsbepalingen van de Wnb ingediend worden. Door rekening te houden met verlichting zal de rosse vleermuis geen negatieve effecten ondervinden. De steenmarter maakt voornamelijk gebruik van de bosschage ten noorden van, en net buiten, het plangebied. Negatieve effecten op de steenmarter worden niet verwacht. Het aanvragen van een ontheffing voor de rosse vleermuis en de steenmarter is niet noodzakelijk.
Om overtredingen van verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen zijn mitigerende maatregelen beschreven. De mitigerende maatregelen voor de betreffende soorten moeten worden uitgewerkt in een activiteitenplan. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied is Rijntakken. Dit natuurgebied ligt op circa 1 kilometer, zie figuur 4.8.1 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op circa 750 meter ten zuidwesten van het plangebied, zie figuur 4.8.2. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het NNN niet aan de orde.
Figuur 4.8.1 Situering plan en omliggende Natura 2000-gebieden
51
Figuur 4.8.2 NatuurNetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (rood omkaderd) Er is een voortoets naar stikstofdepositie uitgevoerd, zie bijlage 8. De losse berekeningen zijn opgenomen in de bijlagen van deze voortoets. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Gezien de omvang, de schaal en de locatie van het plan is de verwachting dat het projecteffect van de gebruiksfase en bouwfase > 0,00 mol/ha/jaar is. Daarom wordt interne saldering toegepast en is een verschilberekening gemaakt om de stikstofdepositie van de toekomstige invulling van het plan te vergelijken met de depositie als gevolg van de referentiesituatie. Omdat er gedurende de bouwfases al woningen in gebruik worden genomen, zijn de berekeningen verdeeld over drie bouwfases. Deze fases hebben een oplopend gebruikspercentage. De verschilberekeningen zijn verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2022.1).
De resultaten van de berekening tonen een afname van stikstofdepositie tijdens de drie bouwfases in vergelijking met de referentiesituatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de bouwfase niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie en dat negatieve effecten op dit gebied kunnen worden uitgesloten. De resultaten van de berekening tonen een afname van stikstofdepositie bij het toekomstige gebruik in vergelijking met de referentiesituatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie en dat negatieve effecten op dit gebied kunnen worden uitgesloten. Op basis van dit onderzoek blijkt dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) nodig is voor het aspect stikstof.
52
4.8.3
Conclusie
Omdat negatieve effecten, ondanks het nemen van mitigerende maatregelen niet in alle gevallen geheel te voorkomen zijn door de aard van de werkzaamheden, is het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis en de wezel noodzakelijk. In een activiteitenplan worden de effectanalyse en vervolgstappen (mitigerende maatregelen en ontheffingsaanvraag) uitgewerkt. Voor het opstellen van het activiteitenplan is een specificering van de werkzaamheden en de planning noodzakelijk. Het activiteitenplan en ontheffing wordt opgesteld/aangevraagd parallel aan de procedure van de dit bestemmingsplan. Uit de verschilberekeningen blijkt dat er gedurende de bouwfase en bij het toekomstig gebruik een afname in stikstofdepositie wordt berekend ten opzichte van de referentiesituatie. Bij een dergelijk resultaat zal het beoogde plan dus niet voor een toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermt met de Erfgoedwet. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dan in 1992 door Nederland werd ondertekend. 4.9.1
Toetsingskader
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. 4.9.2
Onderzoek
Archeologie Het plan kent in het vigerende bestemmingsplan 'Parapluregeling Archeologie' (vastgesteld op 27 september 2018) de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' en 'overige zone - aangetast'. Voor het grootste deel van het plangebied is archeologisch onderzoek noodzakelijk wanneer het nieuw te bebouwen oppervlak groter is dan 10.000 m2 en dieper reiken dan 50 cm onder het bestaande maaiveld. Deze grenswaarde wordt overschreden. Econsultancy heeft een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Midden-/Laat-Romeinse tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging binnen de Mars - Oude Rijn stroomgordel, met specifiek het zuidelijke deel langs de noordelijke oever van de laatste restgeul. Deze restgeul wordt ook wel aangeduid als de loop van de Oude Rijn of de oude zuidelijke tak van de Nederrijn. De Mars Oude Rijn stroomgordel is ontstaan rond het begin van de jaartelling en is tot relatief recent actief geweest (tussen 95 tot 1540 na Chr., Midden-Romeinse tijd t/m Late-Middeleeuwen B). Nog tijdens de Romeinse tijd is de huidige Nederrijn ontstaan en heeft later mogelijk delen van de Romeinse resten geërodeerd.
De zuidelijke tak van de Nederrijn (Mars of Oude Rijn) stroomde tot in de Middeleeuwen vlak langs Kesteren. Door de natuurlijke migratie van de geul van de rivier zijn mogelijk delen van de oudere stroomgordel opgenomen en opnieuw afgezet.
53
Dit heeft mogelijk ook plaatsgevonden binnen het plangebied, aangezien het tot het kronkelwaardgebied wordt gerekend. Voor de periode Middeleeuwen is de verwachting middelhoog, omdat er geen directe aanwijzingen zijn voor bewoning in het gebied of uit de directe omgeving (geen vondstmeldingen binnen het plangebied van oppervlaktevondsten (bijvoorbeeld vanuit een oppervlaktekartering) dan wel uitgevoerde archeologische onderzoeken in de (directe) nabijheid van het plangebied). Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, omdat er vanuit geraadpleegd historisch kaartmateriaal geen duidelijke aanwijzingen dat er binnen het plangebied een historisch (Nieuwe tijds) erf/historische erven aanwezig zijn geweest. Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laat goede overeenkomsten zien met de in het bureauonderzoek beschreven paleogeografische ontwikkeling van het plangebied. Binnen het overgrote deel van het plangebied komen oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen voor, bestaande uit bovenin veelal sterk zandige klei en neerwaartse richting geleidelijk overgaand in sterk kleiig zand en vervolgens zwak siltig, zeer fijn tot matig fijn zand (in opwaartse richting juist een kenmerkende verfijning van textuur (fining up sequentie)).
Centraal in het plangebied loopt van noordoost naar zuidwest een meandergeul, waar tot grotere diepte matig tot sterk zandige klei voorkomt, gevolgd door plaatselijk deels zwak humeus, sterk kleiig, zeer zand. De uiterst zuidwestelijke strook van het plangebied ligt binnen een restgeul, waar restgeulop beddingafzettingen zijn afgezet. Gezien de geringe dikte van het pakket restgeulafzettingen dient er rekening te worden gehouden dat een deel van het oorspronkelijke pakket restgeulafzettingen ontgraven is, om ervoor te zorgen dat de restgeul bleef fungeren als sloot/watergang van waaruit overtollig regenwater snel kon worden afgevoerd. Diepgaande bodemverstorende ingrepen zijn bij de gezette boringen niet waargenomen. Veelal is sprake van een intacte, kalkhoudende ooivaaggrond, met onder de huidige bouwvoor (Ap-horizont) nog een (zeer) zwak ontwikkelde verwerings-Bw-horizont. Bij slechts enkele boringen zijn iets diepere verstoringen waargenomen, maar zijn ook veelal beperkt tot de bovengrond (bovenste 50/60 cm). Het archeologisch potentiële sporenniveau zal dan ook nog (deels) intact aanwezig zijn, waarbij archeologische sporen (indien aanwezig) meest zichtbaar zullen zijn op de overgang van de verwerings-Bw-horizont naar de C-horizont.
Ondanks de verkennende fase van het booronderzoek is bij twee boringen in de bouwvoor een fragment Siegburg steengoed (datering 1280-1320) en bij boring 45 een fragment roodbakkend aardewerk (datering 1500-1700) aangetroffen. Voor deze twee fragmenten geldt dat deze geen ligging hebben in situ (resten in de bewerkte bouwvoor), maar kunnen nog wel gezien worden als aanwijzing voor de mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Advies Aanbevolen wordt om binnen het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is namelijk over het algemeen sprake van een merendeels intacte bodemopbouw binnen het plangebied (moderne bodemverstoringen beperken zich veelal tot de huidige bouwvoor), waardoor het zijn middelhoge verwachting behoudt op de aanwezigheid van archeologische resten en/of sporen. Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek dient binnen het plangebied een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichten van bodemingrepen, zal dit vervolgonderzoek worden overlegd. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van archeologie. Dit onderzoek kan pas worden uitgevoerd nadat de nog operationeel zijnde boomgaard binnen het plangebied zijn activiteiten heeft beëindigd.
De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' blijven vooralsnog behouden. Indien na uitvoer van het onderzoek het onderzoeksgebied vrijgegeven wordt kunnen deze dubbelbestemmingen worden verwijderd.
54
Cultuurhistorie Er is geen bestaande monumentale of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Binnen de Erfgoedkansenkaart van de gemeente Neder-Betuwe zijn er binnen het plangebied twee hoog gewaarde landschapselementen die vanuit cultuurhistorisch oogpunt als te behouden zijn aangegeven. Het betreft de watergang ten zuiden van de geprojecteerde kerk en het noordelijke deel van de Rhenenseweg. Dit laatste betreft een hoog gewaardeerd open agrarische landschap ter plaatse van het karakteristiek weggetje (de Rhenenseweg). De impact van het plan op de watergang, is ondergeschikt aan de impact die het plan heeft op het noordelijke deel van de Rhenenseweg. Bij de realisatie van dit plan verdwijnt het karakteristieke open agrarische landschap deels. Bij de inrichting van de percelen aan de Rhenenseweg en het ondergronds parkerendeel ter plaatse van de woontoren dient rekening gehouden te worden met het karakteristieke open agrarische landschap ter plaatse van de Rhenenseweg. Dit wordt als voorwaarde in de regels geborgd. 4.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het plangebied, vanwege de merendeels intacte oorspronkelijke bodemopbouw (er zijn geen grootschalige diepgaande recente bodemverstorende ingrepen waargenomen), zijn middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten voor de perioden Midden-Romeinse tijd t/m de Middeleeuwen behoudt. Vanwege de nog operationeel zijnde boomgaard is vervolgonderzoek op dit moment nog niet mogelijk. De dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' en 'overige zone - aangetast' blijven vooralsnog behouden. Het vervolgonderzoek dient uitgevoerd te worden ten tijde van de vergunningsfase. Met betrekking tot cultuurhistorie vormt het plan geen belemmering. De wijze van inrichting wordt in de regels geborgd.
4.10
Leidingen
4.10.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3. defensiebrandstoffen; 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. 4.10.2 Onderzoek en conclusie Door het plangebied loopt een rioolpersleiding. Deze leiding kent het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Leiding - Riool'. Binnen deze zone zijn bouwwerken en grondwerkzaamheden niet zondermeer toegestaan. Met de inrichting van het plan wordt rekening gehouden met de ligging van deze leiding. De rioolpersleiding is zodoende voldoende beschermd. In en nabij de planlocaties zijn verder geen planologisch relevante leidingen en/of telecommunicatieverbindingen aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling of waarvoor de ontwikkeling een belemmering is. Dit aspect staat de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen dan ook niet in de weg.
55
4.11
Explosieven
4.11.1 Inleiding Binnen het plangebied vinden diverse (grondroerende) werkzaamheden plaats. Eventuele ontplofbare oorlogsresten in de bodem kunnen een risico vormen voor de openbare veiligheid en resulteren in een stagnatie van de werkzaamheden. Om de veiligheid van het personeel en de omgeving te waarborgen en extra kosten te voorkomen, is het daarom van belang om het risico op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten vast te stellen. 4.11.2 Analyse Uitgevoerde onderzoeken De gemeente Neder-Betuwe beschikt over een gemeentebreed vooronderzoek (AVG, Bodembelastingkaart CE Gemeente Neder-Betuwe, 16622057, 28-3-2017). Volgens de online raad te plegen bodembelastingkaart is de projectlocatie geheel verdacht op geschutmunitie en deels op afwerpmunitie. De nationaliteit, het kaliber, de subsoort en verticale afbakening zijn echter niet gespecificeerd. Een uitsnede van de bodembelastingkaart is hieronder weergegeven.
Figuur 4.11.1 uitsnede van de bodembelastingkaart (bron: AVG, 16622057, 28-3-2017) De verdachte gebieden zijn vanaf de bodembelastingkaart overgetrokken, en de ontbrekende gegevens moeten worden ingevuld. Dit gebeurt in de volgende paragraaf. Het onderzoek is in 2017 uitgevoerd volgens de WSCS-OCE, die in 2021 is vervangen door het CS-VROO. Er wordt niet verwacht dat actualisering naar de huidige regelgeving gevolgen heeft voor de horizontale afbakening van het verdachte gebied voor geschutmunitie, maar vermoedelijk zal toepassing van de nieuwe richtlijnen het op afwerpmunitie verdachte gebied significant verkleinen. In dat geval zal de projectlocatie niet meer verdacht zijn op afwerpmunitie. Hier is dan wel extra onderzoek naar de relevante bomafworpen voor vereist. Afgezien van de ontbrekende gegevens en de verouderde afbakening van afwerpmunitie worden de conclusies van het vooronderzoek als betrouwbaar ingeschat. Het onderzoek is volgens de toenmalig vigerende regelgeving uitgevoerd door een erkende partij, en het wordt gehanteerd door het bevoegd gezag.
56
Aanvullen ontbrekende gegevens De nationaliteit, kaliber, subsoort en verticale afbakening van de te verwachten ontplofbare oorlogsresten zijn niet gespecificeerd. Deze zijn in onderstaande tabel door RPS vastgesteld op basis van de meest gangbare soorten. Tabel 4.11.1 Soort OO
Subsoort (kaliber)
Verschijningsvorm
Verticale afbakening*
Geschutmunitie Duits en geallieerd
Diverse (5cm t/m 15 cm) (2 inch t/m 155mm)
Verschoten
Tot 1,75m -mv Tot 5,05 – 5,55m +NAP**
Afwerpmunitie Geallieerd
Brisant Afgeworpen (250 – 1000 lbs) Mogelijk trillingsgevoelig
N.N.T.B.***
* Bij de verticale afbakening is uitgegaan van het grootste kaliber. De kleinere kalibers zullen niet tot de maximale diepte zijn ingedrongen. ** De verticale afbakening ten opzichte van NAP is een indicatie, ingeschat aan de hand van gegevens over historische maaiveldhoogtes. Deze kunnen lokaal verschillen. *** Het vaststellen van de verticale afbakening van afwerpmunitie maakt geen deel uit van de opdracht. Hiervoor zijn sondeergegevens benodigd. Omdat er geen informatie beschikbaar is over de ontstekers wordt conform het ‘Afwegingskader trillingen in CE (afwerpmunitie) verdacht gebied’ (april 2019) ervan uitgegaan dat de ontstekers op de afwerpmunitie trillingsgevoelig kunnen zijn. Voor de verticale afbakening van de geschutmunitie is gebruik gemaakt van de ‘Nadere bepalingen voor het uitvoeren van Vooronderzoek en Risicoanalyse’ (CS-VROO-02, consultatieversie oktober 2021). Hierin is vastgesteld hoe diep verschillende kalibers in bepaalde grondsoorten kunnen indringen. Uit boormonsters van DINOloket blijkt dat de bodem in het projectgebied bestaat uit klei, zand en leem. In kleigrond is de indringingsdiepte het grootst, dus daar wordt van uitgegaan. Houwitsermunitie van 11 tot 16 cm kan volgens voornoemd document 100 – 175 cm indringen in kleigrond. Omdat het grootste te verwachten kaliber 155mm is wordt uitgegaan van een verticale afbakening van 1,75m -mv.
Voor de verticale afbakening ten opzichte van NAP is het bestand TophoogteMD van Rijkswaterstaat met historische maaiveldhoogtes gebruikt. Volgens metingen uit 1948 varieerde de maaiveldhoogte in het projectgebied van 6,8 tot 7,3m +NAP. Naoorlogse bodemingrepen Om een goed en realistisch advies te verlenen is het belangrijk om eventuele naoorlogse bodemingrepen te analyseren. Naoorlogs geroerde grond kan als onverdacht worden beschouwd, en eventuele naoorlogs opgehoogde of afgegraven grond kan gevolgen hebben voor de uiteindelijke verticale afbakening. Om te controleren of er naoorlogse bodemingrepen hebben plaatsgevonden is de huidige situatie vergeleken met die tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hieronder is het onderzoeksgebied weergegeven op een luchtfoto van 25 april 1945 en een historische kaart van rond 1945:
57
Figuur 4.11.2 Het onderzoeksgebied op een luchtfoto van 25 april 1945 (boven) en een historische kaart van rond 1945 (onder) (bron: resp. WUR 4/2457: 4005 en Kadaster) Hieronder is het onderzoeksgebied weergegeven op een recente luchtfoto en de huidige topografie:
58
4.11.3 Het onderzoeksgebied op een recente luchtfoto en de huidige topografie (bron: Esri) Uit een vergelijking van de luchtfoto’s en de kaarten blijkt dat de drie panden in het onderzoeksgebied naoorlogs zijn gebouwd. Daarnaast zijn de watergangen langs de N233 en de Betuwestraatweg naoorlogs gegraven. De contouren van de drie panden en de watergang zijn ingetekend op de advieskaart in bijlage 1 en kunnen als onverdacht worden beschouwd. Advies werkzaamheden Voor alle grondroerende werkzaamheden binnen het projectgebied dient van tevoren opsporingsonderzoek plaats te vinden. De meest efficiënte manier is om een zo groot mogelijk gedeelte non-realtime te detecteren en de significante verstoringen vervolgens met een OOO-ploeg te benaderen. Een klein deel van het projectgebied is verdacht op de aanwezigheid van afwerpmunitie. De verticale afbakening van dit verdachte gebied kan met de huidige informatie niet worden vastgesteld, hier zijn sonderingen voor benodigd. De verwachting is dat deze verticale afbakening meer dan vier meter bedraagt. Voor zover bekend zijn binnen het op afwerpmunitie verdachte gebied geen werkzaamheden gepland die zo diep gaan. Omdat er geen informatie beschikbaar is over de ontstekers op de afwerpmunitie moet ervan uit worden gegaan dat deze trillingsgevoelig is. Trillingen met een versnelling van 1,0 m/s2 of groter
59
kunnen over een afstand van 10 meter leiden tot de uitwerking van deze afwerpmunitie. Op onderstaande afbeelding zijn de verdachte gebieden en de 10 meter buffer geprojecteerd op het plan van de nieuwbouwwijk. Bij trillingsveroorzakende werkzaamheden zoals heien dient een straal van 10 meter binnen het verdachte gebied of het buffergebied vrijgegeven te worden. Hiervoor dient echter wel eerst de verticale afbakening voor de afwerpmunitie vastgesteld te worden.
Figuur 4.11.4 De verdachte gebieden (rood en geel) en de 10 meter bufferzone voor de afwerpmunitie (geel gearceerd) geprojecteerd op het plan van de nieuwbouwwijk (bron achtergrondkaart: opdrachtgever) Als er binnen de 10 meter buffer heiwerkzaamheden zijn gepland leidt dit tot een significant grotere opsporingsinspanning. Dit kan worden voorkomen door de werkzaamheden aan te passen zodat de trillingen een kleinere versnelling hebben dan 1,0 m/s2, of door aanvullend onderzoek te doen naar de bomafworpen die hebben geleid tot het verdachte gebied. Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven kan het verdachte gebied vermoedelijk sterk verkleind worden door de nieuwe richtlijnen uit het CS-VROO toe te passen, waardoor werkzaamheden binnen het projectgebied geen invloed meer hebben op het op afwerpmunitie verdachte gebied. 4.11.3 Conclusie en advies Voor dit adviesrapport heeft RPS de gemeentebrede bodembelastingkaart van Neder-Betuwe geraadpleegd (AVG, Bodembelastingkaart CE Gemeente Neder-Betuwe, 16622057, 28-3-2017). Het projectgebied is geheel verdacht op geschutmunitie en deels verdacht op afwerpmunitie. De verdachte gebieden zijn weergeven op de advieskaart in bijlage 1. Binnen de respectievelijke verdachte gebieden kunnen de volgende ontplofbare oorlogsresten worden verwacht: Soort OO