Bijlage 2 - Toelichting en regels
Tekst van het document
40/108
4.7
Bedrijven en milieuhinder
4.7.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven".
4.7.2 Onderzoek In de beoogde situatie wordt een dorpshuis voor meerdere verenigingen, de voetbalvereniging, basisscholen De Hien en De Bellefleur en een kinderopvangorganisatie gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie en ook een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de directe omgeving van het gebied zijn diverse andere functies aanwezig, zoals sport, een bedrijventerrein, maatschappelijke voorzieningen en horeca waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Milieuhinderlijke functie Een school en een dorpshuis vallen volgens de VNG-brochure in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functies betreffen woningen aan de zuidzijde van het plangebied op een afstand van minimaal 14 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Tevens is het plangebied momenteel deels al als maatschappelijk en deels als sport bestemd wat in een hogere milieucategorie valt. Milieugevoelige functie Een school en een kinderopvangorganisatie zijn naast een milieuhinderlijke functie ook milieugevoelig. Op circa 50 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein. Aan de randen van dit terrein zijn bedrijven uit milieucategorie 2 toegestaan.
Deze bedrijven hebben een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. Op een afstand van minimaal 73 meter is milieucategorie 3.1 toegestaan. Ook hier wordt aan de richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied voldaan. Op het bedrijventerrein staat tevens een betonfabriek uit milieucategorie 5.2.
41/108
Aan de richtafstand van 500 meter in een gemengd gebied wordt niet voldaan. Het plangebied bevindt zich op circa 50 meter. Het maatgevende aspect betreft geluid. Het bedrijf staat op een gezoneerd bedrijventerrein. Alle milieugevoelige functies zijn buiten de zonering beoogd. Tevens bevinden zich op korte afstand momenteel al woningen waardoor de betonfabriek al in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Ten westen bevindt zich een horecafunctie voor een café. Een dergelijke functie valt volgens de VNG-brochure in milieucategorie 1 en heeft een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Tevens is ten westen een brandweerkazerne gelegen. Dit valt in milieucategorie 3.1 en heeft een richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie bevindt zich op circa 54 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Romein Beton Het bedrijf Romein Beton b.v. is gevestigd op het industrieterrein Bonegraaf. Sinds 2013 is enkel de betonfabriek nog een inrichting die aangemerkt kan worden als een grote lawaaimaker in de zin van de Wet geluidhinder. In 2021 is de fysieke begrenzing van het gezoneerde industrieterrein daardoor verkleind. De overige gronden bestemd voor bedrijven behoren tot een niet gezoneerd bedrijventerrein. Door het verkleinen van het gezoneerde industrieterrein verandert de omvang van de gehele geluidzone.
Het MFC+ ligt bijna geheel buiten de geluidscontour van industrieterrein Bonegraaf.
Figuur 4.8 Gewijzigde geluidscontour industrieterrein Bonegraaf. De rode grens is de geldende geluidscontour. De nieuwe geluidscontour is weergegeven met oranje. De gele lijn geeft de begrenzing weer van het gezoneerde industrieterrein (Bron: SAB)
42/108
4.7.3 Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven extra belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.8
Kabels en leidingen
4.8.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olieen gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. 4.8.2 Onderzoek en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig.
Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. De aanwezige nutsvoorziening wordt verplaatst. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.
4.9
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen 'Nota Parkeernormen Neder-Betuwe 2017-1'. De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 381. Hierbij wordt conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid per kencijfer het maximum van de bandbreedte gehanteerd. De ontwikkeling ligt in een gebied 'rest bebouwde kom' en heeft een stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'.
43/108
Ligging plangebied Gemotoriseerd verkeer In de omgeving van het plangebied liggen de Dalwagen, Matensestraat en Willem de Zwijgerlaan. Zowel de Dalwagen als de Matensestraat en de Zwijgerlaan zijn gecategoriseerd als erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/uur.
Figuur 4.9 Ligging plangebied Fiets verkeer Op de wegen rondom het plangebied deelt de fietser de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. Hoewel de Dalwagen en de Matensestraat zijn gecategoriseerd als erftoegangsweg zijn er fietssuggestiestroken aanwezig. Openbaar vervoer Op circa 400 meter loopafstand van het plangebied ligt langs de Dalwagen de bushalte De Maten Dodewaard, waar elk uur buslijn 237 halteert tussen Kesteren en Heteren. 4.9.1 Beoogde ontwikkeling De planontwikkeling omvat de realisatie van een functieverzamelgebouw, waarin het kindcentrum, dorpshuis, sporthal, en zorgcentrum worden ondergebracht. Met de realisatie van het functieverzamelgebouw wordt een gedeelte van de bestaande bebouwing gesloopt. Het gaat hierbij om een gebouw van de voetbalvereniging. Het IKC (Integraal Kind Centrum) is de centrale ontmoetingsruimte tussen de basisscholen en het kinderdagverblijf. Dit genereert dan ook geen verkeer.
44/108
Dorpshuis In het dorpshuis zijn verschillende functies beoogd, zoals een bibliotheek, dagbesteding voor ouderen en een fysiotherapeut. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt voor de fysiotherapeut aangehaakt bij het CROW-kencijfer voor een fysiotherapiepraktijk. De fysiotherapiepraktijk heeft 2 behandelkamers. Aangezien er geen kencijfers bekend zijn voor dagbesteding wordt er aangehaakt bij het kencijfer voor een bibliotheek. Basisschool Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van een basisschool zijn vanuit het CROW geen kentallen beschikbaar. Voorheen werd dit berekent met behulp van de 'Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren' van het CROW, maar deze tool is niet meer beschikbaar. De verkeersgeneratie van een schoollocatie is onder te verdelen in het verkeer voor het halen en brengen van leerlingen en de verkeersgeneratie van de personeelsleden van de school.
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de twee basisscholen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: OBS De Hein heeft een leerling prognose van 170 leerlingen; De Bellefleur heeft een leerling prognose van 69 leerlingen; Voor de basisscholen en kinderdagverblijf in totaal wordt uitgegaan van 20 personeelsleden (leraren, ondersteuning, directie etc.); circa 30% van het aantal kinderen wordt met de auto gebracht en gehaald; een autobezetting van 1,2 kinderen per auto; 60% van de kinderen wordt zowel 's ochtends, tijdens lunch en 's middags gebracht en gehaald (per motorvoertuig acht ritten per dag); 40% van de kinderen wordt alleen 's ochtends gebracht en 's middags gehaald (per motorvoertuig vier ritten per dag). Beide basisscholen hebben in totaal (170+69) 239 leerlingen. Er wordt uitgegaan dat van het totaal aantal kinderen 30% met de auto wordt gebracht en gehaald. Dit gaat om afgerond (239*30%) 72 kinderen. Van deze 72 wordt er uitgegaan dat 60% (72*60%) 43 kinderen zowel 's ochtends, tijdens lunch als 's middags gebracht en gehaald worden. De overige 40% (72* 40%) 29 leerlingen worden alleen 's ochtends gebracht en 's middags gehaald. Verder wordt uitgegaan van een bezetting per auto van 1,2.
Dit geeft een verkeersgeneratie van (43/1.2) 36 auto's die zowel 's ochtends, tijdens lunch en 's middags gebracht en gehaald (per motorvoertuig acht ritten per dag). De overige (29/1.2) 25 auto's komen alleen 's ochtends gebracht en 's middags (per motorvoertuig vier ritten per dag).
Tabel 4.1 Berekening verkeersgeneratie basisschool door ouders
45/108
Het halen en brengen van de kinderen levert 388 mvt/etmaal op. Verder wordt ervan uitgegaan dat er in totaal (beide scholen plus kinderdagverblijf samen) 20 personeelsleden werken. Voor het hanteren van een worst-case benadering wordt aangehouden dat 100% van het personeel met de auto komt. Elk personeelslid zorgt voor twee ritten per dag. Dit levert (20*2) 40 mvt/etmaal op.
Tabel 4.2 Verkeersgeneratie basisscholen Verkeersgeneratie planontwikkeling Inclusief de verkeersgeneratie van de basisschool en de kinderopvang zal de beoogde ontwikkeling in totaal zorgen voor een verkeerstoename van 745 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag en 578 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag (zie tabel 4.3).
Tabel 4.3 verkeersgeneratie planontwikkeling Verkeerstoedeling Het plan wordt via één aansluiting ontsloten op de Dalwagen. Op basis van de navigatietool van Google Maps is een inschatting gemaakt van de toedeling van het verkeer vanaf het plangebied (zie figuur 4.10).
46/108
Figuur 4.10 Verkeerstoedeling plangebied Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid De beoogde ontwikkeling wordt ontsloten op de Dalwagen. De Dalwagen is gecategoriseerd als erftoegangsweg. Een erftoegangsweg kan normaal gesproken een verkeersintensiteit tussen de 4.000 en 6.000 mvt/etmaal vlot en veilig verwerken. Ondanks dat er geen verkeersintensiteiten bekend zijn, kan wel een uitspraak worden gedaan over de verkeersintensiteit op de Dalwagen. De Dalwagen maakt deel uit van de ontsluiting van enkele bedrijven. De verwachte verkeersintensiteit op de Dalwagen is daarmee naar verwachting beperkt, waardoor de verkeersintensiteit naar verwachting ruim onder de 4.000 mvt/etmaal. Ook niet wanneer verkeersintensiteit met 745 mvt/etmaal als gevolg van de ontwikkeling zal toenemen. De verkeersafwikkeling na planbijdrage zal dan ook niet tot knelpunten leiden. Ook voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat de toename als gevolg van het plan dermate gering is en de Dalwagen een relatief lage verkeersintensiteit kent ten opzichte van de capaciteit van de weg, dat de verkeersveiligheid op deze weg na planontwikkeling niet leidt tot knelpunten. Parkeren De parkeerbehoefte van het totale programma is berekend aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen (Nota Parkeernormen 2017).
Op basis van de Nota Parkeernormen is voor twee specifieke functies maatwerk toegepast, te weten voor het zorgcentrum en het dorpshuis. De nominale parkeerbehoefte is opgenomen in tabel 4.4. Voor de basisscholen is de berekende parkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke parkeernormen exclusief de benodigde parkeerplaatsen voor het faciliteren van het halen en brengen van de kinderen.
47/108
Tabel 4.4 Nominale parkeerbehoefte In totaal bedraagt de normatieve parkeerbehoefte van de totale functie (bestaand en beoogde ontwikkeling) 178 parkeerplaatsen. Omdat de beoogde ontwikkeling verschillende functies betreft kan dubbelgebruik worden toegepast. Op deze manier wordt door dubbelgebruik overbodige verstening voorkomen. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de MFC+ gedurende de maatgevende periode wordt per functie gewerkt met aanwezigheidspercentages (zie tabel 4.5).
Tabel 4.5 Aanwezigheidspercentages Door toepassing van de aanwezigheidspercentages blijkt dat de zaterdagmiddag de parkeerbehoefte het hoogst zal zijn, namelijk afgerond 113 parkeerplaatsen (zie tabel 4.6). Het bij de MFC+ behorende terrein wordt heringericht. Ten behoeve van de ontwikkeling dienen 113 parkeerplaatsen te worden opgenomen binnen het plangebied. Hiervoor is voldoende ruimte binnen de locatie beschikbaar, echter in de uitwerking wordt gewerkt aan een optimalisatie van de locatie, waardoor mogelijk enkele parkeerplaatsen buiten het plangebied gerealiseerd gaan worden. In de nieuwe indeling van het terrein zijn naast de parkeerplaatsen ook 265 fietsparkeerplekken worden opgenomen. Daarmee kan dus worden voldaan in de parkeerbehoefte.
48/108
Tabel 4.6 Parkeerbehoefte MFC+ na toepassing dubbelgebruik 4.9.2 Conclusie Binnen het plangebied kan de volledige parkeerbehoefte van de MFC+ worden opgevangen. Hierbij wordt rekening gehouden met de bestaande sportvelden en sporthal. De ontsluiting van het plangebied zal tevens niet tot knelpunten leiden. De verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling is dermate laag dat het niet tot een verslechtering zal leiden van de verkeersafwikkeling op de omliggende wegen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
4.10 Geluid 4.10.1 Toetsingskader Wegverkeerslawaai Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 4.7 weergegeven. Tabel 4.7: aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh breedte van de geluidzone [m] buitenstedelijk gebied
stedelijk gebied
600 400 250
350 350 200
De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg en is gelegen aan de buitenste rand van de weg. In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden:
stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die
49/108
autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg;
Dosismaat Lden De berekende geluidsniveaus wordt beoordeeld op basis van de Europese dosismaat Lden (Lday-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidwaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. Aftrek op basis van artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden gelden inclusief de standaard aftrek op basis van artikel 110g van de Wgh. Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of hoger geldt de volgende aftrek: • • •
4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG 2012 57 dB 3 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG2012 56 dB 2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting.
bedraagt; bedraagt;
Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg, gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen- of buitenstedelijk). Bestemmingen met een binnenstedelijke ligging, maar binnen de geluidzone van een autosnelweg, worden bij het bepalen van de geluidzone voor die autosnelweg gerekend tot buitenstedelijk gebied. Een onderwijsgebouw is op grond van art. 1.2 van het Besluit geluidhinder een ander geluidsgevoelig gebouw. Er is sprake is van een binnenstedelijke situatie. De maximale grenswaarde bedraagt Lden = 63 dB. De algemene voorkeursgrenswaarde bedraagt Lden = 48 dB.
4.10.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai Voor de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 10. In dit onderzoek wordt de 'Nieuwe situatie' getoetst aan de normstelling van de Wgh.
50/108
Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van het weggedeelte van de weg Dalwagen met een snelheidsregime van 50 km/h. In onderhavige onderzoek is voor de volledigheid ook de geluidbelasting ten gevolge van de Rijksweg A15 inzichtelijk gemaakt. het plan is tevens gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/h wegen. Dit type weg vormt een afwijkende categorie binnen de Wgh. Formeel kan voor deze wegen geen hogere waarde worden aangevraagd of verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de waarborging van een goed akoestisch woon- en leefklimaat dient de geluidbelasting op de gevel nabij 30 km/h wegen echter alsnog te worden bepaald. Derhalve is in het onderzoek tevens de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/uur wegen Willem de Zwijgerlaan, Gieser Wildeman, Matensestraat, Nassaulaan en het weggedeelte van de weg Dalwagen met snelheidsregime 30 km/h inzichtelijk gemaakt. Uit het onderzoek blijkt dat voor de Rijksweg A15 en het weggedeelte van de Dalwagen met het snelheidsregime van 50 km/h geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het nieuwe gebouw overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde.
Ook voor de 30 km/h wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het nieuwe gebouw overschrijdt. 4.10.3 Cumulatie Ten behoeve van een procedure hogere waarde dient conform artikel 110f Wgh de cumulatieve geluidbelasting te worden bepaald, indien sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron. Allereerst dient vastgesteld te worden of sprake is van een relevante blootstelling door verschillende geluidbronnen. Dit is alleen het geval indien de zogenaamde voorkeurswaarde van die te onderscheiden bronnen wordt overschreden. Conform de Wgh dienen voor de cumulatie de zoneplichtige wegen en spoorwegen en de geluidbelasting ten gevolge van industrie en/of luchtvaart meegenomen te worden. De cumulatieve geluidbelasting dient bepaald te worden conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (bijlage I, hoofdstuk 2 'Rekenmethode cumulatieve geluidsbelasting'). De correctie conform artikel 110g Wgh met betrekking tot wegverkeer wordt hierbij niet toegepast. Dit betekent dat in onderhavige situatie de cumulatieve geluidbelasting niet bepaald hoeft te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting echter alsnog bepaald voor alle gemodelleerde wegen.
De cumulatieve geluidbelasting op de gevels van het beoogde gebouw is opgenomen in bijlage 5 van het akoestische onderzoek (zie bijlage 10) en bedraagt maximaal 54 dB, exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh. De MFC ligt bijna in zijn geheel buiten de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein Bonegraaf, derhalve is voor alle toetspunten een geluidbelasting van 50 dB(A) aangehouden. Voor de volledigheid is de cumulatieve geluidbelasting van alle gemodelleerde wegen en het industrieterrein berekent, deze bedraagt maximaal 56 dB. 4.10.4 Conclusie De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai overschrijd op geen enkele gevel de voorkeursgrenswaarde. Voor de volledigheid is de cumulatieve geluidbelasting van alle gemodelleerde wegen en het industrieterrein, waarbij voor industrielawaai voor alle toetspunten worst-case 50 dB(A) is aangehouden. Deze bedraagt maximaal 56 dB. Ondanks dat voor onderhavig plan geen sprake is van een procedure hogere waarde, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren ter bepaling van de geluidwering van de gevels. 51/108
4.11 Luchtkwaliteit 4.11.1 Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.8. weergegeven. Tabel 4.8. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
)
toetsing van
grenswaarde
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. 4.11.2 Onderzoek Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 578 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 23-04-2022) is 2025 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,26 µg/m³ en van fijnstof van 0,08 µg/m³ (figuur 4.11). Beide toenames blijven onder 1,2 µg/m³. Het project draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
52/108
Figuur 4.11 Resultaten NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij ht Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de A15. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020 16,5 µg/m³ voor NO2, 18,1 µg/m³ voor PM10 en 10,8 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 6,3 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen schrijft voor dat scholen tenminste 50 meter van provinciale en 300 meter van rijkswegen verwijderd moeten zijn als sprake is van (dreigende) overschrijding van normen voor luchtkwaliteit. De dichtstbijzijnde rijksweg bevindt zich op circa 500 meter. Tevens is er geen sprake van een (dreigende) overschrijding van normen voor luchtkwaliteit. Er wordt aan het besluit voldaan.
4.11.3 Conclusie Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. Tevens wordt er aan het besluit gevoelige bestemmingen voldaan. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.
53/108
4.12 Geur 4.12.1 Toetsingskader Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of ‘immissie') verstaan we de geurconcentratie die tijdens een bepaalde tijd op een geurgevoelig object zoals een woning ‘terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. Vanwege de geurbelasting op een gebied kan het woon- en verblijfklimaat daar als onvoldoende worden beschouwd om bijvoorbeeld woningbouw te realiseren. Geur van bedrijven heeft dus gevolgen voor het leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte. Het wettelijk kader voor meldingsplichtige activiteiten is opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor activiteiten van bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit zijn specifieke geurvoorschriften opgenomen in de zin van te treffen voorzieningen of geurbelasting. De GGD Gelderland-zuid hanteert de richtlijn om vanwege gezondheid bij een relatieve uitstoot een minimale afstand van 300 m tussen bedrijf en verblijfsgebouwen aangehouden. Bij een afstand tussen 300 en 500 m zijn gezondheidseffecten nagenoeg niet aan de orde, bij een afstand van meer dan 500 m zeer waarschijnlijk niet.
4.12.2 Onderzoek Door de GGD Gelderland-Zuid is een gezondheidskundig advies voor de nieuwbouw van de MFC+ opgesteld (zie bijlage 11). De GGD geeft aan dat de belangrijkste gezondheidseffecten in de omgeving van een bedrijventerrein op treden als gevolg van emissies van (grof)stof, geur en geluid (voor geluid zie paragraaf 4.10): Stof kan leiden tot irritatie aan de luchtwegen, huid en ogen. Grof stof blijft in de bovenste luchtwegen hangen en veroorzaakt niezen en hoesten, fijn stof (PM 10 en PM 2,5) veroorzaakt ook ernstiger ademhalingsproblemen omdat het door inademing in de bronchiën en longen terecht kan komen; Geur kan verschillende gezondheidseffecten oproepen bij de mens: (ernstiger) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stress-gerelateerde lichamelijke gezondheidsklachten. Bedrijven met relevante uitstoot Binnen de afstand van 500 tot 600 m tot de MFC+ liggen 3 bedrijven die mogelijk een relevante uitstoot naar het milieu hebben, te weten: Raffinagebedrijf aan de Voorenswei 5; Slachthuis aan de Voorenswei 8; BTE Betoncentrale aan de Dalwagen 55. Raffinagebedrijf en slachthuis Voorenswei Het raffinagebedrijf en het slachthuis aan de Voorenswei zijn potentiële bronnen van geurhinder. Geurhinder ter hoogte van de beoogde locatie wordt echter niet verwacht omdat de minimale afstand tot het MFC respectievelijk 320 en 470 meter is.
Een enkele lichte geurvlaag kan voorkomen, maar met de overwegende windrichting in Nederland (zuidwestenwind) waait de geur niet in de richting van het MFC. Langdurige blootstelling aan onaangename geur is niet te verwachten.
54/108
BTE Betoncentrale Dalwagen 55 Op het terrein van de betoncentrale vinden activiteiten plaats waardoor emissies van grof stof plaatsvinden (betonmolen en storttrechter, productiehal). Voor stof wordt in de milieuwetgeving een afstand gehanteerd van 200 meter, ervan uitgaande dat de door het nemen van de verplichte maatregelen geen stofverspreiding direct buiten de eigen inrichtingsgrens plaatsvindt. De minimale afstand van het bedrijfsterrein is tot de beoogde MFC ongeveer 95 meter, maar de punten waar stofemissies plaatsvinden liggen op een grotere afstand dan 200 meter van de locatie MFC. Gezien deze afstand en de inachtneming van de verplichting op de stofverspreiding, vindt relevante uitstoot naar de omgeving niet plaats. 4.12.3 Conclusie Van de bedrijven op de Bonegraaf wordt op de beoogde locatie geen geur- of stofhinder verwacht.
4.13 Vormvrije mer-beoordeling 4.13.1 Toetsingskader De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de betreffende activiteiten die niet aan de drempelwaarden voldoen, dient het bevoegd gezag na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
4.13.2 Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het plangebied heeft een globale grootte van 11.700 m² , waarvan circa 7.200 m² wordt bestemd voor de sporthal, scholen, kinderopvang, bibliotheek etc. Het buitenterrein wordt ingezet voor parkeer-, groen-, plein- en speelvoorzieningen. Het gebouw heeft een bebouwd oppervlakte van 4.000 m². De ontwikkeling blijft daarmee (ruim) onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Deze is opgenomen in bijlage 12.
55/108
56/108
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3
Algemene regels
5.3.1 Opbouw bestemmingen Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.
57/108
Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.3.2
Bestemmingen
Maatschappelijk De verschillende maatschappelijke voorzieningen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor maatschappelijke doeleinden, zorginstellingen en ondergeschikte horeca. Bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met inachtneming van de verschillende maatvoeringseisen. De horeca moet ondergeschikt en ondersteunend zijn aan de maatschappelijke hoofdactiviteit. Dit houdt onder andere in dat het bijvoorbeeld geen zelfstandig verkeer aantrekkende werking mag hebben. Dit betekent dat er geen verhuur mag plaatsvinden (zaalverhuur) aan derden of inloop mag plaatsvinden om een consumptie te nuttigen. De openingstijden van de ondergeschikte horeca zullen worden afgestemd op de openingstijden van de maatschappelijke functies en de activiteiten van de verenigingen. Tevens zullen de mogelijkheden voor het schenken van alcoholische dranken worden beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de activiteiten van de verenigingen en de maatschappelijke functies en daarbij niet tijdens tijden van schoolactiviteiten Verkeer - Verblijfsgebied Alle wegen en verblijfsgebieden hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gekregen.
Binnen deze bestemming zijn de gronden onder meer bestemd voor voorzieningen ten behoeve van verkeer, vervoer en verblijf, hondenuitlaatplaatsen, groen- en speelvoorzieningen, straatmeubilair, kunstobjecten, terrassen, standplaatsen voor ambulante handel, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. De bebouwingsmogelijkheden binnen de bestemming zijn zeer beperkt.
58/108
Water De aanwezige A-watergangen en overige oppervlaktewateren zijn voorzien van de bestemming 'Water'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige doeleinden, waterstaatkundige (kunst)werken, nutsvoorzieningen en kunstobjecten. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn nihil. Waterstaat - Waterlopen Ten behoeve van het onderhoud van de hoofdwatergangen in het plangebied is bepaald dat een strook van 5 meter in principe onbebouwd dient te blijven. Een en ander is geregeld met de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterlopen’. Voor het oprichten van bouwwerken en voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, ten behoeve van de onderliggende bestemming, geldt dat in principe advies moet worden ingewonnen van de waterbeheerder.
5.4
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen, zwembaden en ten aanzien van de bestaande situatie. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is een algemene regeling opgenomen. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn regels voor (niet-publieksgerichte) aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten opgenomen. Het gebruik van een deel van een (bedrijfs)woning en/of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit is toegestaan, mits voldaan aan de voorwaarden. In dit artikel is tevens een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van dit bestemmingsplan wordt gebouwd dan wel het gebruik wordt gewijzigd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Daarbij wordt gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe (d.d. 11 mei 2017). Indien de parkeernota in de toekomst herzien wordt, dient getoetst te worden aan de rechtsopvolger(s) van de voorgenoemde nota. Indien niet voorzien kan worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor afwijken zoals genoemd in de 'Nota Parkeernormen Neder-Betuwe'.
59/108
Algemene aanduidingsregels Aanvullend op de regels die bij de bestemmingen zijn gegeven gelden bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. In dit bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding ‘Geluidzone industrie’ opgenomen voor het geluidgezoneerde bedrijventerrein 'Bonegraaf'. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen nieuwe geluidsgevoelige objecten worden gebouwd. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan ten behoeve van evenementen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
5.5
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
60/108
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op 14 september 2022 is een informatieavond over de ontwikkeling van de MFC+ georganiseerd. Er is gesproken met een gevarieerde groep van belanghebbenden. De gesproken participanten zijn allen bewoners van Dodewaard. Sommigen van een vereniging, ouders van toekomstige scholieren en bezorgde- en/of nieuwsgierige omwonenden. Voorafgaand aan de informatieavond is een enquête verspreid en beantwoord door bewoners, hieruit zijn de opmerkingen gefilterd die voor de avond relevant zullen zijn. Tijdens de informatieavond is in het verlengde daarvan vooral gesproken over verkeersveiligheid en gezondheid. Zorgen zijn deels weggenomen en deels beantwoord dat op dat moment nog enkele onderzoeken moesten worden afgerond. Omwonenden zijn over het algemeen positief over de ontwikkeling van het MFC Dodewaard. 6.1.1 Overleg Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijksen provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. Er zijn geen overlegreacties ontvangen.
6.1.2 Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan heeft, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure gedurende vier weken ter inzage gelegen. Gedurende deze inspraaktermijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijke en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. Ook heeft er informatieavond plaatsgevonden in sporthal de Eng op 11 oktober 2023. Gedurende de inspraaktermijn zijn in geen inspraakreacties ontvangen. 6.1.3 Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De eventuele aanpassingen die volgen uit de inspraak- en vooroverlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook kunnen diverse ambtshalve aanpassingen doorgevoerd worden. 6.1.4 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor een ieder, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan treedt in werking direct na de beroepstermijn, mits tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend.
61/108
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Vanuit Dodewaard is er een breed gedragen wens naar een nieuwe dorpshuisfunctie als plek van samenkomst. Het college vindt een dorpshuisfunctie in een kern belangrijk: een centrale plek voor samenkomst, multifunctioneel bruikbaar en daarmee sociaal verbindend voor haar inwoners. Dit is ook door de raad onderschreven op 11 februari 2021 : het raadsbesluit bij de afronding van Fase A. In dit raadsbesluit is de haalbaarheid MFC nabij verenigingshal De Eng onderbouwd met een exploitatie en een investeringsoverzicht. In dezelfde raadsvergadering van 11 februari heeft de raad ook het Uitvoeringsplan IHP vastgesteld. Daarbij heeft de raad de ambitie uitgesproken dat de beide basisscholen in Dodewaard nabij deze MFC gevestigd worden. Er lag het praktische verzoek om te onderzoeken of combineren van beide trajecten bij De Eng mogelijk is. Fase B, als vervolg op fase A, start zodoende met een studie naar de kans om MFC en scholen samen nabij De Eng te huisvesten. Op 10 juni is in een ateliersessie geconcludeerd dat 'het ruimtelijk past'.
62/108
Bijlagen toelichting
Bijlage 1 Ruimtelijke functioneel PvE
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3 Explosieven onderzoek
Bijlage 4 Onderzoek stikstofdepositie
Bijlage 5 AERIUS-berekening aanlegfase 2024
Bijlage 6 AERIUS-berekening aanlegfase 2025
Bijlage 7 AERIUS-berekening gebruiksfase
Bijlage 8 Quickscan ecologie
Bijlage 9 Inventarisatie beschermde soorten
Bijlage 10
Akoestisch onderzoek
Bijlage 11
Gezondheidskundig advies
Bijlage 12
Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan: het bestemmingsplan Dodewaard, Dalwagen 78B (MFC) met identificatienummer NL.IMRO.1740.bpDOdalwagenMFC-ont1 van de gemeente Neder-Betuwe; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.6 bebouwingspercentage: een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.7 bestaand: a. ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet aanwezige bouwwerken en werkzaamheden: bestaand ten tijde van de eerste terinzagelegging van het plan; b. ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het plan; 1.8 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.9 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.10 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.11 bouwgrens: de grens van een bouwvlak;
91/108
1.12 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.13 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.14 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.15 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.16 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.17 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.18 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.19 eerste bouwlaag: de bouwlaag op de begane grond; 1.20 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.21 kap: een dak dat voor minder dan 50% in het horizontale vlak
ligt; 1.22 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen voor openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;
92/108
1.23 nutsvoorzieningen: een voorziening voor de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten; 1.24 ondergeschikte horeca een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie en ondergeschikt en ondersteunend aan deze hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren; 1.25 overkapping: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 1.26 peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 1.27 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding; 1.28 prostitutiebedrijf: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie wordt verricht.
Onder een prostitutiebedrijf wordt in ieder geval verstaan: een erotische massagesalon, een sekstheater, een bordeel of een parenclub, of een daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar.
93/108
Artikel 2
Wijze van meten
2.1 Algemeen Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1.1 afstand van een gebouw tot de perceelsgrens: de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens; 2.1.2 bouwhoogte van een bouwwerk: bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.1.3 dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.1.4 goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of daarbij gelijk te stellen constructiedeel; 2.1.5 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.6 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.1.7 peil: a.
voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang van het perceel aan een weg grenst, mits het gebouw op een afstand van niet meer dan 12 m van die weg is gelegen: 35 cm boven de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel; b. in andere gevallen bij gebouwen: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein; c. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het bouwwerk grenzende terrein. 2.2 Ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,5 m.
94/108
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Maatschappelijk
3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. sporthallen; c. zorginstellingen; d. ondergeschikte horeca; e. speelvoorzieningen; f. evenementen conform het bepaalde in 9.2; g. basisonderwijs; h. fysiotherapie; i. kinderopvang; j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; k. nutsvoorzieningen; een en ander met de bijbehorende voorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen ten behoeve van maatschappelijke functies Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van maatschappelijke functies gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven, met uitzondering van de bestaande torens en dakruiters op religieuze gebouwen. Hiervoor gelden de goot- en bouwhoogte op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan als maximum; c. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven; indien deze aanduiding ontbreekt mag de aanduiding 'bouwvlak' volledig bebouwd worden; d.
in afwijking van het bepaalde onder a zijn aan-, uit- en bijgebouwen buiten het bouwvlak toegestaan tot ten hoogste 50 m², mits: 1. de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan respectievelijk 3,5 m en 5 m; 2. het bebouwingspercentage van de gronden buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 50%; 3. aan-, uit- en bijgebouwen ten minste 1 m achter de voorgevel worden gebouwd.
95/108
3.2.2 Uitbreiding hoofdgebouw In afwijking van het gestelde in artikel 3.2.1 onder a is ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' een uitbreiding van het hoofdgebouw toegestaan, mits: a. de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan in het aangrenzende bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven; b. het bebouwingspercentage van de gronden met de aanduiding 'bijgebouwen' niet meer bedraagt dan 35%; c. de afstand tot de perceelsgrenzen niet minder bedraagt dan 3 m. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt het bepaalde in 8.5. 3.3 Afwijken van de regels 3.3.1 Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.5 onder c, teneinde voor erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel een bouwhoogte toe te staan van maximaal 2 m, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de verhoging is uit veiligheidsoogpunt noodzakelijk; b. tenminste het deel van de erf-/ terreinafscheiding tussen 1 m en 2 m een open constructie heeft; c. de grotere hoogte niet leidt tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving; d. het uitzicht niet dusdanig wordt belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht.
3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken binnen deze bestemming ten behoeve van: a. asielzoekerscentrum, crematorium, opvang van dieren, justitiële inrichting of militaire zaken; b. prostitutie of prostitutiebedrijf; c. buitenpandige opslag. 3.4.2 Ondergeschikte horeca Ondergeschikte horeca is toegestaan onder de voorwaarde dat het bedrijfsvloeroppervlak van ondergeschikte horeca mag niet meer bedragen dan 20% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 35 m² van het bedrijfsvloeroppervlak.
96/108
Artikel 4
Verkeer - Verblijfsgebied
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen voor verkeer, vervoer en verblijf; b. hondenuitlaatplaatsen; c. groenvoorzieningen; d. straatmeubilair; e. speelvoorzieningen; f. evenementen conform het bepaalde in 9.2; g. kunstobjecten; h. terrassen; i. standplaatsen voor ambulante handel; j. geluidwerende voorzieningen; k. nutsvoorzieningen; l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; een en ander met bijbehorende voorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op de gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m; b. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m. 4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken binnen deze bestemming ten behoeve van het opslaan, storten of bergen van materialen en producten, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
97/108
Artikel 5
Water
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water en waterhuishoudkundige doeleinden; b. waterstaatkundige (kunst)werken; c. nutsvoorzieningen; d. kunstobjecten; een en ander met de bijbehorende voorzieningen. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen Op de gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt in aanvulling op het bepaalde in 33.6 de volgende regel: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m.
98/108
Artikel 6
Waterstaat - Waterlopen
6.1 Bestemmingsomschrijviing De voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aanleg en onderhoud van een watergang. 6.2 Bouwregels Op de gronden als bedoeld in 6.1 zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming. 6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2 om het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en) toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de watergang geen bezwaar bestaat. 6.3.2 Advies beheerder watergang Alvorens te beslissen over een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de watergang.