Bijlage 2 - Toelichting en regels
Tekst van het document
Dodewaard, Dalwagen 78B (MFC) Neder-Betuwe
bestemmingsplan
Identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1740.bpDOdalwagenMFC-ont1
11-10-2023 30-11-2023
voorontwerp ontwerp vastgesteld
projectnummer:
20220467 opdrachtleider:
R.A. Sips
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
9
1.2
Ligging plangebied
9
1.3
Vigerend bestemmingsplan
10
1.4
Leeswijzer
11
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
2.1
Bestaande situatie
13
2.2
Toekomstige situatie
13
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Inleiding
19
3.2
Rijksbeleid
19
3.3
Provinciaal- en regionaal beleid
22
3.4
Gemeentelijk beleid
23
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
3/108
4.1
Inleiding
25
4.2
Bodem
25
4.3
Water
26
4.4
Archeologie en cultuurhistorie
31
4.5
Ecologie
33
4.6
Externe veiligheid
38
4.7
Bedrijven en milieuhinder
41
4.8
Kabels en leidingen
43
4.9
Verkeer en parkeren
43
4.10
Geluid
49
4.11
Luchtkwaliteit
52
4.12
Geur
54
4.13
Vormvrije mer-beoordeling
55
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
5.1
Algemeen
57
5.2
Inleidende regels
57
5.3
Algemene regels
57
5.4
Algemene regels
59
5.5
Overgangs- en slotregels
60
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
61
6.2
Economische uitvoerbaarheid
62
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Ruimtelijke functioneel PvE
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Explosieven onderzoek
Bijlage 4
Onderzoek stikstofdepositie
Bijlage 5
AERIUS-berekening aanlegfase 2024
Bijlage 6
AERIUS-berekening aanlegfase 2025
Bijlage 7
AERIUS-berekening gebruiksfase
Bijlage 8
Quickscan ecologie
Bijlage 9
Inventarisatie beschermde soorten
Bijlage 10
Akoestisch onderzoek
Bijlage 11
Gezondheidskundig advies
Bijlage 12
Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling
4/108
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1
Begrippen
91
Artikel 2
Wijze van meten
94
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3
Maatschappelijk
95
Artikel 4
Verkeer - Verblijfsgebied
97
Artikel 5
Water
98
Artikel 6
Waterstaat - Waterlopen
99
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
101
Artikel 8
Algemene bouwregels
102
Artikel 9
Algemene gebruiksregels
103
Artikel 10
Algemene aanduidingsregels
104
Artikel 11
Algemene afwijkingsregels
105
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
5/108
Artikel 12
Overgangsrecht
107
Artikel 13
Slotregels
108
6/108
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Op 9 mei 2019 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe een besluit genomen over het Integraal Huisvestingsplan (IHP) Onderwijs en het proces uitvoeringsplan. Als onderdeel van het proces uitvoeringsplan is vervolgens in 2020 door ICSadviseurs een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd naar de formele haalbaarheid van het gewenste scenario voor de huisvesting van het onderwijs in de kern van Dodewaard. In dit onderzoek zijn de mogelijke en gewenste scenario’s voor de huisvesting van het onderwijs van Christelijke basisschool De Hien en Openbare Basisschool De Bellefleur in Dodewaard uiteen gezet. Hieruit zijn de voorkeuren van beide scholen geformuleerd voor een potentiële samenwerking. Daarnaast zijn initiatiefnemers van de multifunctionele accommodatie op locatie de Eng bezig met de planontwikkeling voor een multifunctioneel centrum in en aan de bestaande verenigingshal. De samenvoeging van beiden tot een MFC+ is daarom een gewenste ontwikkeling voor zowel gemeente als lokale organisaties. Het MFC+ zal bestaan uit een dorpshuis voor meerdere verenigingen, de voetbalvereniging, basisscholen De Hien en De Bellefleur, bibliotheek en een kinderopvangorganisatie. Daarnaast zal een lokale fysiotherapeut zich vestigen in dit gebouw. LKSVDD architecten maakt voor het MFC+ een gebouwontwerp. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan.
Binnen de huidige bestemmingen zijn maatschappelijke en bedrijfsvoorzieningen met bijhorende openbare ruimte niet mogelijk. Om de ontwikkeling en de ruimtelijke inpassing juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de noordrand van het dorp Dodewaard. Het plangebied wordt begrensd door sportvelden ten noorden en oosten. Ten zuiden is het ontsloten door de Willem de Zwijgerlaan en ten westen de Dalwagen met achterliggend industrieterrein.
9/108
Figuur 1.1 Ligging plangebied Hoofdontsluitingsweg van het plangebied is de Dalwagen, deze bevindt zich tussen de beoogde locatie en het industriegebied Fietspaden aan weerszijden van de weg. Ruim profiel met ver van de weg staande bebouwing. Het te realiseren gebouw ligt aan de noordzijde van Dodewaard en wordt ingesloten door sportvelden, groenstructuren, infrastructuur, een industrieterrein en de bestaande dorpsranden.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan 'Kernen Neder-Betuwe', vastgesteld op 14 mei 2020 (zie figuur 1.2). Dit bestemmingsplan wijst de gronden aan als sport- en maatschappelijke bestemming. Aan de randen van het plangebied gelden de bestemmingen 'Verkeer', 'Wonen' en 'Industrie'. De bestemming industrie is opgesteld binnen bestemmingsplan Bedrijventerrein, onherroepelijk (vastgesteld 27 juni 2013).
10/108
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan Kernen Neder-Betuwe (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) Naast het bestemmingsplan 'Kernen Neder-Betuwe' gelden ter plaatse de overkoepelende bestemmingsplannen, 'Parapluregeling Parkeren', vastgesteld op 26 april 2018, 'Parapluregeling Archeologie', vastgesteld op 27 september 2019, 'Parapluplan 2020', vastgesteld op 24 september 2020. In deze overkoepelende bestemmingsplannen zijn regels opgenomen die gelden voor het hele grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe, dan wel voor een deel van het grondgebied, zoals de dorpskernen. Indien van toepassing wordt in het betreffende beleidsveld nader getoetst aan deze specifieke regels in het hoofdstuk omgevingsaspecten van dit bestemmingsplan. Als laatste ligt een deel van het plangebied nog binnen het bestemmingsplan 'Geluidzone Bonegraaf', vastgesteld op 11 februari 2021. In dit bestemmingsplan is de geluidzone welke was opgenomen in het bestemmingsplan 'Kernen Neder-Betuwe' verkleind doordat het gezoneerde industrieterrein is aangepast. De beoogde ontwikkeling van een multifunctioneel dorpsgebouw past niet binnen de geldende bestemmingen. Binnen de huidige bestemmingen zijn maatschappelijke en bedrijfsvoorzieningen met bijhorende openbare ruimte niet mogelijk.
Onderhavig bestemmingsplan betreft een vervanging van de huidige regelingen en biedt het planologische kader voor de beoogde ontwikkeling.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en de toekomstige situatie van het plangebied. Vervolgens is in hoofdstuk 3 een samenvatting opgenomen van het actuele beleidskader dat relevant is voor het plangebied. In hoofdstuk 4 worden de sectorale aspecten beschreven, welke inzicht geven in de relevante milieuaspecten en de verrichtte onderzoeken. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de juridische regeling. Ten slotte gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
11/108
12/108
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Momenteel is binnen het plangebied een sporthal gesitueerd, verenigingshal de Eng. Deze sporthal biedt ruimte voor meerdere sportverenigingen. Dit gebouw bestaat uit drie zaaldelen met bijbehorende bergruimten en ondersteunende voorzieningen kleedruimten, kantine en keuken. De huidige faciliteiten zullen een integratie vinden in de beoogde situatie. Direct naast de verenigingshal staan binnen het plangebied enkele kleinere gebouwen, deze zijn in gebruik door de voetbalvereniging.
Sporthal De Eng
Gebouwtjes voetbalvereniging
Figuur 2.1 Beelden huidige situatie (bron: GoogleEarth) Het plangebied wordt omringd door bebouwing, industrie en sportvelden. Deze zijn momenteel in gebruik en zullen niet worden gewijzigd, wel wordt de omgeving betrokken bij de ontwikkeling. Vlak naast het plangebied bevindt zich een cafetaria/eetcafé, een gebouw van de brandweer, voetbalvelden en verschillende plekken dienend als semi/- openbare ruimte. Deze openbare ruimten vinden momenteel een functie in het voorzien van parkeergelegenheid voor auto's en fietsen. Deze is verder functioneel als recreatief of functioneel groen. Er heerst binnen het plangebied voor een groot deel een verharde ondergrond. Groen structuren zijn momenteel gesitueerd als omringende beplanting van het gebied, dit door middel van bomenrijen en struiken.
2.2
Toekomstige situatie
Vanuit de gemeente Neder-Betuwe en de bewoners van Dodewaard bestaat behoefte aan een nieuwe locatie met een dorpshuisfunctie als plek van samenkomst. De diverse overleggen en bijeenkomsten met meerdere doelgroepen die de laatste jaren hebben plaatsgevonden geven een duidelijk beeld van deze behoefte aan een centrale plek van samenkomst in het dorp (bron: beleidsplan MFC Dodewaard).
13/108
De twee basisscholen (De Hien en De Bellefleur) en de kinderopvang hebben de ambitie uitgesproken samen te willen gaan werken en tezamen een kindcentrum in te richten. Hier binnen zou ruimte worden geboden aan kinderen van 0-12 jaar. Een goede samenwerking met de kinderopvang garandeert een goede opvang voor jonge kinderen en een soepele overgang naar school vanaf 4 jaar. Hier wordt kinderen de ruimte geboden zich in een veilige omgeving op eigen tempo te ontwikkelen. Door intensief samen op te trekken wordt goede zorg en gerichte aandacht geboden aan de kinderen. De beide scholen hebben een eigen visie op onderwijs ontwikkeld en ieder een duidelijke eigen identiteit. Deze blijft zichtbaar en aanwezig en bepaalt het karakter van de eigen school. Door dit verschil neer te zetten binnen het kindcentrum hebben ouders de mogelijkheid te kiezen voor de onderwijsvorm die past bij hen en bij de ontwikkeling van hun kind. De werkgroep MFC, beide scholen en de kinderopvang willen in gezamenlijkheid komen tot een totaalplan waarbinnen de eigen visie op ruimte maar ook de meerwaarde van de samenwerking kan worden neergezet. Het hierna te noemen MFC+ Dodewaard is een laagdrempelig centrum voor opvang, onderwijs, ontmoeting en beweging waar alle inwoners van Dodewaard, jong en oud, zich thuis voelen.
Het is een plek voor kinderen, ouders, verenigingen en ook voor ‘losse’ activiteiten die de sociale samenhang, gezondheid en creativiteit van Dodewaard versterken. Dit bruisend hart van Dodewaard geeft ruimte aan bestaande organisaties en aan nieuwe initiatieven. Naast de twee basisscholen, te weten de Christelijke basisschool De Hien en de openbare basisschool De Bellefleur, zullen ook de Kinderopvang de Dijkkwetters, het dorpshuis Dodewaard, de bibliotheek Neder Betuwe, het zorgcentrum De Betuwe, Alpha fysiotherapie en Vitaal sportpark een plek krijgen in de MFC+. Ten behoeve van deze planontwikkeling is een gebouwontwerp gemaakt. Deze is in onderstaande figuren 2.2 en 2.3 te zien. In het gebouw zijn de volgende functies opgenomen: A. Het kindcentrum In dit deel zijn twee scholen en de kinderopvang opgenomen: De Christelijke basisschool De Hien met 8 groepen (718 m²) De openbare basisschool De Bellefleur met 3 groepen (351 m²) De kinderopvang van RivaKids (149 m²) B. Het centrale hart - de ontmoetingsfunctie Hieronder vallen de ruimte van het dorpshuis van in totaal 779 m² en de algemene verkeers- en algemene ruimten inclusief de techniek. C. De overige functies Diverse gezondheids-, sport en welzijnfuncties: vitaal sportpark (1.365 m²); fysio (111 m²) en zorg (277 m²); bibliotheek (157 m²).
14/108
Figuur 2.2 Indeling begane grond
Figuur 2.3 Indeling verdieping
15/108
Figuur 2.4 Vogelvlucht In het gebouwontwerp van LKSVDD architecten valt de horizontale geleding van de verdiepings- en dakranden op. Het gebouw wordt gerealiseerd in twee lagen op het terrein van de huidige sporthal. De nieuwbouw wordt hierdoor opgenomen in zijn omgeving. Het totale gebouw heeft een bebouwd oppervlakte van 4.000 m². De centrale entree ligt in de noordoosthoek direct bij de parkeervoorziening en ook direct gericht op de aanwezige sportvelden. Het totale voorliggende terrein heeft een oppervlakte van circa 4.500 m². Dit terrein krijgt in de plannen een nieuwe indeling. Op het dak is een dakterras, zonnepanelen en groen/sedum opgenomen. Hierna zijn een aantal impressies van het gebouw opgenomen. Opvallend zijn ook de hagen die de buitenruimte op een fraaie wijze aankleden. In de buitenruimte worden 100 tot 110 parkeerplaatsen en 265 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd.
16/108
Figuur 2.5 Sfeerbeelden van de MFC+
17/108
18/108
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het relevante beleidskader ten aanzien van het plangebied. In dit hoofdstuk worden de verschillende beleidskaders, nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau, beschreven en toegelicht op welke wijze het beleid heeft doorgewerkt in dit plan.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke per 11 september 2020 in werking is getreden. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Deze afwegingsprincipes biedt initiatiefnemers en gemeenten hulp bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke 'nationale belangen' genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur.
19/108
Doorwerking plangebied Er geldt op grond van de NOVI uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij ruimtelijke plannen. Voor wat betreft de ontwikkeling van het MFC gebouw in het plangebied is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de visie in het geding zijn. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro, 2012) Ladder voor duurzame verstedelijking Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling vereist dat wordt onderbouwd of en in hoeverre er sprake is van 'duurzaam ruimtegebruik'. Om dit duurzaam ruimtegebruik te garanderen moet de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (zoals omschreven in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) worden doorlopen: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Toetsing Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving.
Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Ook functiewijzigingen groter dan 500 m2 bvo zijn aan te merken als stedelijke ontwikkeling.
Figuur 3.1 Geldend bestemmingsplan
20/108
Het geldende bestemmingplan maakt op een deel van de locatie al maatschappelijke voorzieningen mogelijk met een bouwvlak van circa 1.700 m2 en een maximale bouwhoogte van 12 meter. Dit betreft de bestaande te behouden sporthal. Maatschappelijke voorzieningen zijn: "voorzieningen en/of activiteiten ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van mens en dier." Verder zijn daar sporthallen, zorginstellingen, ondersteunende horeca en speelvoorzieningen mogelijk. De gronden met de bestemming sport zijn bestemd voor: sportvoorzieningen, ondergeschikte niet-commerciële maatschappelijke activiteiten en ondersteunende horeca. Het bestemmingsplan maakt de MFC+ niet mogelijk op deze gronden. Het programma bestaat uit een functie wijziging van meer dan 500 m2 bvo. Daarom is een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk voor deze ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied.
Beschrijving behoefte In basisschema (zie figuur 3.2) komen verschillende, aan elkaar gekoppelde gebouwen, waarin de functies Kindcentrum (basisschool De Hien, Bellefleur en kinderopvang), Dorpshuis (centrale ontmoetingsfunctie) en de overige dorpshuisfuncties (fysio, zorg en bibliotheek) worden ondergebracht. Op het terrein komen ook parkeervoorzieningen en nog een zone voor fietsen, sport en buitenruimte voor de scholen.
Figuur 3.2 Schematische opzet MFC+
21/108
De ruimtebehoefte is beschreven in het programma van eisen (Ruimtelijk Functioneel PVE MFC+ Dodewaard). Het PvE is opgenomen in bijlage 1. Opgeteld is er een binnenruimte van circa 4.400 m² bvo noodzakelijk. De uitwerking in het ontwerp sluit nagenoeg aan bij het eerder opgestelde PvE. In de uitwerking wordt uitgegaan van een scenario met deels twee lagen. Hierin is de bestaande bebouwing (sporthal De Eng van ± 1.500 m²) opgenomen. Het gebouw bestaat verder uit een Kindcentrum van circa 1.100 m², Gezondheids- en welzijnfuncties van circa 400 m² en overige ruimten, waaronder het dorpshuis, algemene ruimten en verkeersruimten in totaal circa 1.350 m². De totaal benodigde ruimte ten behoeve van de MFC+ (gebouw en buitenruimte voor verblijven, (fiets)parkeren en routing) bedraagt circa 7.500 m². Conclusie Het verplaatsen en concentreren van diverse functies in een MFC voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hiermee is sprake van zorgvuldig en efficiënt ruimtegebruik. 3.2.3 Conclusie rijksbeleid Gezien de beperkte schaal van de ontwikkeling zijn de doelen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte niet relevant. Op basis van de toetsing wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.3
Provinciaal- en regionaal beleid
Vanaf de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is een nieuw stelsel van verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten ontstaan. Uitgangspunt van het provinciaal beleid is decentraal regelen wat kan en centraal regelen wat moet. 3.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld op 19 december 2018 In maart 2019 is de nieuwe Omgevingsvisie Gaaf Gelderland in werking getreden. De provincie zet een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie legt bij de taakinvulling ten aanzien van een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland de focus op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie. Dit wordt gedaan door zeven met elkaar samenhangede ambities na te streven op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling is er een raakvlak met de ambitie ten aanzien van de woon- en leefomgeving. De provincie wil aantrekkelijk blijven voor mensen en bedrijven, daarvoor is de leefomgeving van groot belang. Een goede kwaliteit van leefomgeving draagt bij aan gezondheid.
Goed bereikbare voorzieningen, goed woningaanbod, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur zijn allen voorbeelden van aspecten die positief bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving.
22/108
De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De voorkeur wordt gegeven aan het benutten van bestaande gebouwen. Toetsing De ontwikkeling van een multifunctioneel centrum draagt bij aan goede voorzieningen voor verschillende doelgroepen in de kern van Dodewaard. Goede voorzieningen verhogen de kwaliteit van de leefomgeving waardoor het dorp aantrekkelijk wordt. Met het realiseren van hoogwaardige voorzieningen wordt bijgedragen aan de uitgangspunten uit de omgevingsvisie van Gelderland om een aantrekkelijke leefomgeving te creëren met goed bereikbare voorzieningen. Conclusie De ontwikkeling draagt bij aan het doel van de omgevingsvisie van de provincie Gelderland. 3.3.2 Omgevingsverordening provincie Gelderland geconsolideerd op 19-12-2018 In de omgevingsverordening is de Omgevingsvisie van de provincie Gelderland vertaald naar een bindend juridisch document. In deze verordening staan regels over hoe met de leefomgeving in de provincie Gelderland wordt omgegaan. Ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de regelgeving die is opgesteld in de omgevingsverordening.
De provincie heeft regels opgenomen over onderwerpen als het ruimtegebruik, milieu, natuur, water, provinciale wegen, procedures en handhaving. Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden verschillende functies (onderwijs, sporthal, fysio, kindcentrum) gerealiseerd. In de omgevingsverordening worden geen regels gesteld voor deze specifieke functies. Wel dient op basis van de verordening bij een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, aandacht besteed te worden aan klimaatadaptieve maatregelen. In hoofdstuk 4 is nader ingegaan op de maatregelen die klimaatadaptatie bij de beoogde ontwikkeling tegengaan. Conclusie De omgevingsverordening vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.4
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Neder-Betuwe (vastgesteld d.d. 31 mei 2018) Op 31 mei 2018 heeft de gemeente Neder-Betuwe de structuurvisie Neder-Betuwe 2018 vastgesteld. De structuurvisie is een strategisch document in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Middels de visie wordt richting gegeven aan de gewenste ruimtelijke inrichting van de gemeente. Op basis van de thema's landschap en groenstructuur, natuur, water en groen, wonen, werken, verkeer, recreatie en toerisme, en cultuurhistorie wordt sturing gegeven aan het beleid.
23/108
Omgevingsvisie Neder-Betuwe (vastgesteld d.d. 24 februari 2022) De Omgevingsvisie van Neder-Betuwe laat zien wat de gemeente en haar inwoners belangrijk vinden voor de omgeving waarin zij wonen, werken en waarin zij hun vrije tijd doorbrengen. De omgevingsvisie bestaat uit 10 speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. De 10 speerpunten zijn: 1. Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken. 2. Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. 3. Wonen voor iedereen. 4. Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV, de auto, de fiets en voor de wandelaar. 5. Doorontwikkelen en beleefbaar maken van onze identiteit. 6. Doorontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren. 7. Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier. 8. Voorbereid zijn op de veranderingen in het klimaat. 9. Een gezonde, groene en biodiverse omgeving. 10. Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente. Inwoners, ondernemers, organisaties en andere betrokkenen hebben aandachtspunten meegegeven voor hun eigen dorp. Voor Dodewaard heeft dit onder andere geleid tot aandacht voor een goed plein en een goede plek om samen te komen.
Het bestaande dorpshuis en de sporthal voldoen niet meer. De gemeente gaat uit van minimaal een onderkomen voor bewoners en verenigingsleven per kern. Bij plannen voor een opwaardering of herbouw wil de gemeente ondersteunen. Toetsing Met het realiseren van een multifunctioneel centrum wordt bijgedragen aan het realiseren van goede voorzieningen in Dodewaard. In de omgevingsvisie wordt bij de aandachtspunten voor Dodewaard gesproken over een goede plek om samen te komen en dat de sporthal niet voldoet. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan goede voorzieningen in Dodewaard. Er zijn twee basisscholen opgenomen, er wordt een dorpshuis en een fysio gerealiseerd, de sporthal wordt vernieuwd en er komt ruimte voor een kindcentrum. Dit soort voorzieningen die zich concentreren op één plek dragen bij aan de leefkwaliteit van de gemeente Neder-Betuwe en specifieker van Dodewaard. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit de structuurvisie en de omgevingsvisie van Neder-Betuwe voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de richtpunten uit het gemeentelijk beleid van de gemeente Neder-Betuwe.
24/108
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
4.2
Bodem
4.2.1 Beleid en normsteling Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.2.2 Onderzoek Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Het doel van het onderzoek is het krijgen van inzicht in de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies gesteld: Ter plaatse van boring 01 en 20 is onder de verharding sprake van een funderingslaag bestaande uit slakken en repac.
Ter plaatse van de overige boringen zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen; Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen; De grond is licht verontreinigd; Het grondwater is licht verontreinigd. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en streefwaarden (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Ontplofbare oorlogsresten (OO) Uit een uitgevoerd historisch vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie verdacht is op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem. Om de werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren dienden de geplande boorlocaties vrijgegeven te worden van het mogelijk voorkomen van OO in de bodem.
25/108
Er is een Proces-verbaal van Oplevering (PvO) opgesteld voor de opdrachtgever en alle betrokken partijen tijdens de uitvoering (zie bijlage 3). Daarnaast is dit PvO ter kennisgeving voor het bevoegd gezag in het kader van hun verantwoordelijkheden op het gebied van openbare veiligheid. Ter plaatse van de boorpunten die binnen de contouren van het verdachte gebied zijn geplaatst, zijn in de verticale lijn geen bijzonderheden gemeten die op verdachte objecten, mogelijk OO, zouden kunnen duiden. De betreffende boorlocaties zijn dan ook vrijgegeven ten aanzien van OO . Omdat het hier slechts vrijgave van meetpunten betreft, kan het PvO rapport niet worden aangewend voor vrijgave ten aanzien van OO in relatie tot eventuele in de toekomst op de locatie uit te voeren werkzaamheden. 4.2.3 Conclusie Middels het milieuhygiënisch vooronderzoek is de bodemkwaliteit vastgesteld. De grond en het grondwater zijn licht verontreinigd. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voorzien met betrekking tot de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en het hierop volgende gebruik. Vervolgonderzoek De funderingslaag bestaat respectievelijk uit slakken en repac en bestaat voor meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal. De slakken en repac laag zal worden afgevoerd van de locatie.
Om het vrijkomende materiaal te kunnen voeren, is de kwaliteit van deze funderingslaag van belang. In het kader van de van de toekomstige vergunningaanvraag een aanvullend onderzoek naar deze bodemkwaliteit benodigd. Dit onderzoek dient voor de start van de werkzaamheden te zijn afgerond. Ontplofbare oorlogsresten (OO) In het kader van deze planologische procedure is geen nader onderzoek naar OO benodigd. In het kader van de van de toekomstige vergunningaanvraag een aanvullend onderzoek naar OO benodigd. Dit onderzoek dient voor de start van de werkzaamheden te zijn afgerond. Hieruit moet blijken of het hele plangebied vrij wordt gegeven ten aanzien van OO. Daarbij dient te worden aangegeven hoe men moet omgaan met gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.
4.3
Water
4.3.1 Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van de beoogde ontwikkeling is overlegd gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.
26/108
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het waterschapsbeleid en het gemeentelijk beleid nader worden behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Omgevingsplan; Provinciale Omgevingsvisie; Omgevingsverordening. Waterschapsbeleid Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode van 2022-2027 willen bereiken, met wie, hoe en waarom. De missie is dat het waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Dit doen zij niet samen, maar met partners as burgers, gemeente en provincie en als deskundige partner. Er zijn 6 hoofddoelen geformuleerd en nader uitgewerkt, dit betreffen: Beschermen tegen overstromingen. Water eerlijk verdelen. Voorbereiden op extreem weer. Werken aan schoon water. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. Toewerken naar circulariteit.
Bij het beschermen tegen overstromingen zijn als doelen voor de lange termijn gesteld dat in 2050 alle primaire waterkeringen aan de landelijke normen voldoen en dat in 2030 de boezemkades op orde zijn. Dit wordt onder andere behaald door te participeren in kennisprogramma/s en het monitoren van de keringen. Ook het water eerlijk verdelen zal onder andere door het monitoren gaan en het onderzoeken van mogelijkheden tot actieve voorraadvorming. Door kennis te vergroten op het gebied van effecten van klimaatverandering en met gebiedsgerichte oplossingen te komen kan er voorbereid worden op extreem weer. Uitvoeren van KRW-onderzoekprogramma zal bijdragen aan schoon water. Door in 2050 een grote diversiteit in het beheergebied, goede beleving van het rivierengebied, goede zwemwaterkwaliteit en beheer van vaarwegen als doelen te stellen, kan er worden gewerkt aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Door onder andere inzicht te verwerven in emissies en te kijken naar maatregelen kan er toegewerkt worden naar klimaat- en energieneutraliteit. Als laatst is als doel gesteld om in 2050 volledig circulair te werken. Dit wordt onder andere gedaan door het opstellen van een stoffenbalans zodat er niks verspild wordt.
27/108
In de Beleidsregels van het waterschap is vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). In het stedelijk gebied is de toename voor de eerste 500 m2 verhard oppervlak vrijgesteld van watercompensatie en voor het landelijk gebied is dit 1.500 m2. Gemeentelijk beleid In de gemeente Neder-Betuwe is een gemeentelijk rioleringsplan (GRP) opgesteld voor de periode 2019-2023 [Ref.3]. De gemeente kiest ervoor om bij nieuwbouw altijd een gescheiden stelsel toe te passen. Waarbij afvalwater apart wordt ingezameld van het hemelwater. Verder worden de volgende eisen gesteld bij nieuwbouw: In nieuwbouwprojecten wordt de norm gesteld dat er bij een bui van 100 mm in één uur geen water in de woningen mag komen. Door de ontwikkelaar dient aangetoond te worden dat dit niet gebeurd. De gemeente toetst of aan de norm voldaan wordt. In nieuwbouw projecten wordt het vloerpeil minimaal 0,25 m boven as-weg (tonrond) of 0,35 m boven as-weg (V-profiel) aangelegd. Bij inbreidingen wordt een hoogteplan ter goedkeuring aan de gemeente overlegd.
Nieuwe hemelwatersystemen moeten een bui met een herhalingstijd van ten minste één keer per twee jaar verwerken zonder wateroverlast Voor alle verharde oppervlakken waarvan het afstromende hemelwater niet of niet doelmatig op eigen terrein kan worden verwerkt biedt de gemeente een afvoermogelijkheid. De voorkeur hierbij gaat uit naar infiltratie in de bodem of afvoer naar oppervlaktewater (direct of indirect). Nieuwbouw dient aangesloten te worden op het bestaande vuilwaterstelsel. 4.3.2 Onderzoek Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de noordrand van het dorp Dodewaard. Momenteel bestaat de locatie uit enkele gebouwen en is daardoor bijna geheel verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond uit kalkloze poldervaaggronden; zavel en lichte klei. Met betrekking tot grondwater is in het plangebied sprake van grondwater IVu. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt zich op 61 centimeter onder maaiveld bevindt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op 111 centimeter onder maaiveld. Waterkwantiteit Conform de Legger van Waterschap Rivierenland grenst het plangebied ten westen aan een A-watergang, zie figuur 4.1. Ten zuiden grenst een A-watergang.
Een A-watergang heeft een beschermingszone van 4 meter. Binnen deze beschermingszone geldt conform de Keur van Waterschap Rivierenland beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.
28/108
Figuur 4.1 Uitsnede Legger oppervlaktewater waterschap Rivierenland Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is momenteel aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt een dorpshuis voor meerdere verenigingen, de voetbalvereniging, basisscholen De Hien en De Bellefleur en een kinderopvangorganisatie. Bodem en grondwater De nieuwe ontwikkelingen hebben geen negatieve invloed op de grondwaterstand en de grondwaterkwaliteit. Waterkwantiteit De A-watergang in het plangebied wordt behouden. De bestemming met bijbehorende beschermingszone's worden overgenomen van het vigerende bestemmingsplan; voor de watergang geldt een dubbelbestemming Waterstaat-Waterlopen. Zie onderstaande uitsnede van de verbeelding van het voorliggend bestemmingsplan.
29/108
Bij de verdere uitwerking van het planvoornemen, in het bijzonder de watergang en aangrenzende (sport)functie, is het van belang dat er rekening wordt gehouden met het onderhoud van de watergang. Hierbij geldt als uitgangspunt dat er minimaal 4 meter vanaf de insteek vrij moet worden gehouden.
In de huidige situatie staan in het plangebied enkele gebouwen. Doordat het plangebied momenteel al bijna compleet verhard is, zal er geen sprake zijn van significante toename van het verhard oppervlakte. Doordat dit minder dan 500 m2 is, hoeft er niet gecompenseerd worden. De vuistregel voor compenseren houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui) of 664 m3 waterberging per hectare verharding voor compensatie in een technische voorziening (bijvoorbeeld in wadi's of kratten). Waterveiligheid Het plangebied bevindt zich niet in de beschermings- of kernzone van een waterkering. Negatieve effecten op waterkerende functies kunnen uitgesloten worden. Binnen het plangebied blijft de (A-)watergang behouden. Het ontwerp laat naast deze watergang een vitaal sportpark toe. Ten aanzien van de veiligheid wordt aanbevolen een hekwerk te plaatsen tussen de watergang en de toekomstige (sport)functie. Dit dient plaats te vinden in overleg met waterschap Rivierenland. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
30/108
Afvalwaterketen en riolering Conform de Kennisbank Stedelijk Water van Stichting RIONED en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. 4.3.3 Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Hieruit blijkt dat er compensatie voor verharding niet nodig is. Voor werkzaamheden in de beschermingzones van de watergang dient een watervergunning aangevraagd te worden. Hierdoor kunnen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten worden.
4.4
Archeologie en cultuurhistorie
4.4.1 Toetsingskader Archeologie De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen met als uitgangspunt: 'de verstoorder betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Cultuurhistorie Op 27 januari 2022 is door de gemeenteraad de Erfgoed beleidsnota vastgesteld. Voor dit aspect dient getoetst te worden aan twee waarderingskaarten die opgenomen zijn in deze nota. Er dient getoetst te worden aan de waarderingskaart historisch bouwkunst & stedenbouw en de waarderingskaart historisch cultuurlandschap.
Op deze waarden staan de hoog -en zeer hoog gewaardeerde bouwkunst en landschap(selementen), die we willen behouden. 4.4.2 Onderzoek Archeologie Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Archeologische Beleidskaart 2016 van de gemeente Neder-Betuwe. Deze beleidskaart is verankerd in de parapluregeling Archeologie. In de regeling worden regels gegeven voor zones met verwachtingswaarden 1 tot 3. De projectlocatie ligt in de zone met waarde 4: lage archeologische trefkans.
31/108
Figuur 4.2 - Uitsnede uit Archeologische beleidskaart Neder-Betuwe, gebied oost (Bron: Herziene archeologische beleidskaart 2016 van de gemeente Neder-Betuwe) Cultuurhistorie Er dient getoetst te worden aan de waarderingskaart historisch bouwkunst & stedenbouw en de waarderingskaart historisch cultuurlandschap (zie uitsnede figuur 4.3). Uit beide kaarten blijkt dat ter plaatse van het plangebied er geen hoog -en zeer hoog gewaardeerde bouwkunst en landschap(selementen) aanwezig zijn.
32/108
Figuur 4.3 - Uitsnede uit de waarderingskaart Historisch cultuurlandschap (Bron: RAAP-rapport 4219) 4.4.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering. Er is in deze zone geen extra onderzoek noodzakelijk, er is een lage archeologisch trefkans. Ook het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering. Het initiatief is op basis van het aspecten archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar.
4.5
Ecologie
4.5.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke
33/108
kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
34/108
4.5.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied bedraagt circa 730 meter. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' en is ten zuiden en noorden van het plangebied gelegen (zie figuur 4.4). De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 170 meter ten noorden van het plangebied (zie figuur 4.5).
Figuur 4.4 Het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)
Figuur 4.5 Natuurbeheerplannen ten opzichte van het plangebied (bron: Provincie Gelderland)
35/108
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Het stikstofonderzoek is opgenomen in bijlage 4. De bijbehorende berekeningen zijn opgenomen in bijlage 5 (aanlegfase 2024), bijlage 6 (aanlegfase 2025) en bijlage 7 (gebruiksfase). In het onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen depositiebijdragen binnen Natura 2000-gebieden worden berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Ecologische quickscan Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied is een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 8. In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Het projectgebied en de directe omgeving herbergen mogelijk functies voor broedvogels (met jaarrond beschermde nesten), kleine marterachtigen en vleermuizen. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijk verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis.
In en direct om het projectgebied zijn verschillende soorten bomen met holtes aanwezig die mogelijk verblijfplaatsen bieden voor boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. De groenstructuren in en direct om het gebied kunnen tevens dienen als foerageergebied of vliegroutes voor vleermuizen. Door de werkzaamheden kunnen mogelijk verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen verloren gaan. In en direct om het projectgebied zijn bomenlanen en gevarieerd struweel te vinden. Dit kan dienen als leefgebied en potentiële verblijfplaats van kleine marterachtigen en biedt gelegenheid voor nestlocaties van broedvogels (met jaarrond beschermde nesten). Door de werkzaamheden kunnen deze nestlocaties, leefgebied en potentiële verblijfplaatsen verloren gaan. Inventarisatie beschermde soorten Door het ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is een aanvullend onderzoek naar de mogelijk aanwezige beschermde soorten uitgevoerd (zie bijlage 9).
36/108
Figuur 4.6 Aangetroffen beschermde soorten In de uitgevoerde inventarisatie naar beschermde soorten blijkt dat in het plangebied: geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen; wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten kunnen voorkomen, hiervoor geldt dat werkzaamheden buiten het broedseizoen (half maart tot eind juli) plaats dienen te vinden; de aanwezigheid van de Steenmarter is vastgesteld; een verblijvende vleermuis, namelijk de Gewone dwergvleermuis, is aangetroffen; het aangetoffen foerageergebied van vleermuizen onderdeel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en is dus geen 'essentieel' deel van het leefgebied; en ook de vastgestelde vliegroute van vleermuizen niet beoordeeld wordt als 'essentieel'. Voor de Steenmarter geldt dat indien er ingrijpende werkzaamheden worden verricht aan de bosschages en struwelen in het plangebied, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan kan worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen wordt een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.
Voor de Gewone dwergvleermuis geldt dat indien er werkzaamheden worden verricht aan of nabij het gebouw waarin deze verblijfplaats is aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (Waboprocedure) of een ontheffing (ontheffingsaanvraag Wnb).
37/108
4.5.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Uit de inventarisatie naar beschermde soorten (zie figuur 4.6) blijkt dat er drie soorten vleermuizen en de steenmarter in het gebied zijn aangetroffen. Van de Gewone dwergvleermuis is ook een verblijf gevonden. Daarnaast is één waarneming van een vogel met een jaarrond beschermd nest gedaan, namelijk de steenuil. Voor de Steenmarter en de Gewone dwergvleermuis zullen indien dat nodig blijkt een plan van aanpak worden opgesteld waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden te niet te doen. In dat geval zal op basis van dit plan van aanpak ontheffing van de Wnb worden aangevraagd.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Toetsingskader In de huidige wetgeving zijn de begrippen risicobron, (beperkt) kwetsbaar object, plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico van belang. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico GR is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) is van toepassing op het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar, bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico, maar wel geldt hiervoor een verantwoordingsplicht in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen Op het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet van toepassing; het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. 38/108
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. 4.6.2
Onderzoek
Figuur 4.7 Uitsnede risicokaart met het plangebied groen omcirkeld Volgens de risicokaart zijn er op grotere afstand van het plangebied risicovolle inrichtingen gelegen. De invloedsgebieden en PR 10-6 contouren liggen niet over het plangebied. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten noorden van het plangebied bevindt zich de A15 op circa 521 meter. Over deze wen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De ontwikkeling bevindt zich niet in de PR-contouren van deze wegen. Ook is het plangebied buiten het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter van de A15 gelegen. Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. Het plangebied is in het invloedsgebied gelegen. Omdat de afstand tot de weg groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel dient een beknopte verantwoording te worden opgesteld waarin nader wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Het spoortraject Betuweroute Meteren – Elst noordwestboog bevindt zich ten noorden van het plangebied en maakt onderdeel uit van het Basisnet. Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie D4 en bedraagt 4 kilometer. Met een afstand van circa 580 meter bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied.
Ook hier kan worden volstaan met een beknopte verantwoording doordat de afstand groter is dan 200 meter.
39/108
Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten westen bevindt zich de buisleiding N-574-12. Het betreft een aardgasleiding in beheer van de Gasunie met een grootte van 4 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het bijbehorende invloedsgebied is 45 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 259 meter en is daarmee niet in het invloedsgebied gelegen. Een berekening of verantwoording voor het groepsrisico van de buisleiding is niet noodzakelijk. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Dalwagen. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Dodewaard. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht.
Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal een dorpshuis voor meerdere verenigingen, de voetbalvereniging, basisscholen De Hien en De Bellefleur en een kinderopvangorganisatie gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij hen wordt verwacht dat zij geholpen worden door de begeleiders bij een incident. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient op de hoogte te zijn van de handelingen bij een incident.
De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 4.6.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A15 en spoortraject Betuweroute Meteren – Elst noordwestboog. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.