CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting en regels

Beeldvormende avond ('Het Beeld') 14 september 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Kesteren, Nedereindsestraat 1’23.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Nedereindsestraat 5 - 11 Het plangebied grenst in het westen aan de bestemming Detailhandel. Hier zijn onder meer post en koeriersdiensten, een bakker en boekhandel gelegen op de begane grond. Op de verdiepingen zijn woningen gelegen. De maximale milieucategorie binnen de bestemming Detailhandel bedraagt milieucategorie 2. Hiervoor geldt een bijbehorende richtafstand van maximaal 30 meter (voor het aspect geluid). Door de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand met een afstandsstap worden verlaagd. Hierdoor bedraagt de richtafstand 10 meter. Deze richtafstand is in het westen deels over het

26

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1 plangebied gelegen. Echter worden er in dit deel van het plangebied uitsluitend parkeerplaatsen gerealiseerd. De gevel van de huisartsenpraktijk en de woningen wordt gerealiseerd op circa 10 meter van de bestemming 'Detailhandel'. Derhalve kan worden verondersteld dat de richtafstand van de locatie aan de Hoofdstraat 38 wordt behaald en derhalve geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast zijn er binnen de bestemming Detailhandel reeds woningen toegestaan die maatgevend zijn voor mogelijke potentiele overlast. Er kan worden uitgegaan dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn vanuit de bedrijfsactiviteiten binnen deze bestemming. Doordat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling de realisatie van een huisartsenpraktijk betreft, kent de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling milieucategorie 1. Voor milieucategorie 1 geldt een maximale richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Derhalve kan worden verondersteld dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de maatschappelijke bestemming. Nedereindsestraat 2 In het noorden van het plangebied zijn enkele centrumbestemmingen gelegen. De maximale milieucategorie binnen deze bestemming betreft milieucategorie 2. De maximale milieucategorie binnen de bestemming 'Detailhandel bedraagt milieucategorie 2.

Hiervoor geldt een bijbehorende richtafstand van maximaal 30 meter (voor het aspect geluid). Door de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand met een afstandsstap worden verlaagd. Hierdoor bedraagt de richtafstand 10 meter. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is gelegen op meer dan 20 meter van de meest nabijgelegen centrumbestemming. Doordat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling de realisatie van een huisartsenpraktijk betreft, kent de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling milieucategorie 1. Voor milieucategorie 1 geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Derhalve kan worden verondersteld dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de maatschappelijke bestemming. Voorgenomen ontwikkeling In de omgeving van het plangebied zijn enkele woonbestemmingen gelegen. Doordat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling de realisatie van een huisartsenpraktijk betreft, kent de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling milieucategorie 1. Voor milieucategorie 1 geldt een richtafstand in gemengd gebied van 0 meter. Derhalve kan worden verondersteld dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de omliggende woonbestemmingen. Daarnaast zal de ruimtelijke impact van onderhavige ontwikkeling met het toevoegen van een huisartsenpraktijk vergelijkbaar zijn met dat van de voorgaande situatie met het politiebureau.

Binnen de te realiseren maatschappelijke bestemming zijn zowel woningen (milieugevoelige functies) als milieubelastende functies ( huisartsenpraktijk) toegestaan. Beide functies worden in één gebouw gerealiseerd. Er is in dit geval sprake van functiemenging. Een huisartsenpraktijk valt onder categorie A. Categorie A is toelaatbaar aanpandig aan woningen. 4.4.3

Conclusie

Onderhavige ontwikkeling maakt appartementen mogelijk in gemengd gebied. De richtafstanden van omliggende bedrijven zullen gedeeltelijk het plangebied doorkruisen. Echter komen deze richtastanden niet tot aan de gevel van de appartementen. Binnen de te realiseren maatschappelijke bestemming is tevens een huisartsenpraktijk toegestaan. In de omgeving van het plangebied zijn enkele woonbestemmingen gelegen. Een huisartsenpraktijk valt onder milieucategorie 1. Voor milieucategorie 1 geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. De huisartsenparktijk en de appartementen worden in één gebouw gerealiseerd. Er is in dit geval sprake van functiemenging. Een huisartsenpraktijk valt onder categorie A. Categorie A is toelaatbaar aanpandig aan woningen. Gelet op de specifieke invulling van het perceel en de reeds aanwezige woonfuncties in de omgeving van het plangebied kan worden geconcludeerd dat er op het gebied van bedrijven en milieuzonering geen belemmering is voor onderhavige ontwikkeling.

Toelichting (ontwerp)

27

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 µg/m3 ). 4.5.2

Onderzoek

Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie tot 1.500 woningen). Desondanks is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een 'NIBM' toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: 158 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.1 Verkeer en parkeren). Aandeel vrachtverkeer van 1%. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2024 (worst-case scenario), zie onderstaande afbeelding.

28

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

Afbeelding 4.2: NIBM-tool: worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verk eer Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,19 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,04 µg/m3 bijdragen. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 29,7 µg/m3 en voor PM10 19,5 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 11,9 µg/m3. Tabel 4: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id

NO2 ìg/m3

PM10 ìg/m3

PM10 PM2.5 overschrijdingsdagen ìg/m3

Jaar

Rekenpunt

15576525

17.4

16.7

6.0

9.2

2020

Rekenpunt

15576519

16.5

16.6

6.0

9.3

2020

Rekenpunt

15576513

16.9

16.7

6.0

9.3

2020

Rekenpunt

15536296

16.3

16.6

6.0

9.3

2020

40

40

35

25

Norm

Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 17,6 µg/m3 en 16,8 µg/m3. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijnstof) en PM2,5 (fijnstof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden.

Toelichting (ontwerp)

29

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

4.5.3

Conclusie

De bijdrage van de verkeersbewegingen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan. In de huidige situatie is er een kantoorpand gelegen waarvoor een hogere verkeersgeneratie geldt. Hierdoor kan worden verondersteld dat de luchtkwaliteit ter plaatse alleen maar zal verbeteren en dat het aspect luchtkwaliteit derhalve geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.6

Geur

4.6.1

Toetsingskader

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. 4.6.2

Onderzoek

In een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Binnen het plangebied kan daarom uit het oogpunt van geur een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Tegelijkertijd zal de ontwikkeling geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijbedrijven. 4.6.3

Conclusie

Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Toetsingskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden.

Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen 30

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1 aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Beleidsvisie externe veiligheid 2015 – 2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1.

de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht; 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's; 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's; 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit. 4.7.2

Onderzoek

De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de Atlas van de leefomgeving geïnventariseerd.

Toelichting (ontwerp)

31

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omlijnd)

Risicovolle inrichtingen In en nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting betreft de opslag van lpg. Het invloedsgebied van deze risicovolle inrichting bedraagt 150 meter. Het plangebied is gelegen op meer dan 450 meter van de risicovolle inrichting. Gezien de dermate grote afstand tussen het plangebied en de risicovolle inrichting vormt dit geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied is een buisleidingen gelegen, te weten N-574-10. Tabel 5: Letaliteitsafstanden en werkelijke afstand buisleiding Buisleiding

Diameter (inch)

Werkdruk (bar)

100% 1% Werkelijke letaliteitsafsta letaliteitsafsta afstand (in m.) nd (in m.) nd (in m.)

N-574-10

6

40

40

70

1.240

Tabel 5 geeft de letaliteitsafstanden en werkelijke afstand van het plangebied tot de buisleiding weer. Hieruit valt op te maken dat het plangebied gelegen is buiten de invloedsgebieden van de buisleiding. Transportroutes gevaarlijke stoffen Volgens de risicokaart zoals is afgebeeld op figuur 9 is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes van gevaarlijke stoffen. Echter is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de Betuweroute. Het invloedsgebied voor de Betuweroute bedraagt namelijk 4.000 meter. Binnen deze zone kunnen personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied is op 1,35 kilometer vanaf de Betuwelijn gelegen. Het plangebied ligt hiermee wel buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

32

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1 de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute( s) en; de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 6 Bevt moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover advies uit te brengen. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 4 oktober 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijk besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) zeer kwetsbaar gebouw, bestemd voor het verblijf van verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident.

Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. 4.7.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat er geen nadere eisen hoeven te worden gesteld in dit bestemmingsplan met betrekking tot externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid leidt niet tot een belemmering voor de uitvoer van het initiatief.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Toetsingskader

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland; Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.

Toelichting (ontwerp)

33

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodemen oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen.

Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit : De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm.

Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen. Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt. Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe Het beleid voor de rioleringszorg in Neder-Betuwe voor de komende jaren is omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe (GRP) 2019 - 2023. In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij binnen deze planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost én op welke wijze deze kosten gedekt 34

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1 worden. In het plan worden ook de kaders en uitgangspunten geschetst om een goed rioolbeheer te realiseren. Deze kaders en uitgangspunten komen voort uit wetten, het bestaand (gemeentelijk) beleid en ervaringen uit de voorgaande GRP's. Daarbij is tevens aangegeven wat de gemeente doet en wat van bewoners mag worden verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater. Waterplan Omdat de opgave in het watersysteem door uitvoering van maatregelen de afgelopen jaren aanzienlijk kleiner is, is het eerder op zichzelf staande waterplan in het GRP geïntegreerd opgenomen. De bekostiging van het gemeentelijke deel van de wateropgave is opgenomen in de kostendekking GRP. Belangrijke aanleiding voor het losknippen van de watertaak uit het GRP in een apart plan was de destijds grote opgave op het gebied van waterberging, het benodigde specialisme en de genoemde gezamenlijke verantwoordelijkheid. Een gemeentelijk waterspecialist begeleid de uitvoering van de watertaken. Op dit moment zijn veel van de gestelde doelen bereikt of verkeren in een afrondende fase. De nog uit te voeren waterbergingsopgave is kleiner en duidelijk. Het waterplan maakt daarom weer geïntegreerd onderdeel uit van het GRP 2019 - 2023.

Gemeente en Waterschap streven voor stedelijk gebied naar een robuust watersysteem waardoor overstroming alleen optreedt bij extreme situaties. Dit betekent dat er watersysteemmaatregelen moeten worden getroffen. Dit kan door extra ruimte voor oppervlaktewater in het bestaande watersysteem te creëren of door het realiseren van extra waterpartijen. Om de doelstellingen van het rijk (2050) te halen moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen die nu gerealiseerd worden klimaatbestendig en water robuust zijn. Als ze dat niet zijn komt de rekening voor aanpassingen bij toekomstige inwoners of de gemeente voor herinrichting van de openbare ruimte. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar worden afgestemd en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Klimaatbestendig inrichten heeft niet enkel betrekking op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maar betreft ook de (herinrichting van) bestaande openbare ruimte. Een klimaatbestendig oppervlaktewatersysteem betekent een robuust watersysteem van belang dat zowel extreme droge als natte situaties aan kan (regenwater-, droogte- en hittebestendig). In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn afspraken gemaakt over wateroverlast en watertekort. In het NBW zijn werknormen opgenomen ten aanzien van het noodzakelijke beschermingsniveau.

Om nu en in de toekomst aan deze beschermingsniveaus te voldoen is de realisatie van aanvullende waterberging noodzakelijk. Deze opgave wordt bepaald aan de hand van modelleringen (hydrologische berekening van het oppervlaktewatersysteem).

Toelichting (ontwerp)

35

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

4.8.2

Doorwerking plangebied

Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren welke opgenomen zijn in de leggerkaart van het waterschap Rivierenland. Het meest nabijgelegen A-water bevindt zich op meer dan 100 meter ten oosten van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen waterstaatswerken gelegen. Het planvoornemen heeft geen negatieve invloed op de oppervlaktewateren en waterkeringen in de omgeving van het plangebied. Grondwater De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in het realiseren van een parkeerkelder onder maaiveld. De ondergrondse constructies dient waterdicht gebouwd te worden om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Ter plaatse van het plangebied zijn geen meldingen van grondwateroverlast bekend. Hemelwater In de huidige situatie bestaat het terrein dat gebruikt gaat worden voor de uitbreiding uit rijbaan, parkeerplaatsen en een pand. Het te ontwikkelen gebied is reeds grotendeels verhard en omvat 886,5 m² verharding. De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een andere inrichting van het terrein. Het verharde oppervlak van de nieuwe situatie is 720 m². Dit bestaat uit 620,25 m² op kadastraal perceel E1927 en 99,75 m² op een gedeelte van perceel E1928. Dus na de te realiseren nieuwbouw ontstaat er geen toename van verhard oppervlak.

Op grond van de keur van waterschap Rivierenland (artikel 3.4) is het niet toegestaan om zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen. De negatieve effecten die de toename van nieuw verhard oppervlak heeft op het watersysteem dienen gecompenseerd te worden. Aangezien er bij deze ontwikkeling geen toename van verhard oppervlak plaatsvindt wordt er op dit gebied aan de eisen van het waterschap Rivierenland voldaan. Vanuit de gemeente Neder-Betuwe zijn er geen eisen bekend met betrekking tot de afvoer van hemelwater of compensatie voor het verharde oppervlak. De hemelwaterafvoer (hwa) en de vuilwaterafvoer (vwa) worden in het plangebied gescheiden van elkaar aangelegd. Om de ontwikkeling van 720 m² nieuwe verharding aan de Nedereindsestraat 1 te Kesteren te compenseren is geen nieuwe waterberging benodigd. Afvalwater Hemelwater en vuilwater moeten gescheiden uit het gebouw worden afgevoerd (eis gemeente Neder-Betuwe). Ter plaatse van de erfgrens kunnen ze worden gekoppeld en aangesloten op het gemeentelijk riool. Balkons worden aangesloten op het afvalwatersysteem. Dit is een tijdelijke situatie omdat er nog geen hemelwaterafvoer hoofdriool aangelegd is. Watertoets Voor onderhavig plan is de watertoets uitgevoerd en bijgevoegd als bijlage aan voorliggend bestemmingsplan.

De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). Het waterschap Rivierenland wordt betrokken bij de verdere bestemmingsplanprocedure. Voor de volledigheid is het advies dat voortvloeit uit de digitale watertoets opgenomen in de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Uit deze digitale watertoets blijkt dat de normale procedure voor uitvoering van het planvoornemen doorlopen kan worden. 4.8.3

Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

36

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

4.9

Ecologie

4.9.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd het Natuurnetwerk. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Bescherende houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb).

Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden

Toelichting (ontwerp)

37

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1 ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.2

Onderzoek

Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een natuurtoets opgesteld. Navolgend worden de belangrijkste conclusies van de natuurtoets weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Gebiedsbescherming Uit de kaarten van de provincie Gelderland blijkt dat het plangebied op 7 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone ligt. Gezien de ingreep en de afstand is het uit te sluiten dat er een negatief effect optreedt ten aanzien van de beschermde gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de 'Rijntakken' en is gelegen op een afstand van circa 1,8 kilometer van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Er is voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een stikstofdepositieberekening opgesteld. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Soortenbescherming Binnen het plangebied is het mogelijk dat er beschermde soorten als de gewone, kleine en ruige dwergvleermuis en laatvlieger voorkomen. Het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.

Het pand bestaat uit Trespa gevels waaronder rubber zit die er voor zorgt dat er tussen de kieren geen ruimte zit waardoor spouw of isolatie niet te bereiken is. Het plangebied is geschikt als mogelijk foerageergebied voor de gewone/kleine/ruige dwergvleermuis. Het is echter geen essentieel foerageergebied vanwege het ontbreken van aaneen gesloten groen en vanwege de omvang. Daarnaast verandert er weinig aan het huidige terrein anders dan dat er een deel van de puinverharding verdwijnt. Er blijven echter voldoende alternatieven over nadat de nieuwbouw gerealiseerd is. Het plangebied is geschikt als vliegroute. Echter zal dat na de ingreep niet veranderen. Er worden geen mogelijke vliegroutes onderbroken door de aanbouw. Het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels. Er staan bomen en struiken die geschikt zijn als broedplaats voor vogels. Nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten zijn binnen het plangebied niet aangetroffen. Ook is het pand niet geschikt voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten als de huismus en de gierzwaluw. De constructie is zodanig dat er geen ruimtes zijn waar vogels in kunnen nestelen. Het plangebied beschikt voor overige beschermde flora en fauna (o.a. amfibieën, vissen, libellen, overige ongewervelden) geen geschikte biotoop waardoor het voorkomen van deze soorten binnen het plangebied is uitgesloten. 4.9.3

Conclusie

De aspecten ecologie en stikstof vormen geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

38

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

4.10

Archeologie & Cultuurhistorie

4.10.1 Toetsingskader In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2024 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen orpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2024.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2024 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan 4.10.2.1

Archeologie

Het plangebied is gelegen in de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 2'. Waarde – Archeologie 1 Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven doeleinden, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits: a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of, b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of, c. het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 100 m²; met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld. Waarde – Archeologie 2 Op de binnen deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving omschreven doeleinden, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits: a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of,

Toelichting (ontwerp)

39

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1 b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of, c. het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 1.000 m²; met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld. Op het gedeelte waar de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' is gelegen zullen uitsluitend parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De ontwikkeling gaat daarmee niet dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld. De realisatie van de huisartsenparktijk en appartementen gaat dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld, maar blijft onder het nieuw te bebouwen oppervlak van 1.000 m². Daarnaast is een groot deel van de ondergrond reeds verstoord door de bestaande bebouwing van het politiebureau. Derhalve kan worden verondersteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.10.2.2

Cultuurhistorie

De locatie van de Nedereindsestraat 1 te Kesteren is op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Gelderland niet aangeduid met een cultuurhistorische waarde. Ook in de omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen, lijnen of objecten gelegen. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.10.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.11

Leidingen

In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. 4.11.1 Explosieven In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn. Doorwerking plangebied Voor de hele gemeente is een bureauonderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichten van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd.

Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van explosieven.

40

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

4.12

M.e.r.-plicht

Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden is het opstellen van een milieueffectrapport dan nodig. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Ook is de activiteit niet opgenomen in onderdeel D (categorie D 11.1) van bijlage II van het Besluit m.e.r.. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, omdat het plangebied nu reeds de bestemming Dienstverlening heeft. Daarnaast neemt het bebouwd en verhard oppervlak door dit plan niet wezenlijk toe en bevindt het plangebied zich in de bebouwde kom van Kesteren. Dit betekent dat er geen sprake is van een m.e.r.-plichtige activiteit en er verder geen besluitvorming nodig is met betrekking tot de m.e.r.-plicht.

Toelichting (ontwerp)

41

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven. Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2

Inleidende regels

In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan: Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn. Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3

Bestemmingsregels

In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie. Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart). Nadere eisen: voor zover opgenomen, stelt dit burgemeester en wethouders in staat om bij verlening van een omgevingsvergunning vanuit bepaalde nader omschreven doelen nadere eisen te stellen aan de positionering, hoogte, e.d. van bebouwing. Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van specifiek bepaalde bouwregels en daarmee bouwmogelijkheden, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd,

42

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1 maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Afwijken van de gebruik sregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van een bepaalde gebruiksregel. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werk zaamheden: dit lid bevat een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde categorieën van werken en werkzaamheden. Deze vergunning wordt door burgemeester en wethouders verleend. In het lid worden de voorwaarden voor het verlenen van een dergelijke vergunning, eventuele uitzonderingen en een eventuele adviesplicht beschreven. De in het plan opgenomen bestemmingen zijn toegelicht in paragraaf 5.6.

5.4

Algemene regels

In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels: dit artikel bevat regels met betrekking tot ondergronds bouwen, overschrijding van bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen en over het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over enerzijds wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan en anderzijds onder welke voorwaarden bepaald gebruik (mantelzorg en aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten) juist wél is toegestaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid.

5.5

Overgang en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen: Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik. Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald (de naam van het bestemmingsplan).

Toelichting (ontwerp)

43

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

5.6

Toelichting op de bestemmingen

In dit bestemmingsplan is slechts één enkelbestemming opgenomen: 'Maatschappelijk'. Daarnaast zijn twee archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Hierna worden de opgenomen bestemmingen kort toegelicht. Maatschappelijk Gekozen is voor de bestemming 'Maatschappelijk' binnen het gehele plangebied, met een functieaanduiding 'wonen'. Deze bestemming wordt het meest passend gevonden voor het beoogde gebruik. Binnen de bestemming zijn maatschappelijke doeleinden, zorginstellingen, speelvoorzieningen, e.d. toegestaan. Hierbij geldt dat, in verband met de parkeersituatie, maximaal 6 behandelkamers, die door een huisarts worden gebruikt, binnen de bestemming zijn toegestaan. Door het opnemen van de functieaanduiding 'wonen' is aangegeven dat ook wonen in woningen is toegestaan, uitsluitend op de verdiepingen. Hierbij is onder voorwaarden een niet-publieksgericht beroep of bedrijf aan huis toegestaan. Binnen de bestemming is één bouwvlak opgenomen. Gebouwen moeten binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van maximaal 50 m² aan bijbehorende bouwwerken. Op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogte voor de gebouwen aangegeven. Voor bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak gelden lagere hoogten, die in de regels zijn aangegeven. Er zijn maximaal 12 gestapelde woningen toegestaan.

De bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de algemene bouwregels opgenomen. Waarde – Archeologie 1 en 2 Deze archeologische dubbelbestemmingen zijn overgenomen uit het geldende paraplubestemming over het thema archeologie. Zolang de gronden niet zijn vrijgegeven op basis van een selectie-advies van de gemeente, is hierdoor het belang van de eventueel aanwezige archeologische waarden geborgd in het bestemmingsplan. Op basis van de dubbelbestemmingen geldt een onderzoeks- en vergunningplicht voor het bouwen en/of uitvoeren van andere werkzaamheden in de grond, voor zover de in de bestemmingen benoemde drempelwaarden worden overschreden. Bij strijdigheid tussen de dubbelbestemming en de onderliggende bestemming, gaan de bepalingen uit de dubbelbestemming voor.

44

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Onderhavig bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, eerste lid, Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er heeft een (digitale) informatiebijeenkomst voor belangstellenden plaatsgevonden op 19 juli 2022 in het kader van de omgevingsdialoog. In de bijlagen is de informatieflyer, het verspreidingsgebied en een verslag van de informatiebijeenkomst opgenomen. Er waren 11 belangstellende aanwezig bij de informatiebijeenkomst. Tijdens de informatiebijeenkomst is het plan gepresenteerd door de architect en zijn vragen beantwoord.

Toelichting (ontwerp)

45

bestemmingsplan Kesteren, Nedereindsestraat 1

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

Overleg

Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. Wat betreft het onderdeel Water is een digitale watertoets gevoerd. En er zijn geen provinciale belangen in het geding.

7.2

Inspraak

Er is een omgevingsdialoog gevoerd (zie paragraaf 6.2). Omdat er een omgevingsdialoog heeft plaatstgevonden wordt inspraak achterwege gelaten en wordt er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

7.3

Ontwerpfase

Na afronding van het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure. De eventuele aanpassingen die volgen uit de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Indien nog worden er ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties moet worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving). Het ontwerpbestemmingsplan wordt/is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt/is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden/is toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving).

7.4

Vaststellingsfase

Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13068660/1