Bijlage 2 - Cultuurhistorische waardenkaart
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 4219
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruchtbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'
Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Colofon Opdrachtgever: Gemeente Neder-Betuwe Titel: '... daar slingert zich de zware dijk door de vruchtbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe Versie: 06-12-2021 Auteur: ir. L.J. Keunen, drs. C.J. Frank & dr. N.W. Willemse Projectcode: NECU Bestandsnaam: RAAPrap_4219_NECU_20211206
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp
Monumenten Advies Bureau
Telefoon: 024-378 67 42
Bredestraat 1
E-mail: info@monumentenadviesbureau.nl
6542 SN Nijmegen
Website: www.monumentenadviesbureau.nl
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Samenvatting In opdracht van de gemeente Neder-Betuwe hebben RAAP en het Monumenten Advies Bureau een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente opgesteld. Deze waardenkaart bevat een overzicht van de nog aanwezige historisch-landschappelijke, bouwkundige en stedenbouwkundige kwaliteiten in de gemeente. Daarnaast zijn er gebieden geïdentificeerd waar deze kwaliteiten elkaar bijzonder versterken, de zogenaamde ‘integrale ensembles’. Hoofdstuk 2 bevat een uitgebreide landschapsbiografie van de gemeente, waarin de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap en de bebouwing daarin op basis van wetenschappelijke kennis wordt toegelicht. Hoofdstuk 3 geeft een uitleg hoe het onderzoek naar de cultuurhistorische waarden is aangepakt. Daarna komen de cultuurlandschappen (hoofdstuk 4), de landschapselementen daarin (hoofdstuk 5) en de bouwkunst en stedenbouw (hoofdstuk 6) inhoudelijk aan de orde. Vervolgens worden de integrale ensembles in hoofdstuk 7 beschreven. Uit het onderzoek komt naar voren dat ongeveer 55% van het gemeentelijk landoppervlak een hoge of zeer hoge cultuurhistorisch-landschappelijke waarde kent. Hiertoe behoren uiterwaarden, buitenplaatsen, maar ook binnendijkse landbouwgrond op de oeverwallen en in de komgebieden. Samen vormen zij een dwarsdoorsnede van de Neder-Betuwse cultuurlandschappen.
Daarnaast kent de gemeente meer dan 220 monumentwaardige gebouwen (waarvan nu slechts een deel beschermd is), evenals 16 stedenbouwkundig zeer hoog of hoog gewaardeerde gebieden. Eén van deze stedenbouwkundige ensembles geniet nu bescherming als gemeentelijk beschermd gezicht. Op basis van deze sectorale waarden zijn er 4 integrale ensembles onderscheiden, waar de waarden elkaar op een bijzondere manier aanvullen. Het gaat om ensembles bij Kesteren, Opheusden, Dodewaard-Hien en Echteld. Deze cultuurhistorische waardenkaart is gekoppeld aan het gemeentelijk erfgoedbeleid, waarin is vastgelegd wat het gemeentelijk beleid op het gebie d van waardevol cultureel erfgoed is.
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[3]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 6 1.2 Onderzoeksgebied ............................................................................................................................... 7 1.3 Onderzoeksopzet en taakverdeling ....................................................................................................... 9 1.4 Dankwoord ........................................................................................................................................ 10 1.5 Leeswijzer ......................................................................................................................................... 10
2 Een landschapsbiografie van Neder-Betuwe ................................................................................... 11 2.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 11 2.2 Aardkundig landschap ........................................................................................................................ 12 2.3 Prehistorische bewoningsgeschiedenis (tot 15 voor Chr.) ..................................................................... 15 2.4 Protohistorie: Romeinse tijd (19/15 voor Chr. tot 450 na Chr.) .............................................................. 18 2.5 Vroege Middeleeuwen (450-1050)....................................................................................................... 19 2.6 Late Middeleeuwen (1050-1500) ......................................................................................................... 21 2.7 Nieuwe tijd (1500-1800) ..................................................................................................................... 33 2.8 Nieuwste tijd (1800-heden) ................................................................................................................. 42
3 Methoden en bronnen ..................................................................................................................... 52 3.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 52 3.2 Cultuurlandschappen ......................................................................................................................... 52 3.3 Landschapselementen........................................................................................................................ 56 3.4 Historische bouwkunst en stedenbouw ................................................................................................ 59
4 Cultuurlandschappen ...................................................................................................................... 69 4.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 69 4.2 Binnendijks rivierenlandschap ............................................................................................................ 70 4.3 Uiterwaarden ..................................................................................................................................... 88 4.4 Waardering ....................................................................................................................................... 101
5 Landschapselementen .................................................................................................................. 103 5.1 Inleiding ........................................................................................................................................... 103 5.2 Waterstaat ........................................................................................................................................ 103 5.3 Infrastructuur .................................................................................................................................... 108 5.4 Industrie en nijverheid ....................................................................................................................... 111 5.5 Bestuur ............................................................................................................................................ 113 5.6 Religieus en funerair ......................................................................................................................... 113 5.7 Militair .............................................................................................................................................. 116 5.8 Opgaand groen .................................................................................................................................
117 5.9 (Overig) reliëf ................................................................................................................................... 119 5.10 Historische nederzettingslocaties ..................................................................................................... 120 5.11 Waardering ..................................................................................................................................... 121
6 Historische bouwkunst en stedenbouw .......................................................................................... 123 6.1 Inleiding ........................................................................................................................................... 123 6.2 Historische bouwkunst ...................................................................................................................... 123
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[4]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
6.3 Stedenbouw...................................................................................................................................... 130 6.4 Waardering ....................................................................................................................................... 141
7 Integrale ensembles ..................................................................................................................... 151 7.1 Methodiek ......................................................................................................................................... 151 7.2 Ensembles ........................................................................................................................................ 151
Literatuur ........................................................................................................................................ 153 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ................................................................... 158
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[5]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
1 Inleiding 1.1 Kader 1.1.1
Opdracht en producten
In opdracht van de gemeente Neder-Betuwe heeft RAAP een cultuurhistorische waardenkaart van die gemeente opgesteld. Deze waardenkaart bestaat uit een inventarisatie en waardering van het aanwezige erfgoed op kaarten en in GIS, alsmede een gebiedsbeschrijving en toelichting op de kaart in rapportvorm. Het resultaat van deze werkzaamheden is weergegeven in meerdere kaartbijlagen en een toelichtend rapport. Kaartbijlage 1 en 2 zijn de inventarisatiekaarten voor respectievelijk landschap en bouwkunst, kaartbijlagen 3 en 4 zijn de waarderingskaarten voor die disciplines. Alle kaarten hebben een schaal van 1:10.000 en zijn opgebouwd aan de hand van shapefiles (.shp) met behulp van het softw arepakket QGIS.
Dit rapport is het feitelijke informatie- en kennisdocument. Het vervolg van de inhoudelijke studie zal bestaan uit het opstellen van een ‘erfgoedkansenkaart’ en daaraan gekoppeld erfgoedbeleid. Deze twee onderdelen, die veel meer dan de inhoudelijke informatie te maken hebben met politiekbestuurlijke keuzes, worden in een afzonderlijk document opgenomen om kennis en beleid duidelijk te scheiden.
1.1.2
Waarom deze kaarten?
Als gevolg van de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo) en de ont wikkeling van nieuw rijksbeleid op het gebied van de erfgoedzorg zijn de wettelijke kaders voor erfgoed en ruimte gewijzigd. Deze wijzigingen hebben gevolgen voor alle gemeenten. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten sinds 1 januari 2012 om het aspect cultuurhistorie uitdrukkelijk mee te wegen bij het opstellen van bestemmingsplannen. De cultuurhistorische inventarisatie en waardering vormen een eerste stap om dit doel te bereiken. Daarbij komt dat per 1 januari 2021 nieuwe wetgeving zi jn intrede zal doen in de vorm van de Omgevingswet, waardoor zowel de instrumenten voor de ruimtelijke ordening als de benodigde informatie zal wijzigen. Tegelijk heeft de gemeente behoefte aan een herijking van de gemeentelijke monumentenlijst. Het doel van deze gebiedsbeschrijving en cultuurhistorische inventarisatie en waardering is om inzichtelijk te maken welk cultuurlandschappelijk en historisch (steden)bouwkundig erfgoed in de gemeente Neder-Betuwe te vinden is. Het betreft dus een basisdocument van waaruit gewerkt zal gaan worden aan een gemeentelijke beleidsnota en erfgoedkansenkaart . De rapportage bevat een gebiedsbeschrijving waarin de landschaps- en bewoningsgeschiedenis is uitgewerkt en een toelichting op de kaarten.
De geïnventariseerde en gewaardeerde elementen worden op twee kaarten gepresenteerd. Daarnaast zijn ze in een digitaal GIS (Geografisch Informatie Systeem) opgenomen, waarin tevens aanvullende informatie is opgenomen over de elementen. De GIS -data kunnen in de
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[6]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
toekomst ontsloten worden middels het gemeentelijk (interne) GIS of worden gebruikt voor publiekspresentatie in de vorm van een webviewer. Het meewegen van cultuurhistorische waarden bij ruimtelijke ingrepen zal voor velen een relatief nieuw fenomeen zijn. Om deze gebiedsbeschrijving, inventarisatie en waardering in de toekomst optimaal te kunnen benutten is het van belang dat de informatie goed ontsloten is. Ook is het van belang dat er gemeentebreed beleid wordt gevormd waarin de omgang met de cultuurhistorie waarden wordt verankerd.
1.2 Onderzoeksgebied 1.2.1
Ligging
De gemeente Neerijnen is ruim 67 km² groot en ligt ingeklemd tussen de Waal in het zuiden en de Rijn in het noorden. Over land bestaan er grenzen met de gemeenten Buren en Tiel in het westen, Overbetuwe in het oosten en Wageningen (Maneswaard) in het noorden. Over de rivieren zijn er tevens grenzen met West Maas en Waal, Druten en Beuningen in het zuiden en Rhenen en Wageningen in het noorden. In de lengterichting door de gemeente lopen de autosnelweg A15, de Betuwelijn (spoo rlijn Elst – Dordrecht) voor personenvervoer en de Betuweroute voor goederenvervoer. De Betuweroute en A15 zijn over de volledige lengte binnen de gemeente gebundeld, terwijl dat voor de Betuwelijn alleen direct ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal geldt. Door de grillige gemeentegrens ligt de Betuweroute ten noordoosten van Echteld buiten de gemeente, terwijl de A15 erbinnen ligt. Ten noorden van Ochten liggen beide over korte afstand buiten de gemeente. De Betuwelijn loopt ten westen van Kesteren over korte afstand buiten de gemeente. Binnen de gemeente liggen aan de Betuwelijn de stations Hemmen -Dodewaard, Opheusden (vóór 1898 een halte onder de naam Dalwagenstraat), Kesteren en Echteld. De stopplaats Schaapsteeg op de westelijke gemeentegrens bestond alleen tussen 1895 en 1916. Station Echteld functioneerde tussen 1882 en 1938; het stationsgebouw staat er nog.
1.2.2
Grenzen
Het onderzoeksgebied betreft het grondgebied van de gemeente Neder -Betuwe, die op 1 januari 2002 werd opgericht. Het gebied heeft een lange geschiedenis van bestuurlijke veranderingen achter zich. De kleinste eenheid waren de dorpspolders, die voortkwamen uit de vroegere dorpsorganisaties als rechtsgemeenschappen en sinds de late middeleeuwen functioneerden om het waterbeheer te regelen. Op het grondgebied van de huidige gemeente lagen de dorpspolders Echteld, Opheusden, Hien & Dodewaard, Kesteren, ‘De Mars, Lede & Oudewaard’ (tot 1838: dijkstoel van Lede en Oudewaard), Ochten, en IJzendoorn (tot 1838: dijkstoel IJzendoorn). 1 In 1838 werd het systeem veranderd, waardoor de oude dorpspolders nu dorpspolders ‘van de derde klasse’ werden, en de oude dijkstoelen ‘dorpspolders van de tweede klasse’. Van de ‘vierde klasse’ was de buitenpolder Willemspolder, die de facto ontstond in 1332 door grafelijke toestemming een sluis te leggen in de bandijk, om zo de uiterwaarden te laten uitwateren op de Linge. Voor een efficiënte gebiedsinrichting werden de oude dorpspolders in 1953 opgeheven, de buitenpolder in 1970.
1
Regionaal Archief Rivierenland, archief van de dorps - en buitenpolders in de Neder-Betuwe 1525-1971
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[7]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Op een hoger niveau bestond sinds de dijkbriefverlening in 1327 de Dijkstoel van de Neder-Betuwe, die ten gevolge van een nieuw reglement voor rivierpolders op 1 januari 1838 werd opgeheven ten gunste van het polderdistrict Nederbetuwe. Twee hoge heerlijkheden, zie hierna, hadden tot 1838 hun eigen dijkstoelen. Het Polderdistrict Neder-Betuwe ging in 1982 samen met dat van de Over -Betuwe tot het nieuwe Polderdistrict Betuwe, dat op zijn beurt in 2002 met andere beheerseenheden fuseerde tot het Waterschap Rivierenland.
Figuur 1. De grenzen van de gemeente Neder-Betuwe.
Landsheerlijk-bestuurlijk behoorde het gebied al in de 14e eeuw tot het ambt Nederbetuwe 2, dat binnen het hertogdom Gelre een onderdeel was van het Kwartier van Nijmegen. Het landsbestuur had delen van de rechtspraak in sommige dorpsgebieden gedelegeerd, wat leidde tot het ontstaan van
2
Archieven van deze vertegenwoordiger van de landsheer in landsheerlijk -bestuurlijke zaken zijn vanaf 1509 bewaard gebleven en worden bewaard door het Regionaal Archief Rivierenland.
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[8]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
heerlijkheden. Tot 1798 bestonden de hoge heerlijkheden Lede & Oudewaard en IJzendoorn, en daarnaast was er de lage of dagelijkse heerlijkheid Echteld. 3 Andere heren, zoals die van Ochten, lijken geen eigen rechtsmacht te hebben gehad. Het verschil was dat hoge heerlijkheden ook halsmisdrijven mochten bestraffen, terwijl men dat in lage heerlijkheden aan de landsheer moest overlaten. Daast waren er de kerkelijke kerspelen Echteld, Kesteren, Lede & Oudewaard, Ochten, Opheusden en Hien & Dodewaard. In de Franse tijd (1795-1813) werd de oude landsheerlijke structuur volledig overboord gegooid. Onder Franse invloed werden mairies, gemeenten, ingesteld. In de vroege fase van de gemeentelijke ontwikkeling was de dynamiek groot. Al op 1 januari 1812 werd IJzendoorn bij de gemeente Ochten gevoegd. Per 1 januari 1817 vond een fusie plaats tussen Ochten en Echteld. Het jaar erna werd IJzendoorn uit de nieuw gevormde gemeente gehaald en verzelfstandigd, een situatie die tot 1 mei 1923 zou duren. Hetzelfde gold min of meer voor Opheusden: het werd in 1812 van Dodewaard afgesplitst en tot zelfstandige gemeente gemaakt. In 1818 werd het samengevoegd met Kesteren tot een nieuwe gemeente, dat zelf per 1 januari 1818 was losgemaakt van Lienden.
In 1817 was een deel van de voormalige heerlijkheid Wolfswaard bij Kesteren ingedeeld 4, en per 1 januari 1822 werd de oude gemeente Lede en Oudewaard bij Kesteren gevoegd. Na de roerige Franse tijd en de daaropvolgende onrust had men eindelijk een situatie gecreëerd die ruim 101 jaar zou bestaan. De laatste grote wijziging in de historische periode was namelijk de genoemde samenvoeging van Echteld en IJzendoorn per 1 mei 1923. Grenscorrecties zorgden met name in de 20e eeuw nogal eens voor de wijziging van de grenzen. Een grenscorrectie zorgde ervoor dat de gemeente Hemmen per 1 juli 1955 19 hectare afstond aan de gemeente Dodewaard. Echteld kende meer dynamiek: per 1 juli 1956 werd er land geruild met Ti el vanwege de ligging ten westen van het Amsterdam-Rijnkanaal en per 1 januari 2002 ging er nog eens 212 hectare naar Tiel over, om een bedrijventerrein te kunnen ontwikkelen. Op 1 januari 2002 fuseerden de gemeenten Dodewaard, Echteld en Kesteren tot de n ieuwe gemeente Kesteren. Vanaf 1 januari 2004 droeg die de naam Neder-Betuwe. Deze gemeente verloor in 2014 hectare land aan de gemeente Tiel voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Medel. In dit rapport kiezen we voor de schrijfwijze ‘Nederbetuwe’ a ls we de landstreek bedoelen, en ‘NederBetuwe’ als we het over de huidige gemeente hebben.
1.3 Onderzoeksopzet en taakverdeling Het cultuurhistorisch onderzoek is vooral uitgevoerd langs twee lijnen, namelijk een inventarisatie en waardering van het historische cultuurlandschap en de daarbij horende landschapselementen enerzijds en een inventarisatie van historische bouwkunst en stedenbouw anderzijds. Om deze inventarisatie en waardering in een breder historisch kader te plaatsen is een gebiedsbeschrijving opg esteld. Luuk Keunen (RAAP) was als projectleider verantwoordelijk voor de loop van het project en de communicatie. Daarnaast hield hij zich voornamelijk bezig met de landschapstypologie en –waardering. De inventarisatie van landschapselementen werd uitgevo erd door Bjorn van Snippenburg (RAAP) en
3
Binnen het ambt Nederbetuwe waren er daarnaast nog de lage of dagelijkse heerlijkheden Maurik, Eck & W iel en Ommeren & Zoelen. 4 Doorenbos 1950: 11
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[9]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Luuk Keunen. Het historisch-bouwkundig en –stedenbouwkundig onderzoek was in handen van CeesJan Frank (MAB).
1.4 Dankwoord Wij danken Han Geurts voor de algemene begeleiding van ons onderzoek namens de gemeente en Charlotte de Leeuw voor de interactie ten aanzien van de communicatie over het project.
1.5 Leeswijzer Dit rapport bestaat uit twee delen. Als bijlagen zijn de resultaten van de inventarisatie en waardering opgenomen in de vorm van 4 kaarten (zie § 1.1.1). Daarnaast maken ook de digitale GIS-bestanden onderdeel uit van het product. Allereerst komt in dit rapport een beknopte landschapsbiografie aan de orde (hoofdstuk 2), ter inleiding op de inhoudelijke informatie die later volgt. Geordend in een aantal tijdsperioden belichten we een lange-termijngeschiedenis van de landschapsontwikkeling van Neder -Betuwe, onderverdeeld naar een aantal relevante historische thema’s als landbouw, waterbeheer, religie en oorlog & defensie. Na een methodische toelichting in hoofdstuk 3 komen in de hoofdstukken 4, 5 en 6 de inhoudelijke aspecten aan de orde van datgene wat op de 4 kaartbijlagen is afgebeeld. Aan de hand van deze teksten zijn de kaarten beter te begrijpen.
Thema’s kunnen dus meerdere keren in het rapport terugkomen, namelijk in de landschapsb iografie (het chronologisch verhaal), de uitleg van de methodiek van inventarisatie en waardering, en in de toelichting op de kaarten. Het samenvoegen van die thematische informatie zou de structuur van het rapport ondoorzichtiger maken.
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[10]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
2 Een landschapsbiografie van Neder-Betuwe Dit hoofdstuk is een ingrijpende bewerking en uitbreiding van de tekst in Boshoven e.a., 2018.
2.1 Inleiding Het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe kent een verleden dat vele duizenden jaren terug gaat. Steeds maakten de inwoners gebruik van het landschap, en pasten het naar hun wensen aan.
Figuur 2. Het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe, omstreeks 1900. In wit zien we het akkerland, in lichtgroen het grasland en in donkergroen de bossen en boomt eeltgebieden.
Men woonde er, werkte er, kerkte er en – zo nu en dan – verdedigde zich er. De Neder-Betuwenaren vormden hun landschap tot een veelzijdig gebied, met bijzondere kenmerken en waardevolle
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[11]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
structuren. In dit hoofdstuk gaan we in op dat rijke verleden. In de daaropvolgende hoofdstukken zoomen we verder in op de gebiedskenmerken, structuren en objecten die ons nog steeds aan dat rijke verleden kunnen herinneren.
2.2 Aardkundig landschap De gemeente Neder-Betuwe bevindt zich in het deel van rivierengebied waar de Waal en de Neder-Rijn thans de belangrijkste Rijntakken vormen. Bodem en landschap zijn dan ook onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van deze rivier. In de duizenden jaren dat de Rijn tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Brabantse zandgronden zijn weg naar de kust zocht zijn opeenvolgende takken in het gebied actief geweest wat een wirwar aan oude beddingen in de bodem heeft achtergelaten ( figuur 3). Het landschap is daardoor in de loop van de geschiedenis danig veranderd en opgehoogd geraakt. Het stromende water bracht eerst grof zand en grind. We hebben het dan over de Rijn afzettingen uit laatste ijstijd, 60.000-15.000 jaar geleden. 5 Daarna, tot zeker 6.300 jaar geleden, stroomden de Betuwse rivieren door een terrassenlandschap. 6 Door het smelten van het landijs na het einde van de laatste ijstijd steeg de zeespie gel en raakten vlakke landgebieden overstroomd. De drooggevallen Noordzee liep weer onder water en de kustlijn en de mondingen van de rivieren kwamen steeds verder landinwaarts te liggen . Het verhang van de rivieren nam hierdoor af en door het steeds langzamer stromende water slibden de oude rivierdalen dicht met grind, zand en klei.
Toen in de loop van de bronstijd (4000-1800 jaar geleden) steeds meer bos werd gekapt voor landbouwgrond nam ook de akkererosie vanuit het Duitse achterland toe. Veel van de hellingen afgespoelde akkergrond (löss) kwam uiteindelijk in het Nederlandse rivierengebied terecht. Door het samenspel van zeespiegelstijging en akkererosie kon het rivierhoogwater in de loop van de nieuwe steentijd (7000 tot 4000 jaar geleden) de oudere terrasoppervlakken afdekken met een kleilaag waardoor het reliëf langzaam afvlakte. Ook werd er meer beddingzand in de geulen neergelegd wat tot een verticale aangroei van de kronkelwaarden leidde. Dit gelijktijdige proces van opslibbing en aangroeiende kronkelwaarden gaf de rivieren de ruimte om regelmatig hun loop te verleggen . Ook konden bij tijd en wijle meerdere riviertakken tegelijkertijd actief zijn (figuur 3). 7 Dit wordt de ‘deltafase’ van het riviersysteem genoemd. De overgang van een rivierterrassenlandschap naar een steeds vlakker wordende delta vond plaats in een brede zone die zich onder invloed van zeespiegelstijging en sedimentlast geleidelijk landinwaarts verplaatste. In de riviervlakte tussen Tiel en Elst voltrok dit zich in de vroege nieuwe steentijd, tussen 6300 en 6000 jaar geleden. 8 Sindsdien is het pakket klei en zand steeds dikker geworden .
Tegenwoordig vindt je op 4 tot 6 meter diepte de grove zandlagen van voor de kleibedekking. 9 In het kleidek zelf komt een gelaagdheid voor waarin niet alleen de resten van ouder rijnlopen bewaard zijn gebleven, maar ook de resten van vroegere bewoning.
5
Deze afzettingen worden gerekend tot de geologische Formatie van Kreftenheye (Busschers & W eerts 2003). Dit wordt door geologen de ‘dalfase’ van het riviersysteem genoemd: Berendsen & Stouthamer 2002; Gouw & Erkens 2007; Cohen et al. 2010; Erkens et al. 2011; Cohen et al. 2012. De holocene rivierafzettingen worden tot de Formatie van Echteld gerekend (W eerts & Busschers 2003). 7 Berendsen & Stouthamer 2002 8 Erkens 2009 9 Dit geheel aan holocene rivierafzettingen wordt gerekend tot de Formatie van Echteld (W eerts & Busschers 2003). 6
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[12]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
De oudste rijnlopen binnen de gemeente Neder-Betuwe die nog in een rivierdal stroomden waren actief in de laatste fasen van de midden steentijd en het begin van de nieuwe steentijd ( figuur 3: nummers 711, 719, 721). De Rijnloop die in het gebied tot de vroegste fase van de deltaopbouw gerekend kan worden wordt door geologen gerekend tot het Veedijksysteem (372) welke actief was tot de late nieuwe steentijd. Daarna zijn het vooral de bronstijdrivieren van het Ochtensysteem (123) en het Westerveldsysteem (182) die het gebied doorkruisten. In de ijzertijd volgden nieuwe Rijntakken zoals de Echteld (42) en Herveld (64). De meeste van deze stroomgordels bleven nog geen 1000 jaar actief en raakten in de loop van de IJzertijd alweer buiten gebruik. Gedurende bepaalde momenten in de IJzertijd en Romeinse tijd waren vijf tot zes stroomgorde ls tegelijk actief. Vlak voor het begin van de jaartelling ontstonden de Rijntakken Waal (304) en Neder-Rijn (305). Verreweg het grootste deel van de afzettingen van de ze twee Rijntakken bevindt zich in het huidige buitendijkse gebied. Enkele uitzonderingen zijn een voormalige meanderbocht van de Waal in het binnendijkse gebied ten oosten van de voormalige kerncentrale Dodewaard, een binnendijkse zone ter hoogte van de bebouwing van Dodewaard en een gebied ten oosten van Ochten (ten zuiden van bungalowpark Rivierendal).
Afzettingen van de Neder-Rijn komen alleen in de uiterwaarden voor. Hierbinnen zijn jongere en oudere landschappen aan te geven. Zo komt ter hoogte van Opheusden nog een restant van de niet -bedijkte Neder-Rijn tegen de rivierdijk voor. 10 Ook binnen de uiterwaarden van de Waal zijn oudere zones te vinden. 11 Zo is een tot ruim 600 m brede zone van de Ochtense Buitenpolder direct tegen de dijk een ouder deel van de Waal. Op basis van historisch kaartmateriaal uit de 17e tot en met de 19e eeuw kunn en ook voor bepaalde andere delen van de uiterwaarden uitspraken worden gedaan over de ouderdom er van, evenals de verlegging van de Waalbedding in de 18e, 19e en 20e eeuw door menselijk handelen. Tot slot hebben diverse historische dijkdoorbraken invloed gehad op het landschap. Diverse wielen in het gebied de nog stille getuigen van deze dijkdoorbraken en bevindt zich in het onderzoeksgebied veelal een pakket overslaggrond (dijkdoorbraakafzettingen). Veelal is dit pakket niet dikker dan 30 cm en wordt derhalve niet weergegeven op de (gedetailleerde) bodemkaarten van het gebied. Van de dikkere overslaggronden is de ligging wel gekarteerd op dergelijke kaarten. Het betreft met name een gebied ten oosten van Ochten waar een dikker pakket overslaggrond aanwezi g is. De huidige Waal ontstond in de Late IJzertijd.
Verreweg het grootste deel van de afzettingen bevindt zich in het huidige buitendijkse gebied. Enkele uitzonderingen zijn een voormalige meanderbocht van de Waal in het binnendijkse gebied ten oosten van de voormalige kerncentrale Dodewaard, een binnendijkse zone ter hoogte van de bebouwing van Dodewaard en een gebied ten oosten van Ochten (ten zuiden van bungalowpark Rivierendal). Van het buitendijkse deel van de Waal zijn ook oudere zones te duiden. Zo is een tot ruim 600 m brede zone van de Ochtense Buitenpolder direct tegen de dijk een ouder deel van de Waal. Op basis van historisch kaartmateriaal uit de 17e tot en met de 19e eeuw kunnen ook voor bepaalde andere delen van de uiterwaarden uitspraken worden gedaan over de ouderdom er van, evenals de verlegging van de Waalbedding in de 18e, 19e en 20e eeuw door menselijk handelen.
10 11
Cohen et al. 2014 Ibid.
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[13]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Figuur 3. De ligging van oude Rijntakken in het landschap en de periode waarin ze inactief raakten (naar: Cohen et al. 2012).
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[14]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Tot slot hebben diverse dijkdoorbraken invloed gehad op het landschap. Diverse wielen in het gebied de nog stille getuigen van deze dijkdoorbraken en bevindt zich in het onderzoeksgebied veelal een pakket overslaggrond (dijkdoorbraakafzettingen). Veelal is dit pakket niet dikker dan 30 cm en wordt derhalve niet weergegeven op de (gedetailleerde) bodemkaarten van het gebied. Van de dikkere overslaggronden is de ligging wel gekarteerd op dergelijke kaarten. Het betreft met name ee n gebied ten oosten van Ochten waar een dikker pakket overslaggrond aanwezig is.
2.3 Prehistorische bewoningsgeschiedenis (tot 15 voor Chr.) De Bataven zijn niet de eerste bewoners van het rivierengebied, zoals in de vroege 20e eeuw nog wel werd gedacht. Het aantal vondsten in deze omgeving uit de vroegere periodes van de prehistorie is echter heel gering. Wel zijn er vondsten gedaan in de nabije omgeving, zoals een vondst bij Tiel Kellen. 12
2.3.1
Paleolithicum en Mesolithicum
Bij het wonen in de vroegere perioden van de steentijd moeten we niet zozeer aan permanente bewoning denken, maar aan tijdelijke verblijfplaatsen (kampementen). In het Midden Paleolithicum zouden er wellicht al mensen in het rivierengebied hebben gewoond, blijkt uit vondsten. Deze vondsten liggen relatief diep, meer dan 2 meter onder maaiveld, en zijn veelal moeilijk te herkennen. In het Midden Paleolithicum deed zich een aantal relatief warme perioden voor. De huidige Betuwe werd toen door migrerende mensen bezocht. Mogelijk stammen de meeste midden-paleolithische vondsten uit het warme Eemien, een periode die werd opgevolgd door de laatste ijstijd (Weichselien). Het grootste deel van het Weichselien was Nederland onbewoond. Tegen het eind van deze ijstijd werd het gebied periodiek bewoond door jagers (Laat Paleolithicum). Uit deze periode zijn echter nauwelijks vondsten in het rivierengebied aangetroffen, vanwege de diepte van de geologische niveaus waarin resten uit het Laat Paleolithicum kunnen voorkomen. Veel vindplaatsen uit deze periode zijn bovendien in de loop der eeuwen waarschijnlijk verspoeld door latere erosie - en sedimentatieprocessen. Een belangrijk kenmerk van het Paleolithicum en het daaropvolgende Mesolithicum is dat de voedselvoorziening van de mens uitsluitend door middel van jag en en verzamelen geschiedde.
In het grootste deel van Nederland, waaronder het rivierengebied, is deze levenswijze tot in de Late Steentijd (Neolithicum) gehandhaafd. In de warmere en vochtigere periode van het Holoceen veranderde de vegetatie geleidelijk en nam de diversiteit aan wild en vis toe. Daarvan maakte de mens dankbaar gebruik bij zijn pogingen om zoveel mogelijk bronnen in de natuurlijke omgeving te benutten. De jager -verzamelaars trokken door het landschap en verbleven slechts tijdelijk op een bepaalde plaats. Waarschijnlijk lieten ze zich met name leiden door (jaarlijkse) migratiepatronen van wild (en vissen) en de oogstperiode van verschillende wilde planten in specifieke landschappen. Ze maakten gebruik van vuurstenen werktuigen en bewapening, waarvan bewerkte vuurstenen spitsen en klingen een belangrijk onderdeel vormden. Bij de kampvuren op de pleisterplaatsen verwerkte men de jachtbuit en herstelde men de schade aan de uitrusting.
12
Verhelst, 2015; Norde & Verhelst 2012
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[15]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Binnen de gemeente Neder-Betuwe zijn er geen vindplaatsen uit het Paleolithicum en Mesolithicum bekend. 13 Landschappelijk gezien kunnen vindplaatsen uit deze perioden voorkomen op de vroegholocene meandergordel die in het uiterste oosten van het onderzoeksgebied aanwezig was, maar deze afzettingen zijn door latere rivieractiviteit verstoord geraakt.
2.3.2
Neolithicum
In het uiterste zuiden van Nederland (het Limburgse lössgebied) vestigden zich al vanaf 5300 voor Chr. de eerste boeren. Verder naar het noorden trokken nog lang kleine groepen mensen volgens een seizoengebonden patroon rond op zoek naar voedsel. In de loop van het Vroeg Neolithicum (circa 4900 voor Chr.) werden de mensen in het rivierengebied ook gaandeweg beïnvloed door deze nieuwe levenswijze. 14 Dit proces waarbij geleidelijk het leven van jager-verzamelaar werd verruild voor dat van boer besloeg vele honderden jaren. Aan deze jagers -met-akkertjes hebben archeologen de naam Swifterbantcultuur gegeven. Van permanente bewoning was toen nog geen sprake. Dat zou duren tot omstreeks 3500 voor Chr. (in het Midden Neolithicum), toen er verspreid over de bewoonbare gronden (stroomgordels, crevassen, zandopduikingen) kleine agrarische nederzettingen ontstonden (waarschijnlijk vaak slechts één boerderij). De nalatenschap van deze mensen wordt aangeduid met de benaming Vlaardingencultuur (circa 3500-2500 voor Chr.). 15 Deze boeren woonden op de overwegend beboste oeverwallen (en crevassen) langs de rivieren. Men hield met name runderen en varkens; schapen lijken een minder grote rol van betekenis te hebben gespeeld. 16 Het nieuwe gebruik van uit klei gebakken vaatwerk wordt eveneens als een kenmerk van het Neolithicum beschouwd.
Naast akkerbouw en veeteelt bleef overigens ook de jacht nog lange tijd van betekenis in de voedselvoorziening. 17 De opbouw van het landschap leidde tot een rustig en gevarieerd milieu met gunstige bewoningsmogelijkheden. Indien neolithische vindplaatsen op de meandergordels liggen, correspondeert de einddatering van deze meandergordels over het algemeen met het begin van de neolithische bewoningsfase. Dit komt overeen met het uitgangspunt dat een meandergordel zeer aantrekkelijk wordt voor bewoning indien deze zijn bloeifase heeft gehad en nog wel open water bevat in de vorm van (rest)geulen. In de gemeente Neder-Betuwe waren er in deze periode meerdere stroomgordels actief. Voorbeelden zijn de stroomgordels van Ochten en Distelkamp-Afferden. De diepteligging van neolithische en andere prehistorische vindplaatsen kan sterk variëren. De diepteligging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. In het al gemeen kan gesteld worden dat op de dagzomende hooggelegen prehistorische meandergordels de vindplaatsen (vrijwel) aan het maaiveld liggen, terwijl deze op diepgelegen prehistorische meandergordels en complexen van oeverzones met crevassesystemen en komafzettingen zijn afgedekt. Vooral het grote crevassecomplex ten noorden van Dodewaard wordt gekenmerkt door talrijke vindplaatsen uit het Neolithicum en de Bronstijd (o.a. Plas van Schouls, Veedijk -West en Hiensche Veld).
De opbouw van het landschap lijkt hier te wijzen op een rustig en gevarieerd milieu met gunstige bewoningsmogelijkheden.
13
Schuurman & De Roode 2008: 30 Raemaekers 1999 15 Louwe Kooijmans 2005 16 De Ridder 2010: 38 17 De Ridder 2010: 37-42 14
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[16]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
De vindplaatsen zijn aangetroffen bij inventariserende veldonderzoeken vóór en archeologische begeleidingen tijdens de aanleg van de Betuweroute. 18 Ook in het omliggende gebied rond het onderzoeksgebied zijn diverse vindplaatsen uit Neolithicum aangetroffen zoals Medel - De Roeskamp (recent, nog niet uitgewerkt onderzoek) en Tiel - Waterberging, 19 en diverse onderzoeken bij zandwinningen ten zuiden van Deest.
2.3.3
Bronstijd
In de Vroege Bronstijd was de bewoningsdichtheid van het rivierengebied nog gering, maar in de Midden Bronstijd nam deze geleidelijk toe. 20 De actieve stroomgordels in de Vroege en Midden Bronstijd zijn die van Ochten en Distelkamp-Afferden. 21 Het aantal kleine nederzettingen dat in het rivierengebied in kaart is gebracht, is aanzienlijk. 22 De boerderijen hadden in deze tijd veelal zeer forse afmetingen van meer dan 20 m lengte. 23 Kenmerkend is het gebruik van bronzen gebruiksvoorwerpen (o.a. bijlen en sikkels) die in de beginfase door middel van ‘internationale’ handelsrelaties in het rivierengebied zijn terechtgekomen, maar al snel door inheemse productiecentra werden vervaardigd en verhandeld. 24 In het zuidelijk deel van de gemeente is een AMK-terrein met een nederzetting uit de Bronstijd aanwezig ter hoogte van Wely (AMK-nr. 4613). De locatie ligt op afzettingen van de stroomgordel van Distelkamp-Afferden. In de grotere regio zijn diverse vindplaatsen uit de Bronstijd bekend, zoals in Tiel-Medel en zuidelijk van de huidige Waal van de zandwinningsgebieden rond Deest. Door een tijdelijke vernatting van het klimaat gedurende de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd had het rivierengebied in toenemende mate last van overstromingen. Als gevolg hiervan was er in die periode een sterke afname van de bevolking.
25 In deze periode ontstonden in de gemeente Neder-Betuwe onder meer de stroomgordels van Wamel, Bommel en Echteld.
2.3.4
IJzertijd
Vanaf de Midden IJzertijd nam de gemiddelde omvang van de nederzettingen toe. 26 Met name in de Late IJzertijd, op een moment dat ook de bevolkingsaanwas het sterkst was, bevonden zich her en der nederzettingen die bestonden uit een aantal boerenerven op terreinen met een omvang van meerdere hectaren. De grootste prehistorische nederzettingen in het rivierengebied stammen uit de periode 50 tot 15 voor Chr., toen de Bataven zich in dit gebied vestigden. De stroomgordels van Distelkamp-Afferden en Bommel bleven actief tot in de Midden IJzertijd, en de stroomgordels van Wamel en Echteld tot in de Romeinse tijd. In de Vroege IJzertijd, rond 610 voor Christus, ontstond er nog een stroomgordel (Ooij). Die bleef ook tot in de Romeinse tijd actief. Vermoedelijk nam de activiteit van deze stroomgordels vanaf de Late IJzertijd langzaam af, omdat rond 190 voor Christus de Waalstroomgordel actief werd. Deze rivier ligt nog altijd aan de zuidkant van het onderzoeksgebied en ontwikkelde zich in de loop van de Romeinse tijd tot de belangrijkste afvoertak
18
Asmussen 1996; Schutte e.a. 2002 Norde & Verhelst 2012 20 Lange e.a. 2014: 119 21 Cohen & Stouthamer 2012 22 ARCHIS, 2016. Tussen Kesteren, Haaften en Culemborg zijn totaal 898 waarnemingen op 125 locaties (waarnemingsnummers) van nederzettingen daterend uit de Bronstijd bekend. 23 Lange e.a. 2014: 122, 128 24 Arnoldussen 2008: 443, 444 25 Arnoldussen 2008: 412. Arnoldussen baseert zich op het ontstaan van nieuwe riviertakken in de vroege IJzertijd en het ontbreken van bewoningssporen uit de vroege IJzertijd in onder meer Medel -Bredesteeg. In het algemeen schijnen vindplaatsen uit de vroege IJzertijd in de regio Tiel -Nederbetuwe niet zeldzaam te zijn: op zichtafstand van Medel -Bredesteeg zijn deze bekend van Tiel-Kellen (twee vindplaatsen) en Echteld -Spoorstraat. 26 Louwe Kooijmans 2005: 697 19
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[17]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
van het water, ten koste van de andere actieve stroomgordels die d an ook één voor één buiten gebruik raakten. Vindplaatsen uit de IJzertijd zijn voornamelijk gelegen op de genoemde stroomgordels die in deze periode floreerden. De hogere bevolkingsdichtheid, gecombineerd met de grotere trefkans (vindplaatsen uit de IJzertijd zijn groter, liggen vaak vrijwel aan het huidige maaiveld en worden gekenmerkt door veel nederzettingsafval), heeft ertoe geleid dat het rivierengebied een relatief hoge dichtheid aan vindplaatsen uit deze periode kent. In veel gevallen gaat het om sp oren van nederzettingsterreinen, vaak geconcentreerd langs de toen actieve meandergordels met aangrenzende oeverzones. Veel nederzettingsterreinen uit de IJzertijd liggen in zones met oude woongronden met een langdurige bewoningscontinuïteit (Late IJzertijd-Romeinse Tijd-Middeleeuwen). Deze bevinden zich vaak op de hoogste delen van de stroomruggen, die daardoor soms tot meer dan 1 meter hoger liggen dan de omgeving. Deze terreinen worden vaak gekenmerkt door een zwarte humusrijke bodem met veel archeologische vondsten (nederzettingsafval). Ze zijn daarom voor een deel reeds in de jaren 1940-1975 herkend en gekarteerd door bodemkundigen van de Stichting voor Bodemkartering (Stiboka), en gekenschetst als zogenaamde ‘oude woongronden’.
Uit de IJzertijd vinden we binnen de gemeente Neder-Betuwe sporen van bewoning op de meandergordels van Echteld, Boelenham, Westerveld en Ochten. De eerste twee waren toen nog actief, de laatste twee nog aanwezig als hogere ruggen in het landschap. Een belangrijke vindplaats is de Hoge Woerd in Kesteren. 27
2.4 Protohistorie: Romeinse tijd (19/15 voor Chr. tot 450 na Chr.) Het begin van de Romeinse tijd in Nederland wordt soms op 19, soms op 15 voor Christus gesteld. In deze periode werd de noordelijke Rijntak, de Nederrijn, tot rijksg rens aangewezen. Een stelsel van grensforten (castella) moest deze grens bewaken. Deze grens staat bekend als de Limes. Op de befaamde Tabula Peutingeriana, een middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart, staan de belangrijkste legioenplaatsen (castra, zoals Noviomagi ofwel Nijmegen), forten (castella) en bijbehorende vici (militaire nederzettingen bij een castellum) vermeld. Er bestonden ook niet-militaire vici. Langs het Gelderse deel van de limes lagen in de Midden Romeinse tijd (circa 70 -270 na Chr.) naast de enige Nederlandse castra (in Nijmegen) circa tien castella. 28 Veel vermoedelijke castella langs de Gelderse limes zijn als gevolg van de voortdurende activiteit van de Rijn verspoeld door het water. Het onderzoeksgebied lag circa 10 tot 15 km ten zuiden van de rijksgrens in een streek die werd gedomineerd door de Bataafse cultuur. Langs de Waal komen relatief veel nederzettingen voor uit de Romeinse tijd. Het betreft gewaardeerde AMK-terreinen ten noorden en westen van IJzendoorn (resp. AMK -nr. 12645, 12644), een AMK-terrein direct tegen de Waalbandijk aan ter hoogte van de Melkdreef (AMK -nr.
11346) en een terrein aan de Engelandstraat ten oordoosten van Hien (AMK-nr. 11345). Het betreft in alle gevallen vindplaatsen die zich kenmerken door de aanwezigheid van een oude woongrond en tot op de dag van vandaag boven het omliggende landschap uit steken en gelegen zijn langs de verlandende stroomgordel van Echteld. Ook elders in het gebied bevinden zich bekende vindplaatsen uit de Romeinse tijd, het merendeel in de oeverzone op of naast de stroomgordel van Echteld (figuur 4). Op basis van de vindplaatsverspreiding kan worden gesteld dat de vindplaatsen zich uitstrekken in een strook tot zo’n 100 m buiten de zone waar beddingzand van de betreffende stroomgordel kan worden aangetroffen.
27 28
Schuurman & De Roode 2008: 32 Van der Heijden 2016
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[18]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Enkele vindplaatsen uit de Romeinse tijd bevinden zich op afzettingen van de Waalstroomgordel. Het betreft in alle gevallen losse vondsten.
Figuur 4. Sterk vereenvoudigde fictieve weergave van het bewoningspatroon gedurende de Romeinse tijd (a), merovingische tijd (b), karolingische tijd (c) en late middeleeuwen (d).
2.5 Vroege Middeleeuwen (450-1050) Met het uiteenvallen van het Romeinse rijk aan het begin van de 5 e eeuw nam de bevolkingsdichtheid langzaam af tot aan de merovingische tijd (figuur 4). Vondsten uit deze periode zijn aangetroffen bij IJzendoorn. 29 In de karolingische tijd verplaatsten nederzettingen zich naar de plaats van de huidige dorpen (figuur 4). Op basis van schriftelijke bronnen en archeologische vondsten kan dit ook worden gesteld voor een aantal dorpskernen langs de Waal, en wel Opheusden, IJzendoorn en Ochten. Die moeten een oorsprong hebben in deze Karolingische tijd. 30 Mogelijk heeft de vestiging van de Karolingische heerschappij in de 8e eeuw hiermee te maken. In deze periode veranderde er veel op het gebied van staatsinrichting, landbouw en bezit. De dorpen met karolingische oorsprong hebben vaak een langgerekte vorm, begrensd door twee parallelle wegen: een voor - en achterweg, Dit type wordt een esdorp met gestrekte hoofdvorm genoemd (figuur 5). 31 Deze gestrekte vorm werd waarschijnlijk mede bepaald door de langgerekte stroomruggen met regelmatig reliëf waar deze nederzettingen op ontstonden. 32 Haaks op de richting van de stroomgordel werd een verkaveling opgezet, waardoor de afstand naar het bouw- en weideland voor elke boerderij gelijk was. Esdorpen met gestrekte hoofdvorm
29
ARCHIS, 2017 Van Ingen 2001; Van Berkel & Samplonius 2006; Verhelst 2013 31 Den Uyl 1958 32 Harten 1997 30
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[19]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
die haaks op de rivier lagen in plaats evenwijdig eraan zijn deels door de steeds b reder wordende Waal verzwolgen.
Figuur 5. Model van de nederzettingsgeschiedenis van IJzendoorn (Verhelst 2013: 82).
De laaggelegen gebieden binnen de overgangszone tussen kom en oeverwal werden als gemeenschappelijke hooi- en weidegronden gebruikt. De meest laaggelegen delen werden vóór de bedijking gebruikt voor waterberging. Alleen in Ochten lijkt sprake van een dorpskern met een ronde hoofdvorm, well icht naast een gestrekte kern langs de dijk. Het ronde dorpstype met een centrale brink is vooral tot ontwikkeling gekomen op de brede delen van zandige meandergordels met een relatief reliëfrijk oppervlak. 33 Ook hier is echter in zekere zin sprake van een strekking haaks op de dijk. Vondsten uit de Karolingische-Ottoonse tijd (ca. 750-1050) beperken zich vrijwel uitsluitend de oeverzones van de Waal en Rijn, alhoewel het er niet veel zijn . 34 Buiten de historische dorpskernen ontbreken eenduidige aanwijzingen voor vroegmiddeleeuwse bewoning. Dit is een weerspiegeling van de concentratie van bewoning in de dorpskernen. De grote komgebieden binnen de gemeentegrenzen werden vermoedelijk alleen voor specifieke activiteiten (jacht, weidegrond) benut . 35
33
Schuurman & De Roode 2008 Schuurman & De Roode 2008: 35 35 Schuurman & De Roode 2008 34
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[20]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
2.6 Late Middeleeuwen (1050-1500) 2.6.1
Nederzettingsontwikkeling
Inleiding De gestrekte esdorpen die in de Karolingische tijd dicht bij de rivier waren ontstaan consolideerden zich in de Late Middeleeuwen. De bevolkingsgroei in met name de 11e en 12e eeuw moet er voor hebben gezorgd dat de hoeveelheid bebouwing geleidelijk is gegroeid. De bewoning in de Late Middeleeuwen wordt gekenmerkt door het voor het eerst in de geschiedenis op grote schaal toepassen van steenbouw, al bleef hout nog geruime tijd het belangrijkste bouwmate riaal. Een ingrijpende verandering in het rivierengebied was de grootschalige bedijking in de 12e en 13e eeuw. Deze bedijking maakte het mogelijk om ook de relatief lage delen van het rivierengebied, de komgronden, te ontginnen. De ontginning en verkavelin g daarvan zou plaatsvinden vanaf de 10e eeuw tot in de 13e eeuw. De precieze ouderdom van de ontginningen in de streek valt slechts voor bepaalde delen of op indirecte wijze te achterhalen. Het algemene beeld is dat de eerste kades en sluisjes al in de 10e eeuw werden aangelegd. 36 De grootschalige ontginningen vonden plaats in de 11e en 12e eeuw. Wel vonden als gevolg van de bedijking regelmatig catastrofale dijkdoorbraken plaats, waarbij grote delen van het rivierengebied langdurig onder water kwamen te sta an.
De bewoning in de Late Middeleeuwen concentreerde zich als gevolg hiervan nog steeds op de natuurlijke hoge gronden en tegen de winterdijken, terwijl tevens uit deze periode de eerste huisterpen bekend zijn. Echteld De oudste schriftelijke vermelding van Echteld, dat op de stroomrug van Echteld ligt, dateert uit 1178 (‘Echtelte’). Die oorkonde is echter in het verleden als vals aangemerkt. De oudste betrouwbare vermeldingen noemen steeds de schrijfwijze Echtelt. 37 We volgen de historicus Blok in zijn standpunt dat het naamdeel echte niet verklaard kan worden, en gaan er daarbij vanuit dat dit niet kan wijzen op een hofhorig goed. Diezelfde onverklaarbaarheid geldt voor de namen Homoet en Lobith in het rivierengebied. 38 In verschillende publicaties wordt wel een relatie gelegd met de plaatsnaam UUia (850, kopie eind 11e eeuw). Men ziet een relatie met de aanwezigheid van de kasteelnaam Wijenburg en de familienaam Van Wije. Een relatie met de plaatsnaam Ooij ligt ons inziens veel meer voor de hand. Een belangrijke buurtschap onder Echteld waarvan nu nog slechts een deel in de gemeente Neder Betuwe ligt, is Medel. Voor de verklaring van de naam Medele, die in 1196 voor het eerst vermeld wordt en vermoedelijk al vóór 500 ontstond, zijn verschillende mogelijkheden: ‘middelste bos’, ‘bos met open grasland’ en ‘open bos met beren’. 39
36
Van Bavel 1999: 64 Van Berkel & Samplonius 2006: 115 38 Blok 1973: 235 39 Keunen, manuscript 37
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[21]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Figuur 6. Kasteel (linksvoor) en kerk (rechtsachter) te Echteld (foto: RAAP, 29 november 2019).
Ook Echteld, alhoewel niet aan de rivier gelegen, is een gestrekt esdorp. De voor- en achterstraat dragen ook die namen. In de nederzetting Echteld lagen meerdere kapittel - en proosdijgoederen met een hof (curtis) van het kapittel van Oudmunster te Utrecht, terwijl bezit in Medel overwegend vrij was. 40 Op de kop van de langgerekte structuur ligt de middeleeuwse kerk van Echteld, omgeven door het nog bestaande kerkhof. De eenbeukige kerk met driezijdig gesloten koor en toren kent een 12e eeuws romaans schip met mogelijk oudere delen, een gotisch koor uit de 14e eeuw met diepe steunberen en een toren uit 1835 die de ingestorte 12e -eeuwse toren verving. 41 Naast de kerk ontwikkelde zich vóór 1271, maar wellicht al in de 12e eeuw, een adellijk woonverblijf. Oorspronkelijk zetelde hier de familie Van Echteld, maar in 1271 ging het door huwelijk over aan de familie Van Wijhe. In 1495 werd de heer van Echteld gedwongen het huis op te dragen aan de hertog van Gelre, om het daarna in leen terug te ontvangen. 42 IJzendoorn De oudste schriftelijke bron waarin de naam IJzendoorn voorkomt is gedateerd in de periode 850-865 (mogelijk 855). Deze luidt: “in eodem pago (scil. Batuua) … inter Dioli et Maandra hubas duas ”. Met
40
Keunen, manuscript Broekhoven e.a. 2000: 153 42 Jas e.a. 2013: 344-345 41
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[22]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
Dioli wordt Tiel bedoeld, en Maandra moet als Isaandra gelezen worden. IJzendoorn is afgeleid van dit woord Isaandra en houdt mogelijk verband met een plaatselijke waterloop . 43
Figuur 7. De kerk van IJzendoorn, 1920 (foto: collectie RCE).
Van Hemmen en Heunks (2007) hadden het vermoeden dat het middeleeuwse dorp zich oorspronkelijk verder zuidelijk uitstrekte, tot in de huidige uiterwaard. Op oude kaarten is hier namelijk een enigszins halfrond verlopende weg te zien, die de contour van de kasteelgracht van Huis IJzendoorn volgt. Deze lag echter in het verlengde van het kerkhof en niet in het verle ngde van de evenwijdige wegenstructuur. Een alternatieve verklaring hiervoor is dat de kerk ontstaan is als kapel op de voorhof van het kasteel. De structuur van IJzendoorn is in zoverre afwijkend dat de kavelrichting van de percelen buiten het dorp niet haaks op de dorpsstructuur lijkt te staan, maar daar evenwijdig aan loopt. Uit archeologisch onderzoek is echter gebleken dat de oudste middeleeuwse sporen zich uitstrekken in het verlengde van de strook tussen de dijk en de oost-west gerichte verbindingsweg die daar parallel aan loopt. De verklaring hiervoor moet wel zijn dat de oude, Karolingische dorpskern begrensd werd door een weg op de plaats van de huidige dijk en een parallelweg. Van deze laatste zal de oost -west verlopende straat langs de kerk een overblijfsel zijn. Dit esdorp met gestrekte hoofdvorm had wél dezelfde richting als de stroomrug, en de verkaveling van de landbouwgronden buiten het dorp stond daar haaks op.
Van middeleeuwse dorpen met een dergelijke langgerekte structuur, waarbij een van beide wegen
43
http://regionaalarchiefrivierenland.nl/korte -geschiedenis-van-het-dorp-ijzendoorn
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[23]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe
tegenwoordig gevormd wordt door de dijk, bestaan voldoende voorbeelden in de regio: Wadenoijen en Ophemert om er enkele te noemen. Het is niet uitgesloten dat de latere dorpsstructuur tussen de Smidstraat en de Gasthuisstraat ontstaan is als geplande uitbreiding onder invloed van de heren van IJzendoorn in de 14e eeuw. 44 Ochten De plaatsnaam Ochten wordt voor het eerst vermeld in een 12e -eeuwse kopie van een laat-9e-eeuwse oorkonde, waarin gesproken wordt over een locatie, gelegen in uilla Ovtun. De betekenis is onzeker, maar er wordt wel een verband gezocht met het Westfaalse uchte, dat zoveel als ‘morgenweide, weide waarop het vee ’s ochtends word gedreven’ betekent. 45 De laatmiddeleeuwse kerk van Ochten bestond tot 1884. Aan de zuidgevel kwam een zwaar gewelfd voorportaal voor, dat in 1827 instortte en gerestaureerd werd. De toren kende schietgaten en heeft dus vermoedelijk een militaire ‘nevenfunctie’ gehad, zoals we ook wel van andere kerken op strategische plekken kennen. In 1884 vielen koor en schip onder de slopershamer, en bij sloop van de herbouwde en verwoeste kerk na de Tweede Wereldoorlog sneuvelde ook de toren. 46 Uit Ochten stamde een ministeriaal geslacht, dat zijn bezittingen aan de bisschop van Utrecht overdroeg en in leen terug ontving. Later zou de hertog van Gelre het leenheerschap van de heerlijkheid Ochten hebben overgenomen.
In het midden van de 19e eeuw deed de laatste regerend heer, Karel Anton Frederik, prins van Hohenzollern -Sigmaringen, zijn bezittingen over aan particulieren. Of de titel ‘heer van Ochten’, die na de overdracht van de goederen niet meer werd gebruikt, de jure is blijven bestaan, wordt wel bediscussieerd. 47
44
Verhelst 2013 Van Berkel & Samplonius 2018 46 Datema e.a. 2001 47 Datema e.a. 2001: 113-114 45
RAAP-rapport 4219 / versie 06-12-2021
[24]
'... daar slingert zich de zware dijk door de vruch tbare weiden en akkers met kloeke hofsteden bezaaid ...'. Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Neder-Betuwe