Bijlage 19 - Bijlage 4 bij MER Willemspolder Fase 1 Rivierkundige effectbepaling
Tekst van het document
Baggervolumes
De bovenste lijn in Figuur 22 kan worden vertaald in (theoretische) baggervolumes. Immers alle bodempunten die hoger dan de norm liggen, moeten tot de normhoogte afgevlakt worden om aan de norm te voldoen. Het bepalen deze hoeveelheid is met behulp van GIS-exercitie gedaan, zowel voor de referentiesituatie als voor het basisalternatief. Bijlage 7.5 toont voor alle 153 hectometervakken de maximale bodemhoogten en de baggervolumes per hectometervak. Een dergelijk baggerscenario is theoretisch. Er zijn twee andere baggerscenario’s bekeken, waarmee enige marge gecreëerd wordt. Tabel 4
Samenvatting van de berekende baggervolumes (resultaten uit Bijlage 7.5)
Analysecontour: rkm 899,090 – 914,418
Baggervolume t.o.v. CCRnorm (m3)
Baggervolume t.o.v. norm incl. marge van 0,3 m (m3)
referentie
basisalternatief
referentie
basisalternatief
totaal
2.312
2.600
12.490
13.246
verschil (BA - ref)
-
+ 288
+ 756
Baggervolume t.o.v. norm incl. kielspeling van 1,20 m (m3) basisreferentie alternatief 354.810
358.137 + 3.327
De scenario’s en de resultaten zijn onderstaand toegelicht: •
•
•
20
Baggervolume t.o.v. CCR-norm (kolommen 2 en 3): in het gebied treedt ten gevolge van de ingreep sedimentatie (+ 11.644 m3) en erosie (- 6.145 m3) op. Netto is er sedimentatie (+ 5.499 m3), zie pagina Bijlage 7-12. Slechts de locaties die niet aan de norm voldoen zijn hier onderwerp van de analyse. Om de waterdiepte te borgen moet 2.600 m3 gebaggerd worden. Echter in de referentiesituatie moet er ook al 2.312 m3 gebaggerd worden. Het verschil (288 m3) is het gevolg van de ingreep. Dit is slechts een kleine fractie van de totale sedimentatie, omdat alleen de oppervlakten die niet aan de norm voldoen meetellen. Waar het diep genoeg is, hoeft niet gebaggerd te worden. Baggervolume t.o.v. norm incl. 0,3 m marge (kolommen 4 en 5): indien een marge van 0,3 m boven de norm gehanteerd wordt is de baggerinspanning vanzelfsprekend groter. Dit geldt voor zowel de referentiesituatie als voor de ingreep. Ook het verschil tussen deze twee (756 m3) is groter dan het vorige resultaat, om twee redenen: 1. Er is in de referentiesituatie een grotere oppervlakte die verdiept moet worden. Dat betekent ook dat een groter aandeel van de sedimentatie binnen deze oppervlakte zal vallen en weggebaggerd moet worden. 2. Omdat 0,30 m de minimale hoeveelheid is, wordt elke baggerinspanning onder 0,3 m afgerond naar 0,3 m. Dit werkt verhogend naar de hoeveelheid. Baggervolume t.o.v. norm incl.
kielspeling 1,20 m (kolommen 6 en 7): in tegenstelling tot de vorige analyses gaat het nu niet om het aftoppen van de ondiepten, maar om het borgen van een gemiddelde overdiepte van 1,20 m per hectometervak t.o.v. de norm. Het betreft een groot areaal en de baggerinspanning is nu nog veel groter. Ook het verschil (3.327 m3) is om deze twee redenen groter en benadert al de grootte-orde van de totale netto aanzanding (5.499 m3).
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021
3.6.6
Niet-baggerlocaties
Er zijn locaties waar baggeren niet mogelijk is. Binnen ons analysegebied geeft Figuur 23 hiervan een overzicht. Dit zijn locaties waar sedimentatie ongewenst is, vooral als er al sprake is van een waterdieptetekort. Tabel 5 geeft een overzicht van deze locaties en de bodemveranderingen die hier optreden (in mm en m3). Voor het te beoordelen project is het gunstig dat er geen niet-baggerlocaties in de nabijheid van de projectcontour liggen. Locatie 17 bevat een waterdieptetekort. Hier daalt de bodem ca. 1 mm, waardoor dit tekort afneemt.
Figuur 23 Ligging van de niet-baggerlocaties bij Dreumel en Wamel
Tabel 5
Netto volumeverandering en bodemverandering door erosie of sedimentatie in de nietbaggerlocaties (jaargemiddeld resultaat)
Nietbaggergebied
Locatie (rkm)
Opp. (m2)
Bodemverandering Volume (m3) (mm) Toelichting min. gem. max. erosie sed. tot. -2 0 2 -36,0 10,0 -26,0 -1 mm bij waterdieptetekort
17
van 902,380
tot 902,680
77.664
18
903,065
903,165
26.904
-2
-1
1
-20,3
1,6
-18,7
34
913,970
914,070
25.616
-3
0
1
-17,8
5,8
-12,0
33
914,150
914,300
39.321
-4
0
1
-12,2
6,8
-5,3
3.6.7
Bijzondere zones van het vaarwegbeheer
Naast de niet-baggerlocaties zijn er in het rivierengebied bijzondere zones van het vaarwegbeheer, die soms deels buiten de vaarweg liggen. Binnen het geanalyseerde traject zijn dit er 12 (zie Figuur 24). Tabel 6 laat de bodemveranderingen binnen deze zones zien (in mm en m3).
132
Figuur 24 Bijzondere zones van het vaarwegbeheer
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
21
januari 2021 Tabel 6
Netto volumeverandering en bodemverandering door erosie of sedimentatie in de bijzondere zones van het vaarwegbeheer (jaargemiddeld resultaat) Bodemverandering (mm) min. gem. max.
Bijz. zones beheer
van
tot
201
900,740
901,610
115.603
-1
0
198
902,700
903,065
48.899
-1
0
199
903,165
903,900
97.808
-2
202
904,170
904,770
77.651
-2
203
905,520
906,250
92.483
200
907,300
908,300
132
907,745
196
909,500
195 131 194
Locatie (rkm)
Opp. (m2)
Volume (m3)
Toelichting
erosie
sed.
tot.
2
0
58
58 Niet stortlocatie
2
-19
9
-11 Niet stortlocatie
-1
2
-82
2
-80 Niet stortlocatie
-1
0
-82
0
-82 Niet stortlocatie
-3
-1
5
-106
6
-99 Niet stortlocatie
201.926
-11
-4
8
-790
9
-781 Niet stortlocatie
907,990
8.229
-11
0
8
-12
10
910,500
134.224
-64
37
76
-300
5321
5021 Niet stortlocatie
912,720
913,810
142.903
-85
-5
5
-737
81
-655 Niet stortlocatie
913,200
913,565
9.794
-18
-10
0
-102
0
-102 Toegang tot zijwateren en havens
914,310
914,630
42.127
-9
-2
0
-95
0
-95 Niet stortlocatie
-2 Toegang tot zijwateren en havens
Zone 196 is het zwaarst belast, deze ligt in de sedimentatiezone nabij het projectgebied (Figuur 25). Hier zijn geen punten met een waterdieptetekort. De sedimentatie is hier niet een direct probleem. Overigens is dit effect al in paragraaf 3.6.3 beschreven. Zone 200 bevat daarentegen wel een waterdieptetekort dat door ca. 6 mm erosie (lokaal) gereduceerd wordt. Dit is echter hetzelfde effect, dat al in Figuur 17 (rechts) gepresenteerd is. Zone 195 ligt al ver benedenstrooms van de projectlocatie maar kent toch een hoge erosie. Figuur 26 laat zien dat deze erosie vooral buiten de vaargeul ligt, waar terugstroming van een deel van het water vanuit de projectlocatie plaatsvindt.
Figuur 25 Voorbeelden van bijzondere zones voor het vaarwegbeheer: sedimentatie (zone 196) en erosie (zones 132 en 200), de locaties van waterdieptetekort vallen buiten het sedimentatiebereik.
Figuur 26 Bijzondere zone voor het vaarwegbeheer (zone 195): erosie juist buiten de vaargeul 22
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021
3.6.8
Samenvatting
De waterdiepteanalyse laat zien dat er een netto-sedimentatie in de nabijheid van de projectlocatie is (zie Figuur 11, Figuur 16, Figuur 19, Figuur 25). Hier zitten plekken bij met een waterdieptetekort, waarbij een netto toename in benodigde baggeractiviteit het gevolg is. Deze aanvullende baggerhoeveelheid is op drie manieren becijferd (zie Tabel 4). Met betrekking tot niet-baggerlocaties zijn er geen waterdieptetekorten met sedimentatie geconstateerd. Ten aanzien van zones van bijzonder vaarwegbeheer kan worden opgemerkt, dat alleen zone 196 wegens sedimentatie vermeldenswaardig is. Deze zone vormt echter een doublure met het resultaat dat al in paragraaf 3.6.3 beschreven is. Bovendien is er geen waterdieptetekort. Deze twee categorieën van bijzondere locaties vormen dus geen aanvullende bezwaren. Indien een oplossing gevonden wordt voor de extra hoeveelheid baggerwerk, is de ingreep naar ons oordeel aanvaardbaar volgens de RBK-richtlijnen.
3.7
Tijdelijke situatie zonder vegetatieontwikkeling
Er zijn naar ons oordeel geen tijdelijke situaties in de uitvoeringsvolgorde, waarbij waterstandstoename verwacht mag worden. Om deze redenen richten wij ons bij tijdelijke situaties op het thema stroomsnelheid. De voorgaande paragrafen beschrijven de eindsituatie van het ontwerp met volgroeide vegetatie. Direct na aanleg zal de vegetatie nog niet volgroeid zijn, waardoor de hydraulische ruwheid lager zal zijn. Zoals in paragraaf 3.1 en Bijlage 4-5 beschreven is de situatie direct na aanleg zonder nieuwe vegetatie gemodelleerd. Deze paragraaf presenteert de resultaten voor de effecten op de waterstand en de dwarsstroming bij hoge rivierafvoeren. Waterstandsdaling Figuur 27 laat zien dat de waterstandsdaling met onvolgroeide vegetatie sterker is. Bij 10.000 m3/s neemt de waterstandsdaling toe van 5 tot 7 mm, bij 16.000 m3/s zelfs van 9 tot 16 mm. In bovenstroomse richting loopt dit verschil proportioneel mee. Opvallend is dat het benedenstroomse effect bij rkm 910 in veel mindere mate beïnvloed wordt dan het waterstandverlagende effect. Bij de lagere rivierafvoeren zijn er geen verschillen te zien (niet in figuur weergegeven). Waterstandseffect Willempolder fase 1 Willemspolder (fase 1)
0,014 0,012
10.000 m3/s (eindsituatie: volgroeid)
0,010
10.000 m3/s (tijdelijke situatie: onbegroeid) 16.000 m3/s (eindsituatie: volgroeid)
0,008
16.000 m3/s (tijdelijke situatie: onbegroeid)
0,006
Waterstandsverschil (m)
0,004 0,002 0,000 -0,002 -0,004
925
920
915
910
905
900
895
890
885
-0,008
Pannerdensche Kop 880
875
870
-0,010 -0,012 -0,014
Lobith
Nijmegen
IJzendoorn
-0,006
865
-0,016 -0,018 860
855
Boven-Rijn / Waal (rkm)
Figuur 27 Waterstandseffect van tijdelijke situatie en eindsituatie bij 10.000 en 16.000 m 3/s (te Lobith)
Dwarsstroming Ten aanzien van dwarsstroming kijken we expliciet of het eerder gevonden ongunstigste resultaat nog ongunstiger wordt. Het betreft de landinwaarts gerichte stroomsnelheid bij de doorvaartopening bij 10.000 m3/s (te Lobith), zie Bijlage 6-4 (onder). Figuur 28 laat de grafiek opnieuw zien, waarin het nieuwe resultaat toegevoegd is (resultaat in rood). De toename is dwarsstroming is slechts zeer marginaal (van 0,296 naar 0,311 m/s) en kan niet van doorslaggevende invloed zijn op de beoordeling van dit criterium.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
23
0,50 0,45 0,40 0,35 0,30 0,25 0,20 0,15 0,10 0,05 0,00 -0,05 -0,10 -0,15 -0,20 -0,25 -0,30 -0,35 -0,40 -0,45 -0,50 -0,55 -0,60 -0,65 -0,70 -0,75
projectgebied
RECHTS
Referentie (wp_gp_ref_v2-q10000) Willemspolder Fase 1: variant 1 (wp_gp_var01-q10000) Willemspolder Fase 1: variant 2 (wp_gp_ts01-q10000)
0,311
LINKS
0,296
STROOMRICHTING WAAL 915
914
913
912
911
910
909
908
907
906
Waal (rkm)
Figuur 28 Dwarsstroming in tijdelijke situatie en eindsituatie bij 10.000 m3/s (te Lobith)
Morfologie De morfologische analyse is gebaseerd op drie representatieve afvoeren (3.000, 4.000 en 7.000 m3/s te Lobith), die onder het afvoerbereik liggen waarbij de vegetatie een verschil kan maken. Een nieuwe analyse is zinloos omdat het resultaat identiek zal zijn van dat van de eindsituatie. Het hogere afvoerbereik is eenvoudig te zeldzaam om morfologisch relevant te kunnen zijn. Bovendien is een morfologische verandering een lange-termijnontwikkeling en is de tijdelijke situatie ook om die reden als niet bijzonder relevant te beschouwen.
24
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
905
Dwarsstroming (m/s)
januari 2021
januari 2021
4
Willemspolder Fase 1: het Voorkeusalternatief (VKA)
4.1
Geometrische modellering
Na een eerste ontwerp- en beoordelingsronde zijn enkele aanpassingen gedaan, resulterend in een bijgesteld ontwerp dat het Voorkeursalternatief (VKA) vormt (zie Figuur 29).
Figuur 29 Visualisatie van het Voorkeursalternatief (VKA)
Het VKA wijkt op de volgende punten van het Basisalternatief af (zie nummers in Figuur 30): 1. De invaartopening heeft een andere vormgeving en een scherpere zuidoostelijke hoek van de haven (ten opzichte van het Basisalternatief). 2. Recht voor de invaartopening van de haven is een opening naar de middelste plas. 3. De twee verbindingen tussen de drie plassen liggen op -10 resp. -7,5 m+NAP (in plaats van 0 m+NAP in het Basisalternatief). 4. Ten noorden van de middelste plas is er een maaiveldverlaging van ca. 6,60 naar 5,00 m+NAP. 5. Het bedrijfsterrein bij de haven ligt in het VKA iets westelijker. 6. De zomerkade om het gebied is verlaagd van 9,00 naar 8,30 m+NAP. 7. De hoge oever benedenstrooms van de haveningang is verlaagd van 10,50 naar 8,00 m+NAP. 8. Duiker in de Nieuweweg vanuit de overnachtingshaven naar een stromende nevengeul aan de noordzijde van de plassen (zie nadere toelichting in paragraaf 4.2). Het ontwerp is in een Baseline-maatregel omgezet (wl_willems_a4), waarvan vervolgens een gebiedsmodel afgeleid is (wp_gp_vka). Bijlage 2 bevat een overzicht van ontwerpalternatieven en modellen. Bijlage 4.4 laat de bodemhoogten, zoals weergegeven in Figuur 30, op een iets grotere schaal zien, en de toegepaste vegetatiecodes (pagina Bijlage 4-7).
Hoewel het bedrijventerrein in het ontwerp in westelijke richting verplaatst is, is de positie van het hoogwatervrije terrein (rood geruit op pagina Bijlage 4-7) niet gewijzigd, teneinde de hieraan verbonden aanspraken niet op te geven.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
25
januari 2021
(8)
(8)
(6)
(3)
(4)
(5)
(6)
(3)
(2)
(6) (7)
(1)
Figuur 30 Bodemhoogte (m+NAP) en lengteprofiel van het VKA Willempolder Fase 1 (wp_gp_vka)
4.2
Duiker in de Nieuweweg met nevengeul
Onderdeel van het VKA is een duiker in de Nieuweweg (nummer 8 in Figuur 30), die in combinatie met een achterliggende nevengeul voor een beperkte doorstroming zorgt. De nevengeul draagt bij aan het bereiken van de KRWdoelstellingen (Kaderrichtlijn Water). De stroming begint vanaf ca. 800 m3/s in de Waal (ruim 1.000 m3/s te Lobith). Figuur 31 toont het dwarsprofiel van de duiker en de nevengeul. De hydraulische karakteristieken van de duiker staan in Tabel 7 weergegeven. Figuur 31 Dwarsprofiel van de duiker en de nevengeul
26
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021 Tabel 7
Stromingskarakteristieken van de duiker en de nevengeul
Q_Lobith Q_Waal H_boven H_beneden (m3/s) (m3/s) (m+NAP) (m+NAP)
4.3
Q_geul (m3/s)
A_nat (m2)
V_geul A_duiker Q_duiker percentage (m/s) (m2) (m3/s) geul/Waal
1.040
810
3,12
3,02
0,69
5
0,14
1,20
0,69
0,1%
2.037
1.469
4,85
4,74
9,42
29
0,32
15,06
9,42
0,6%
2.995
2.098
5,93
5,83
15,76
56
0,28
16,00
15,76
0,8%
4.006
2.763
7,03
6,93
19,31
84
0,23
16,00
19,31
0,7%
4.991
3.431
7,88
7,77
20,21
84
0,24
16,00
20,21
0,6%
5.970
4.091
8,60
8,48
21,06
84
0,25
16,00
21,06
0,5%
6.984
4.753
9,14
9,01
21,89
84
0,26
16,00
10,00
0,5%
8.000
5.397
9,60
9,47
21,85
84
0,26
16,00
10,00
0,4%
9.955
6.493
9,90
9,77
21,83
84
0,26
16,00
10,00
0,3%
Hydraulische modellering
Van het Baseline-gebiedsmodel is een gelijknamig hydraulisch WAQUA-model afgeleid. Bijlage 5.2 laat de geometrie, de overlaten en de ruwheden van het model ten opzichte van de referentie zien (pagina’s Bijlage 5-33 tot en met Bijlage 5-35). Hiermee zijn vervolgens dezelfde afvoerniveaus als voor het Basisalternatief doorgerekend, variërend van 600 tot 16.000 m3/s te Lobith (zie overzicht in Bijlage 2). Het hoogste niveau dient voor de beoordeling van de effecten op de hoogwaterveiligheid. De overige afvoerniveaus dienen voor de beoordeling op de onderwerpen hinder voor scheepvaart en morfologische effecten. De werking van de nevengeul (zie paragraaf 4.2) is met behulp van een tijdreeks in de vorm van een onttrekking (overnachtingshaven) en een lozing (begin nevengeul) gemodelleerd.
4.4
Waterstandseffecten bij diverse afvoerniveaus
Figuur 32 laat de waterstandseffecten in de rivieras ten opzichte van de referentiesituatie zien. Opvallend is dat het grootste effect bij een middelhoge afvoer optreedt, namelijk 7.000 m3/s (te Lobith). Dat is een verschil ten opzichte van het Basisalternatief. Ook ligt het benedenstrooms effect bij alleen dit afvoerniveau ruim 2 km verderop, omdat de uitstroming langs de noordelijke bandijk plaatsvindt. Vanaf 8.000 m3/s is er door hogere waterstanden al een korter route naar de Waal. Het omgekeerde waterstandseffect bij 8.000 m3/s (Basisalternatief, zie paragraaf 3.3) is nu verdwenen (zie twee alinea’s verderop). Dit heeft te maken met een wijziging in de volgorde van het optreden van de beschreven mechanismen. Waterstandseffect Willempolder fase 1 (VKA)
1.020 m3/s
0,03
Willemspolder (fase 1)
600 m3/s
0,02
7.000 m3/s
2.000 m3/s
0,01
3.000 m3/s 0,00
Waterstandsverschil (m)
4.000 m3/s 5.000 m3/s
-0,01
6.000 m3/s
-0,02
7.000 m3/s -0,03
8.000 m3/s 10.000 m3/s
-0,04
925
920
915
910
905
900
895
890
885
-0,05
Pannerdensche Kop 880
875
870
-0,06 -0,07
Lobith
Nijmegen
IJzendoorn
16.000 m3/s
865
-0,08 860
855
Boven-Rijn / Waal (rkm)
Figuur 32 Waterstandseffect in rivieras: VKA Willemspolder Fase 1 ten opzichte van de referentiesituatie (afvoerniveaus gelden te Lobith)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
27
januari 2021
Vanaf pagina Bijlage 5-36 zijn de effecten op waterstanden en stroomsnelheden ruimtelijk gepresenteerd. Tot een afvoerniveau van 2.000 m3/s (Lobith) gebeurt er vrijwel niets. De ingreeplocatie wordt nog niet bereikt en heeft geen effect. Vervolgens zijn er tot en met 5.000 m3/s kleine effecten (tot enkele millimeters) ten gevolge van de ruimere invaartopening. Dit beeld lijkt op het Basisalternatief. Vervolgens passeert het eerste water de Nieuweweg al bij 6.000 m3/s (Lobith), dat is eerder dan bij het Basisalternatief, waar dit bij 7.000 m3/s pas te zien is. De oorzaak dat bij 8.000 m3/s nu geen opstuwing maar waterstandsdaling optreedt is dat aan benedenstroomse zijde het water in voldoende mate weg kan, voordat het aan bovenstroomse zijde in buitenproportionele mate wordt aangevoerd. Bij 10.000 en 16.000 m3/s is opnieuw het waterstandverlagend effect van Voorkeursalternatief sterker dan dat van het Basisalternatief. Figuur 33 vergelijkt dit voor het hoogste afvoerniveau (16.000 m3/s). Het Voorkeursalternatief laat 14 mm waterstandsdaling zien, tegenover 9 van het Basisalternatief. Het benedenstrooms effect is vergelijkbaar (10 versus 11 mm). De waterstandverlagende effecten over het gehele afvoerspectrum zijn samengevat in Figuur 34. Hieruit blijkt dat de verschillen tussen het Basisalternatief en het Voorkeursalternatief zich vooral bij de middelhoge afvoeren afspelen.
Waterstandseffect Willempolder fase 1 bij 16.000 m3/s 0,016 0,014 0,012 0,010 0,008 0,006 0,004 0,002 0,000 -0,002 -0,004 -0,006 -0,008 -0,010 -0,012 -0,014 -0,016 -0,018 -0,020
Willemspolder (fase 1)
Basisalternatief
925
920
915
910
905
900
895
890
885
880
875
870
Lobith
Pannerdensche Kop
Nijmegen
IJzendoorn
Waterstandsverschil (m)
Voorkeursalternatief
865
860
855
Boven-Rijn / Waal (rkm)
Figuur 33 Waterstandseffect in rivieras: Voorkeursalternatief en Basisalternatief Willemspolder Fase 1 ten opzichte van de referentiesituatie (16.000 m3/s te Lobith) Maximaal waterstandseffect als functie van debiet Maximaal waterstandseffect (m)
0,02 0,01 0,00 -0,01 -0,02 -0,03 Basisalternatief
-0,04
Voorkeursalternatief
-0,05 -0,06 -0,07 -0,08 0
1.000
2.000
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
8.000
9.000
10.000
11.000
12.000
13.000
14.000
15.000
16.000
Debiet te Lobith (m3/s)
Figuur 34 Maximaal waterstandseffect als functie van het rivierdebiet
28
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021
4.5
Hinder voor scheepvaart: effecten op dwarsstroming 0,50 0,45 0,40 0,35 0,30 0,25 0,20 0,15 0,10 0,05 0,00 -0,05 -0,10 -0,15 -0,20 -0,25 -0,30 -0,35 -0,40 -0,45 -0,50 -0,55 -0,60 -0,65 -0,70 -0,75
Willemspolder (Fase 1)
RECHTS
0,268 0,124
LINKS
Referentie (wp_gp_ref_v2-q08000) Willemspolder Fase 1: Basisalternatief (wp_gp_var01-q08000)
Willemspolder Fase 1: Voorkeursalternatief (wp_gp_vka-q08000) STROOMRICHTING WAAL
915
914
913
912
911
910
909
908
907
906
905
Waal (rkm)
Figuur 35 Dwarsstroming in referentiesituatie, Basisalternatief en Voorkeursalternatief bij 8.000 m3/s (te Lobith): hier voldoet het VKA als enige niet aan het RBK-criterium van 0,15 m/s.
Het in paragraaf 3.4 geschetste beeld is in grote mate ook van toepassing op het VKA, met een groot verschil. Het bij 10.000 m3/s (Lobith) beschreven mechanisme (Basisalternatief) van toenemende dwarsstroming door binnenwaarts in de haven instromend water, treedt in het VKA al bij 8.000 m3/s op, zie Figuur 35. Dat betekent dat het VKA op deze locatie gedurende een groter deel van de tijd niet aan dit RBK-criterium voldoet.
4.6
Morfologische effecten
Bijlage 7.2 laat de WaqMorf-resultaten voor het VKA-ontwerp zien (pagina’s Bijlage 7-4 tot en met Bijlage 7-7). De effecten zijn aanzienlijk groter dan die van het Basisalternatief. Er is sprake van sedimentatiehoogten van 0,10 tot 0,30 m, oplopend tot 0,50 tot 1,00 na een hoogwaterperiode. Tabel 8 vat de volumes samen. Tabel 8
Resultaten morfologische analyse Voorkeursalternatief (WaqMorf)
Volumes in vaargeul (m3) na laagwaterperiode (minmorf) jaargemiddeld na hoogwaterperiode (maxmorf)
Erosie - 24.840 - 61.050 - 111.270
Sedimentatie + 76.220 + 173.610 + 302.160
Netto + 51.380 + 112.560 + 190.890
Er is geen analyse van waterdiepten gemaakt op basis van actuele vaardieptegegevens. Dit is noodzakelijk om deze bodemeffecten op aanvaardbaarheid te kunnen beoordelen. De verklaring dat de morfologische effecten in het VKA groter zijn dan in het Basisalternatief ligt naar ons oordeel in de grotere doorstroming bij morfologisch relevante afvoeren, die is ontstaan door het verlagen van de zomerkade (van 9,00 naar 8,30 m+NAP). In een eventuele ontwerpoptimalisatie van het uitvoeringsontwerp is deze kruinhoogte mogelijk als vrijheidsgraad in te zetten om de morfologische effecten bij te sturen, mochten deze in het voorliggende VKA naar het oordeel van de rivierbeheerder te groot zijn. Ook de meestromende nevengeul draagt bij aan extra sedimentatie in het zomerbed.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
29
Dwarsstroming (m/s)
Bijlage 6.2 bevat de resultaten van de dwarsstromingsanalyse voor het VKA (vanaf pagina Bijlage 6-7).
januari 2021
4.7
Tijdelijke situatie zonder vegetatieontwikkeling
Er is geen modellering van het VKA met onvolgroeide vegetatie gedaan. Wel is er een schatting gemaakt op basis van de effecten bij het Basisalternatief. Indien deze effecten (de waterstandsdaling van de tijdelijke situatie ten opzichte van het Basisalternatief) van de waterstandseffecten van het VKA afgetrokken worden, ontstaat de volgende prognose (stippellijnen in Figuur 36). Waterstandseffect Willempolder fase 1 0,014
Willemspolder (fase 1)
0,012
VKA: volgroeid (10.000 m3/s)
0,010
VKA: volgroeid (16.000 m3/s)
0,008
VKA: schatting tijdelijke situatie (10.000 m3/s)
0,006
VKA: schatting tijdelijke situatie (16.000 m3/s)
0,004
Waterstandsverschil (m)
0,002 0,000 -0,002 -0,004
-0,006 -0,008
925
920
915
910
Pannerdensche Kop
905
900
895
890
885
880
875
870
-0,012 -0,014 -0,016 -0,018
Lobith
Nijmegen
IJzendoorn
-0,010
865
-0,020 -0,022 860
855
Boven-Rijn / Waal (rkm)
Figuur 36 Schatting van waterstandseffect (deze effecten zijn NIET berekend) van tijdelijke situatie en eindsituatie bij 10.000 en 16.000 m3/s (te Lobith)
30
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021
5
Rivierkundig Beoordelingskader
Dit hoofdstuk vat de resultaten samen en legt deze systematisch naast de criteria van het Rivierkundig Beoordelingskader, zie hiervoor ook Bijlage 3. Tabel 9
Thema nr.
Hoogwaterveiligheid
Resultaat Voorkeursalternatief
Aspect
Criterium
Maatregel in stroomvoerend deel rivier: hoogwaterreferentie op de as van de rivier
Stroomvoerend: geen waterstandverhoging op de as van de rivier bij de afvoer(en) uit de Hoogwaterreferentie.
Figuur 8 (16.000 m3/s): verhoging over 1800 m (maximaal 11 mm), verlaging over tientallen kilometers (maximaal 9 mm). Netto verlaging.
Figuur 32 (16.000 m3/s): verhoging over 1800 m (maximaal 10 mm), verlaging over tientallen kilometers (maximaal 14 mm). Netto verlaging.
Maatregel in bergend deel rivier: volume waterberging
Bergend: geen vermindering bergend volume.
Er is sprake van netto verruiming.
Er is sprake van netto verruiming.
1.2
Hoogwater-referentie buiten de as van de rivier
Geen waterstandverhoging langs de hoge grondenlijn of primaire waterkering bij de afvoer(en) uit de Hoogwaterreferentie.
Bijlage 5-26 (16.000 m3/s): geen significante waterstandsverhoging bij de waterkering
Bijlage 5-58 (16.000 m3/s): geen significante waterstandsverhoging bij de waterkering
1.3
Afvoerverdeling bij Pannerdensche Kop en IJsselkop bij maatgevende BovenRijn afvoer
Verandering afvoerverdeling bij de splitsingspunten dient kleiner te zijn dan 5 m3/s bij de geldende Boven-Rijnafvoer van 16.000 m3/s.
1.4
Afvoerverdeling bij Pannerdensche Kop en IJsselkop bij hoge Boven-Rijn afvoer
Verandering afvoerverdeling bij de splitsingspunten dient kleiner te zijn dan 20 m3/s bij BovenRijn afvoer van 10.000 m3/s
In een voorbereidende berekening is op basis van het lokale effect (< 1 mm waterstandsdaling bij 16.000 m3/s) geoordeeld dat nadere analyse hiernaar niet nodig is. In een voorbereidende berekening is op basis van het lokale effect (< 1 mm waterstandsdaling bij 16.000 m3/s) geoordeeld dat nadere analyse hiernaar niet nodig is.
In een voorbereidende berekening is op basis van het lokale effect (< 1 mm waterstandsdaling bij 16.000 m3/s) geoordeeld dat nadere analyse hiernaar niet nodig is. In een voorbereidende berekening is op basis van het lokale effect (< 1 mm waterstandsdaling bij 16.000 m3/s) geoordeeld dat nadere analyse hiernaar niet nodig is.
1.5
IJsafvoer
Een goede geleiding van water en ijs dient gewaarborgd te blijven
Niet beschouwd: de ingreep is hierop niet van invloed.
Niet beschouwd: de ingreep is hierop niet van invloed.
Figuur 9: de ringkade op 9 m+NAP omvat nu een groter gebied. Dit heeft een geringe invloed op de inundatiefrequentie van de westelijke uiterwaard die in de nieuwe situatie vanuit de doorvaart instroomt. Door herprofilering ontstaan ook lokale verschillen in inundatiefrequentie. Bijlage 5-12 tot en met Bijlage 5-29 bevatten stroombeeldkaarten die de invloed op het stroombeeld bij diverse afvoerniveaus inzichtelijk maken.
Figuur 30: de ringkade op 8,3 m+NAP omvat nu een groter gebied. Dit heeft een geringe invloed op de inundatiefrequentie van de westelijke uiterwaard die in de nieuwe situatie vanuit de doorvaart instroomt. Door herprofilering ontstaan ook lokale verschillen in inundatiefrequentie. Bijlage 5-44 tot en met Bijlage 5-61 bevatten stroombeeldkaarten die de invloed op het stroombeeld bij diverse afvoerniveaus inzichtelijk maken.
Maximale verhoging dwarsstroming ten gevolge van de ingreep treedt op in de doorvaartopening bij 10.000 m3/s. Zie Bijlage 6-4: figuur onder (van 0,15 naar 0,296 m/s). Bij andere afvoerniveaus geen verhogingen tot boven 0,15 m/s.
Maximale verhoging dwarsstroming ten gevolge van de ingreep treedt op in de doorvaartopening bij 8.000 en 10.000 m3/s. Zie Bijlage 6-9: figuur onder (van minder dan 0,15 naar 0,268 resp. 0,270 m/s). Bij andere afvoerniveaus geen verhogingen tot boven 0,15 m/s.
1.1
2.1
Hinder of schade door hydraulische effecten
Criteria uit het Rivierkundig Beoordelingskader 5.0 (RWS, 2019) en beoordeling van het ontwerp Willemspolder Fase 1
2.2
2.3
Inundatiefrequentie van de uiterwaard
De mate van verandering van de inundatiefrequentie van een of meerdere uiterwaarden. Kies daarvoor een of meerdere afvoeren die dit aspect inzichtelijk maken.
Stroombeeld in de uiterwaard
De mate van verandering van de grootte en richting stroomsnelheden in een of meerdere uiterwaarden bij de voor de lokale situatie representatieve omstandigheden.
Stroombeeld in vaarweg
De ingreep mag niet resulteren in een absolute dwarsstroming in de vaarweg groter dan 0,15 m/s bij een geconcentreerde dwarsstroming met een debiet groter dan 50 m3/s. Of het moet aantoonbaar zijn dat de toename padbreedte schip t.g.v. dwarsstroom kleiner is dan ½B;
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Basisalternatief
31
januari 2021 Thema
nr.
Hinder of schade door hydraulische effecten (vervolg)
2.3
2.4
2.5
Aspect
Stroombeeld in vaarweg (vervolg)
Afvoerverdeling bij Pannerdensche Kop en IJsselkop bij hoge Boven-Rijn afvoer Afvoerverdeling bij Pannerdensche Kop en IJsselkop bij een lage Boven-Rijn afvoeren
2.8
Onttrekking water uit zomerbed Rijntakken
2.9
Waterstand en stroombeeld in de vaargeul in de Nederlands-Duitse grensregio bij lage en mediane Boven-Rijn afvoeren
Criterium De ingreep mag niet resulteren in een absolute dwarsstroming in de vaarweg groter dan 0,3 m/s bij een geconcentreerde dwarsstroming met een debiet kleiner dan 50 m3/s; Bij extreme Boven-Rijn afvoeren is dit beoordelingscriteria niet van toepassing. Verandering afvoerverdeling bij Boven-Rijn afvoer van 10.000 m3/s. Voor dit aspect is er geen beoordelingscriterium. Verandering afvoerverdeling mag niet groter zijn dan 1 m3/s bij Boven-Rijn afvoer van 1020 m3/s (OLA). Geen ongewenste afname van de waterdiepte t.g.v. de onttrekking van water uit het zomerbed bij lage en mediane Boven-Rijn afvoeren Er is geen beoordelingscriterium beschikbaar. Het doel van dit aspect is om te kunnen inschatten of de bevaarbaarheid of vaarwegonderhoud in het Duitse deel van de Rijn niet verslechtert t.g.v. de ingreep.
Morfologische effecten
Bij erosie: -geen verlaging gemiddelde bodemligging zomerbed; -geen erosie van het zomerbed in de directe nabijheid van primaire waterkeringen; -geen oevererosie; -Beperkte ontgronding bij constructies per hoogwater; -geen erosie ter hoogte van kabels, leidingen en tunnels met een te kleine gronddekking; Sedimentatie en erosie van het zomerbed (+ oevers)
3.1
1. door ingrepen zomerbed 2. door ingrepen winterbed
Bij sedimentatie: - geen sedimentatie in de vaargeul conform BPRW; -geen vermindering vaargeulafmetingen bij lage tot gemiddelde rivierafvoeren; -geen verhoging van de maatgevende waterstanden op lange termijn; Generiek: -beperkte hinder door baggeren en/of terugstorten; -behouden vlotheid en veiligheid scheepvaartverkeer; -geen onacceptabele terugschrijdende erosie of sedimentatie i.v.m. risico verandering afvoerverdeling bij maatgevende Boven-Rijn afvoer of OLA;
32
Basisalternatief
Resultaat Voorkeursalternatief
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Bij 1020 m3/s is er geen effect (Figuur 8 of Bijlage 2-3). Zie ook Bijlage 5-4: bij 2000 m3/s is er nog steeds geen effect.
Bij 1020 m3/s is er geen effect (Figuur 32 of Bijlage 2-4). Zie ook Bijlage 5-36: bij 2000 m3/s is er nog steeds geen effect.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Tabel 2 en Bijlage 7.1: maximale verhoging in vaargeul 0,06 tot 0,08 m en 0,10 tot 0,30 m lokaal nabij de zuidelijke normaallijn (jaargemiddeld). Als effect na hoogwater geldt een maximale verhoging in vaargeul 0,08 tot 0,10 m en 0,10 tot 0,30 m lokaal nabij de zuidelijke normaallijn. In de havenmonding moet rekening gehouden worden met een terugkerende (of blijvende) aanzanding van 0,1 tot 0,3 m, maar daar heeft de doorgaande scheepvaart geen last van. De oorzaak is uitsluitend de verbreding van de doorvaartopening, niet de zandwinlocatie zelf). De beschreven generieke mechanismen zijn niet aan de orde.
Tabel 8 en Bijlage 7.2: maximale verhoging in vaargeul 0,10 tot 0,30 m en 0,50 tot 1,00 m lokaal nabij de zuidelijke normaallijn (jaargemiddeld). Als effect na hoogwater geldt een maximale verhoging in vaargeul 0,10 tot 0,30 m en 0,50 tot 1,00 m op verschillende trajecten. In de havenmonding moet rekening gehouden worden met een terugkerende (of blijvende) aanzanding van 0,1 tot 0,3 m, maar daar heeft de doorgaande scheepvaart geen last van (gelijk aan Basisalternatief). Oorzaken zijn de verbreding van de doorvaartopening en de gewijzigde afvoerverdeling tussen het zomerbed en het winterbed juist stroomafwaarts van de zandwinlocatie door de verlaging van de zomerkade en de oever. De beschreven generieke mechanismen zijn niet aan de orde.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021 Thema nr.
Aspect
Criterium
Basisalternatief
Resultaat Voorkeursalternatief
Morfologische effecten(vervolg)
Bij sedimentatie: - Acceptabele beheerskostenf) voor baggeren nevengeulen;
Sedimentatie en erosie van uiterwaard en nevengeulen:
3.2
1. sedimentatie winterbed 2. erosie winterbed
Bij erosie: -geen zijdelingse verplaatsing van een nevengeul richting een primaire waterkering. Nevengeul moet op voldoende afstand blijven van de primaire waterkering, buiten de beschermingszone van de primaire kering. De beschermingszones worden bepaald door de keringbeheerders; - geen zijdelingse verplaatsing van een nevengeul richting het zomerbed van de rivier, waardoor er kans bestaat dat de nevengeul een kortsluiting veroorzaakt met het zomerbed; - stroomsnelheid in een zandige nevengeul bij bankfull afvoer moet kleiner blijven dan 0,3 m/s; - geen bodemerosie langs primaire waterkering; - stabiliteit van belangrijke constructies in de uiterwaard mag niet verminderen.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Geen sedimentatie of erosie in de uiterwaard, noch enig ander beschreven mechanisme te verwachten.
Geen sedimentatie of erosie in de uiterwaard, noch enig ander beschreven mechanisme te verwachten.
33
januari 2021
6
Gebiedsvisie Middenwaal (Willemspolder en Gouverneurspolder)
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk komt de eindsituatie aan de orde, zoals deze in de toekomst voor ogen staat. Dit is geen onderdeel van de voorliggende RBK-beoordeling, echter het vormt wel een doorkijk naar de ontwikkeling op lange termijn. De gebiedsvisie bestaat uit: • Willemspolder Fase 1 volgens het in dit verslag beschreven VKA-ontwerp. • Willemspolder Fase 2: het ontwerp wordt in westelijke richting uitgebreid tot rkm 913,0. • Het verlagen van de Nieuweweg (rkm 908,2): omdat de Willemspolder nu in westelijke richting uitgebreid is, kan de afvoercapaciteit ingezet worden door de verbinding tussen de overnachtingshaven van IJzendoorn en de Willemspolder, waardoor een groot rivierverruimingsproject ontstaat. • Gouverneurspolder: een tweede zandwinlocatie langs de Waal (rechteroever: rkm 901,9 – 906,1)
6.2
Geometrische modellering
Het Baseline-gebiedsmodel is opgebouwd vanuit het VKA van Willemspolder Fase 1, door de overige drie bestanddelen Baseline-maatregelen toe te voegen, resulterend in de Baseline-variant van de gebiedsvisie (wp_gp_tot). Zie hiervoor de tabel in Bijlage 2 voor het overzicht en Bijlage 4.5 en Bijlage 5.3 voor de uitwerking ervan (pagina’s Bijlage 5-64 en Bijlage 5-65). Gouverneurspolder verlagen Nieuweweg Willemspolder Fase 1 Willemspolder Fase 2
Figuur 37 Overzicht van de maatregelencontouren binnen de gebiedsvisie
6.3 6.3.1
Hydraulische modellering Waterstandseffecten bij hoogwater
Figuur 38 laat de potentiële waterstandsdaling zien (-147 mm), die een veelvoud bedraagt van die van het Basisalternatief (-9 mm) en het Voorkeursalternatief (-14 mm). Er is alleen een simulatie van 16.000 m3/s (Lobith) beschikbaar. De overige afvoerniveaus zijn niet geanalyseerd. De oorzaak van deze hogere waterstandsdaling is de toegenomen capaciteit van de plassen in de Willemspolder, aangevuld met de verlaging van de Nieuweweg. In de referentiesituatie stroomt er ca 3500 m3/s (31%) door de plas, in de Gebiedsvisie is dit toegenomen tot 5500 m3/s (49%). De hydraulische resultaten zijn ruimtelijk in Bijlage 5.3 weergegeven (pagina’s Bijlage 5-66 tot en met Bijlage 5-68). Hieruit blijkt dat de stroomsnelheden in het zomerbed ter plaatse van de rivierverruimingen aanzienlijk afnemen.
34
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021 Waterstandseffect Gebiedsvisie bij 16.000 m3/s Willemspolder (fasen 1+2) Gouverneurspolder
0,03 0,02 0,01 0,00 -0,01 -0,02
Waterstandsverschil (m)
-0,03 Basisalternatief
-0,04
Voorkeursalternatief
-0,05
Gebiedsvisie
-0,06 -0,07 -0,08
915
910
Pannerdensche Kop
905
900
895
890
885
880
875
870
-0,10
-0,11 -0,12 -0,13
Lobith
Nijmegen
IJzendoorn
-0,09
865
-0,14 -0,15
860
855
Boven-Rijn / Waal (rkm)
Figuur 38 Waterstandseffect in rivieras: Gebiedsvisie (totaal), VKA (Willemspolder Fase 1), en Basisalternatief (Willemspolder Fase 1) ten opzichte van de referentiesituatie (16.000 m3/s te Lobith)
6.3.2
Hinder voor scheepvaart: effecten op dwarsstroming
Voor de dwarsstroming zijn de Bovenrijn-debieten van 2.000 tot en met 10.000 m3/s (te Lobith) relevant. Van deze afvoerniveaus zijn geen WAQUA-simulaties voor de gebiedsvisie beschikbaar. We kunnen aannemen dat de effecten gelijk zijn aan die van de afzonderlijke onderdelen. Een bijzonder aandachtspunt is wel de stroming bij de overnachtingshaven te IJzendoorn, aangezien door de verlaagde Nieuweweg ook bij lagere afvoerniveaus dan 7.000 m3/s stroming naar de Willemspolder zal optreden. Hierdoor zal de dwarsstroming van de Waal naar de overnachtingshaven mogelijk sterker worden. Dit zal een aandachtspunt bij de nadere uitwerking zijn. 6.3.3
Morfologische effecten
Er zijn geen morfologische analyses met behulp van WaqMorf gedaan. Op basis van een expertoordeel bevelen wij bij de nadere uitwerking aan bijzondere aandacht te hebben voor het traject van rkm 907 tot 913, omdat de overnachtingshaven, de verlaagde Nieuweweg en de Willemspolder (Fasen 1 en 2) met elkaar een grote aaneengeschakelde rivierverruiming vormen, waarbij een groter aandeel van de rivierafvoer door de noordelijke uiterwaard zal stromen. Dit zal een verlaging van stroomsnelheden in het zomerbed tot gevolg hebben met mogelijk morfologische consequenties.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
35
januari 2021
7
Conclusies en aanbevelingen
7.1 Conclusies Op basis van de gepresenteerde analyse trekken we de volgende conclusies: Waterstanden (hoogwater) • Er zijn ten gevolge van het Basisalternatief bij hoogwater geen waterstandverhogingen in de Waal (met uitzondering van een lokaal benedenstrooms effect van 11 mm). Gesommeerd zorgt de ingreep zelfs voor een netto waterstandsdaling. Direct bij de ingreep is deze 9 mm, uitdempend tot ongeveer nul bij het splitsingspunt Pannerdensche Kop. In de tijdelijke onbegroeide situatie is de waterstandsdaling in de rivieras maximaal 16 mm. Het benedenstroomse effect neemt in de tijdelijke situatie niet toe. • Het VKA leidt tot iets meer waterstandsdaling (maximaal 14 mm in de rivieras) en een bijna even groot benedenstrooms effect (10 mm). • Nabij de bandijk zijn er geen significante waterstandsverhogingen (deze conclusie geldt voor beide alternatieven). • De gebiedsvisie voor de toekomst, bestaande uit de Willemspolder (Fasen 1 en 2), de verlaagde Nieuweweg en de Gouverneurspolder laat een grote potentiële waterstandsdaling zien (-147 mm), die een veelvoud bedraagt van die van het Basisalternatief (-9 mm) en het Voorkeursalternatief (-14 mm). Er is alleen een simulatie van 16.000 m3/s (Lobith) beschikbaar. Hinder voor scheepvaart / dwarsstroming • Het effect op stroomsnelheden rondom de projectlocatie is gering.
• Uit de analyse blijkt dat dwarsstroming over het algemeen geen probleem is. Slechts op één locatie bij één afvoerniveau (10.000 m3/s te Lobith, gemiddeld eens per 15 jaar) leidt de voorgenomen ingreep tot een toename van 0,15 tot 0,30 m/s. • Het gaat om de doorvaartopening, waar bij dit afvoerniveau de landinwaartse dwarsstroming toeneemt van 0,15 tot 0,30 m/s. Hoewel dit meer dan het RBK-criterium is, merken wij op dat deze waarde nog steeds beperkt is en dat de frequentie van voorkomen van dit afvoerniveau ca. 15 jaar is. • Bij het VKA treedt ditzelfde effect op, maar het begint al bij een lager afvoerniveau. Ook bij 8000 m3/s (te Lobith) wordt het RBK-criterium overschreden, waar dit in de referentiesituatie en bij het Basisalternatief nog niet het geval is. • Op 4 locaties in de directe nabijheid zijn in de referentiesituatie, ook bij lagere afvoerniveaus, dwarsstroming op met snelheden tot 0,50 m/s of meer. Hiermee kan bovenstaand resultaat voor de beoordeling in perspectief geplaatst worden. De gebiedsvisie is in deze rapportage alleen op hoogwaterstanden beoordeeld. Er is geen analyse naar dwarsstroming gedaan. Morfologische effecten De effecten op de bodemmorfologie zijn geschat met behulp van WaqMorf. Hierbij is er in het Basisalternatief (BA) sprake van: • • •
een jaargemiddeld resultaat: maximale sedimentatie 6 tot 8 cm in de vaargeul, geschat netto volume 5.280 m3 (GIS-analyse: 5.499 m3), een resultaat na langdurig herstel bij laagwater: maximale sedimentatie 2 tot 4 cm in de vaargeul, geschat netto volume 3.440 m3; een resultaat na een hoogwaterperiode: maximale sedimentatie 8 tot 10 cm in de vaargeul, geschat netto volume 7.540 m3.
De waterdiepteanalyse laat zien dat er met betrekking tot de waterdiepte een lokale netto verslechtering plaatsvindt. Deze concentreert zich bij de projectlocatie. De hoeveelheid aanvullend baggerwerk bedraagt 288 m3 (uitgaande van het theoretisch baggervolume ten opzichte van de CCR-norm. Deze hoeveelheid is beperkt en beheersbaar. Bij andere baggerscenario’s gelden er andere getallen (zie Tabel 4 of einde Bijlage 7).
36
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021
In het Voorkeursalternatief (VKA) zijn deze getallen aanzienlijk groter: • • •
een jaargemiddeld resultaat: maximale sedimentatie 10 tot 30 cm in de vaargeul (met een enkele randzone daarboven), geschat netto volume 112.560 m3, een resultaat na langdurig herstel bij laagwater: maximale sedimentatie 10 tot 30 cm in de vaargeul (echter over een geringere oppervlakte dan jaargemiddeld), geschat netto volume 51.380 m3; een resultaat na een hoogwaterperiode: maximale sedimentatie 50 tot 100 cm in de vaargeul, geschat netto volume 190.890 m3.
De verklaring dat de morfologische effecten in het VKA groter zijn dan in het Basisalternatief ligt naar ons oordeel in de grotere doorstroming bij morfologisch relevante afvoeren, die is ontstaan door het verlagen van de zomerkade (van 9,00 naar 8,30 m+NAP). In een eventuele ontwerpoptimalisatie van het uitvoeringsontwerp is deze kruinhoogte mogelijk als vrijheidsgraad in te zetten om de morfologische effecten bij te sturen, mochten deze in het voorliggende VKA naar het oordeel van de rivierbeheerder te groot zijn. Ook de stromende nevengeul draagt bij aan extra sedimentatie in het zomerbed. De gebiedsvisie is in deze rapportage alleen op hoogwaterstanden beoordeeld. Er is geen analyse naar dwarsstroming gedaan.
7.2 Aanbevelingen Op basis van de gepresenteerde analyse doen we de volgende aanbevelingen: • •
•
Op basis van de waterdiepteanalyse voor het basisalternatief bevelen wij aan dit alternatief goed te keuren. Er is weliswaar en extra baggerinspanning becijferd, maar deze is beperkt en beheersbaar. Naar ons oordeel is het voorliggende ontwerp (Willemspolder Fase 1: VKA) een evenwichtig uitgewerkte invulling van de wens van de eigenaar om de zandwinlocatie uit te breiden. Wij bevelen echter aan het ontwerp nader te optimaliseren teneinde de te verwachten sedimentatie te reduceren, alvorens het ontwerp aan de rivierbeheerder Rijkswaterstaat Oost-Nederland voor vergunningverlening in het kader van de Waterwet voor te leggen. Hierbij kunnen de ontwerpparameters van het Basisalternatief, zoals o.a. de zomerkadehoogten als inspiratiebron dienen. Tot slot geeft de rapportage een doorkijk naar de toekomst, waarin de toekomstige ambities van Dekker Groep voor zandwinning, recreatie en natuur tot uitdrukking worden gebracht. Het betreft naast het Voorkeursalternatief van Fase 1 ook een uitwerking voor Fase 2 van de Willemspolder, een ontwerp voor de Gouverneurspolder en een verlaging van de Nieuweweg tot 0 m+NAP (tussen de overnachtingshaven IJzendoorn en de Willemspolder) om een sterkere waterstandsdaling te realiseren.
Dit alternatief (Gebiedsvisie) wordt in deze rapportage niet rivierkundig beoordeeld, maar ter kennisgeving gepresenteerd, waarbij alleen de hydraulische effecten bij het hoogste afvoerniveau (16.000 m3/s te Lobith) zijn geanalyseerd. Een nadere uitwerking is in de toekomst mogelijk gewenst, waarbij er voldoende aandacht dient te zijn voor effecten op dwarsstroming en morfologie.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
37
januari 2021
8
Referenties
Meet BV, 2020: Technisch ontwerp, fase 1, versie 4, project: Willemspolder, datum: 9 april 2020, document: 1349-rapp-014-StaVaZa-v4.pdf, opdrachtgever: Dekker Grondstoffen BV Rijkswaterstaat, 2019: Rivierkundig Beoordelingskader voor ingrepen in de Grote Rivieren, versie 5.0, 26 februari 2019, Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving Reneerkens M.J.J., 2020: Richtlijn morfologische effectbepaling binnen RWS ON, versie 1.1, 25 september 2020, Rijkswaterstaat Oost-Nederland, Afdeling NOV Sieben A., 2011: Methodiek inschatting morfologische effecten in het zomerbed door lokale rivieringrepen, update december 2011, Rijkswaterstaat Waterdienst
38
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021
Bijlage 1
Ontwerptekening Willemspolder fase 1 (Meet BV, 2020)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 1 - 1
januari 2021
Bijlage 2
Overzicht van Baseline-maatregelen en -gebiedsmodellen en WAQUA-modelsimulaties
Een Baseline-variant is opgebouwd uit een basis en een of meer Baseline-maatregelen. Hier is vervolgens een hydraulisch WAQUA-model van afgeleid worden, waarmee modelsimulaties uitgevoerd kunnen worden. Onderstaand zijn de modelschematisaties en -simulaties van deze opdracht weergegeven. alternatief
variant
B&O-model
rijn_beno18_5-v1
wp_gp_ref
Baseline = basis rijn_beno18_5-v1
-
rijn_beno18_5-v1
wl_stiftrf_a1 wl_wdhref_a1 wl_wpref_a1 wl_gpref_a1 wl_uwdhstr_a2 wl_willems_d1 wl_willems_e1 wl_willem_v01 wl_willem_v02 wl_willem_v03 wl_willem_v04 wl_willem_v05
referentie
wp_gp_ref_v2
wp_gp_ts01
+ maatregel(en)
wp_gp_ref
wp_gp_ref 1
wl_willem_v13 wl_willem_v14 wl_willem_v06 wl_willem_v12 wl_willem_v08 wl_willem_v09 wl_willem_v10 wl_willem_v11 wl_gouver_v09 wl_sw_vg_a2 wl_kwp820m_a1
wl_wpref_b1
wl_wp_ts1_a1
Volume (m3)
WAQUA-simulaties
-
-
-
-
n.t.b.
Willemspolder Fase 1 wp_gp_var01
wp_gp_ref 1
wl_willems_a3
n.t.b.
wp_gp_ref_00600 wp_gp_ref_01020 wp_gp_ref_02000 wp_gp_ref_03000 wp_gp_ref_04000 wp_gp_ref_05000
wp_gp_ref_v2_00600 wp_gp_ref_v2_01020 wp_gp_ref_v2_02000 wp_gp_ref_v2_03000 wp_gp_ref_v2_04000 wp_gp_ref_v2_05000 wp_gp_ts01_00600 wp_gp_ts01_01020 wp_gp_ts01_02000 wp_gp_ts01_03000 wp_gp_ts01_04000 wp_gp_ts01_05000 wp_gp_var01-00600 wp_gp_var01-01020 wp_gp_var01-02000 wp_gp_var01-03000 wp_gp_var01-04000 wp_gp_var01_05000
Toelichting beheer- en onderhoudsmodel Rijkswaterstaat
wp_gp_ref-06000 wp_gp_ref-07000 wp_gp_ref-08000 wp_gp_ref-10000 wp_gp_ref-16000
wp_gp_ref_v2_06000 wp_gp_ref_v2_07000 wp_gp_ref_v2_08000 wp_gp_ref_v2_10000 wp_gp_ref_v2_16000
referentiesituatie na actualisatie stap 1: buiten de projectcontour: diverse afvoerniveaus (te Lobith) NIET MEER ACTUEEL: VERVANGEN DOOR REFERENTIE VERSIE 2
REFERENTIESITUATIE (versie 2) na actualisatie onderhoud doorvaartopening stap 2: binnen de projectcontour diverse afvoerniveaus (te Lobith)
wp_gp_ts01-06000 wp_gp_ts01-07000 wp_gp_ts01-08000 wp_gp_ts01-10000 wp_gp_ts01-16000
TIJDELIJKE SITUATIE Willemspolder fase 1 (tijdelijke situatie) Alle afvoerniveaus zijn doorgerekend, echter uitsluitend de hoogste twee blijken onderscheidend ten opzichte van de eindsituatie en zijn in deze rapportage gepresenteerd.
wp_gp_var01_06000 wp_gp_var01_07000 wp_gp_var01_08000 wp_gp_var01_10000 wp_gp_var01_16000
BASISALTERNATIEF Willemspolder fase 1 (eindsituatie)
(vervolg op volgende pagina) 20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 2 - 1
januari 2021 (vervolg van vorige pagina) alternatief
variant
wp_gp_var02
Baseline = basis
wp_gp_var01
+ maatregel(en)
wl_wpnwweg_a1
Volume (m3)
n.t.b.
Willemspolder Fase 1 (vervolg) wp_gp_vka
GEBIEDSVISIE: Willemspolder Gouverneurspolder en verlaagde Nieuweweg
wp_gp_tot
wp_gp_ref_v2
wl_willems_a4
wp_gp_vka
wl_willems_b2 wl_wpnwweg_a1 wl_gouvern_a2
n.t.b.
n.t.b.
WAQUA-simulaties wp_gp_var02-00600 wp_gp_var02-01020 wp_gp_var02-02000 wp_gp_var02-03000 wp_gp_var02-04000 wp_gp_var02_05000 wp_gp_vka-00600 wp_gp_vka-01020 wp_gp_vka-02000 wp_gp_vka-03000 wp_gp_vka-04000 wp_gp_vka_05000 wp_gp_tot-00600 wp_gp_tot-01020 wp_gp_tot-02000 wp_gp_tot-03000 wp_gp_tot-04000 wp_gp_tot_05000
Toelichting
wp_gp_var02_06000 wp_gp_var02_07000 wp_gp_var02_08000 wp_gp_var02_10000 wp_gp_var02_16000
Willemspolder fase 1 (eindsituatie) Variant 2: verlaagde Nieuweweg (0 m+NAP) HET ONTWERP IS ECHTER NIET MEER ACTUEEL
wp_gp_vka_06000 wp_gp_vka_07000 wp_gp_vka_08000 wp_gp_vka_10000 wp_gp_vka_16000
VOORKEURSALTERNATIEF (VKA) Willemspolder fase 1 (eindsituatie)
wp_gp_tot_06000 wp_gp_tot_07000 wp_gp_tot_08000 wp_gp_tot_10000 wp_gp_tot_16000
GEBIEDSVISIE Willemspolder (Fasen 1 + 2), Gouverneurspolder en verlaagde Nieuweweg (kruin op 0 m+NAP)
1
Omdat de aanpassing van de toegangsgeul (wl_wpref_b1) in wp_gp_ref_v2 binnen de contour van de maatregel van Willemspolder fase 1 ligt heeft deze geen invloed op het geometrische eindbeeld en de vegetatie van de varianten wp_gp_var01 en wp_gp_ts01. Daarom kan wp_gp_ref als uitgangsgeometrie dienen.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 2 - 2
januari 2021
Waterstandseffecten bij diverse afvoerniveaus (de debieten gelden te Lobith) Basisalternatief (wp_gp_var01 – wp_gp_ref_v2)
0,022
Willemspolder (fase 1)
600 m3/s
Waterstandsverschil (m)
Waterstandseffect Willempolder fase 1 (variant 1) 0,020
1.020 m3/s
0,018
2.000 m3/s
0,016
3.000 m3/s
0,014
4.000 m3/s
0,012
5.000 m3/s
0,010
6.000 m3/s
0,008 0,006
7.000 m3/s
0,004
8.000 m3/s
0,002
10.000 m3/s
0,000
925
920
915
910
905
900
895
890
885
-0,002
Pannerdensche Kop 880
875
870
-0,004 -0,006 -0,008
Lobith
Nijmegen
IJzendoorn
16.000 m3/s
865
-0,010 -0,012 860
855
Boven-Rijn / Waal (rkm)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 2 - 3
januari 2021
Voorkeursalternatief (wp_gp_vka – wp_gp_ref_v2)
0,03
Willemspolder (fase 1)
600 m3/s 1.020 m3/s
Waterstandseffect Willempolder fase 1 (VKA) 0,02
7.000 m3/s
2.000 m3/s
0,01
3.000 m3/s 0,00
Waterstandsverschil (m)
4.000 m3/s 5.000 m3/s
-0,01
6.000 m3/s
-0,02
7.000 m3/s -0,03
8.000 m3/s 10.000 m3/s
-0,04
925
920
915
910
905
900
895
890
885
-0,05
Pannerdensche Kop 880
875
870
-0,06 -0,07
Lobith
Nijmegen
IJzendoorn
16.000 m3/s
865
-0,08 860
855
Boven-Rijn / Waal (rkm)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 2 - 4
januari 2021
Gebiedsvisie: alleen 16.000 m3/s te Lobith (wp_gp_tot – wp_gp_ref_v2)
Waterstandseffect Gebiedsvisie bij 16.000 m3/s
Willemspolder (fasen 1+2) Gouverneurspolder
0,03 0,02 0,01 0,00 -0,01 -0,02
Waterstandsverschil (m)
-0,03 Basisalternatief
-0,04
Voorkeursalternatief
-0,05
Gebiedsvisie
-0,06 -0,07 -0,08
915
910
Pannerdensche Kop
905
900
895
890
885
880
875
870
-0,10
-0,11 -0,12 -0,13
Lobith
Nijmegen
IJzendoorn
-0,09
865
-0,14 -0,15
860
855
Boven-Rijn / Waal (rkm)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 2 - 5
januari 2021
Bijlage 3
Rivierkundig Beoordelingskader 5.0 (Rijkswaterstaat, 2019)
Tabel 4. Rivierkundige beoordelingsaspecten en -criteria in de Rijntakken Rivierkundig Toe§ beoordelingsBeoordelingscriterium lichting aspect
Hoogwaterveiligheid
1.1
Maatregel in stroomvoerend deel rivier: Hoogwaterreferentie op de as van de rivier Maatregel in bergend deel rivier: Volume waterberging
Stroomvoerend: geen waterstandverhoginga) op de as van de rivier bij de afvoer(en) uit de Hoogwaterreferentie.
Bergend: geen vermindering bergend volume.
1.1
1.2
Hoogwater-referentie buiten de as van de rivier
Geen waterstandverhoging langs de hoge grondenlijn of primaire waterkering bij de afvoer(en) uit de Hoogwaterreferentie.
1.2 R1+R2 R3+R10
RWS-ON (in overleg met de waterkeringbeheerder)
1.3
Afvoerverdeling bij Pannerdensche Kop en IJsselkop bij maatgevende BovenRijn afvoer Afvoerverdeling bij Pannerdensche Kop en IJsselkop bij hoge Boven-Rijn afvoer IJsafvoer
Verandering afvoerverdeling bij de splitsingspunten dient kleiner te zijn dan 5 m3/s bij de geldende Boven-Rijn afvoer van 16.000 m3/s.
1.3 R3+R4
RWS-ON
Verandering afvoerverdeling bij de splitsingspunten dient kleiner te zijn dan 20 m3/s bij Boven-Rijn afvoer van 10.000 m3/s
1.4 R3+R4
RWS-ON
Een goede geleiding van water en ijs dient gewaarborgd te blijven
1.5
RWS-ON
2.1
Inundatiefrequentie van de uiterwaard
De mate van verandering van de inundatiefrequentie van een of meerdere uiterwaarden. Kies daarvoor een of meerdere afvoeren die dit aspect inzichtelijk makenb).
2.1 R5
2.2
Stroombeeld in de uiterwaard
De mate van verandering van de grootte en richting stroomsnelheden in een of meerdere uiterwaarden bij de voor de lokale situatie representatieve omstandigheden.
2.2 R5
2.3
Stroombeeld in vaarweg
De ingreep mag niet resulteren in een absolute dwarsstroming in de vaarweg groter dan 0,15 m/s bij een geconcentreerde dwarsstroming met een debiet groter dan 50 m3/s. Of het moet aantoonbaar zijn dat de toename padbreedte schip t.g.v. dwarsstroom kleiner is dan ½B;
2.3 R6
RWS-ON (eventueel in overleg met de terreineigenaren) RWS-ON (eventueel in overleg met de terreineigenaren) RWS-ON
1.4
1.5
Hinder of schade door hydraulische effecten
Beoordelaar
2.4
2.5
2.8
Afvoerverdeling bij Pannerdensche Kop en IJsselkop bij hoge Boven-Rijn afvoer Afvoerverdeling bij Pannerdensche Kop en IJsselkop bij een lage Boven-Rijn afvoeren Onttrekking water uit zomerbed Rijntakken
RWS-ON
1.1 R1+R2 R3+R10
De ingreep mag niet resulteren in een absolute dwarsstroming in de vaarweg groter dan 0,3 m/s bij een geconcentreerde dwarsstroming met een debiet kleiner dan 50 m3/s; Bij extreme Boven-Rijn afvoeren is dit beoordelingscriteria niet van toepassing. Verandering afvoerverdeling bij Boven-Rijn afvoer van 10.000 m3/s. Voor dit aspect is er geen beoordelingscriterium.
2.4 R7
RWS-ON
Verandering afvoerverdeling mag niet groter zijn dan 1 m3/s bij Boven-Rijn afvoer van 1020 m3/s (OLA)c)
2.5 R8
RWS-ON
Geen ongewenste afname van de waterdiepte t.g.v. de onttrekking van water uit het zomerbed bij lage en mediane Boven-Rijn afvoeren
2.8
RWS-ON
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 3 - 1
januari 2021
§ 2.9
3.1
Rivierkundig beoordelingsaspect Waterstand en stroombeeld in de vaargeul in de Nederlands-Duitse grensregio bij lage en mediane Boven-Rijn afvoeren Sedimentatie en erosie van het zomerbed (+ oevers)
1. door ingrepen zomerbed
Morfologische effecten
2. door ingrepen winterbed
Beoordelingscriterium
Toelichting
Beoordelaar
Er is geen beoordelingscriterium beschikbaar. Het doel van dit aspect is om te kunnen inschatten of de bevaarbaarheid of vaarwegonderhoud in het Duitse deel van de Rijn niet verslechtert a.g.v. de ingreep.
2.9
RWS-ON/ Wasserstraßen - und Schifffahrtsamt DuisburgRhein
Bij erosie: -geen verlaging gemiddelde bodemligging zomerbedd); -geen erosie van het zomerbed in de directe nabijheid van primaire waterkeringen; -geen oevererosied); -Beperkte ontgronding bij constructies per hoogwater; -geen erosie ter hoogte van kabels, leidingen en tunnels met een te kleine gronddekking;
3.1 R9+R11
RWS-ON (eventueel in overleg met de waterkeringbeheerder)
3.2 R12
RWS-ON (eventueel in overleg met de waterkeringbeheerder en/of terreineigenaren)
Bij sedimentatie: - geen sedimentatie in de vaargeul conform BPRW; -geen vermindering vaargeulafmetingen bij lage tot gemiddelde rivierafvoerene); -geen verhoging van de maatgevende waterstanden op lange termijn; Generiek: -beperkte hinder door baggeren en/of terugstorten; behouden vlotheid en veiligheid scheepvaartverkeer; -geen onacceptabele terugschrijdende erosie of sedimentatie i.v.m. risico verandering afvoerverdeling bij maatgevende Boven-Rijn afvoer of OLA;
3.2
Sedimentatie en erosie van uiterwaard en nevengeulen:
Bij erosie: -geen zijdelingse verplaatsing van een nevengeul richting een primaire waterkering. Nevengeul moet op voldoende afstand blijven van de primaire waterkering, buiten de 2. erosie winterbed beschermingszone van de primaire kering. De beschermingszones worden bepaald door de keringbeheerders; - geen zijdelingse verplaatsing van een nevengeul richting het zomerbed van de rivier, waardoor er kans bestaat dat de nevengeul een kortsluiting veroorzaakt met het zomerbed; - stroomsnelheid in een zandige nevengeul bij bankfull afvoer moet kleiner blijven dan 0,3 m/sg); - geen bodemerosie langs primaire waterkering; - stabiliteit van belangrijke constructies in de uiterwaard mag niet verminderen; In de praktijk kan een waterstandsverhoging tot 1 mm in de as van de rivier worden toegestaan. Zie ook paragraaf 1.1. Keuze afvoerniveaus afhankelijk van de afvoer(en) waarop de ingreep invloed heeft op het instromen van de betreffende uiterwaard. In bijzondere gevallen kan de beheerder de verdeling van de afvoer bij een ingreep ook opvragen bij andere afvoeren van de Boven-Rijn dan OLA, bijvoorbeeld bij een gemiddelde Boven-Rijn afvoer. Bij erosie in zomerbed en op oevers geldt het principe ‘nee, tenzij’, om het belang van het functioneren van het waterstaatwerk i.r.t. veiligheid en scheepvaart te borgen.
Gecontroleerde erosie kan wel worden toegestaan als aan deze voorwaarden wordt voldaan. Een voorbeeld hiervan zijn de aanleg van natuurvriendelijke oevers t.b.v. de Kaderrichtlijn Water. Een ander voorbeeld is de Ruimte voor de Rivier maatregel ‘zomerbedverdieping’. Deze is alleen in het overgangsgebied van de Rijntakken mogelijk met aanvullend sedimentbeheer, o.a. om terugschrijdende erosie tegen te gaan. Voor specifieke criteria en afmetingen: zie Bijlage 9. [bijschrift: bijlage 9 betreft het RBK, niet dit rapport] Wat ‘acceptabele beheerskosten’ zijn, kan van dienst tot dienst verschillen en is ter beoordeling van het bevoegd gezag. Richtlijn voor zandige rivierbodem. Exacte waarde hangt af van lokale bodemsamenstelling en –ruwheid. 1. sedimentatie winterbed
a)
b)
c)
d)
e) f)
g)
Bij sedimentatie: - Acceptabele beheerskostenf) voor baggeren nevengeulen;
Bijlage 3 - 2
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
januari 2021
Bijlage 4
Gebiedsmodellering met behulp van Baseline
Bijlage 4.1
Referentiesituatie (wp_gp_ref_v2)
Bodemhoogten
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 1
januari 2021
Ruwheidscodes 1981
201
201 1981
201 1981
1982
1982
1981
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 2
januari 2021
Bijlage 4.2
Willemspolder Fase 1: Basisalternatief (wp_gp_var01)
Bodemhoogten
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 3
januari 2021
Ruwheidscodes 1981
201
201 1981
1981 201
1982
1981
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 4
januari 2021
Bijlage 4.3
Willemspolder Fase 1: tijdelijke situatie zonder begroeiing (wp_gp_ts01)
Ruwheidscodes
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 5
januari 2021
Bijlage 4.4
Willemspolder Fase 1: Voorkeursalternatief (wp_gp_vka)
Bodemhoogten
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 6
januari 2021
Ruwheidscodes
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 7
januari 2021
Bijlage 4.5
Gebiedsvisie totaal: Willemspolder, Gouverneurspolder en verlaagde Nieuweweg (wp_gp_tot)
Bodemhoogten
Gouverneurspolder
verlagen Nieuweweg Willemspolder Fase 1 Willemspolder Fase 2
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 8
januari 2021
Ruwheidscodes
Gouverneurspolder
verlagen Nieuweweg Willemspolder Fase 1
1981 1983
Willemspolder Fase 2
201
201 1981 1983
201
1981
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 4 - 9
januari 2021
Bijlage 5
Ruimtelijke resultaten uit Waqview: Willempolder Fase 1
Bijlage 5.1
Basisalternatief t.o.v. referentiesituatie (wp_gp_var01 ten opzichte van gp_wp_ref_2)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 1
januari 2021
Basisalternatief ten opzichte van referentiesituatie
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 2
januari 2021
Basisalternatief ten opzichte van referentiesituatie
(0)
(+)
(0) (+) (-) (+)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 3
januari 2021
Q = 2.000 m3/s (Lobith): Basisalternatief ten opzichte van referentiesituatie Waterstandsverschil
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 4
januari 2021
Stroomsnelheidsverschil
(-) (+)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 5
januari 2021
Q = 4.000 m3/s (Lobith): Basisalternatief ten opzichte van referentiesituatie Waterstandsverschil
(-)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 6
januari 2021
Stroomsnelheidsverschil
(+)
(-)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 7
januari 2021
Q = 5.000 m3/s (Lobith): Basisalternatief ten opzichte van referentiesituatie Waterstandsverschil
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 8
januari 2021
Stroomsnelheidsverschil
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 9
januari 2021
Q = 6.000 m3/s (Lobith): Basisalternatief ten opzichte van referentiesituatie Waterstandsverschil
Toelichting: de roodgekleurde zone is ingesloten door de verlegde zomerdijk en ligt nu bovenstrooms in plaats van benedenstrooms ervan. Dit verklaart het grote waterstandsverschil.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 10
januari 2021
Stroomsnelheidsverschil
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 11
januari 2021
Stroomlijnen (referentiesituatie): nog geen instroming
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 12
januari 2021
Stroomlijnen (Basisalternatief Willemspolder fase 1): nog geen instroming
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 13
januari 2021
Q = 7.000 m3/s (Lobith): Basisalternatief ten opzichte van referentiesituatie Waterstandsverschil
Toelichting: de witgekleurde zone (waterstandseffect buiten legenda > 0,40 m) is ingesloten door de verlegde zomerdijk en ligt nu bovenstrooms in plaats van benedenstrooms ervan. Dit verklaart het grote waterstandsverschil.
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 14
januari 2021
Stroomsnelheidsverschil
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 15
januari 2021
Stroomlijnen (referentiesituatie): eerste instroming (ca. 100 m3/s)
20210129_Willemspolder-Fase1_v2.0.docx
Bijlage 5 - 16