CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 - Ruimtelijke onderbouwing bedrijfsterrein Binnenwaard

Raadsvergadering 9 februari 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen i.v.m. tijdelijk afwijken bestemmingsplan Nieuweweg 2 inIJzendoorn12.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.3.2 Industrielawaai In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Verwezen wordt naar paragraaf 5.5.1. van het MER en bijlage 13 bij het MER. Daarnaast wordt verwezen naar paragraaf 2.6 van de aanvulling op het MER en bijlage 3 bij de aanvulling. De geluidseffecten vanwege het bedrijfsterrein worden in hoofdzaak veroorzaakt door de drijvende klasseerinstallatie en het grondverzetmaterieel voor de op- en overslag van bouwgrondstoffen. In aanvulling op het MER zijn de cumulatieve effecten van geluid in beeld gebracht. Daarbij zijn tevens de inspraakreacties van omwonenden, voor zover deze betrekking hebben op het aspect geluid, meegenomen. De invulling van het bedrijfsterrein van de voormalige steenfabriek Binnenwaard is meer gedetailleerd in beeld gebracht en is voor zover van toepassing in samenhang met de tijdelijke situatie (uitvoeringsfase) van project Willemspolder fase 1 beschouwd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten tijde van de uitvoeringsfase bij de woningen en woonboten geen hoger geluidniveau wordt berekend dan 45 dB(A) in de dagperiode. De geluidniveaus variëren in de tijd en zijn afhankelijk van waar in het gebied gewerkt wordt. Gedurende de avond- en nachtperiode veroorzaken schepen die voor 07.00 uur aankomen of na 19.00 uur vertrekken geen hoger geluidniveau dan 28 dB(A) in de avond- en nachtperiode.

Omdat bij geen enkele woning of woonboot het totale gecumuleerde geluidniveau hoger is dan 50 dB(A) wordt volgens de algemeen geaccepteerde ‘methode Miedema’ het kwaliteitsoordeel ‘goed’ aan de leefomgeving gegeven. In het kader van de te verlenen omgevingsvergunning milieu is een geactualiseerd akoestisch rapport opgesteld. Dit betreft het akoestisch rapport 'Willemspolder fase 1 Bedrijfsterrein Binnenwaard Geluidonderzoek Wabo', kenmerk R087286ac.21DHZOY.rvw, versie 03_001 d.d. 9 december 2021. Op basis van dit akoestisch onderzoek blijkt dat bij de woningen en woonboten door de activiteiten op het bedrijfsterrein Binnenwaard geen hogere geluidbelasting wordt berekend dan 40 dB(A) in de dagperiode en 28 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid ligt rond de richtwaarde voor het landelijk gebied van 40 dB(A). Gedurende de dagperiode wordt geen hoger langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT berekend dan 40 dB(A). Alleen bij een woonboot (op beoordelingspunt Wb 005, Havenkade 4) wordt een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT berekend van 41 dB(A). Investeringen in verdergaande mitigerende maatregelen achten wij in dit geval niet kosteneffectief in relatie tot het milieurendement. Een minimale overschrijding van 1 dB(A) bij een woonboot achten wij toelaatbaar.

Bij woonboten kan voldaan worden aan de richtwaarde van 45 dB(A) voor een rustige woonwijk, met weinig verkeer en aan de maximale "etmaalwaarde" van 50 dB(A). Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat geen van de woningen of woonboten binnen de voorgestelde geluidzone ligt. Voor een eventuele toekomstige situatie hoeft in het kader van de Wet geluidhinder geen procedure hogere waarde gevolgd te worden.

5.3.3 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning.

26

5.4 Bedrijven en Milieuzonering 5.4.1 Regelgeving Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek.

Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid.

Tabel 4.2: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie.

27

5.4.2 Bepaling milieucategorie Op het bedrijfsterrein worden de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Haven voor scheepvaart, onderwateropslag / drijvende klasseerinstallatie; 2. Depot voor opslag bouwgrondstoffen op land; 3. Opslag materieel en duurzame start-ups, op buitenterrein; 4. Bedrijfshal voor ondersteunende bedrijfsactiviteiten en duurzame start-ups; 5. Opslag materieel/parkeren 6. Op- en overslag/transport (incl. wegen). Zie onderstaande afbeelding voor de indeling van het terrein.

Getoetst is welke milieucategorieën volgens de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009, op bovengenoemde activiteiten van toepassing zijn. De activiteiten genoemd onder 1. vallen volgens de publicatie bedrijven en milieuzonering onder SBIcode 0812: winning van zand, grind, klei e.d. algemeen en SBI-code 4673 groothandel in zand en grind, algemeen b.o. > 200 m2. Hierop zijn respectievelijk milieucategorie 4.1 en milieucategorie 3.2 van toepassing. Echter blijkens de vergunningaanvraag wordt er in de drijvende verwerkingsinstallatie ook grind gezeefd en gebroken tot zogenaamd kif. Deze activiteit valt onder de SBI-code 237 het breken, zeven of drogen van natuursteen. Bij een capaciteit van minder dan 100.000 ton per jaar is milieucategorie 4.2 hierop van toepassing en bij een capaciteit van meer dan 100.000 ton per jaar is milieucategorie 5.2 van toepassing. Uit de vergunningaanvraag kan echter niet worden afgeleid of er nu meer of minder dan 100.000 ton per jaar grind wordt gewonnen en gebroken. Dit is bij Initiatiefnemer opgevraagd en deze heeft laten weten dat verwerkingscapaciteit van grind minder dan 100.000 ton per jaar zal bedragen. Dit betekent dus dat ook deze activiteit past binnen milieucategorie 4.2. De activiteit genoemd onder 2 kan worden gebracht onder SBI-code 4673 groothandel in zand en grind, algemeen bruto oppervlak van meer dan 200 m2.

Hierop is milieucategorie 3.2 van toepassing. De activiteiten genoemd onder 3 t/m 6 zijn niet één op één te koppelen aan een activiteit uit bedrijven en milieuzonering. Gelet op de aard van de activiteiten en de daarmee samenhangende milieubelasting wordt voorgesteld deze te scharen onder SBI-code 52242 Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart, ertsen, mineralen, e.d., opslagopp. >= 2.000 m². Dit is namelijk de enige activiteitomschrijving welke gaat over bulkoverslag t.b.v. de binnenvaart. Op deze activiteit 28

is milieucategorie 5.2 van toepassing. Dit omdat vanwege geluid een richtafstand van 700 meter geldt. Om aan te tonen dat de betreffende activiteiten binnen milieucategorie 4.2 passen, zal aangetoond moeten worden dat de geluidbelasting vanwege de op- en overslag van bulkgoederen binnen gebied 6, op een afstand van 300 meter van gebied 6 maximaal 45 dB(A) bedraagt. In de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt bij de richtafstanden namelijk uitgegaan van een normstelling welke geldt t.o.v. een rustige woonwijk. Initiatiefnemer heeft op basis van een akoestisch onderzoek (zie notitie Willemspolder fase 1 – Wabo bedrijfsterrein Binnenwaard, Milieucategorie 2, kenmerk V087286ac.22CGX1E.rvw, versie 01_001, 1september 2022, LBP SIGHT) aangetoond dat de daadwerkelijke geluidbelasting van de activiteit ‘Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart’ in hoofdzaak overeenkomt met de geluidcontour van 45 dB(A) op 300 meter. Hiermee is onderbouwd dat de activiteit ‘Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart’ overeenkomt met milieucategorie 4.2 en een richtafstand van 300 meter. Voor het realiseren van het BouwgrondstoffenHUB met haven voor scheepvaartmobiliteit kan dus worden geconcludeerd dat deze passen binnen milieucategorie 4.2. In het besluit is vastgelegd dat de capaciteit voor het breken van grind maximaal < 100.000 t/j mag bedragen.

Daarnaast is op basis van een akoestisch onderzoek aangetoond dat de geluidbelasting vanwege de op- en overslag van bulkgoederen binnen gebied 6, op een afstand van 300 meter van gebied 6 maximaal 45 dB(A) bedraagt. De afstand van milieugevoelige functies, zoals woningen, tot het bedrijfsterrein Binnenwaard bedraagt meer dan 700 meter. Er wordt voldaan aan de minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies uit de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. 5.4.3

Conclusie

Het aspect 'Bedrijven en Milieuzonering ' vormt geen belemmering voor de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning.

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1 Regelgeving In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma 29

Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

5.5.2 Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In paragraaf 5.5.3.1 van het MER en Bijlage 14 bij het MER zijn de effecten op de luchtkwaliteit vanwege Stikstofdioxide en fijnstof in beeld gebracht. In paragraaf 2.5 en bijlage 4 van de aanvulling op het MER is nader ingegaan op de effecten op de luchtkwaliteit. De emissies aan stikstofdioxide en fijn stof zijn gering. Op de omliggende toetsingspunten wordt geen relevante bijdrage op verslechtering van de luchtkwaliteit berekend. Het plan voldoet aan de normen als genoemd in het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM).

5.5.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning.

5.6

Externe veiligheid

5.6.1 Regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen.

Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

30

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden.

De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 m). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

Beleidsvisie externe veiligheid 2015 - 2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1.

de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht; 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's; 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; 31

4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's; 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit.

5.6.2 Onderzoek In de Referentiesituatie vormt het transport van gevaarlijke stoffen via de scheepvaart op de Waal een risico voor wat betreft de externe veiligheid. In de dijkzone is een hoofdtransportleiding van Gasunie aanwezig waar een extern veiligheidsrisico van uitgaat. De aftakking van deze leiding naar de voormalige steenfabriek loopt door de landtongen tussen de plassen. Deze leiding is buiten gebruik gesteld, waardoor het externe veiligheidsrisico is vervallen. Het extern veiligheidsrisico is vanwege de duurzame startup bedrijven op het bedrijfsterrein onderzocht gelet op een initiatief voor de productie, opslag en overslag van waterstof op lage druk in een vloeibaar medium (LOHC) als duurzame brandstof voor de scheepvaart. Verwezen wordt naar subparagraaf 5.5.4 van het MER en bijlage 16 en 17 bij het MER. In paragraaf 1.1.1 (Ad 3.) en bijlage 6 van de aanvulling op het MER wordt nader ingegaan op het extern veiligheidsrisico. Voor externe veiligheid wordt daarbij uitgegaan van de berekende risicocontour (10-6/jaar) voor de productie, open overslag van waterstof. Deze contour treedt net buiten de eigen inrichtingsgrens, maar raakt geen bebouwing omdat de contour op openbaar water is gelegen. Het groepsrisico blijft ruim onder de oriëntatiewaarde.

In het kader van de te verlenen omgevingsvergunning (activiteit milieu) voor het bedrijfsterrein is afgesproken om het initiatief met LOHC voorlopig uit de aanvraag te halen. Op het moment dat een concrete proefinstallatie beschikbaar is wordt een nieuwe aanvraag voor deze activiteit gedaan.

5.6.3 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning.

5.7

Waterhuishouding

5.7.1 Regelgeving Het plangebied ligt in het beheersgebied van Rijkswaterstaat en het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:  Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;  Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2018) en de Keur voor waterkeringen en wateren;

5.7.2 Doorwerking plangebied Rijkswaterstaat is de waterkwaliteitsbeheerder in de uiterwaard. Voor de ontwikkeling van het plangebied is tevens een Watervergunning aangevraagd, waarin Rijkswaterstaat de rivierkundige effecten van de ingreep regelt en Waterschap Rivierenland de effecten op de waterkering. De effecten van het plan op het vlak van rivierkunde, grondwater en waterkering worden aanvaardbaar geacht. De rivierkundige effecten zijn beschreven in subparagraaf 5.2.1. en bijlage 4 van het MER. De grondwatereffecten zijn beschreven in subparagraaf 5.2.2. en bijlage 5 van het MER. De effecten op de waterkering zijn beschreven in subparagraaf 5.3.2 en bijlage 6 van het MER. 32

In het kader van het (voorontwerp)bestemmingsplan en de te verlenen vergunningen heeft vooroverleg plaatsgevonden. De ingekomen adviezen zijn verwerkt. De wateraspecten van de ontwikkeling worden zijn behandeld in de door Rijkswaterstaat verleende (ontwerp)watervergunning, waarbij Waterschap Rivierenland heeft geadviseerd.

5.7.3 Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning.

5.8

Ecologie

5.8.1 Regelgeving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor de start van de werkzaamheden dient ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Neder-Betuwe is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

33

Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).

De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

5.8.2 Onderzoek Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn weergegeven in subparagraaf 5.5.3 en Bijlage 9 van het MER.

In de tijdelijke situatie verdwijnt een nestlocatie van de Buizerd, door de aanleg van de haven. Hiervoor is in het kader van soortbescherming een ontheffing nodig van de Wet Natuurbescherming. Er blijft voldoende leefgebied voor de Buizerd bestaan. Ook zal er gedurende de realisatiefase weer jong ooibos voor deze soorten ontstaan dat als leefgebied kan dienen. Negatieve effecten op beschermde soorten worden daardoor gemitigeerd. Inmiddels is voor Willemspolder fase 1 ontheffing verleend door provincie Gelderland op grond van Wet Natuurbescherming. 34

4.8.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken en is deels gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/ Gelders Natuurnetwerk (GNN). De effecten op het Natura 2000-gebied (passende beoordeling) en het NNN zijn beschreven in subparagrafen 5.3.1 en 5.3.2 en in bijlage 7 en 8 van het MER. Er is geen sprake van significante effecten op het Natura 2000-gebied. Inmiddels is voor Willemspolder fase 1 vergunning verleend door provincie Gelderland op grond van Wet Natuurbescherming.

5.8.3 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de verlening van de omgevingsvergunning.

5.9

Archeologie & cultuurhistorie

5.9.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

5.9.2 Onderzoek Archeologie Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe de archeologische verwachtingswaarde geregeld. Voor verschillende delen van het plangebied gelden verwachtingswaarden. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in nieuwe bodemingrepen. In subparagraaf 5.4.2 en bijlage 12 van het MER wordt de invloed van het plan op archeologische waarden in beeld gebracht. Inmiddels is het aanvullend booronderzoek uitgevoerd. Op basis daarvan kan het plangebied archeologisch geheel worden vrijgegeven op basis van een selectiebesluit door het bevoegd gezag.

35

Cultuurhistorie In subparagraaf 5.4.1 en bijlage 11 van het MER is de invloed van het plan op cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. Hierbij zijn de keuzes in het landschapsplan gemotiveerd aan de hand van de meest bepalende thema's geomorfologie, cultuurhistorie, landschap, hoogwaterveiligheid en natuur. Het leidend ontwerpprincipe is om vanuit het bestaande robuuste schaalbegrip van het landschap een toekomstbestendige Willemspolder te realiseren.

Figuur 13: uitsnede gecombineerde gemeentelijke verwachtingskaart cultuurhistorie

Uit de gemeentelijke inventarisatie van bouwkunst, stedenbouw, landschappen en landschapselementen in het kader van het in ontwikkeling zijnde erfgoedbeleid, blijkt dat het terrein van de voormalige steenfabriek is aangewezen als 'industrie en nijverheid' met een hoge waardering. Op dit moment is dit echter nog geen vastgesteld beleid. In 2021 zal de gemeenteraad hier naar verwachting een besluit over nemen. Het bedrijfsterrein blijft in een gewijzigde vorm gehandhaafd. Op het terrein is geen monumentale bebouwing aanwezig die uit het oogpunt van cultuurhistorie dient te worden behouden. Wel worden enkele relicten vanuit de historische context van delfstoffenwinning en baksteenproductie ingezet als verhaalaanleidingen voor de Beweeg & Beleefroute in het plan Willemspolder fase 1.

5.9.3 Conclusie De aspecten 'Archeologie & cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning.

5.10 Leidingen 5.10.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 36

5.10.2 Onderzoek Er is geen sprake van planologisch relevante leidingen binnen het plangebied.

5.10.3 Conclusie Het aspect ‘Leidingen’ vormt geen belemmering voor de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning.

5.11 Explosieven 5.11.1 Regelgeving Uit het rapport 'Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe' (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente Neder-Betuwe verdacht is op het voorkomen van artillerie-, mortier- en raketbeschietingen, waaronder dus ook het voorliggende plangebied.

5.11.2 Onderzoek De mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) in het plangebied is in beeld gebracht door middel van een detectieonderzoek. Binnen een beperkt deel van het plangebied is benadering van de aangetroffen verstoringen in de bodem nodig en zal eventueel tot ruiming van explosieven worden overgegaan. Bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem wordt hiermee in het kader van de Arbowetgeving rekening gehouden. Voorafgaande aan de graafwerkzaamheden in het plangebied zullen de verdachte gebieden eerst worden vrijgeven op de verdenking van NGE. Dit vrijgeven zal plaatsvinden in het kader van de graafwerkzaamheden in het gebied.

5.11.3 Conclusie Het aspect ‘Explosieven’ vormt geen belemmering voor de verlening van de omgevingsvergunning.

37

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende planschaderisico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. In een overeenkomst tussen Gemeente Neder-Betuwe en Initiatiefnemer is vastgelegd dat Initiatiefnemer de gebruikelijke wettelijk verplichte kostenverhaalsbijdragen van plankosten, fondsbijdragen, planschade en dergelijke voor haar rekening neemt. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is zodoende verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing stelt artikel 3.10 van de Wabo dat voor deze ontwikkeling de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Het maakt daarbij niet uit of het een tijdelijke omgevingsvergunning betreft of niet. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit gedurende 6 weken ter visie zal worden gelegd. Hierbij wordt de mogelijkheid geboden voor eenieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12139897/1