Bijlage 1 - Toelichting
Tekst van het document
De afstand van de te realiseren bedrijfspand tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelig object bedraagt ca. 63 meter. Dit is meer dan de richtafstand van 30 meter zoals vermeld in de VNG-publicatie. Omdat de afstand tot het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige object boven de aan de orde zijnde richtafstand uit de VNG-publicatie ligt en de activiteiten binnen de inrichting niet leiden tot een onacceptabele geluidshinder, kan een goed woon- en leefklimaat voor het milieuaspect geluid voor omliggende woningen worden gegarandeerd. Om deze reden is geen akoestisch onderzoek nodig voor onderhavig planvoornemen.
4.7
Luchtkwaliteit
Onderhavig plan moet voldoen aan hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Dit wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Hierin staat beschreven dat initiatieven die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd mogen worden. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 μg/m3 verslechtering leidt. Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil de NIBM-tool (2020) ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald op basis van de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Verkeersaantrekkende werking De emissie van PM10 door transportbewegingen van- en naar de inrichting is berekend a.d.h.v. rekeninstrument NIBM-tool. Door het gebruik van deze tool is aannemelijk te maken dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Transportbewegingen van- en naar de inrichting vinden plaats t.b.v.
woon-werk verkeer van de initiatiefnemer en medewerkers. Daarnaast vinden transportbewegingen plaats ten behoeve van transport van verkochte bomen en de aanvoer van benodigdheden voor het bedrijf. Verder beschikt het bedrijf over een trekker waarmee van het plangebied naar kwekerijpercelen wordt gereden en terug. In de huidige situatie beschikt het bedrijf reeds over twee middel zware bussen en een trekker. Ook het woon-werk verkeer vindt reeds plaats. In eerste instantie zal er geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Als de bedrijfsactiviteiten uitbreiden zullen met name de verkeersbewegingen van de middel zware bussen enigszins toenemen.
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
30
Het exacte aantal verkeersbewegingen is onbekend. Om een berekening te kunnen maken met de NIBM-tool zijn reeele aannames gedaan ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen. In de NIBMtool wordt voor licht wegverkeer (personen- en bestelauto) als weekdaggemiddelde 50 voertuigen meegenomen. Voor zwaar wegverkeer (trekker) wordt als extra weekdaggemiddelde tevens 20 voertuigen meegenomen.
Figuur 4.3: Worst case-scenario NIBM-tool, planlocatie i.r.t. verkeersbewegingen.
In bovenstaande figuur is de berekening met de NIBM-tool weergegeven. Uit bovenstaande motivatie blijkt dat de PM10 en NO2 emissie, afkomstig van de (extra) verkeersbewegingen van- en naar de inrichting, in de aangevraagde situatie met een maximale bijdrage van 0,15 μg/m3 stikstofdioxide en 0,02 μg/m3 fijnstof niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.
4.8 4.8.1
Natuur Gebieden
Natura 2000 In 1992 is door de lidstaten van de Europese Unie (EU) een netwerk van beschermde natuurgebieden opgezet. Dit is het ‘Natura 2000 netwerk’. Het netwerk is bedoeld om zowel de vitaliteit als de biodiversiteit op Europees grondgebied te beschermen en te behouden. Hiervoor vormen de Europese Vogelrichtlijn uit 1979 en de habitatrichtlijn uit 1992 de basis. De gebiedsbescherming is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. In artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat het verboden is om zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura-2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Rijntakken’. Dit gebied is gelegen op een afstand van ca. 700 meter van het plangebied, zie onderstaande figuur. Gelet op de aard en omvang van het plan en het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie zijn derhalve geen significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied te verwachten. Ook ligt het plangebied niet in een Natura 2000-gebied.
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
31
Figuur 4.5: Ligging plangebied t.o.v. Natura-2000 gebied (Bron: Natura2000.nl)
Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande gebieden en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voorheen werd dit de ecologische hoofdstructuur genoemd. Het concept is vastgelegd in het Natuurbeleidsplan en nader ingevuld in de Nota ruimte. De begrenzing van het NNN is door de verschillende provincies bepaald en vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen in of nabij het NNN zijn mogelijk als het de werking van deze niet bedreigd. Bij het NNN is de saldo benadering van toepassing. Een eventuele aantasting hoeft niet te leiden tot een verbod als de werking van het NNN op een andere wijze gegarandeerd wordt. De provincie Gelderland heeft de Ecologische hoofdstructuur opnieuw gedefinieerd in het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Intensieve samenwerking tussen Gelderse partners heeft geleid tot een samenhangend omgevingsbeleid voor natuur- en landschap aan de hand van verschillende ruimtelijke categorieën en andere instrumenten. Om de nieuwe verantwoordelijkheid van de provincie te benadrukken spreekt de provincie niet meer van een Ecologische Hoofdstructuur, maar van het Gelders Natuurnetwerk. In onderstaande figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van het GNN weergegeven. Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op een afstand van circa 280 meter van het plangebied.
Het toekennen van een agrarisch bouwvlak aan het plangebied, heeft vanwege de tussenliggende afstand geen nadelige effecten heeft op het GNN.
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
32
Figuur 4.6: Ligging planlocatie ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
4.8.2 Soorten Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming vormt het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten. Hierin is opgenomen dat het verboden is om beschermde vogels en dieren te vangen, te doden, te verontrusten en om plantensoorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en/of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving. Het plangebied is in gebruik als boomkwekerij. Dat betekent dat de bodem bewerkt wordt. De gekweekte bomen staan relatief kort op de locatie. Uit de Quickscan natuurwaarden onderzoek blijkt dat het niet aannemelijk is dat beschermde inheemse plant- en diersoorten zich hebben gevestigd of zich zullen vestigen in het plangebied. Wel kan het gebied gebruikt worden als foerageergebied door verschillende diersoorten. Het aspect soorten vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.9
Verkeer en parkeren
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen door de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. Verkeer Het beoogde bouwvlak wordt ontsloten op de Wijenburgsestraat. De verplaatsing van het bedrijf van de Wijenburgsestraat 5b naar het plangebied is ingegeven door de ontwikkeling van het bedrijf. Met de verplaatsing zullen de bedrijfsactiviteiten uit kunnen breiden ten opzichte van de huidige locatie. Het is aannemelijk dat ook het aantal vervoersbewegingen toe zal nemen van een naar de nieuwe inrichting ten opzichte van de huidige situatie. Vanaf het plangebied gaat de verkeersroute in oostelijke richting via de Wijenburgsestraat richting IJzendoorn en Ochten. In westelijke richting gaat de verkeersroute via de Wijenburgsestraat, de Voorstraat en de N323 naar de A15 richting Arnhem en Tiel en de N323 richting Beneden-Leeuwen in zuidelijke richting.
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
33
Figuur 4.7: Verkeersroutes vanaf het plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Parkeren Met het initiatief wordt beoogd om een nieuw agrarisch bouwvlak toe te kennen aan het plangebied en het bedrijf dat nu aan de Wijenburgsestraat 5b gevestigd is hier heen te verplaatsen. Dat betekent dat ook het verkeer dat nu naar de Wijenburgsestraat 5b gaat, zich zal verplaatsen naar het plangebied. De initiatiefnemer en medewerkers zullen naar de locatie gaan. Ook zullen leveranciers en afnemers naar het plangebied gaan. Op termijn is beoogd om ook een bedrijfswoning te realiseren. Ook deze zal voor enige toename van verkeer zorgen. Als gevolg van het verkeer dat naar het plangebied komt, moet voorzien worden in parkeerruimte. In het inrichtingsplan is voorzien in parkeerruimte ten behoeve van het bedrijfspand. Wanneer een bedrijfswoning wordt gebouwd kan nabij de woning worden voorzien in de parkeerbehoefte. Hiervoor is voldoende ruimte voor aanwezig binnen het plangebied.
Figuur 4.8: Inrichtingsschets met parkeerplaatsen (Bron: Buro SRO)
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
34
Uit bovenstaande onderbouwing blijkt dat het toekennen van een agrarisch bouwvlak aan het plangebied aanleiding is voor een nieuwe ontsluiting op de Wijenburgsestraat. Daar tegenover staat de bedrijfsactiviteiten zich verplaatsen van de Wijenburgsestraat 5b naar het plangebied. Het initiatief zal geen significante gevolgen hebben voor de ontsluitingen op de Wijenburgsestraat. Het aantal verkeersbewegingen zal naar verwachting wel wat toenemen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om te voorzien in de parkeerbehoefte. Derhalve heeft onderhavig initiatief geen negatieve effecten op het aspect verkeer en parkeren.
4.10 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. De resultaten van de watertoets zijn als bijlage bijgevoegd. Beschrijving huidige situatie Het plangebied is in gebruik als boomkwekerij. Er is op dit moment geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied op een klein gebouwtje van ca. 8m2 na. Verder is het terrein deels verhard in de vorm van een kavelpad. Ter plaatse van de containerteelt ligt worteldoek op de grond. Hemelwater dat van deze “verharde” oppervlakken afstroomt infiltreert in de bodem. Een deel van dit water zal via het grondwater en de B-watergang ten noorden van het plangebied en de A-watergang ten zuiden van het plangebied worden afgevoerd. Beschrijving gewenste situatie Met het initiatief wordt beoogd een nieuw agrarisch bouwvlak toe te kennen aan het plangebied. Daarmee wordt het mogelijk om binnen het plangebied bebouwing op te richten en het plangebied in te richten ten behoeve van de agrarische bedrijfsactiviteiten. De initiatiefnemer wil een bedrijfshal oprichten met een oppervlakte van ca. 450m2.
Daarnaast zal het terrein deels verhard worden ten behoeve van manoeuvreerruimte, parkeerplaats en ontsluiting. Op termijn wenst de initiatiefnemer ook een bedrijfswoning op te richten. Dit betekent dat het verhard oppervlak binnen het plangebied zal toenemen. De toename van verhard oppervlak heeft gevolgen voor de waterhuishouding en daarmee is het plan waterhuishoudkundig relevant. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Indien de toename van het verhard oppervlak meer dan 1.500 m2 bedraagt (in het landelijk gebied) dan is het plan op grond van het waterschapsbeleid compensatieplichtig. Dit betekent dat de aanleg van extra waterberging van belang is. Op deze manier wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. In eerste instantie zal circa 2000m2 verhard oppervlak aan het plangebied worden toegevoegd. Dit is de bedrijfshal, erf en de uitweg. Later wenst de initiatiefnemer een bedrijfswoning toe te voegen, wat extra verharding tot gevolg heeft. De toename van het verharde oppervlak neemt met meer dan 1.500m2 toe. Dat betekent dat compensatie nodig is. Hierin is voorzien door middel van het graven van en infiltratiegreppel langs het plangebied. Er wordt enkel schoon hemelwater afgevoerd op het omliggende oppervlaktewater.
Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken dient primair te worden voorkomen door toepassing van nietuitlogende materialen (zoals bijvoorbeeld lood, koper en zink). Het bedrijf dient te voldoen aan het Activiteitenbesluit en daarmee is het vervuilingsrisico voor grond- en oppervlaktewater voldoende verzekerd. Vervuiling van grondwater is derhalve niet aan de orde. Vuil water wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool. Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief.
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
35
Figuur 4.9: Inrichtingsschets met infiltratiegreppel (Bron: Buro SRO)
4.11 Vormvrije m.e.r. beoordeling Ingevolge de MER-richtlijn1 moet voor bepaalde activiteiten een milieueffectrapportage (MER) uitgevoerd worden. Het doel van een milieueffectrapportage is om het milieubelang, naast andere belangen, een volwaardige plaats te geven in het besluitvormingsproces. Naast de milieueffectrapportage bestaat ook het milieueffectrapport (MER). Het MER is een onderdeel van de m.e.r.-procedure. Het MER wordt gekoppeld aan een besluit op een aanvraag omgevingsvergunning, activiteit milieu. De m.e.r. is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage2. In het Besluit milieueffectrapportage is vermeld wanneer een MER uitgevoerd moet worden. In onderdeel C van de bijlage is een overzicht van activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is. In onderdeel D van de bijlage worden de activiteiten opgesomd waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of een milieueffectrapportage verplicht c.q. noodzakelijk is. De aangevraagde activiteit komt niet voor in bijlage C en/of D van het Besluit m.e.r. Derhalve hoeft geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden gedaan, danwel een MER te worden opgesteld.
1 Richtlijn 97/11/EEG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. 2 Inwerkingtredingsdatum 1 september 1994, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2011, 102.
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
36
5
JURIDISCHE REGELING
In dit hoofdstuk wordt de juridische regeling plansystematiek uiteengezet.
5.1
Juridische achtergrond
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding en de regels van het bestemmingsplan ‘Wijenburgsestraat ong, Echteld’ sluiten inhoudelijk aan op het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dodewaard en Echteld’.
5.2
Toelichting verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: Enkelbestemming: Dubbelbestemming: Bouwvlak Dubbelbestemming: Gebiedsaanduiding:
‘Agrarisch met waarden-1’ ‘Waarde – Archeologie 4’ ‘Waterstaat – Beheerszone watergang’ ‘Vrijwaringszone – weg’
Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan vinden de volgende veranderingen plaats: Toekennen van een agrarisch bouwvlak.
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
37
6
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). De grex-wet uit de Wro is van toepassing. Er zal met de initiatiefnemer een overeenkomst worden afgesloten, waarin het kostenverhaal van de gemeente is geregeld en ook planschade wordt geregeld. Hiermee is het plan economisch uitvoerbaar. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan heeft verder geen consequenties voor de gemeentelijke kas.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. Zienswijzen en beroep De vaststellingsprocedure van de partiële herziening van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.6, lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening. Op de voorbereiding van het bestemmingsplan is de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Het ontwerp van het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Met inachtneming van de zienswijzen wordt het bestemmingsplan door de gemeenteraad vastgesteld en voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
38
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Principebesluit gemeente Neder-Betuwe Situatietekening Landschappelijk inpassingsplan Watertoets Ecologisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
39
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
40
BIJLAGE 1.
PRINCIPEBESLUIT GEMEENTE NEDER-BETUWE
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
41
BIJLAGE 2.
SITUATIETEKENING
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
42
BIJLAGE 3. LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
43
BIJLAGE 4. WATERTOETS
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
44
BIJLAGE 5. ECOLOGISCH ONDERZOEK
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
45
BIJLAGE 6. VERKENNEND BODEMONDERZOEK
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
46
BIJLAGE 7. ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK
NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1
47