CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting

Raadsvergadering 7 december 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Wijenburgsestraat ong., Echteld’11.036 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

GEMEENTE NEDER-BETUWE Wijenburgsestraat ong. Echteld Toelichting

HDD Advies Voorstraat 8 4033 AD Lienden T. 085 – 023 90 59 www.hddadvies.nl info@hddadvies.nl

Gemeente:

Neder-Betuwe

Plangebied:

Wijenburgsestraat ong. Echteld (t.o. 5a)

Opdrachtgever:

BetuweBomen.nl Dhr. W.J. de Greef Wijenburgsestraat 5b 4054 JE Echteld

Datum:

augustus 2023

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

2

INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding ................................................................................................................ 5 1.1 1.2 1.3 1.4

2

Aanleiding en doelstelling ........................................................................................ 5 Plangebied ................................................................................................................. 7 Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................... 7 Leeswijzer .................................................................................................................. 8

Plangebied en planontwikkeling ........................................................................ 9 2.1 Ontstaansgeschiedenis ............................................................................................ 9 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur ..................................................................... 10 2.3 Beschrijving planontwikkeling .............................................................................. 13 2.3.1 Ontwikkeling ....................................................................................................... 13 2.4 Afwijken van het geldende bestemmingsplan ..................................................... 15

3

Beleidskader....................................................................................................... 16 3.1 Europees- en Rijksbeleid ....................................................................................... 16 3.1.1 Vogel- en habitatrichtlijn ..................................................................................... 16 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie .................................................................................. 17 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ..................................................... 18 3.1.4 Soorten ............................................................................................................... 18 3.2 Provinciaal beleid .................................................................................................... 18 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Nederland ........................................................................ 18 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland .................................................................... 20 3.3 Beleid waterschap................................................................................................... 21 3.3.1 KRW ...................................................................................................................

21 3.3.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 .................................................................. 22 3.3.3 Keur Waterschap Rivierenland 2014 .................................................................. 22 3.3.4 Water- en rioleringsplan 2019-2023 ................................................................... 23 3.3.5 Conclusie water .................................................................................................. 24 3.4 Gemeentelijk beleid ................................................................................................ 24 3.4.1 Landschapsontwikkelingsplan ............................................................................ 24 3.4.2 Welstandsnota 2011 ........................................................................................... 24

4

Milieu- en omgevingsaspecten ......................................................................... 24 4.1 Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................. 24 4.1.1 Archeologie ......................................................................................................... 24 4.1.2 Cultuurhistorie .................................................................................................... 25 4.2 Leidingen ................................................................................................................. 26 4.2.1 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................... 26 4.2.2 Bodem ................................................................................................................ 28 4.2.3 Externe veiligheid ............................................................................................... 28 4.2.4 Geluid ................................................................................................................. 30 4.2.5 Luchtkwaliteit ...................................................................................................... 30 4.3 Natuur .......................................................................................................................

31 4.3.1 Gebieden ............................................................................................................ 31 4.3.2 Soorten ............................................................................................................... 33 4.4 Verkeer en parkeren................................................................................................ 33 4.5 Waterhuishouding ................................................................................................... 35 4.6 Vormvrije m.e.r. beoordeling ................................................................................. 36

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

3

5

Juridische regeling ............................................................................................ 37 5.1 5.2

6

Juridische achtergrond .......................................................................................... 37 Toelichting verbeelding .......................................................................................... 37

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................... 38 6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................... 38 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................ 38

Bijlagen ..................................................................................................................... 39 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Principebesluit gemeente Neder-Betuwe en SAAB Advies Situatietekening Landschappelijk inpassingsplan Watertoets Ecologisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

4

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doelstelling

Voorliggende toelichting is opgesteld ten behoeve van het toekennen van een nieuw agrarisch bouwvlak op een perceel aan de Wijenburgsestraat ong. in Echteld. De initiatiefnemer wenst zijn bedrijf, een boomkwekerij, te verplaatsen naar deze locatie. Het bedrijf is nu gevestigd in een gehuurde locatie aan de Wijenburgsestraat 5b in Echteld, aan de overzijde van de weg. Het plangebied bestaat nu uit agrarische grond die gebruikt wordt voor het kweken van bomen. De initiatiefnemer heeft de mogelijkheid om deze grond aan te kopen en wil het bedrijf daarheen verplaatsen. Om dit mogelijk te maken moet een agrarisch bouwvlak aan de locatie worden toegekend. Dit kan door middel van het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie. Op 20 april 2021 heeft de gemeente Neder-Betuwe aangegeven in principe mee te willen werken aan dit initiatief.

Figuur 1.1: Huidige situatie Wijenburgsestraat ong. Echteld (bron: Google streetview)

Momenteel huurt de initiatiefnemer een bedrijfshal op het perceel Wijenburgsestraat 5b in Echteld. De initiatiefnemer kweekt bomen en verkoopt deze rechtstreeks aan klanten. Vanwege de groei van de bedrijfsactiviteiten is de initiatiefnemer op zoek naar een nieuwe locatie voor het bedrijf. Een zoekopdracht aan een makelaar om een locatie te zoeken binnen één kilometer van de huidige bedrijfslocatie heeft niets opgeleverd. De initiatiefnemer is voornemens om op de nieuwe locatie om op het nieuwe perceel met name bomen en planten te kweken in de vorm van containerteelt. Ondergeschikt daaraan vindt verkoop van bomen en planten plaats via BetuweBomen.nl en rechtstreeks aan hoveniers. Ten behoeve van deze bedrijfsactiviteiten wenst de initiatiefnemer een bedrijfsgebouw met een kantoorgedeelte op te richten. Aan de voorzijde van het bedrijfsgebouw wil de initiatiefnemer het erf verharden ten behoeve van parkeren, laden en lossen en de ontsluiting op de Wijenburgsestraat.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

5

Figuur 1.2: De huidige, gehuurde, bedrijfslocatie aan de Wijenburgsestraat 5b in Echteld (bron: Googlestreetview)

Figuur 1.3: Beoogde situatie (bron: Huibers bureau voor architectuur) Met de voorliggende onderbouwing wordt onderbouwd dat het initiatief in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

6

1.2

Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Wijenburgsestraat ong. in Echteld in het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe. Het plangebied omvat een gedeelte van het kadastrale perceel, gemeente Echteld, sectie I, nummer 342. Wanneer de initiatiefnemer overgaat tot aankoop zal het plangebied een apart kadastraal perceel worden. Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern Echteld. Het plangebied en de omliggende gronden zijn in gebruik als boomkwekerij. Ook komt grasland voor in de omgeving. Ten oosten van het plangebied ligt op ca. 1,6 km de kern IJzendoorn. Ten westen van het plangebied ligt de N323. In de wijdere omgeving liggen ten noorden van het plangebied de A15 en de Betuwelijn en stroomt de Waal in het zuiden. In onderstaande figuur is de wijdere omgeving van de planlocatie weergegeven.

Neerijnen

Figuur 1.4: Wijdere omgeving planlocatie.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op het plangebied is het bestemmingsplan “Buitengebied Dodewaard-Echteld” van toepassing. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk sinds 30 mei 2013. Aan het plangebied zijn de volgende bestemmingen toegekend: Enkelbestemming: Dubbelbestemming: Dubbelbestemming: Gebiedsaanduiding:

‘Agrarisch met waarden-1’ ‘Waarde – Archeologie 4’ ‘Waterstaat – Beheerszone watergang’ ‘Vrijwaringszone – weg’

Het bestemmingsplan kent geen wijzigingsbevoegdheid om een nieuw agrarisch bouwvlak toe te kennen.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

7

Onderstaande figuur geeft een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan weer. Het plangebied is hierop met een rode lijn globaal weergegeven.

Figuur 1.5: Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied Dodewaard-Echteld” met globaal plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)’.

1.4

Leeswijzer

In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt na dit inleidende hoofdstuk in hoofdstuk 2 ingegaan op het plangebied en het initiatief. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleid van de verschillende overheden omschreven. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Ten slotte worden in hoofdstuk 5 en 6 de juridische aspecten en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid omschreven.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

8

2

PLANGEBIED EN PLANONTWIKKELING

2.1

Ontstaansgeschiedenis

De basis van het huidige landschap is gelegd in de tijd dat de Rijn en de Waal nog onbedijkte waterlopen waren. Deze meanderende rivieren zetten in en direct naast de rivierbedding grover materiaal af, waaruit hoger gelegen stroomruggen (oeverwallen) ontstonden. Bij hoge waterstanden overstroomden de verder weg en laag gelegen kommen. Hier kwamen de fijnere kleideeltjes tot bezinking. Doordat de meanders regelmatig door de stroomruggen heen braken is een vlechtpatroon van drooggevallen, langgerekte stroomruggen ontstaan, waartussen de kommen voorkomen. Vanaf de 12e eeuw werd dit proces gestopt door de aanleg van kaden en dijken en is het patroon vastgelegd. In het noordelijk deel van de gemeente (voormalig grondgebied van Kesteren) zijn sporen van bebouwing gevonden uit de Brons- en IJzertijd en de Romeinse tijd. Rond het jaar 300 raakte de Betuwe ontvolkt, mogelijk als gevolg van een stijging van de zeespiegel. In de latere middeleeuwen, rond 9001000, komt de bewoning weer op gang wat de aanzet heeft gegeven voor het huidige bewoningspatroon. De eerste middeleeuwse bewoning bestaat uit incidentele boerderijen. Dorpen ontstaan in de periode 1200-1300 en veel van de huidige dorpen in de Betuwe stammen nog uit die tijd.

De middeleeuwse en latere bewoning vindt plaats op de oeverwallen vanwege de hogere ligging, de geschiktheid voor agrarisch gebruik en de goede bouwomstandigheden. De kommen daarentegen zijn lange tijd slecht ontsloten en geheel onbebouwde gebieden geweest, vanwege de slechte begaanbaarheid en de beperkte agrarische gebruiksmogelijkheden (veel vocht en zware klei). De ruilverkavelingen hebben in de toegankelijkheid en bruikbaarheid verbetering gebracht, waarmee overigens ook de natuurwaarde van deze gebieden is afgenomen. De relatief geringe cultivering maakte de komgebieden uitstekend geschikt voor het aanleggen van bovenregionale infrastructuur. Al kort na de stichting van de dorpen is in de Betuwe begonnen met dijkenbouw. Een direct gevolg daarvan was dat het agrarisch gebruik van het binnendijkse land ongestoord tot ontwikkeling kon komen terwijl de gecreëerde uiterwaarden als waardevol wei- of hooiland werden gebruikt. In het landschap van het buitengebied van Dodewaard en Echteld zijn van oudsher drie landschapsbeelden te onderscheiden: uiterwaarden, oeverwallen en kommen. De hoofdopbouw van het landschap is op vele plekken verbijzonderd door de grilligheden van de natuur en de ontwikkeling van de cultuur: dijken, wielen, wegen en waterlopen. De oudste vermelding van het dorp als Echtelte dateert uit 1178.

Echteld was oudtijds een dagelijkse heerlijkheid in de Neder-Betuwe. Tussen 1811 en 1818 behoorde het samen met Ochten en IJzendoorn tot de gemeente Ochten. De gemeente Echteld bestond van 1818 tot 1923 uit het dorp Ochten, met het buurtschap Eldik en het dorp Echteld met de buurtschappen Ooij, Medel, het Sluisje, Den Akker en De Kikvors. De afsplitsing van IJzendoorn van de gemeente Echteld in 1818 was het resultaat van lobbywerk van de heer van IJzendoorn. Echteld en Ochten spraken af dat de gemeente de naam Echteld zou krijgen, maar dat de raadsvergaderingen in Ochten gehouden zouden worden. Daar woonde ook de burgemeester. Vanaf 1923 behoorde ook het dorp IJzendoorn tot de gemeente Echteld. Per januari 2002 fuseerde Echteld met de gemeenten Kesteren en Dodewaard. De nieuwe gemeente kreeg de werknaam "gemeente Kesteren". Deze naam werd per 1 april 2003 veranderd in "gemeente Neder-Betuwe". Medel werd aan Tiel toegevoegd. In het dorp staat nog het kasteel van de heerlijkheid, genoemd naar de oudste heren Van Wijhe, 'de Wijenburg'. Al in 1271 is er sprake van een versterkt huis. Door het huwelijk van de jonkvrouw van Echteld met Jodaen van Wijhe kwam het bezit voor vijf eeuwen in handen van de familie Van Wije. Daarna kwam het aan de Wassenaers en in de 19e eeuw de Van Balverens.

Het kasteel is in 1956 overgedragen aan de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen, die zorgde dat het inmiddels vervallen kasteel gerestaureerd werd. Tegenwoordig heeft het een horeca-functie.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

9

De geschiedenis van de Hervormde kerk gaat terug tot de 11de eeuw. Het schip is uit de 11de eeuw, het koor uit de 14de eeuw. De toren was oorspronkelijk uit de 13de of 14de eeuw, maar is in 1835 ingestort bij een storm. Er werd daarna een kleinere toren opgebouwd. Tot 1384 was deze voormalige parochiekerk de moederkerk voor de buurschappen Medel, Ooij en IJzendoorn. De kerk had als kerkpatroon Sint Johannes de Doper. In de kerk bevinden zich twee grafmonumenten: een van Hendrik van Brienen uit 1663 en een van Reinoud van Wijhe uit 1657. Bij werkzaamheden in de kerk in 1959 kwamen delen van muurschilderingen tevoorschijn. Deze zijn in 1999 geheel blootgelegd en nu weer in de kerk zichtbaar. Het betreft voorstellingen van het Laatste Oordeel en van Sint Joris met de draak. Onderstaande figuur geeft oude kaarten weer. Hierop is de ontwikkeling van het plangebied te zien.

Figuur 2.1: Reis door de tijd voor het plangebied (bron: topotijdreis.nl).

2.2

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe aan de Wijenburgsestraat ong tegenover nummer 5b in Echteld. In de directe omgeving zijn woningen, agrarische bedrijven (met name boomkwekerijen), overige bedrijven (waaronder een bedrijf dat irrigatiesystemen maakt en een bedrijf dat machines voor boomkwekerijen maakt) en graslanden gelegen. De snelwegaansluiting op de A15 is op korte afstand van Echteld gelegen. Deze is vanaf het plangebied te bereiken via de Wijenburgsestraat, de Voorstraat en de N323. Deze verkeersroute gaat langs de dorpskern van Echteld. Het plangebied is voor de voorgenomen goed ontsloten op de infrastructuur. Naar het zuiden toe is het plangebied via de N323 ontsloten. Op onderstaande figuur is de planlocatie rood omlijnd in de directe omgeving globaal weergegeven.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

10

Figuur 2.2: Directe omgeving van het plangebied, rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als boomkwekerij. Een deel van de kweek vindt plaats in de vorm van containerteelt en een deel in de volle grond. Dit is veel voorkomend gebruik in de directe omgeving. Met dit initiatief wordt een bouwvlak toegekend aan het plangebied. Dit geeft de initiatiefnemer de mogelijkheid om een bedrijfshal met kantoorgedeelte van 500m2 te realiseren op deze locatie. Het bedrijf kan hier toekomstbestendig gevestigd worden. Zie ook figuur 1.3. Het plangebied is op ruim 400 meter afstand van de dorpsrand van Echteld gelegen. In onderstaande figuur wordt de huidige inrichting van het plangebied aan de Wijenburgsestraat ong in Echteld weergegeven.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

11

Figuur 2.3: Inrichting aan de Wijenburgsestraat ong (bron: ruinmtelijkeplannen.nl).

Op de volgende figuren worden aanzichten van het plangebied in de huidige situatie weergegeven.

Figuur 2.4: Aanzicht op het plangebied in zuidoostelijke richting (bron: Google streetview).

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

12

Figuur 2.5: Aanzicht op het plangebied in zuidwestelijke richting (bron: Google streetview).

2.3

Beschrijving planontwikkeling

2.3.1 Ontwikkeling De initiatiefnemer exploiteert een boomkwekerij aan de Wijenburgsestraat 5b in Echteld. Er worden bomen gekweekt die rechtstreeks verkocht worden hoveniers en via de website Betuwebomen.nl. De bomen worden gekweekt in potten en in de volle grond. Op de nieuwe locatie kan de initiatiefnemer de bedrijfsactiviteiten voortzetten en uitbreiden zodat een toekomstbestendige bedrijfsvoering gewaarborgd is. De initiatiefnemer is voornemens om een bedrijfshal te bouwen met daarin een kantoorgedeelte. Het nieuwe bedrijfsgebouw zal 450m2 worden. Qua goot- en bouwhoogte wordt aangesloten op de gebruikelijke maten die gelden in het vigerende bestemmingsplan namelijk, maximaal 7 en 12 meter. De nieuwe bedrijfshal zal gebruikt worden als werktuigenberging en werkzaamheden aan de bomen zoals occuleren en klaarzetten van bestellingen. Daarnaast komt er een kantoorgedeelte in het bedrijfsgebouw. Hier worden administratieve werkzaamheden gedaan en kunnenklanten ontvangen worden. Op termijn wil de initiatiefnemer ook een bedrijfswoning realiseren in het plangebied. Op onderstaande figuur is de beoogde situatie weergegeven.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

13

Figuur 2.6: Weergave beoogde ontwikkeling plangebied (Bron: Buro SRO)

Het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Met dit plan wordt aangesloten op de bestaande landschapsstructuur. Uitgangspunten daarbij zijn dat het bestaande bebouwingslint gerespecteerd wordt. Er wordt voldoende ruimte tussen de bebouwing gehouden zodat de openheid in het landschap behouden blijft. De nieuwe bebouwing krijgt een erfstructuur. De bebouwing wordt door middel van beplanting landschappelijk ingepast. Langs het plangebied blijft het doorzicht naar het landschap mogelijk waardoor de beleving van de oeverwallen behouden blijft. De erfstructuur komt overeen met de gebruikelijke erfstructuur aan de Wijenburgsestraat. Door het toepassen van streekeigen erfbeplanting draagt het initiatief bij aan het beeld van fruitrijke oeverwallen. Onderstaande figuur geeft de landschappelijke inpassing weer. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bijgevoegd.

Figuur 2.7: Landschappelijke inpassing (bron: Buro SRO)

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

14

2.4

Afwijken van het geldende bestemmingsplan

Het planvoornemen voorziet in het toekennen van een nieuw agrarisch bouwvlak ten behoeve van een boomkwekerij. Door een nieuw bouwvlak aan het plangebied toe te kennen ontstaat de mogelijkheid om bedrijfsbebouwing te realiseren en het bedrijf hier naar toe te verplaatsen. Het vigerende bestemmingsplan kent geen wijzigingsbevoegdheid waarmee een nieuw agrarisch bouwvlak kan worden toegekend. Het vigerende bestemmingsplan biedt geen kader waaraan voldaan moet worden om het initiatief te realiseren. Met de voorliggende plantoelichting wordt beargumenteerd dat onderhavig plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat het plan door middel van een bestemmingsplan procedure realiseerbaar is. In de voorliggende plantoelichting wordt beargumenteerd dat onderhavig plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke onderbouwing.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

15

3

BELEIDSKADER

Door Europa, het rijk, de provincie en de gemeente zijn diverse beleidsnota’s vastgesteld die voor de ontwikkelingsmogelijkheid van het perceel Wijenburgsestraat ong. van belang kunnen zijn. In dit hoofdstuk wordt het beleid beschreven dat van toepassing is op het plangebied.

3.1

Europees- en Rijksbeleid

3.1.1 Vogel- en habitatrichtlijn De Vogelrichtlijn biedt bescherming aan alle in het wild levende vogels, hun eieren, nesten en leefgebieden in de Europese Unie. De Vogelrichtlijn kent een regime voor soortbescherming en gebiedsbescherming. Het soortenbeschermingsregime is gericht op de bescherming van individuele exemplaren met onder meer een verbod op het opzettelijk doden en vangen van vogels, het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten en het verbod om eieren te rapen. De soortenbescherming is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. De gebiedsbescherming verplicht de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om voor alle in de Europese Unie in het wild levende vogelsoorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en van een voldoende omvang te beschermen, in stand te houden en te herstellen. De gebiedsbescherming is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit in de lidstaten. Aanleiding is de continue achteruitgang van de natuurlijke habitats en de bedreiging voor het voortbestaan van bepaalde wilde soorten. De richtlijn stelt een Europees ecologisch netwerk vast van speciale beschermingszones. Dit wordt "Natura 2000" genoemd.

Ook de door de lidstaten aangewezen beschermingszones op grond van de Vogelrichtlijn maken deel uit van dit netwerk. Tevens kent de Habitatrichtlijn een soortenbescherming die enigszins vergeleken kan worden met die van de Vogelrichtlijn. Deze richtlijn biedt echter, in tegenstelling tot die van de Vogelrichtlijn, een mogelijkheid om vanwege dringende redenen van sociale en/of economische aard een uitzondering op het opgelegde soortenbeschermingsregime te maken. Elk lidstaat moet op haar grondgebied de gebieden die het belangrijkst zijn voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten identificeren en vervolgens aanwijzen als speciale beschermingszone. Evenals bij de Vogelrichtlijn is de soortenbescherming in Nederland opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming en wordt de gebiedsbescherming geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Planspecifiek: Het dichtstbijzijnde vogel- en habitatrichtlijngebied vanaf de planlocatie betreft het gebied Rijntakken, zie onderstaande figuur. Het gebied nabij de planlocatie betreft zowel een vogel- als een habitatrichtlijngebied. De afstand van de projectlocatie tot het gebied Rijntakken bedraagt circa 750 meter. Derhalve kan verondersteld worden dat onderhavig planvoornemen geen negatieve effecten heeft op Natura-2000 gebieden.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

16

Figuur 3.1: Vogel- en habitatrichtlijngebied Rijntakken (bron: www.natura2000.nl).

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie De nationale omgevingsvisie (NOVI) 2021 omvat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI biedt een perspectief om grote opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en wonen - aan te pakken, samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. In de NOVI geeft het kabinet een schets hoe Nederland er in 2050 uit moet zien. Het beleid in de NOVI is op de navolgende prioriteiten gericht: Ruimte voor de klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. In totaal zijn er 21 nationale belangen in de NOVI. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk eindverantwoordelijk, maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

De NOVI richt zich op ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Planspecifiek: Het initiatief draagt bij aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Met dit plan krijgt de initiatiefnemer de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering toekomstbestendig te maken. De initiatiefnemer kweekt bomen en planten en draagt daarmee bij aan een duurzame en leefomgeving en biodiversiteit. Onderhavige ontwikkeling is niet strijdig met nationale belangen van de NOVI. Derhalve vormen de prioriteiten uit de NOVI geen belemmering voor voorliggend plan.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

17

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die zijn opgegaan in de NOVI. Planspecifiek: Dit plan raakt geen rijksbelangen uit het Barro. 3.1.4 Soorten Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet regelt de bescherming van de soorten, gebieden en houtopstanden. Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming vormt het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantensoorten. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat het verboden is om beschermde vogels en dieren te doden, vangen of verontrusten en om plantensoorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en/of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving. Planspecifiek: Met dit initiatief wordt een agrarisch bouwvlak toegekend aan de locatie aan de Wijenburgsestraat in Echteld. Hiermee wordt het mogelijk om een bedrijfsgebouw te realiseren en het erf in te richten ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten. Ook wordt het mogelijk om een bedrijfswoning te realiseren.

Ook wordt het aanleggen van een nieuwe uitrit mogelijk. Het plangebied is in gebruik als boomkwekerij. Het is zeer onwaarschijnlijk dat het plangebied het leefgebied is van beschermde planten diersoorten. Om dit vast te stellen zal een ecologisch onderzoek uitgevoerd worden. Het aspect soorten vormt geen belemmering voor het initiatief.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal ruimtelijk beleid is vastgesteld in de nota’s: Omgevingsvisie Gaaf Nederland; Omgevingsverordening Gelderland. Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 de nieuwe Omgevingsvisie en geactualiseerde Omgevingsverordening vastgesteld. 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Nederland Deze Omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. De provincie benoemt wat van waarde is en wat zij willen beschermen. Om samen stappen te zetten, hebben we een gezamenlijke horizon nodig: een gedeeld vergezicht, een gedeelde ambitie dat dient als leidraad voor ons handelen. In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ wordt een ambitie en het gewenste vergezicht omschreven: het beeld op de toekomst. Dit beeld is het resultaat van gesprekken met partners: inwoners, ondernemers, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, overheden. Een vergezicht dat het accent legt op wat wij samen belangrijk vinden.

Een vergezicht dat tot de verbeelding spreekt en uitnodigt en aanspoort tot actie. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Dat is het streven. Dat is waar de provincie aan wil werken. Bij de uitoefening van de taken wordt de focus gelegd op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt richting gegeven.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

18

Uit de bijhorende planviewer van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland blijkt dat het perceel is gelegen in gebied waar grote zonneparken mogelijk zijn, deels in windenergie aandachtsgebied en deels in een gebied waar windenergie mogelijk is. Daarnaast ligt het plangebied in intrekgebied. Zie onderstaande figuren.

Figuur 3.2: Ligging plangebied in Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Figuur 3.3: Ligging plangebied in Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De themakaarten Milieubeleid en Natuur- en landschapsbeleid zijn niet van toepassing op het plangebied.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

19

Ruimtelijk beleid De ruimtelijke ontwikkeling van Gelderland is een maatschappelijke opgave met verantwoordelijkheden voor overheden, organisaties en partners. De provincie draagt op een toekomstbestendige manier bij, met beleid dat een duurzame economische structuur in de provincie en regio’s versterkt en dat richting geeft aan de vestigingsmogelijkheden en milieugebruiksruimte voor bedrijven. Het provinciaal belang is gelegen in het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. De klimaatbestendigheid wordt vergroot, de mogelijkheden om zonne- en windenergie op te wekken zijn in kaart gebracht en de natuur- en landschappelijke kwaliteit blijft behouden. De provincie zet zich in voor vitale steden en dorpen en voor een duurzame verstedelijking, gericht op versterking van de stedelijke netwerken, gecombineerd met aandacht voor de vitaliteit van kleine kernen en dorpen. De kwalitatieve regionale opgave voor wonen is van provinciaal belang, net als het belang dat bij locaties met een bovenlokaal ontwikkelpotentieel die potenties benut worden. Waterbeleid De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem.

Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Planspecifiek: In onderhavig plan zijn geen voornemens zonneparken aan te leggen of windturbines te plaatsen. In het intrekgebied gelden geen planologische restricties. Vanuit de omgevingsvisie Gaaf Gelderland zijn er geen verdere belemmeringen waargenomen die het onderhavige plan hinderen. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit de Omgevingsvisie te realiseren.

Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van de taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Er wordt richting gegeven aan door gezamenlijk zeven samenhangende ambities na te streven op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid; economisch vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat. In de verordening hebben we alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. De provincie heeft daarom bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. Alleen de Waterverordeningen (per waterschap) en de Gelderse Vaarwegverordening 2009 zijn (nog) niet in de Omgevingsverordening opgenomen. De Omgevingsverordening heeft daarom de status van: Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening: Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet Milieubeheer: Natuurverordening in de zin van de Wet Natuurbescherming; Waterverordening in de zin van de Waterwet; Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

20

Deze wetten worden opgenomen in de Omgevingswet, waarvan op dit moment niet duidelijk is of en wanneer deze in werking zal treden. Door de provinciale verordeningen die gebaseerd zijn op deze wetten al vast op te nemen in één provinciale Omgevingsverordening, is geanticipeerd op de situatie onder de Omgevingswet.

plangebied

Figuur 3.3: Ligging plangebied in omgevingsverordening Gelderland.

Planspecifiek: Het plangebied is gelegen in de volgende aangewezen gebieden: Overig gebied glastuinbouw; Tijdelijk verbodsgebied hervestiging glastuinbouw; Tijdelijk verbodsgebied nieuwvesting glastuinbouw; Tijdelijk verbod uitbreiding bestaande glastuinbouw; Intrekgebied; Het initiatief heeft geen betrekking op een glastuinbouwbedrijf. Ter plaatse van het intrekgebied mag een bestemmingsplan de winning van fossiele energie niet mogelijk maken. Geen van de artikelen is relevant. Het voornemen omvat immers geen glastuinbouw of winning van fossiele brandstof.

3.3

Beleid waterschap

3.3.1 KRW In 2000 hebben de EU-lidstaten de Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgesteld. De belangrijkste doelen van de KRW zijn de algemene bescherming en verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewateren, van de grondwaterkwantiteit, de specifieke bescherming en verbetering van beschermde gebieden, met als drijfveer het duurzaam gebruik van water. Om deze doelen te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Het maatregelenprogramma bestaat in Nederland uit de optelsom van alle maatregelen voor de uitvoering van de KRW die zijn opgenomen in de waterplannen op grond van de Waterwet: het Nationale Waterplan, het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren, de regionale waterplannen en de beheerplannen voor de regionale wateren. Het Rijk voert de regie op hoofdlijnen en is verantwoordelijk voor het vastleggen van doelen en maatregelen voor de Rijkswateren.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

21

Planspecifiek: De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op het toekennen van een agrarisch bouwvlak zodat een bedrijfsgebouw gerealiseerd kan worden met bijbehorende erfinrichting. Ook wordt het hiermee mogelijk om een bedrijfswoning te realiseren. De bedrijfshal zal gebruikt worden als werktuigenberging, voor werkzaamheden aan de bomen en deels krijgt de bedrijfshal een kantoorfunctie. De beoogde bedrijfshal wordt 450m2. De activiteiten betreffen geen nevenactiviteiten maar de hoofdactiviteit. De maximale oppervlakte wordt niet begrenst door artikel 5.2.3 sub e van het vigerende bestemmingsplan. Een deel van het erf wordt verhard zodat er voldoende ruimte is om te manoeuvreren. Ook wordt een nieuwe uitweg aangelegd over de sloot, waarmee het plangebied wordt ontsloten op de Wijenburgseweg. Er wordt circa 2000m2 aan (erf)verharding toegevoegd binnen het plangebied. Als op termijn ook een bedrijfswoning gerealiseerd wordt zal het verharde oppervlak verder toenemen. Hiervoor is nog geen concreet plan. Maar naar verwachting zal dit een toename opleveren tussen de 80 en 100m2 aan verhard oppervlak. Ten westen van het plangebied is het voornemen om een infiltratiegreppel te graven. Vanwege de toename van het verharde oppervlak en de ingreep in het watersysteem kan het initiatief effect hebben op het oppervlakte- en grondwater.

Ten behoeve van de kweek van bomen zullen gewasbeschermingsmiddelen en bestrijdingsmiddelen gebruikt worden. Er worden uitsluitend toegelaten middelen gebruikt. Aangenomen moet worden dat deze geen negatief effect op het oppervlakte- en grondwater hebben. Deze activiteit vindt reeds plaats in het plangebied. De middelen worden op de voorgeschreven wijze veilig opgeslagen. Ook de machines die gebruikt worden voor het toepassen van de middelen worden op voorgeschreven wijze gebruikt, gereinigd en gestald. Er zijn geen nadelige effecten voor de drinkwaterwinning of achteruitgang van de waterkwaliteit te verwachten. Het voornemen leidt hierom niet tot strijdigheid met de EU kaderrichtlijn Water. 3.3.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Waterschap wat zijn in de planperiode (2022-2027) willen bereiken, met wie, hoe zij dat willen den en waarom. Met het Waterprogramma wordt geen nieuw beleid beschreven maar beschreven hoe het Waterschap uitvoering wil geven aan bestaand beleid. Meer dan in eerdere Waterbeheerprogramma’s heeft het Waterschap aandacht voor klimaatverandering en maatschappelijke thema’s zoals duurzaamheid, energietransitie en biodiversiteit. Op 26 november 2021 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld, met als titel “Versterken, Verbinden, Vergroenen”.

Het programma is op 22 december 2021 in werking getreden. Met dit programma geeft het Waterschap invulling aan de missie; “zorgen voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem”. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Waterschap oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn die voorvloeien uit de Watervisie 2050. De maatregelen realiseert het Waterschap vervolgens in projecten, en in het reguliere beheer en onderhoud. Bij nieuwe ruimtelijke plannen wordt gekeken naar de waterbelangen. Bij een toename van verhard oppervlak is een watertoets nodig. In de watertoets wordt beoordeeld of de ontwikkeling effect heeft op de waterhuishouding. Het gaat daarbij zowel om waterkwaliteit als –kwantiteit en om waterveiligheid. Ook vindt overleg plaats met de waterbeheerder. In onderhavig plan wordt het een agrarisch bouwvlak aan het plangebied toegekend. Hiermee wordt het mogelijk dat gebouwen gebouwd worden en het erf wordt verhard. Hierdoor neemt het verharde oppervlak toe binnen het plangebied. Het gaat om een toename van verhard oppervlak van ca. 2000m2. Er is een digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de normale procedure moet worden doorlopen. De digitale watertoets is als bijlage bijgevoegd. 3.3.3 Keur Waterschap Rivierenland 2014 De Keur Waterschap Rivierenland 2014 is vastgesteld op 1 januari 2015 en vervolgens enkele malen gewijzigd.

Hierin zijn regels opgenomen om te voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

22

oppervlaktewater te waarborgen. Op de leggers staan de oppervlaktewateren en dijken aangegeven die in beheer zijn het bij waterschap en waarop de keur van toepassing is. Onderstaande figuur geeft de legger van Waterschap Rivierenland ter plaatse van het plangebied weer. De ontsluiting van het plangebied is voorzien doormiddel van een uitweg over de B-watergang aan de noordzijde van het plangebied. Daarnaast omvat het initiatief het graven van een infiltratiegreppel aan de westzijde van het plangebied tussen de B-watergang ten noorden en de A-watergang ten zuiden van het plangebied. Het voorgenomen plan van initiatiefnemer heeft effect op de waterwerken in de omgeving.

Figuur 3.4: Legger ter plaatse van het plangebied (bron: wsrivierenland.nl).

3.3.4 Gemeentelijk Rioleringsplan Neder-Betuwe 2019-2023 De gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 6 december 2018 het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) vastgesteld voor de periode 2019 tot en met 2023. Een gemeente is verplicht een GRP vast te stellen op grond van de Wet Milieubeheer. In het GRP maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze zij invulling geven aan de riolerings- en watertaken, welke werkzaamheden de gemeente uitvoert, wat dit kost en op welke manier de kosten gedekt worden. In het GRP geeft de gemeente aan wat zij van inwoners verwacht op het gebied van riool, hemel- en grondwater. Planspecifiek: Met het initiatief wordt voorzien in de opvang en afvoer van hemelwater. Daarnaast wordt het plangebied aangesloten op het gemeentelijk vuilwater riool. Het GRP vormt geen belemmering voor het initiatief.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

23

3.3.5 Conclusie water Bij onderhavig initiatief vindt een toename van verhard oppervlak plaats. Deze toename wordt getoetst in de waterparagraaf welke opgenomen is in paragraaf 4.10 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Daaruit blijkt dat het aspect water geen belemmering vormt voor het initiatief.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Landschapsontwikkelingsplan De gemeente Neder-Betuwe heeft een landschapsontwikkelingsplan vastgesteld. Het doel van dit plan is gericht te werken aan een bruikbaar landschap met een eigen Neder-Betuwse identiteit, waarbinnen bestaande waarden blijvend een plek houden of verder ontwikkeld worden. Dat landschap moet passen bij de huidige tijd en bij de vele belangen die er door elkaar op het gebied liggen. Ook moet het veranderingen in de toekomst kunnen opvangen. Het plan integreert wensen en doelen van diverse oorsprong die samen kunnen leiden tot een vitaal en herkenbaar landschap. Het landschapsontwikkelingsplan vormt het kwalitatieve kader voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. Planspecifiek: In de beoogde situatie wordt een agrarisch bouwvlak aan het plangebied toegekend ten behoeve van een boomkwekerij. Ten behoeve van dit plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke als bijlage is toegevoegd. Daarmee is voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Daarbij is rekening gehouden met het landschapsontwikkelingsplan. 3.4.2 Welstandsnota 2011 In de Welstandsnota 2011 is vastgelegd hoe het welstandstoezicht in de gemeente is geregeld. Tevens geeft deze nota uitgangspunten en criteria voor het welstandsoordeel. Deze criteria zijn onderverdeeld in gebiedscriteria en objectcriteria.

De welstandsnota biedt een kader bij de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten aanzien van het aspect redelijke eisen van welstand. Planspecifiek: In de beoogde situatie wordt een agrarisch bouwvlak aan het plangebied toegekend. In een later stadium zal een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend worden voor het nieuwe bedrijfsgebouw. Dit bouwplan wordt in het kader van de vergunningaanvraag ter beoordeling aan de welstandscommissie voorgelegd.

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, aardkundige en cultuurhistorische waarden. 4.1.1 Archeologie Uitgangspunt inzake archeologie is het archeologische erfgoed te beschermen op Europees niveau. Ten behoeve hiervan is door het Rijk het Verdrag van Malta ondertekend en zijn de verplichtingen aangegaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen bij archeologische waardevolle terreinen en gebieden met een (middel-) hoge verwachtingswaarde de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart te worden gebracht. Planspecifiek: Het plangebied heeft deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ met de gebiedsaanduiding ‘overige zone-aangetast’. Op deze grond mogen bouwwerken ten behoeve van de agrarische bedrijfsbestemming worden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

24

a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of, b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of, c.

het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 1.000 m²; met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld.

Met dit initiatief wordt beoogd de bouw van een bedrijfshal mogelijk te maken. De beoogde bedrijfshal wordt ca. 450m2. Met het initiatief wordt geen vervanging van een bestaand gebouw beoogd. Er wordt niet voldaan aan alle voorwaarden uit artikel 4 van het bestemmingsplan “Parapluregeling Archeologie”. Ten behoeve van dit initiatief moet uit een onderzoek blijken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. Als deze aanwezig zijn kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen die erop gericht zijn dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. Een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd ten behoeve van dit initiatief. Voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Dit geldt niet voor het deel van het plangebied met de gebiedsaanduiding ‘overige zoneaangetast’. Op plekken waar deze gebiedsaanduiding niet is toegekend kan het in het kader van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden noodzakelijk zijn om nader archeologisch onderzoek te doen. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk en deze is uitgevoerd.

Daaruit is naar voren gekomen dat er geen archeologische waarden te verwachten zijn binnen het plangebied die door het initiatief kunnen worden geschaad. Aanvullend onderzoek wordt niet geadviseerd. De rapportage naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek is als bijlage bijgevoegd. 4.1.2 Cultuurhistorie Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de Modernisering van de Monumentenzorg is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte. In het kader van de Momo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Planspecifiek: Het plangebied heeft met het vigerende bestemmingsplan geen dubbelbestemming toegekend gekregen die er op gericht is eventuele cultuurhistorische waarden te beschermen. In de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 is het gebied aangeduid als teeltrijke oeverwal met een open landschapsstructuur. Het beleid ten aanzien van de Oeverwallen is er op gericht om een beeld na te streven van een informeel landschap met grillige bebouwings- en kavelpatronen. Met dit initiatief wordt de bestaande kavelstructuur gerespecteerd. Hierin vinden geen wijzigingen plaats.

Uit de cultuurhistorie kaartviewer van de provincie Gelderland blijkt dat er geen cultuurhistorische monumenten of elementen in of nabij het plangebied aanwezig zijn. Wel ligt het plangebied in Belvoirgebied en betreft het jonge ontginningen in het rivierterrassengebied met bodemtype ‘bovengrond bij moerige gronden’. Deze kenmerken hebben echter geen consequenties voor onderhavig plan. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het initiatief.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

25

Figuur 4.1: Fragment cultuurhistorische waardenkaart (bron: provincie Gelderland)

4.2

Leidingen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen. Voor het bouwplan wordt voor aanvang van de graaf- en bouwwerkzaamheden een klic- melding uitgevoerd. Hieruit dient te worden opgemaakt dat geen kabels en leidingen zijn gelegen op plaatsen waar gegraven gaat worden. Aan het plangebied zij geen bestemmingen toegekend die dienen ter bescherming van leidingen. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.3

Bedrijven en milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Hiervoor worden de richtafstanden uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als maatgevend beschouwd. In deze publicatie zijn voor verschillende activiteiten richtafstanden opgenomen voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Bovenstaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Planlocatie veroorzaker van hinder Voor onderhavige ontwikkeling is de activiteit ‘Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’ van toepassing. De grootste afstand welke aangehouden dient te worden voor deze activiteit, bedraagt 30 meter tussen bedrijfsgebouwen en gevoelige objecten. Dit betreft de afstand voor geluid. De dichtstbijzijnde gevoelige functie betreft de bedrijfswoning aan de Wijenburgsestraat 5a in Echteld. De afstand vanaf het te realiseren bedrijfsgebouw tot deze bedrijfswoning bedraagt ca. 63 meter. Zie hiervoor onderstaande figuur.

Planlocatie kwetsbaar voor hinder Ten noorden van het plangebied, op het adres Wijenburgsestraat 5a in Echteld, is een bedrijf gelegen. Dit betreft een bedrijfslocatie met de bestemming ‘Agrarisch met waarden-1’. Op deze locatie is grondgebonden agrarische productie toegestaan. Op deze locatie is een boomkwekerij gevestigd. Op basis van de “Handreiking Bedrijven en Milieuzonering” is dit aan te merken als een akkerbouwbedrijf. Daaruit volgt dat minimaal 30 meter afstand gehouden moet worden tussen de bedrijfsgebouwen en gevoelige objecten buiten deze inrichting ten aanzien van het aspect geluid. De afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de beoogde bedrijfswoning in het plangebied is ca. 70 meter.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

26

Ten noordwesten van het plangebied is een grondverzet gevestigd. In de zin van de “Handreiking Bedrijven en Milieuzonering” is dit aan te merken als een verhuurbedrijf van machines en werktuigen. De minimale afstand tussen dit bedrijf een gevoelige functie moet 50 meter zijn. Het aspect geluid is hierbij maatgevend. Met dit initiatief wordt (op termijn) beoogd om een bedrijfswoning mogelijk te maken binnen het plangebied. De afstand van het bestemmingsvlak tot de beoogde locatie van de bedrijfswoning is circa 60 meter. Spuitzone Het plangebied en de omliggende gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch met waarden – 1’. Op grond van deze bestemming is agrarisch gebruik waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast toegestaan. Feitelijk vindt een dergelijke teelt ook plaats in de vorm van boomkwekerij. Op termijn zal binnen het plangebied een bedrijfswoning opgericht worden. Beoordeeld moet worden of hier sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De grond naast het plangebied is in gebruik door derden die de grond gebruiken als boomkwekerij. Aan de noordzijde van het plangebied vinden binnen 50 meter van het plangebied geen teeltactiviteiten plaats. Het is ook niet aannemelijk dat hier teeltactiviteiten plaats gaan vinden aangezien de gronden bebouwd zijn en verhard ten behoeve van stalling en manoeuvreerruimte.

Aan de oost- en zuidzijde wordt het plangebied afgeschermd door de boomkwekerij van de initiatiefnemer zelf binnen het plangebied. Het plangebied wordt aan de westzijde afgeschermd door een hoge haag. Binnen 50 meter van de teeltactiviteiten van binnen het plangebied bevinden zich geen gevoelige functies van derden. Het initiatief heeft geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat binnen gevoelige functies in de omgeving van het plangebied. Figuur 2.6 en 2.7 geven de beoogde situatie weer. Hieruit volgt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door derden geen belemmering vormt voor het initiatief en dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Conclusie Aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan. Daarnaast heeft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door derden geen invloed op het plangebied. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen het plangebied heeft geen negatieve gevolgen voor gevoelige functies buiten het plangebied. Er kan derhalve gesteld worden dat door het toekennen van een agrarisch bouwvlak aan het plangebied een goed woon- en leefklimaat bij de omliggende verblijfsruimtes kan blijven gewaarborgd. Ook binnen het plangebied zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

27

Figuur 4.2: Weergave afstanden conform VNG vanuit plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl en Buro SRO)

4.4

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient onderzocht te worden of de milieuhygienische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruikt. De grond is nu agrarisch in gebruik. Dit gebruik wijzigt met dit initiatief niet. Met het initiatief wordt beoogd om een agrarisch bouwvlak aan de locatie toe te kennen. Het agrarisch gebruik wordt hiermee geïntensiveerd. In eerste instantie zal enkel een bedrijfshal en erfinrichting worden gerealiseerd. Een bedrijfshal is niet bedoeld voor langdurig verblijf van personen. Een bodemonderzoek kan voor de bouw van de bedrijfshal achterwege blijven. Omdat tevens een bedrijfswoning zal worden opgericht is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen milieu hygiënische bezwaren zijn voor de uitvoering van het voorgenomen plan. Het verkennend bodem onderzoek is als bijlage toegevoegd.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

28

geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico’s worden weergegeven in PR risicocontouren. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Toetsingskader Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Het Bevi, Bevt en het Bevb leggen een verantwoordingsplicht op voor het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft de kans aan dat een groep personen door een ongeval bij een inrichting of buisleiding overlijdt. De gemeente moet een verantwoording afleggen bij veranderingen van het groepsrisico in het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen kunnen voordoen: het invloedsgebied. Planspecifiek: In onderstaande figuur is een uitsnede van de risicokaart weergegeven ter hoogte van het plangebied. Er bevindt zich een LPG tankstation op relatief grote afstand van het plangebied (ca. 800 meter). Op circa 350 meter vanaf het plangebied ligt een buisleiding. Verder worden de rivier de Waal, de A15 en de Betuwelijn gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Deze potentiële gevaren liggen op een dermate grote afstand dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor dit initiatief. het plangebied aanwezig zijn. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

NL.IMRO.1740.bpECWijenburgsstrOng-vst1

29

4.6

Geluid

Het aspect geluid is onderdeel van het behoud van de omgevingskwaliteit en wordt op verschillende manieren vastgelegd in wetten. De belangrijkste toetsing van geluidhinder door inrichtingen is via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal type inrichtingen algemene regels opgenomen. De handreiking industrielawaai en vergunningverlening is het wettelijk kader voor de vergunningverlening voor het stellen van geluidsniveaus vanuit de inrichting, om geluidshinder te voorkomen en te beperken. Daarnaast worden geluidsgevoelige objecten beschreven met voorschriften die bescherming bieden. Een ander spoor dat kaders geeft voor geluidsproductie is de Wet geluidhinder (Wgh), welke is vastgesteld op d.d. 16 februari 1979. Deze richt zich met name op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen in relatie tot belangrijke geluidsbronnen. Indien binnen geluidzone nieuwe inrichtingen worden gerealiseerd, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wet Geluidhinder wordt voldaan. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (hierna: VNG-publicatie) uit 2009 blijkt dat voor akkerbouwbedrijven (bedrijfsgebouwen), de (maximale) richtafstand voor geluid 30 meter bedraagt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13433137/1