CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting

Beeldvormende avond ('Het Beeld') 14 september 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Dalwagen ong. Dodewaard’25.699 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek In het kader van de Wet Natuurbescherming is het van belang om inzicht te krijgen in het voorkomen van beschermde planten en/of diersoorten. Derhalve is er een natuurtoets uitgevoerd door Vos Natuurbeheer. Voor de gehele toets wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste conclusies worden hieronder toegelicht.

Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Uit de kaarten van de provincie Gelderland blijkt dat het plangebied buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone ligt. Negatief effect op het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone is daarmee uitgesloten.

Hoofdstuk 4

27

Natura 2000-gebied Rijntakken Uit de kaarten van de provincie Gelderland blijkt dat het dichtstbijzijnde N2000 gebied op een kilometer afstand van het plangebied ligt. Het betreft het Natura 2000-gebied Rijntakken. Om negatieve effecten van stikstofdepositie op het gebied uit te sluiten is een berekening van de stikstofdepositie gemaakt middels de AERIUS tool. Voor deze berekening en toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.9 ‘Stikstofdepositie’. Soortenbescherming Grondgebonden zoogdieren Volgens de QuickScan hulp komen er binnen een straal van 1 km van het plangebied streng beschermde soorten voor als de bever. Echter is het plangebied niet geschikt als biotoop voor de bever vanwege het ontbreken van water met begroeiing. Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen of andere aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat er verblijfplaatsen van beschermde soorten als steenmarter of andere kleine marterachtigen binnen het plangebied voorkomen. Het plangebied bevind zich in een gecultiveerde agrarische omgeving. Bunzing hermelijn en wezel komen alleen voor in ruigtes als bosranden, hagen met greppels en sloten. Deze soorten leven graag in een omgeving waar veel dekking in de vorm van vegetatie aanwezig is. Maar ook voor de hermelijn en de bunzing in vochtige of zelfs moerasachtige omgevingen. Binnen het plangebied komen geen beschermde soorten voor.

Een negatief effect op grondgebonden zoogdieren is daarmee uitgesloten. Vleermuizen Volgens de QuickScan hulp komt er binnen een straal van 1 km alleen de gewone/kleine/ruige dwergvleermuis voor. Binnen de straal van 1 – 5 km komt de baardvleermuis, gewone- en de grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de rosse vleermuis voor. Het plangebied waar de ingreep plaats gaat vinden is alleen mogelijk geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen.  Verblijfplaatsen Het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er staan geen bomen of gebouwen binnen het plangebied waar vleermuizen in kunnen verblijven.  Foerageergebieden Het plangebied is alleen geschikt als mogelijk foerageergebied voor de gewone/kleine/ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Het gaat om een weiland zonder begroeiing. Alleen aan de randen staat op sommige plaatsen begroeiing en aan de weg naast het plangebied staan bomen.  Vliegroute Het plangebied is niet geschikt als essentiële vliegroute. Er zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die vleermuizen nodig hebben om zich te kunnen oriënteren. Binnen het plangebied komen beschermde soorten voor. Echter is het plangebied niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Ook mag er aangenomen worden dat er zich binnen het plangebied geen essentieel foerageergebied en/of vliegroute bevind.

In de directe omgeving van het plangebied zijn meer dan voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van bomen, vegetatie en water. Een aanvullend onderzoek naar deze soortgroep en functies is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Het plangebied is alleen geschikt voor algemene broedvogels. Er staan geen bomen die geschikt zijn als broedplaats voor vogels met jaarrond beschermde nesten. In de bomenrij die langs de Gieser Wildeman staan zijn ook geen nesten van broedvogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Binnen het plangebied komen algemene broedvogels voor. Voor deze broedvogels geldt

Hoofdstuk 4

28

dat als de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats vind er geen negatief effect te verwachten is. Het broedseizoen loopt van maart tot en met augustus. Flora Volgens de QuickScan hulp komen er binnen het plangebied geen beschermde soorten voor. Tijdens het veldbezoek zijn er ook geen beschermde soorten aangetroffen. Ook in de sloten die tegen het plangebied aanliggen komen geen beschermde soorten voor als drijvende waterweegbree. Een aanvullend onderzoek naar deze soortgroep is dan ook niet noodzakelijk. Amfibieën, reptielen en vissen In de directe omgeving van het plangebied is geschikt habitat aanwezig voor deze soortgroepen. Er is een leefgebied in de vorm van water aanwezig. De sloten blijven echter ongemoeid tijdens de ingreep. Het plangebied is niet geschikt voor de landfase voor amfibieën. Het bestaat momenteel uit hooiland en wordt begraasd. Ook zijn de oevers van de sloten stijl en in sommige gevallen met beschoeiing. De struiken die op de hoek van het perceel staan zijn niet geschikt als overwinteringshabitat. Er is geen ondergroei en onvoldoende bodembedekking. Binnen het plangebied komen geen beschermde soorten voor. Een aanvullend onderzoek naar deze soortgroepen is dan ook niet noodzakelijk. Libellen en dagvlinders In de directe omgeving van het plangebied is geschikt habitat aanwezig voor deze soortgroepen.

Er is een leefgebied in de vorm van water aanwezig en de slootranden zijn begroeid met bloemrijke vegetatie. De sloten blijven echter ongemoeid tijdens de ingreep. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor deze soortgroepen. Een aanvullend onderzoek naar deze soortgroepen is dan ook niet noodzakelijk. Overige ongewervelden Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor deze soortgroepen. Er is geen bos en dan met name naaldbos aanwezig voor bijvoorbeeld beschermde mierensoorten. Een aanvullend onderzoek naar deze soortgroepen is dan ook niet noodzakelijk. 4.8.3 Conclusie Uit de natuurtoets is naar voren gekomen dat er geen aanvullende onderzoeken uitgevoerd hoeven te worden naar beschermde soorten. Wanneer er buiten het broedseizoen 7 gestart wordt met de werkzaamheden zal er geen negatief effect optreden op broedvogels. Mocht er toch in het broedseizoen gewerkt worden dient het plangebied door een deskundige op het gebied van broedvogels gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedvogels. Daarnaast dienen er werende maatregelen getroffen te worden ten einde broedvogels te voorkomen. In het kader van de zorgplicht dient voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op aanwezigheid van algemene amfibieën soorten.

Deze dienen afgevangen te worden door een deskundige op het gebied van amfibieën en elders buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden in geschikt habitat uitgezet te worden.

7

Maart tot en met augustus

Hoofdstuk 4

29

4.9 Stikstofdepositie 4.9.1 Toetsingskader In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen en projecten dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan of project mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming. 4.9.2 Onderzoek In de nabijheid van het plangebied (op circa 0,9 kilometer) ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Beoordeeld is of als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren. Met behulp van het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS is het planvoornemen voor de aanleg-en gebruiksfase doorgerekend. De berekeningen bepalen de emissie en depositie van het plan. De berekeningen geven geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in een Natura 2000-gebied. Het stikstofonderzoek is opgenomen in de bijlage.

4.9.3 Conclusie Het onderdeel ‘stikstof’ vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.10.2 Onderzoek Door PJ Milieu zijn verkennende en aanvullende bodem- en puinonderzoeken uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt naar de bijlagen verwezen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.

Hoofdstuk 4

30

Verkennend bodemonderzoek Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘onverdachte locatie’ geen stand houdt. In de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) ter plaatse van een boring in de toegangsdam is een sterk verhoogd gehalte PAK aangetoond. Een aanvullend onderzoek naar de aard, mate en omvang naar dit sterk verhoogd gehalte is noodzakelijk. Tevens zijn in deze bovengrond bijmengingen aan beton, baksteen, sintels en grind aangetroffen. Hierdoor is de aanwezigheid van asbest niet uit te sluiten en is een aanvullend onderzoek naar asbest noodzakelijk. Buiten twee maal een licht verhoogd gehalte nikkel zijn op het overige terrein geen verhoogde gehalten aangetoond. Bij voorgenomen afvoer is deze grond indicatief altijd toepasbaar. Er zijn op dit terrein verder geen bijmengingen of bijzonderheden aangetroffen waardoor een aanvullend (asbest in grond) onderzoek niet noodzakelijk is. Aanvullend onderzoek Ter plaatse van een boring in de toegangsdam is een sterk verhoogd gehalte PAK aangetoond en een aanvullend onderzoek is wenselijk.

Op basis van de vooraf bekende informatie is een inschatting gemaakt van de verontreinigingssituatie en zijn onderzoeksvragen geformuleerd. Na uitvoering van het onderzoek zijn deze aspecten bijgewerkt en wordt het volgende geconcludeerd: 1) analytisch zijn in de grond licht tot sterk verhoogde gehalten PAK aangetoond; 2) ter plaatse van de boring in de toegangsdam is in bodemtraject 0,0 – 0,5 m-mv een gehalte van maximaal 95 mg/kg d.s. aangetoond; 3) binnen de onderzoekslocatie/perceelsgrens is een verontreiniging met PAK aanwezig over een oppervlakte van 10 m2 tot een diepte van 0,5 m-mv. De totale omvang van de verontreiniging bedraagt hiermee circa 5 m3; 4) het betreft binnen de onderzoekslocatie/perceelsgrens een historisch geval van niet ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming. Er is derhalve geen sprake van spoedeisendheid. Asbest in grond-/puinonderzoek Tijdens het verkennend en aanvullend bodemonderzoek zijn in de bodem diverse bijmengingen (baksteen, beton en sintels) waargenomen. Tevens is een puinverharding bestaande uit puin- of menggranulaat aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ stand houdt. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond een puinverharding in de fijne fractie asbesthoudende materialen zijn aangetoond. Tijdens het onderzoek zijn geen grove asbesthoudende materialen waargenomen.

De grenswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) wordt echter niet benaderd of overschreden. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodem- of asbestonderzoek te adviseren. Aanbevolen wordt de verontreiniging met PAK ter plaatse van de boring bij de toegangsdam (0,0 – 0,5 m-mv) bij voorgenomen herontwikkeling te saneren. Indien wordt overgegaan tot sanering dient een beknopt saneringsplan te worden opgesteld. Deze dienen goedgekeurd te zijn

Hoofdstuk 4

31

door het bevoegd gezag. Werkzaamheden dienen conform de veiligheidseisen van de CROW 400 uitgevoerd te worden. 4.10.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ zorgt niet voor belemmering voor onderhavig plan, mits de verschillende adviezen voor sanering worden opgevolgd voordat bouwwerkzaamheden plaatsvinden.

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het rijksbeleid. Dit om door samenwerking van organen met de verschillende bevoegdheden tot een duurzaam watersysteem te komen. Nationaal Waterplan In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen er voor 2027 liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland: Waterbeheerplan 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Hoofdstuk 4

32

Keur Waterschap Rivierenland 2014 Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. 4.11.2 Onderzoek Vanwege de voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudkundige notitie opgesteld door Ingenieursbureau Land. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld. De waterhuishoudkundige notitie is opgenomen in de bijlagen. Watertoets Het perceel aan de Dalwagen te Dodewaard is in de huidige situatie onbebouwd. De aanleg van het kantoorpand met de verhuurunits wordt daarom voor 100% als toename verhard oppervlak beschouwd.

Toename in verhard oppervlak zorgt voor een versnelde afvoer van hemelwater naar het watersysteem. Hierdoor zijn er mogelijk aanpassingen nodig in de bergings- en afvoercapaciteit van het watersysteem. Op grond van de keur van waterschap Rivierenland is het verboden om zonder watervergunning neerslag versneld af te voeren naar het watersysteem. In onderstaande tabel zijn per type verhard oppervlak de vierkante meters verharding weergegeven. Tabel Verhard oppervlak per type verharding (Bron: Waterhuishoudkundige notitie, Ingenieursbureau Land)

Om de bergingsopgave te bepalen die bij deze nieuwe ontwikkeling hoort is er gerekend volgens de uitgangspunten van waterschap Rivierenland. Bij berging in open water dient gerekend te worden met 436 m3/ha compensatie. Uitgaande van berging in open water resulteert dit in een bergingsopgave van 210,4 m3 (4.826*0,0436). Bij deze ontwikkeling wordt er voor gekozen om de berging volledig te realiseren door aanleg van nieuw open water. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied is 445 m 2 nieuw open water voorzien. Binnen het plangebied is er niet genoeg ruimte om te voorzien in de volledige bergingsopgave. De resterende bergingsopgave bedraagt nog 76,9 m3, dit staat gelijk aan een oppervlak van circa 260 m 2 open water. Deze resterende bergingsopgave wordt elders in het peilgebied van waterschap Rivierenland gerealiseerd. In overleg met gemeente Neder-Betuwe wordt vastgesteld op welk kadastraal perceel de aanvullende waterberging gerealiseerd dient te worden (D1992 of C1649/C1667). Voorkeur van gemeente Neder-Betuwe gaat uit naar perceel D1992, indien

Hoofdstuk 4

33

alle ruimte op dit perceel al vergeven is wordt perceel C1649 of C1667 aangewezen voor realisatie van de waterberging. Onderhoud aan de A-watergangen wordt vanaf de wegzijde door waterschap Rivierenland uitgevoerd. Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het onderhoud voor zover de breedte van de watergang van insteek tot insteek maximaal 8 meter is. Na realisatie wordt bekeken welk deel van het water in de zuidwesthoek éénzijdig onderhouden kan worden. Het overige deel wordt door de terreineigenaar onderhouden. Onderhoud aan de B-watergang aan de oostzijde van het plangebied is de verantwoordelijkheid van de terreineigenaar. Aan de zijde van het plangebied wordt een onderhoudsstrook van 1 meter vrijgehouden. Het centrale gebouw en de verhuurunits wateren direct af op open water. De terreinverharding watert via molgoten af naar een verzamelput en wordt vanaf daar ondergronds naar het open water getransporteerd. De vuilwaterafvoer wordt aangesloten op de bestaande riolering ten westen van het plangebied. 4.11.3 Conclusie Rekening houdend met bovenstaande adviezen wordt er hydrologisch neutraal ontwikkeld en bestaan er geen belemmeringen vanuit ‘water’ voor onderhavige ontwikkeling.

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. 4.12.2 Onderzoek In 2015 heeft een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek was om deze verwachting te toetsen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Archeodienst BV en is in de bijlagen opgenomen. Onderstaand worden de conclusies vermeld:.  Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? De natuurlijke ondergrond bestaat in alle boringen uit matig tot zwak siltige klei.

In het onderste pakket klei waren veel verslagen planten resten aanwezig en geen aanwijzingen te zien voor oude leefniveaus. Gezien de kleiigheid van het sediment betreft het hier komafzettingen. De bodem in het plangebied betreft conform de verwachting uit het bureauonderzoek een poldervaaggrond (boring 1-6) en bestaat uit een 15-40 cm dikke Ap-horizont die rust op de klei van de C-horizont. In

Hoofdstuk 4

34

boring 7 was de bovenste 45 cm van de bodem verstoord (gevlekt uiterlijk), waardoor hier de Aphorizont ontbrak.  Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Op grond van de resultaten van het veldonderzoek wordt de onbekende verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met Vroeg-Neolithicum en de lage verwachting voor de perioden Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd uit het bureauonderzoek gehandhaafd. De middelhoge verwachting voor de perioden Midden-Neolithicum tot en met Bronstijd uit het bureauonderzoek wordt bijgesteld naar laag.  In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden? Indien de voorgenomen graafwerkzaamheden niet dieper reiken dan 2,0 m –mv vormen de geplande werkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Op grond van de resultaten van het onderzoek acht Archeodienst BV geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Alleen als de bodemingrepen dieper reiken dan 2,0 m –mv dient er een aanvullend booronderzoek te worden uitgevoerd tot de daadwerkelijke verstoringsdiepte. 4.12.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen mist rekening wordt gehouden met bovenstaand advies.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.13.2 Onderzoek Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied van cultuurhistorische waarde. 4.13.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Hoofdstuk 4

35

4.14 Explosieven De locatie is, zoals heel Neder-Betuwe, verdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. Bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem zal hier in het kader van de Arbo wetgeving en openbare orde, rekening mee gehouden worden. Bij de (bouw)werkzaamheden worden maatregelen getroffen conform de Arbo wetgeving. 4.14.3 Conclusie Het aspect explosieven vormt geen belemmering voor haalbaarheid van het bestemmingsplan.

4.15 M.e.r.-plicht 4.15.1 Toetsingskader Met dit bestemmingsplan wordt een hal met niet-zelfstandige kantoorruimte en 10 kleine bedrijfsunits in het plangebied mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.-(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een hal met kantoorruimte en 10 kleine bedrijfsunits mogelijk. De ontwikkeling is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe aan de hand van een aanmeldingsnotitie heeft beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. 4.15.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.

Deze is opgenomen als bijlage. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen milieueffectrapport behoeft te worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4

36

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. Naast bestemmingen kunnen ook aanduidingen op de verbeelding zijn opgenomen voor een nadere detaillering. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Hoofdstuk 5

37

Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan:  Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.  Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie.  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).  Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele plangebied. Het betreft de standaard anti-dubbeltelregel, die in elk bestemmingsplan opgenomen dient te worden, alsmede de algemene aanduidingsregels.

Laatstgenoemd artikel bevat regels die van toepassing zijn binnen de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ in verband met het nabij gelegen geluidzoneerde industrieterrein. Binnen deze zone is de vestiging van geluidgevoelige objecten in beginsel niet toegestaan.

Hoofdstuk 5

38

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen:  Overgangsrecht: het overgangsrecht heeft tot doel de rechtszekerheid te verzekeren ten aanzien van bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gebouwd zijn of op grond van een reeds verleende of een nog te moeten afgeven bouwvergunning, gebouwd mogen worden en afwijken van de bebouwingsregels in dit plan. Zij mogen blijven staan of, als een bouwvergunning is verleend, worden gebouwd zolang de afwijking maar niet wordt vergroot en het bouwwerk niet (grotendeels) wordt vernieuwd of veranderd. Ook het gebruik van gronden en de daarop staande opstellen dat – op het tijdstip dat het bestemmingsplan rechtsgeldig wordt – afwijkt van de gegeven bestemming, is in het overgangsrecht geregeld. Het afwijkende gebruik mag worden voortgezet of gewijzigd in een ander gebruik, zolang de afwijking van het bestemmingsplan niet wordt vergroot.  Slotregel: in de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

5.3 Toelichting op de bestemmingen Dit bestemmingsplan is opgesteld om een specifieke ontwikkeling mogelijk te maken. Er is daarom gekozen voor een relatief concreet bestemmingsplan. Inhoudelijk is aansluiting gezocht bij de op de aangrenzende gronden geldende bestemmingsplannen voor het bedrijventerrein en de locatie Einsteinstraat/Dalwagen ten noorden van het plangebied. In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen. Bedrijventerrein Het grootste deel van het plangebied, namelijk de beoogde bedrijfskavel, is bestemd als ‘Bedrijventerrein’. Binnen deze bestemming worden een bedrijfshal met niet-zelfstandige kantoorruimte en 10 bedrijfsunits met bijbehorende infrastructuur mogelijk gemaakt. De bedrijfshal en het kantoor zullen in gebruik worden genomen door een elektrotechnisch bedrijf. In de planregels is qua gebruik een flexibele regeling opgenomen, waarbinnen bedrijven zich ter plaatse kunnen vestigen, mits deze binnen de toegestane milieucategorie passen (maximaal categorie 3.1 voor de zone binnen 50 meter van omliggende woningen en maximaal categorie 3.2 voor het overige). Milieuhygiënisch inpasbare bedrijven zijn daarmee rechtstreeks toegelaten. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

De categorie-indeling en de beschrijving van de bijbehorende bedrijfsactiviteiten is opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij de regels is opgenomen. Er is een afwijkingsregeling opgenomen voor bedrijven die in een hogere categorie vallen maar qua ruimtelijke uitstraling en milieubelasting vergelijkbaar zijn met wel toegestane bedrijven. Verder zijn de gronden onder meer bestemd voor bijbehorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, erven, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Ondergeschikte detailhandel, ondersteunende horeca en niet-zelfstandige kantoren (kantoorfunctie als onderdeel van gevestigd bedrijf) zijn toegestaan binnen de bedrijfsfunctie. De bouwregels zijn concreter vormgegeven en afgestemd op het beoogde bouwplan. Er zijn twee bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de gebouwen mogen worden opgericht. De maximale hoogten zijn aangegeven op de verbeelding. Verder zijn binnen de bestemming bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. In de bouwregels is ook een regeling omtrent het parkeren opgenomen.

Hoofdstuk 5

39

Groen Deze bestemming heeft betrekking op gronden die een structureel groen karakter hebben en tot het openbare gebied behoren. Het betreft de gronden aan weerszijden van de watergang ten westen van het bedrijfsperceel, tussen de weg en het bedrijfsperceel in, alsmede de gronden aan de rand van het plangebied. Binnen deze bestemming worden bedrijfsmatige activiteiten niet toegestaan. De gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, plantsoenen, beplantingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, fiets- en voetpaden en in- en uitritten ten dienste van de ontsluiting van aangrenzende percelen. Binnen deze bestemming zijn gebouwen niet toegestaan. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden specifieke bouwregels. Water en Waterstaat - Waterlopen De A-watergang ten westen van het bedrijfsperceel is binnen de gemeentelijke systematiek bestemd als ‘Water’. Deze bestemming wordt behouden. Aan de zuidwestkant van het plan wordt water toegevoegd aansluitend op de bestaande A-watergang. Ook deze gronden krijgen de bestemming ‘Water’. De A-watergang met bijbehorende onderhoudsstroken aan weerszijden heeft daarnaast de bescherming van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterlopen’ gekregen. Voor zover het gaat om A-watergangen is aan de planzijde een beschermingszone van 1 m vanaf de insteek van de watergang opgenomen.

Aan de buitenplanse zijde is een beschermingszone van 4 m vanaf de insteek van de watergang opgenomen. Voor de B-watergang aan de oostzijde is een beschermingszone opgenomen van 1 m breed vanaf de insteek van de watergang. Deze dubbelbestemming moet de ongehinderde functie van de watergangen (de afvoer van water) en het onderhoud daarvan garanderen. Binnen de bestemming ‘Water’ zijn onder meer waterhuishoudkundige doeleinden, voorzieningen voor de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging toegestaan, alsmede bruggen en in- en uitritten voor de ontsluiting van aangrenzende percelen. Overigens is het eventueel verbreden van de watergang ook mogelijk binnen de andere bestemmingen.

Hoofdstuk 5

40

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het wijzigingsplan moet worden vastgesteld. Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.

Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. De gemeente gaat de locaties waarschijnlijk niet zelf ontwikkelen of bouw- en woonrijp maken. Voor de locatie wordt de ontwikkeling dan volledig bij de ontwikkelende partij neergelegd en de gemeente zal met de ontwikkelende partij een anterieure overeenkomst afsluiten. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare

Hoofdstuk 6

41

voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het gewenst dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. De maatschappelijke uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het wettelijk vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de provincie Gelderland en het Waterschap Rivierenland. Van de vooroverlegreacties is een samenvatting opgenomen in de bijlagen.

De ingediende vooroverlegreacties hebben aanleiding gegeven om het bestemmingsplan op onderdelen aan te passen. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 8 juni tot en met 6 juli 2022 ter inzage gelegen bij het Omgevingsloket van het gemeentehuis en was raadpleegbaar via de gemeentelijke website en de landelijke website (www.ruimtelijkeplannen.nl). In deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om mondeling en/of schriftelijk een inspraakreactie op het voorontwerp kenbaar te maken. Er is, gelet op het feit dat het een relatief klein plan betreft, geen informatie- en/of inloopmoment georganiseerd. Hiermee heeft er inspraak plaats gevonden overeenkomstig de ‘Participatie- en inspraakverordening Neder-Betuwe 2015’. Er zijn tijdens de inspraakperiode 5 (4 schriftelijke en 1 mondelinge) reacties ontvangen. Van de inspraakreacties is samenvatting in de bijlagen opgenomen met een reactie daarop van het college van burgemeester en wethouders.

De ingediende inspraakreacties hebben aanleiding gegeven het bestemmingsplan op onderdelen aan te passen.

Hoofdstuk 6

42

Daarnaast is het bestemmingsplan op onderdelen ambtelijk aangepast. Er is in het voorontwerpbestemmingsplan een aantal omissies en onduidelijkheden geconstateerd. Deze zijn aangepast. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd in het bestemmingsplan. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van de ter inzagelegging en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.

Hoofdstuk 6

43

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing en beplantinglijst Bijlage 2: Waternotitie Bijlage 3: Natuurtoets Bijlage 4: Ladderonderbouwing Bijlage 5: Verkennend en aanvullend bodem- en puinonderzoeken Bijlage 6: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase archeologie Bijlage 7: Stikstofonderzoek Bijlage 8: Waterparagraaf Bijlage 9: M.e.r.-aanmeldnotitie

Dalwagen ong. Dodewaard

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 9

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

10

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bedrijventerrein Groen Water Waterstaat - Waterlopen

10 14 15 16

Hoofdstuk 3

Algemene regels

17

Artikel 7 Artikel 8

Anti-dubbeltelregel Algemene aanduidingsregels

17 18

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

19

Artikel 9 Artikel 10

Overgangsrecht Slotregel

19 20

2

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

Het bestemmingsplan Dalwagen ong. Dodewaard met identificatienummer NL.IMRO.1740.bpDOdalwagenong-ont1 van de gemeente Neder-Betuwe. 1.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

Grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.6

Bebouwingspercentage

Het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.7

Bedrijfsvloeroppervlakte

De totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.8

Bestaand bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan bestonden of in uitvoering waren, danwel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen; bij gebruik: gebruik dat op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan bestond.

1.9

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

4

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

1.10

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.12

Bouwgrens

De grens van een bouwvlak. 1.13

Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap). 1.14

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.15

Bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel. 1.16

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.17

Bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.18

Bruto-vloeroppervlak

De totale vloeroppervlakte van een gebouw conform NEN 2580. 1.19

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen. 1.20

Detailhandel in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen

Het verkopen van producten, die door het toegelaten bedrijf worden vervaardigd, bewerkt en/of hersteld.

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

5

1.21

Detailhandel in volumineuze goederen

Detailhandel in goederen die vanwege hun omvang een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, zoals goederen in bouw- en doe-het-zelf producten, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels, automobielen, motorfietsen, boten, caravans, e.d. 1.22

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.23

Geluidzoneringsplichtige inrichting

Bedrijven welke vallen onder artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. 1.24

Groothandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, danwel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit. 1.25

Kantoor

Een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie. 1.26

Kelder

Een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein. 1.27

Luifel

Afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund. 1.28

Niet-zelfstandig kantoor

Een onderdeel van een bedrijf dat ten dienste staat van het bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft. 1.29

Ondergeschikte bouwdelen

Ondergeschikte delen aan een gebouw zoals, trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte (dak)opbouwen. 1.30

Ondergronds

Onder peil.

6

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

1.31

Ondersteunende horeca

Een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren. 1.32

Overkapping

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand. 1.33

Overig bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.34

Pand

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.35

Peil

Voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang van het perceel aan een weg grenst, mits het gebouw op een afstand van niet meer dan 12 m van die weg is gelegen: 35 cm boven de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel; In andere gevallen bij gebouwen: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein; Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het bouwwerk grenzende terrein; 1.36

Risicovolle inrichting

Een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.37

Seksinrichting

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.38

Voorgevel

De naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied; 1.39

Voorgevelrooilijn

De lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan;

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

7

1.40

Zelfstandig kantoor

Een kantoor dat op zichzelf het bedrijf vormt.

8

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens

De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens. 2.2

De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4

De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5

De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

9

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Bedrijventerrein

3.1

Bestemmingsomschrijving

3.1.1

Algemeen

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven, zoals bedoeld onder 3.1.2 onder a; b. groothandel; c. detailhandel, zoals bedoeld onder 3.1.2 onder b; d. kantoren, zoals bedoeld onder 3.1.2 onder c; e. horeca, zoals bedoeld onder 3.1.2 onder d; f. nutsvoorzieningen; g. geluidwerende voorzieningen; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; één en ander met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen, erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, paden e.d. en overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden. 3.1.2

Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 3.1.1: a Bedrijfsactiviteiten 1. Bedrijven zijn uitsluitend toegestaan: a. in de categorieën 2 tot en met 3.2 van de in Bijlage 1 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2'; b. in de categorieën 2 tot en met 3.1 van de in Bijlage 1 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1'. b Detailhandel Voor detailhandel gelden de volgende bepalingen: 1. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, waarbij geldt dat de detailhandelsactiviteit niet groter mag zijn dan 20% van de bedrijfsvloeroppervlakte tot een maximum van 150 m²; 2. in afwijking van het bepaalde onder 1. zijn de volgende vormen van detailhandel wel toegestaan: a. detailhandel in de volgende volumineuze goederen: automobielen, boten, caravans en grove bouwmaterialen; b. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen met dien verstande dat de opslag van meer dan 10.000 kilo consumentenvuurwerk niet is toegestaan. c (Niet-)zelfstandige kantoren Voor kantoren geldt de volgende bepaling: 1. Uitsluitend zijn niet-zelfstandige kantoren toegestaan. d (Ondersteunende) horeca Voor horeca geldt de volgende bepaling: 1.

Uitsluitend ondersteunende horeca is toegestaan. e Buitenopslag Voor buitenopslag gelden de volgende bepalingen:

10

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

1. Buitenopslag is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en achter de voorgevel van dichtst bij de weg gesitueerde gebouw en het verlengde daarvan. 2. De hoogte van buitenopslag bedraagt niet meer dan 5 m. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming. 3.2.2

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan in het bouwvlak, met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens aan in ieder geval één zijde van het bouwperceel, bedraagt minimaal 3 m; d. de afstand tot de achterste perceelsgrens bedraagt minimaal 3 m; e. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. 3.2.3

Ondergrondse gebouwen

Ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan na verlening van de omgevingsvergunning als bedoeld in 3.3.3. 3.2.4

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan 1 m; c. in afwijking van het bepaalde onder b. zijn tanks en of drukhouders ten behoeve van de opslag van stoffen toegestaan, met een hoogte die niet meer mag bedragen dan 4 m; d. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; e. de bouwhoogte van (portaal)kranen mag niet meer bedragen dan 15 m; f. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan 4 m. 3.2.5

Bouwvlakoverschrijding ondergeschikte bouwdelen

Overschrijding van het bouwvlak is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel ondergeschikt is en het een overschrijding betreft van maximaal 0,5 m. 3.2.6

Parkeren

a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen binnen de bestemming wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en veilig gesteld is dat deze parkeergelegenheid in stand wordt gehouden. b. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

Bestemmingsplan "Dalwagen ong. Dodewaard" (ontwerp)

11

3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1

Afwijking hoogte terreinafscheidingen buiten bouwvlak

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, afwijken van het bepaalde in 3.2.4 onder b teneinde voor erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak een maximale bouwhoogte toe te staan van maximaal 2 m, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. uit beveiligingsoogpunt van het bedrijf is de verhoging noodzakelijk; b. tenminste het deel van de erf-/ terreinafscheiding tussen 1 m en 2 m dient een open constructie te zijn; c. er zijn in het directe straatbeeld al hogere hekwerken buiten het bouwvlak aanwezig; d. de grotere hoogte leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving; e. het uitzicht wordt niet dusdanig belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht. 3.3.2

Afwijking afstand zijdelingse perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder c teneinde een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke en functionele karakteristiek wordt niet onevenredig aangetast; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken wordt niet onevenredig aangetast; c. de verkeersveiligheid, brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding is gewaarborgd; d. op het perceel is voldoende parkeer-, laad- en losruimte aanwezig. 3.3.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13067468/1