Bijlage 1 - Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Dalwagen ong. Dodewaard’ Gemeente Neder-Betuwe
Bestemmingsplan Dalwagen ong. Dodewaard Gemeente Neder-Betuwe
Rapportnummer:
P04361_4
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1740.bpDOdalwagenong-ont1
Datum:
31 maart 2023
Opdrachtgever:
Van Kessel Architectuur en Projectmanagement BV
Projectteam BRO:
CVe, JvA, JEr
Voorontwerp:
23 mei 2022, 30 mei 2022
Ontwerp:
31 maart 2023
Vaststelling:
--
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 6 7
2. BELEIDSKADER 2.1 Rijksbeleid
8 8
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 2.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 2.2 Provinciaal beleid
8 9 9 12
2.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2.2.2 Omgevingsverordening Gelderland 2.2.3 Regionaal Programma Werklocaties 2019-2024 2.3 Gemeentelijk beleid
12 12 13 14
2.3.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2018
14
3. PLANBESCHRIJVING 3.1 Huidige situatie 3.2 Voorgestane ontwikkeling
15 15 15
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
18 18
4.1.1 Verkeersgeneratie 4.1.2 Parkeren 4.2 Geluid
18 19 19
4.2.1 Toetsingskader 4.3 Luchtkwaliteit
19 19
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
19 20 20 21
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur
21 21 23 23
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid
23 24 24 24 24
Inhoudsopgave
1
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie
24 25 26 26
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Stikstofdepositie
26 27 29 30
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Bodem
30 30 30 30
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Water
30 30 32 32
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Archeologie
32 33 34 34
4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Cultuurhistorie
34 34 35 35
4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Onderzoek 4.13.3 Conclusie 4.14 Explosieven
35 35 35 36
4.14.3 Conclusie 4.15 M.e.r.-plicht
36 36
4.15.1 Toetsingskader 4.15.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r.
36 36
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Toelichting op de bestemmingen
37 37 37 39
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
41 41 41
6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure
42 42 43
Inhoudsopgave
2
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing met beplantinglijst Bijlage 2: Waternotitie Bijlage 3: Natuurtoets Bijlage 4: Ladderonderbouwing Bijlage 5: Verkennend en aanvullend bodem- en puinonderzoeken Bijlage 6: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase archeologie Bijlage 7: Stikstofonderzoek Bijlage 8: Waterparagraaf Bijlage 9: M.e.r.-aanmeldnotitie
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om ter plaatse van Dalwagen ongenummerd te Dodewaard een bedrijfshal met niet-zelfstandige kantoorruimte en 10 kleine bedrijfsunits te ontwikkelen. Het betreft het kadastrale perceel gemeente Dodewaard, sectie D, nr. 1793. Het perceel ligt in agrarisch gebied, direct aansluitend aan bedrijventerrein De Bonegraaf, en is in het vigerende bestemmingsplan tevens als zodanig bestemd. Binnen deze bestemming is het niet toegestaan om de bedrijfsgebouwen te realiseren. In de structuurvisie van Neder-Betuwe is de locatie Bonegraaf-Oost sinds 2003 opgenomen als toekomstig bedrijventerrein. De gemeente Neder-Betuwe heeft per brief (kenmerk: Z/21/074638/150711) kenbaar gemaakt dat de uitbreiding Dalwagen ong. te Dodewaard wenselijk is, maar dat het plan nog verder moet worden uitgewerkt aan de hand van het advies van de gemeentelijke Regiekamer. Enkele randvoorwaarden zijn hierbij meegegeven. Het onderhavige plan wordt mogelijk gemaakt door middel van een herziening van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied, dat daarmee onderdeel wordt van het te ontwikkelen bedrijventerrein Bonegraaf-Oost als uitbreiding van het bestaande terrein de Bonegraaf te Dodewaard.
1.2 Plangebied Het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan is gelegen aan Dalwagen. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan bestaande bedrijvenpercelen van het bedrijventerrein Dodewaard, aan de westzijde aan Dalwagen, aan de oostzijde aan agrarisch gebied in de vorm van grasland en aan de zuidzijde aan de Gieser Wildeman. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Dodewaard, sectie D, nr. 1793. In figuur 1.1 en 1.2 zijn de ligging en (globale) begrenzing van het plangebied weergegeven. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Hoofdstuk 1
4
Dodewaard
Figuur 1.1 Ligging plangebied (rood omcirkeld) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Hoofdstuk 1
Figuur 1.2 Begrenzing plangebied (globaal) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plan vigeren de volgende bestemmingsplannen: Buitengebied Dodewaard en Echteld (vastgesteld d.d. 30 mei 2013); Bestemmingsplan VAB-beleid; Parapluregeling Parkeren; Parapluregeling Archeologie; Parapluplan 2020; Bestemmingsplan Geluidzone Bonegraaf. Bestemmingen en bestemmingsregels Buitengebied Dodewaard en Echteld Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemming ‘Agrarisch’ (artikel 3) en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ (artikel 38). Agrarisch (artikel 3) De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn binnen het plangebied bestemd voor onder andere grondgebonden agrarische productie, het weiden van dieren, bijbehorende voorzieningen, landschappelijke beplanting en watergangen. Op de gronden mogen uitsluitend worden bebouwd met bedrijfsgebouwen te behoeve van de bestemming, één bedrijfswoning, bijgebouwen en bouwwerken ten behoeve van de bestemming. ‘Waarde – Archeologie 5’ (Artikel 38) De dubbelbestemming is overruled door de Parapluregeling Archeologie, zie verderop in deze paragraaf. Planafwijking De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een bedrijfshal met niet-zelfstandige kantoorruimte en 10 kleine bedrijfsunits met bijbehorende infrastructuur. De gewenste ontwikkeling is niet toegestaan conform de gebruiks- en bouwregels van de bestemming ‘Agrarisch’.
Om de ontwikkeling mogelijk te maken zal er van het planologische regime moeten worden afgeweken. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Bestemmingsplan VAB-beleid In het bestemmingsplan VAB-beleid is het beleid omtrent het hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing juridisch-planologisch vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft geen doorwerking op onderhavig plan. Parapluregeling Parkeren Ter plaatse van het plangebied is tevens de Parapluregeling Parkeren (vastgesteld op 26 april 2018) van toepassing. Om ervoor te zorgen dat de parkeerbeleidsregels over parkeernormen in álle ruimtelijke plannen van de gemeente Neder-Betuwe wordt opgenomen, is deze parapluherziening opgesteld. Met deze parapluherziening wordt de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe in de geldende ruimtelijke plannen ingepast.
Hoofdstuk 1
6
Parapluregeling Archeologie Voor het gehele grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe geldt de ‘Parapluregeling Archeologie’. Deze regeling is opgesteld nadat in 2016 het gemeentelijke archeologiebeleid van de gemeente Neder-Betuwe is geactualiseerd. Thans bestond de wens om het geactualiseerde archeologiebeleid te vertalen naar een paraplubestemmingsplan, waarbij de verschillende archeologische (verwachtings)waarden worden vertaald naar dubbelbestemmingen. Op basis van deze regeling geldt voor het plangebied geen dubbelbestemming archeologie of archeologische verwachtingswaarde. Parapluplan 2020 Dit parapluplan is opgesteld naar aanleiding van een gewijzigde regeling voor bestaande bedrijfswoningen op bedrijventerreinen en aangezien er een nieuwe regeling voor de kamergewijze verhuur van woningen gewenst was. Het plan heeft geen doorwerking op onderhavig plan. Bestemmingsplan Geluidzone Bonegraaf Het plangebied ligt tenslotte binnen de contouren van het bestemmingsplan Geluidzone Bonegraaf. Deze geluidzone is opgesteld ten behoeve van het industrieterrein Bonegraaf. Ter plaatse van het plangebied geldt op basis van bovenstaande regeling de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’. Deze gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming tegen geluid vanwege bedrijfsactiviteiten.
1.4 Leeswijzer Richtinggevend voor het beleid dat de gemeente Neder-Betuwe met haar bestemmingsplannen kan voeren zijn de beleidskaders, zoals die door hogere overheden en de gemeente zelf in een eerder stadium reeds zijn vastgelegd. De relevante beleidskaders zullen in deze toelichting dan ook als eerste beschreven worden. Daarna wordt in hoofdstuk 3 de toekomstige inrichting van het terrein beschreven. De in het plan op te nemen ontwikkelingsmogelijkheden worden vervolgens getoetst op hun consequenties voor de actuele waarden in hoofdstuk 4 (flora en fauna, cultuurhistorie), de waterhuishouding in hoofdstuk 5 (watertoets) en het milieu in hoofdstuk 6 (geluid, bodem, lucht e.d.). In hoofdstuk 7 is de juridische planopzet opgenomen en in hoofdstuk 8 en 9 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Hoofdstuk 1
7
2.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader, dat relevant is voor het plan, toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
2.1 Rijksbeleid 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te vervallen. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.
Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen.
Hoofdstuk 2
8
Doorwerking plangebied Onderhavig initiatief kan niet gezien worden als een ontwikkeling waarbij nationale belangen gemoeid zijn. De Nationale Omgevingsvisie heeft dan ook geen invloed op dit plan. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Doorwerking plangebied Het plangebied bevindt zich niet in een gebied dat door het Rijk is aangewezen als van nationaal belang. Het Barro vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 2.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen.
De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
Doorwerking plangebied In onderhavig geval wordt voorzien in de realisatie van een bedrijfshal met niet-zelfstandige kantoorruimte en 10 kleine bedrijfsunits op een perceel met een totale grootte van 6.480 m 2, te ontwikkelen als twee deelpercelen. De ontwikkeling van de locatie Bonegraaf-Oost is reeds in de regionale (RPW) en gemeentelijke plancapaciteit opgenomen. In de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 wordt namelijk aangegeven dat, wat betreft bedrijvigheid, het op de langere termijn noodzakelijk 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 2
9
is Bonegraaf-Oost te ontwikkelen Daarbij is de locatie Bonegraaf-Oost in het Regionaal Programma Werklocaties 2019-2024 opgenomen binnen de zachte plancapaciteit voor ontwikkeling van een lokaal gemengd bedrijventerrein voor 6,3 hectare netto. In 2020 en 2021 heeft het Regionaal Acquisitie Platform van de Regio Rivierenland adviezen gegeven over de ontwikkeling van Bonegraaf Oost. Het plangebied/bedrijventerrein als geheel – inclusief het perceel Dalwagen – zal nog ter advisering door Regionaal Acquisitie Platform / regio worden voorgelegd, naar verwachting eind april 2022. Voor de gehele locatie Bonegraaf-Oost is door Stec groep een Laddertoets opgesteld. Belangrijke conclusie in deze toets is dat: “De uitbreiding Bonegraaf-Oost past binnen de vraagaanbodverhoudingen in de bedrijfsruimtemarkt van het verzorgingsgebied. Bonegraaf-Oost voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor de doelgroep lokale bedrijven, kleinschalig en middelgrootschalig. Het terrein kent geen grote bovenlokale aantrekkende werking. De bedrijfsruimtemarkt binnen het verzorgingsgebied en in de directe omgeving functioneert bovendien gezond (weinig leegstand) en er is geen passend (alternatief) planaanbod in de directe omgeving beschikbaar.
We concluderen daarom dat de realisatie van de beoogde uitbreiding niet zal leiden tot overaanbod van bedrijventerreinen en/of zal leiden tot onaanvaardbare leegstand van bedrijfsruimte in de marktregio. Naar verwachting zullen er zich geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten voordoen”. Gezien onderhavig plangebied zich binnen dit gebied bevindt en de locatie in bestaand beleid reeds is meegenomen, wordt een planspecifieke Ladder niet noodzakelijk geacht. Andere belangrijke passages uit de Laddertoets worden hieronder beschreven. Voor de gehele Laddertoets wordt verwezen naar de bijlagen. In 2022 vindt herijking plaats van de regionale (rivierenland) ruimtebehoefte. Bonegraaf-Oost is een uitbreiding buiten bestaand stedelijk gebied Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is extra motivering vereist. Het plan maakt een ontwikkeling van een buitenstedelijk gebied naar een plan met een bedrijfsfunctie (bedrijventerrein) mogelijk. Er wordt geconstateerd dat de ligging van het plan – het grenst aan twee zijden direct aan bebouwing – mogelijk gezien kan worden als ‘binnen het bestaand stedelijk weefsel’ maar dat het vigerende bestemmingsplan geen stedelijke functie mogelijk maakt. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat er sprake is van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied.
Een extra afweging van alternatieven binnen buiten bestaand stedelijk is daarom noodzakelijk. Ruimtelijk verzorgingsgebied Het ruimtelijk verzorgingsgebied bestaat primair uit de gemeente Neder-Betuwe. Er kan geconcludeerd worden dat de reikwijdte van bedrijven met verhuisplannen grotendeels de gemeente Neder-Betuwe betreft. Van de in totaal 22 verhuisde bedrijven (nieuw oprichting niet meegerekend) komen slechts vijf bedrijven van buiten de gemeente Neder-Betuwe. Bedrijven verhuizen over het algemeen over een korte afstand en zijn vanwege uiteenlopende redenen gebonden aan de regio. Hierbij valt te denken aan personeel, de historische verbinding en relaties met andere bedrijven en de specifieke locatiekenmerken. De ruimtelijke effecten zijn ook afgebakend tot deze regio. Als de uitbreiding van Bonegraaf-Oost mogelijk wordt gemaakt zijn de eventuele ruimtelijke effecten hiervan hoofdzakelijk in Neder-Betuwe merkbaar en minder daarbuiten. Aan hand van het bovenstaande concluderen we dat het verzorgingsgebied voor de beoogde uitbreiding primair de gemeente NederBetuwe betreft en dus een lokaal karakter heeft.
Hoofdstuk 2
10
Behoefte aan Bonegraaf-Oost Geen hard planaanbod op bedrijventerreinen binnen het verzorgingsgebied De verwachte vraag binnen het verzorgingsgebied (Neder-Betuwe) wordt geconfronteerd met het planaanbod binnen deze zelfde regio. Het planaanbod ligt allemaal buiten het verzorgingsgebied van Bonegraaf-Oost. De bedrijventerreinen die het dichts bij liggen zijn Bedrijvenpark Medel in Tiel en Park15 in Overbetuwe. Beide terreinen kennen echter een compleet ander profiel dan het lokale profiel op Bonegraaf Oost. Beide genoemde locaties zijn grootschalige, regionale bedrijventerreinen bestemd voor overwegend grootschalige logistiek en industrie. Vanwege de locatiekenmerken van deze bedrijventerreinen spreken ze een andere doelgroep aan dan de uitbreiding Bonegraaf-Oost (middel- en kleinschalig). Er wordt daarom niet tot nauwelijks een relatie (en daarmee effecten) tussen deze plannen en het plan Bonegraaf-Oost voorzien. Confrontatie vraag-aanbod: behoefte van 12 tot 15 hectare t/m 2030 De behoefte binnen het verzorgingsgebied wordt bepaald op basis van de rekensom: vraag – aanbod = behoefte. Er wordt geconstateerd dat de vraag circa 12 tot 15 hectare bedraagt en dat er geen hard planaanbod binnen het verzorgingsgebied beschikbaar is. Dit betekent dat er in het verzorgingsgebied een kwantitatieve behoefte van 12 tot 15 hectare is.
De uitbreiding van Bonegraaf-Oost betreft een toevoeging van meerdere kleinschalige kavels ten behoeve van lokale bedrijvigheid. Behalve de beeldkwaliteitseisen zijn er geen specifieke regels en wordt er geen specifieke doelgroep aangesproken. Daarom wordt gekeken in hoeverre de uitbreidingsvraag in bestaand vastgoed kan worden opgevangen. Hiervoor is op basis van verschillende bronnen de leegstand binnen het verzorgingsgebied geanalyseerd. Uit de leegstandsanalyse2 blijkt dat er binnen het verzorgingsgebied verschillende panden op bedrijventerreinen leeg staan, het gaat in totaal om 27.706 m 2. Dit betreft al het bedrijfsvastgoed op bedrijventerreinen binnen het verzorgingsgebied (Neder-Beture & deel Overbetuwe) ongeacht omvang of gebruiksdoel. Dit aanbod laat zich daarom niet 1 op 1 vertalen naar mogelijkheden in bestaand stedelijk gebied. Immers, het vastgoed is divers qua omvang en functionaliteit. Een groot deel van het aanbod betreft kleinschalige kantoorruimte, wordt aangeboden voor deelverhuur en/of is gezien de ligging, leeftijd en vraaghuurprijs niet als courant modern vastgoed te bestempelen. Bovendien betreft het aanbod in het primaire verzorgingsgebied (gemeente Neder-Betuwe) circa 1,5% van de bestaande voorraad. Hiermee ligt de huidige leegstand op bedrijventerreinen in Neder-Betuwe onder een gewenste frictieleegstand van 5%.
Over het algemeen wordt een frictieleegstand van 5% als wenselijk gezien om de bedrijventerreinenmarkt naar behoren te laten functioneren en bedrijven voldoende schuifruimte te bieden. De leegstand in de gemeente Overbetuwe (buurgemeente, maar geen gemeente in Regio Rivierenland) is in absolute aantallen groter. Echter, ligt het totale leegstandspercentage in de gemeente Overbetuwe met 2-3% ook onder frictieniveau. Ook in de gemeente Overbetuwe is daarom geen sprake van problematische leegstand.
2
Die is opgenomen in de Laddertoets die voor de gehele locatie Bonegraaf-Oost is opgesteld door de Stec groep (17 maart 2020).
Hoofdstuk 2
11
Geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten door uitbreiding Bonegraaf-Oost verwacht De uitbreiding Bonegraaf-Oost past binnen de vraag-aanbodverhoudingen in de bedrijfsruimtemarkt van het verzorgingsgebied. Bonegraaf-Oost voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. De bedrijfsruimtemarkt binnen het verzorgingsgebied en in de directe omgeving functioneert bovendien gezond (weinig leegstand) en er is geen passend (alternatief) planaanbod in de directe omgeving beschikbaar. Er wordt daarom geconcludeerd dat de realisatie van de beoogde uitbreiding niet zal leiden tot overaanbod van bedrijventerreinen en/of zal leiden tot onaanvaardbare leegstand van bedrijfsruimte in de marktregio. Naar verwachting zullen er zich geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten voordoen.
2.2 Provinciaal beleid 2.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen: met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving; stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds; focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland; door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Doorwerking plangebied De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn.
2.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van februari 2022. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen: Tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
Hoofdstuk 2
12
Intrekgebied: waterbescherming, water, waterkwaliteit.
Ten zuiden van het plangebied ligt een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. In dit bestemmingsplan worden geen activiteiten toegestaan die een effect kunnen hebben op het kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. De verordening schrijft voor dat in het bestemmingsplan dat nieuwe activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maakt, een toelichting wordt opgenomen met een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.. In het plan worden maatregelen getroffen om de waterberging volledig te realiseren door aanleg van nieuw open water. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied is nieuw open water voorzien. Binnen het plangebied is er niet genoeg ruimte om te voorzien in de volledige bergingsopgave. Deze resterende bergingsopgave wordt elders in het peilgebied van waterschap Rivierenland gerealiseerd. Het centrale gebouw en de verhuurunits wateren direct af op open water. De terreinverharding watert via molgoten af naar een verzamelput en wordt vanaf daar ondergronds naar het open water getransporteerd. Zie ook paragraaf 4.11. Voor het plan is een landschappelijke inpassing gemaakt, zie paragraaf 3.2 waardoor de biodiversiteit in het plangebied vergroot wordt. Het initiatief is derhalve niet in strijd met de bepalingen uit de Omgevingsverordening.
2.2.3 Regionaal Programma Werklocaties 2019-2024 De regiogemeenten hebben (inmiddels), het Regionaal Programma Werklocaties Rivierenland 20202024 (RPW) vastgesteld. In 2022 vindt herijking van het RPW plaats op basis van een nieuwe vraagraming. Aanbod volgt vraag. De regio werkt met een regionaal afsprakenkader die aansluit bij de huidige economische ontwikkelingen die houdbaar zijn voor de toekomst. De regiogemeenten willen aansluiten bij de economische dynamiek en specifieke context van Regio Rivierenland. In 2022 wordt een nieuwe (tussentijdse) behoefte prognose uitgevoerd. Er zijn afspraken gemaakt over bedrijventerreinen en werklocaties. Doel is om vraag en aanbod regionaal op elkaar afgestemd te laten zijn, kwantitatief en kwalitatief. Dit is een voorwaarde voor nieuwe uitgifte op meer geschikte locaties. Rivierenland heeft zich ontwikkeld tot logistieke hotspot, vooral voor nationaal / Benelux georiënteerde distributieactiviteiten. Hiermee profiteert de regio van een centrale ligging, goede bereikbaarheid en moderne bedrijfslocaties (met name in Culemborg, Geldermalsen, Tiel en Zaltbommel). Bedrijven worden passend binnen de ruimtelijke structuur van de bedrijventerreinen in de regio gevestigd. Zo hoort grootschalige logistiek op een regionaal terrein dat hier qua ruimtelijke structuur, ontsluiting en korrelgrootte daadwerkelijk voor is geschikt.
Dit betekent ook dat een grootschalig bedrijf niet in een dorpskern wordt gevestigd maar op een passende locatie op bijvoorbeeld een (regionaal) bedrijventerrein. Lokale bedrijventerreinen bieden ruimte aan (lokale) relatief kleinschalige bedrijven, passend binnen de lokale ruimtelijke structuur. Hierbij is maatwerk en meer flexibiliteit, (vooruitlopend op de omgevingswet) het regionale uitgangspunt. Doorwerking plangebied De locatie Bonegraaf-Oost is in het RPW opgenomen binnen de zachte plancapaciteit voor ontwikkeling van een lokaal gemengd bedrijventerrein voor circa 6,3 hectare netto. Om deze zachte
Hoofdstuk 2
13
plannen ‘hard’ te maken dienen deze strikt te worden gemotiveerd. Het nut en noodzaak van het plan is omschreven in paragraaf 2.1.3. ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.
2.3 Gemeentelijk beleid 2.3.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 De structuurvisie is het strategisch document in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. Voor andere overheden kan de structuurvisie duidelijk maken hoe de gemeente het beleid van Rijk en provincie uitwerkt op gemeentelijk schaalniveau. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijk kader voor de afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet daartoe van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, het nemen van projectbesluiten, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van bestuursovereenkomsten. Tevens is de visie leidraad bij de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven. Ten aanzien van ‘werken’ ziet deze structuurvisie op de volgende doelstelling: ‘In 2020 is de eigen, kenmerkende werkgelegenheid, zoals lokale dienstverlening en transport behouden en zijn zelfs nieuwe bedrijfslocaties gerealiseerd. Bij de vier grootste kernen is ruimte voor bedrijven. De gemeente vindt dit in relatie tot de leefbaarheid van groot belang. Kleine bedrijven met een milieuvriendelijk karakter zijn mogelijk bij alle zes de kernen.
Grotere en/of hinderveroorzakende bedrijvigheid die niet past in een overwegende woonomgeving hebben hun plek gevonden op de bedrijventerreinen bij de vier grote kernen. Daarnaast hebben deze kernen voorzien in passende uitbreidingsruimte voor de bedrijven. (Sub)regionale bedrijven, zonder lokale binding, hebben een plek gevonden op het bedrijventerrein Medel of op een subregionaal bedrijventerrein. Vaak zal het gaan om categorie 4 bedrijven en hoger, zoals vermeld in de VNG-brochure.’ Doorwerking plangebied In de structuurvisie wordt aangegeven dat, wat betreft bedrijvigheid, het op de langere termijn noodzakelijk is Bonegraaf-Oost te ontwikkelen. De gewenste type bedrijvigheid (Staat van bedrijfsactiviteiten) betreft hier bedrijvigheid van categorie 2 tot en met 3b. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfshal met niet-zelfstandige kantoorruimte en 10 bedrijfsunits gerealiseerd. Een elektrotechnisch bedrijf heeft tevens kenbaar gemaakt graag het pand in gebruik te nemen. Een dergelijk bedrijf valt in milieucategorie 2 zoals vermeld in de VNG-brochure en past dus qua categorie binnen het gewenste type bedrijvigheid. Daarbij past het bedrijf ook qua schaal en milieuhinder bij de reeds aanwezige bedrijven op het terrein Bonegraaf.
Hoofdstuk 2
14
3.
PLANBESCHRIJVING 3.1 Huidige situatie De voorgestelde ontwikkeling vindt plaats aan de Dalwagen te Dodewaard, op de locatie BonegraafOost. Het plangebied ligt ten oosten van het reeds bestaande bedrijventerrein Bonegraaf. De locatie is gelegen ten noorden van de kern van Dodewaard en ligt ten zuiden van de Rijksweg A15. Het plangebied bestaat momenteel uit agrarische grond. Hierop bevindt zich momenteel een grasveld en een omheining van bomen en sloten. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan bestaande bedrijvenpercelen van het bedrijventerrein Dodewaard, aan de westzijde aan Dalwagen, aan de oostzijde aan agrarisch gebied in de vorm van grasland en aan de zuidzijde aan de Gieser Wildeman. In figuur 3.1 is een impressie van de huidige situatie weergegeven.
Figuur 3.1 Impressie huidige situatie (bron: Google Maps)
3.2 Voorgestane ontwikkeling De functiewijziging behelst het omzetten van de huidige agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming. Onderhavig bestemmingsplan richt zich op het mogelijk maken van een bedrijfshal met niet-zelfstandige kantoorruimte en 10 bedrijfsunits met bijbehorende infrastructuur. De bedrijfshal zal een oppervlak van circa 599 m2 beslaan en het kantoor 291 m2. In totaal zullen de bedrijfsunits een oppervlak beslaan van 1.737 m2. Voor de bedrijfsunits wordt nog gezocht naar een passende invulling. De bedrijfshal en het kantoor zullen in gebruik worden genomen door een elektrotechnisch bedrijf. In de verdere uitwerking van het plan (waarbij onder andere de aspecten parkeren en milieuzonering in ogenschouw worden genomen) zal rekening worden gehouden met deze invulling. Terreininrichting De terreininrichting is gericht op het functioneren van de toekomstige (gebruikers). Het terrein heeft twee afzonderlijke in-/uitritten aansluitend op de Dalwagen. Op het terrein worden 56 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de oostzijde is ruimte voor opstel-, laad- en losruimte voor vrachtwagens. De verhardingen worden uitgevoerd in betonstraatsteen, waarvan een deel uitgevoerd wordt in een openbestrating bijvoorbeeld ncb klinkers.
Hoofdstuk 3
15
Landschappelijke inpassing Voor het plan is een landschappelijke inpassing gemaakt. Deze is tevens in de bijlagen bij de regels en toelichting opgenomen. Om het bedrijventerrein zo goed mogelijk in de omgeving in te passen, aan te laten sluiten bij Bonegraaf-Oost, en de groene structuren uit de omgeving door te laten lopen tot binnen het plangebied, is een plan opgesteld waarbij veel aandacht uitgaat naar deze groene structuren. Zo wordt er een verscheidenheid aan lager en hoger groen in het plangebied ingepast en wordt het plangebied van omringende percelen gescheiden door de aanleg van hagen of bomenrijen. In het kader van een optimalisatie van het waterbeheer is extra waterberging gecreëerd aan de zuidzijde. In de middenzone van het parkeerterrein wordt een rij bomen aangeplant van de tweede grootte (Rode Esdoorn) die vrijuit mogen groeien in een geschoren blokhaag van Liguster aangeplant. Aan de Dalwagen zijde worden enkele solitair bomen aangeplant zoals, kers, els en amberboom. Voor de bomen in de middenstrook worden ruime plantplaatsen gerealiseerd. De plantstrook wordt aangevuld met teelaarde en onder de aansluitende (open) bestrating wordt bomenzand toegepast, waardoor per boom 12 m3 door wortelbare ruimte ontstaat. De plantplaatsen in de groenstrook worden over een oppervlakte van 9 m2 (3x3) 1.00m1 losgewerkt en verschraald.
De buitenranden aansluitende op de watergangen worden ingezaaide met een bloemrijk kruidenmengsel (De Cruydthoek G2) in combinatie met solitaire heesters, waaronder els, hazelaar, Gelderse roos .e.a. Het beheer wordt uitbesteed aan een partij die ervaring heeft met het beheren van een bloemrijk kruidenmengsel, omdat het gaat om maatwerk wanneer ga je maaien, hoe vaak ga je maaien (in de begintijd moet het soms vaker) en maai je gefaseerd of niet. De erfafscheiding aan de westzijde wordt beplant met een gemengde haag bestaande uit hazelaar, Gelderse roos, Spaanse aak en vuilboom. Het pad naar de hoofdentree wordt begeleid door een geschoren haag van beuken. In figuur 3.2 is de landschappelijke inpassing weergegeven en in figuur 3.3 is een impressie van de toekomstige bebouwing weergegeven. De Landschappelijke inpassing met plantlijst is ook opgenomen in de bijlagen.
Hoofdstuk 3
16
Figuur 3.2 Landschappelijke inpassing (bron: Lindeloof Tuin en Landschapsarchitecten)
Figuur 3.3 Impressie toekomstige bebouwing (Bron: Huibers Architectuur)
Hoofdstuk 3
17
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Met de ontwikkeling neemt de verkeersintensiteit toe en dienen voldoende parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarbij dient te worden voldaan aan de norm als gesteld in de gemeentelijke parkeernormen. 4.1.1 Verkeersgeneratie Door het plangebied te bestemmen als bedrijf en de bedrijfsvormen toe te laten zoals ze binnen de bestemming ‘Bedrijf’ zijn toegestaan dient er met een worst-case scenario rekening te worden gehouden. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ zijn de volgende bedrijfsvormen toegestaan: bedrijven, categorie 2 tot en met 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; groothandel; detailhandel, als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen; kantoren, uitsluitend niet-zelfstandige kantoren; horeca, uitsluitend ondersteunde horeca. Het plangebied bevindt zich in een ‘niet stedelijke’ gemeente in het buitengebied. Rekening houdend met de kencijfers van het CROW voor de hoofdgroep Werken en bovenstaande toegestane activiteiten, wordt de hoogst mogelijke verkeersgeneratie gegenereerd door een arbeidsintensief en bezoekersextensief bedrijf (industrie, laboratorium, werkplaats) of te wel een worstcase benadering. Functie
Norm verkeersgeneratie o.b.v. CROW, inclusief vrachtverkeer
Bedrijf ‘arbeidsextensief / bezoekersextensief’,
5,7 mvt/etmaal per 100 m2 bvo
bijvoorbeeld loods, opslag of transportbedrijf ‘Arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf (industrie,
10,9 mvt/etmaal per 100 m2 bvo
laboratorium, werkplaats)’
De verkeersgeneratie van een dergelijke functie bedraagt, op basis van de CROW, maximaal 10,9 mvt/etmaal per 100 m2 bvo. De totale toekomstige bebouwing zal maximaal 3.000 m2 bvo beslaan, met een maximale verkeersgeneratie van 327 mvt/etmaal, inclusief vrachtverkeer. Voor het vrachtverkeer is gerekend met een percentage van 10%. Het plangebied wordt ontsloten aan de Dalwagen. Deze weg gaat noordelijk op in de Bonegraafseweg. De Dalwagen is de gebiedsontsluitingsweg van het dorp Dodewaard. De verkeersintensiteit (bron: Verkeersmodel 2017) op het omliggende wegennet bedraagt circa 3.500 – 4.500 mvt/etmaal. De capaciteit van de Dalwegen tussen Gieser Wildeman en de Einsteinstraat is zo’n 6.000 mvt/etmaal. De Dalwagen zit nog niet aan de maximale capaciteit. Het omliggende wegennetwerk kan de extra verkeersgeneratie daarom prima opvangen.
Hoofdstuk 4
18
4.1.2 Parkeren De parkeernormen zijn vervat in de ‘Nota Parkeernormen Neder-Betuwe’. Op basis van deze parkeernormen geldt voor een bedrijfsverzamelgebouw een norm van 2,2 parkeerplaatsen per 100 m 2 bvo, voor een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf (zoals een loods, opslag of transportbedrijf) een norm van 1,3 parkeerplaatsen per 100 m 2 bvo (exclusief het parkeren van vrachtwagens) en een norm van 2,8 parkeerplaatsen per 100 m 2 bvo voor een kantoor zonder baliefunctie. Op basis van het volgende programma zijn er in totaal 55 parkeerplaatsen benodigd (zie navolgende tabel): 599 m2 bvo opslag; 1.737 m2 bvo bedrijfsverzamelgebouw; 291 m2 kantoor. Functie
Oppervlakte
Norm
Benodigd aantal
Opslag
599 m2
1,3 parkeerplaatsen per
parkeerplaatsen 7,787
2
100 m bvo Bedrijfsverzamelgebouw
1.737 m
2
2,2 parkeerplaatsen per
38,214
100 m2 bvo Kantoor (zonder baliefunctie)
291 m2
2,8 parkeerplaatsen per
8,148
100 m2 bvo Totaal aantal benodigde
2.627 m2
55
parkeerplaatsen (afgerond)
Er worden op eigenterrein 57 parkeerplaatsen voorzien.
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden gegeven in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader zijn de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Onderhavige ontwikkeling maakt geen geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk, er is dan ook geen akoestisch onderzoek nodig.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Hoofdstuk 4
19
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Invloed initiatief op luchtkwaliteit Met de NIBM-tool is berekend wat in een worst-case scenario de fijn stofbelasting (PM10) en stikstofdioxide (NO2) is in μg/m3.
Uitgaande van een totaal aantal van 256 extra voertuigbewegingen per dag (zie paragraaf 4.1.1), kan geconcludeerd worden at de bijdrage van alle voertuigbewegingen niet in betekenende mate bijdragen aan hoge concentraties fijn stof en stikstofdioxide (zie figuur 4.1). Een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit 4.3.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Figuur 4.1 NIBM Berekening
Hoofdstuk 4
20
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Omgevingstype Bij de beoordeling van de hinder vanuit het plangebied op omliggende milieugevoelige objecten/ bestemmingen is de vraag binnen welk gebiedstype de betreffende objecten liggen.
Het gaat hierbij om woningen aan de rand van de nabijgelegen woonwijk, aan de wegen Gieser Wildeman en Brederode en om twee woningen ten zuiden van het plangebied aan de weg Dalwagen. De laatstgenoemde woningen aan de weg Dalwagen zijn ingeklemd tussen enerzijds een sportcomplex met sportvelden (oostelijk, zuidoostelijk), een brandweerkazerne (zuidelijk) en het bestaande bedrijventerrein (westelijk). Noordelijk van deze woningen zijn nu nog agrarische gronden gelegen. Gezien de aanwezigheid van meerdere verschillende stedelijke functies direct nabij deze woningen, is het evident dat deze woningen binnen het gebiedstype ‘gemengd’ gebied gelegen zijn.
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
21
Voor de woningen aan wegen Gieser Wildeman en Brederode is dit minder evident het geval. Ten aanzien van deze woningen in nader beoordeeld welke functies in de omgeving gelegen zijn. Naast de betreffende woningen is een sportcomplex met sportvelden gelegen. De woningen zijn bovendien op relatief korte afstand van het bestaande bedrijventerrein (minimaal 140 meter) en boomteeltvelden/agrarische gronden (minimaal 50 meter) gelegen. Ten slotte is op wat grotere afstand (minimaal 300 meter) de Rijksweg A15 gelegen met ten noorden daarvan de Betuwespoorlijn. Hoewel deze op wat grotere afstand gesitueerd is, is deze grootschalige hoofdinfrastructuur wel van invloed op het woon- en leefmilieu op een dergelijke afstand en is de aanwezigheid hiervan relevant te noemen voor de beoordeling van het toepasselijke gebiedstype.4 In figuur 4.2 zijn de diverse functies in de omgeving zichtbaar. Er is sprake van een grote variëteit aan functies in de directe omgeving van het plangebied en ook binnen korte afstand van de betreffende woningen. In lijn met jurisprudentie op dit punt5 kan gezien de bestaande feitelijke en planologische situatie in de omgeving van de woningen worden gesproken van een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Daarmee is er sprake van een ‘gemengd gebied’. Ditzelfde geldt ook voor het plangebied zelf.
Bij het bepalen van de richtafstanden dient ten opzichte van de woningen aan de Dalwagen, Gieser Wildeman en Brederode te worden uitgegaan van het gebiedstype ‘gemengd gebied’. De richtafstanden kunnen met één afstandsstap worden verkleind.
Figuur 4.2 Functies in de omgeving van het plangebied, met plangebied in rood kader (bron: ruimtelijkeplannne.nl, bewerking Dentons Europe LLP en BRO)
Hinder vanuit plangebied Het plan bestaat uit de uitbreiding van een elektrotechnisch bedrijf: Sterk elektrotechniek. Het bedrijf richt zich een alle elektricienvraagstukken (op locatie bij de klant) die een klant kan hebben. Conform de VNG-publicatie valt een dergelijk bedrijf in de categorie ‘Persoonlijke dienstverlening n.e.g.’. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 10 meter voor geluid. Voor een gemengd gebied kan deze afstand worden verlaagd naar 0 meter. Voor de invulling van het plangebied is gekeken naar een worst-case scenario aangezien de invulling van de units nog niet bepaald is.
4 5
Vgl. ABRvS 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3726. O.a. ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3095), ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1130 en ABRvS 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2760)
Hoofdstuk 4
22
Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ zijn de volgende bedrijfsvormen toegestaan: bedrijven, categorie 2 tot en met 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; groothandel; detailhandel, als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen; kantoren, uitsluitend niet-zelfstandige kantoren; horeca, uitsluitend ondersteunde horeca. Op basis van het bovenstaande geldt een grootste richtafstand van 100 meter. Voor een gemengd gebied kan dit met een trap verlaagd worden tot 50 meter. Het bedrijventerrein is inwaarts gezoneerd. Op het noordelijk deel (met een minimale afstand van 50 meter tot de woningen) wordt milieucategorie 3.2 toegestaan. En op het zuidelijke deel milieucategorie 3.1, zodat op basis van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ voldaan wordt aan de richtafstanden. Hinder van andere bedrijven Naast hinder die bedrijven kunnen veroorzaken op omliggende gevoelige objecten (woningen) zijn er ook mogelijke bedrijven die van invloed zijn op de nieuwe bestemming. Er is geen sprake van gevoelige objecten in het kader van het aspect geluid. Ten noorden van het plangebied bevindt zich het bedrijf Polytech Dodewaard. Het bedrijf Polytech Dodewaard richt zich op het fabriceren van kunststoffen elementen voor vrachtwagens (zonder fenolharsen).
Conform de VNG-publicatie bevat een dergelijk bedrijf (sbi-2008 code 222.1, zie tabel) een grootste richtafstand van 200 meter voor geur (industrieel) en 100 meter voor gevaar voor een rustige woonwijk. Voor een gemengd gebied bedragen de afstanden respectievelijk 100, 50 en 50 meter. De productiefaciliteit met milieucategorie 4.1 bevindt zich in het oostelijk bestaande deel van het bedrijfsgebouw. Door Cauberg-Huygen6 is een onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat enige geurbelasting van het bedrijf alleen direct rond de bedrijfslocatie plaatsvindt. Derhalve is onevenredige hinder binnen het plangebied uitgesloten. Het aspect gevaar wordt beschreven in de paragraaf ‘Externe veiligheid’ (par. 4.7). Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen aan de orde zijn. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat hinder van omliggende bedrijven niet aan de orde is en geen belemmering voor het plan vormt. 4.4.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen vanuit ‘bedrijven en milieuzonering’.
4.5 Geur 4.5.1 Toetsingskader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank
6
Geuronderzoek inrichting Polytech Beheer te Dodewaard, rapport 2006.0436-1, 14 maart 2006
Hoofdstuk 4
23
veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde ‘omgekeerde werking’ in het kader van de ruimtelijke ordening. Woningen zijn geurgevoelige objecten waardoor er gekeken dient te worden naar omliggende veehouderijen en de eventuele geurhinder die ze kunnen veroorzaken. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. 4.5.2 Onderzoek Er zijn geen veehouderijen gelegen in de omgeving waarvan de geurcontouren tot over het plangebied reiken. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan het adres Kerkstraat 25, op een afstand van circa 370 meter tot het plangebied. Deze veehouderij ligt echter achter de bebouwde kom van Dodewaard en het plangebied wordt dus door bebouwing afgescheiden van deze veehouderij. 4.5.3 Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.
Hoofdstuk 4
24
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek Onderzoek risicobronnen Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron. Op grond van de planregels wordt bovendien binnen de bestemming Bedrijventerreinen een risicovolle inrichting beschouwd als strijdig gebruik. Uit de provinciale risicokaart, de Regeling Basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen: het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water; het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen; het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi; de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. In de omgeving van het plangebied zijn weliswaar 2 risicovolle inrichtingen gelegen, namelijk een opstelplaats voor tankauto’s aan de Industrieweg 9 en een gasflessendepot aan de Industrieweg 15. Deze inrichtingen liggen op respectievelijk 230 en 240 meter van het plangebied. Voor de opstelplaats voor tankauto’s geldt een risicoafstand (PR 10-6) van 23 meter en voor het gasflessendepot geldt een risicoafstand van 0 meter. Hier wordt aan voldaan.
Het plangebied ligt wel binnen de invloedsgebieden van twee basisnetroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor: de A15 en de Betuweroute. De (beperkt) kwetsbare objecten die met het ruimtelijke besluit mogelijk worden gemaakt, liggen verder geheel buiten de 200 meter zone van die transportroutes. Over deze transportroutes worden onder andere brandbare gassen en toxische stoffen (vloeistoffen en gassen) vervoerd. Bij een calamiteit met deze stoffen zijn een (warme) BLEVE (= boiling liquid expanding vapour explosion) en/of een toxische wolk de maatgevende scenario´s.
Hoofdstuk 4
25
Op grond van het Bevt moet in het ruimtelijk besluit voor dergelijke situaties worden ingegaan op: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg en die spoorweg; de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg of spoorweg een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 20 oktober 2021 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) “zeer kwetsbaar gebouw”, bestemd voor verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied.
Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen door de brandweer worden bestreden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit met toxische- en brandbare stoffen is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen. 4.7.3 Conclusie De mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid zijn voldoende. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal
Hoofdstuk 4
26
als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het document 'Spelregels EHS'. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.