Bijlage 1 - Toelichting
Tekst van het document
5.7
Watertoets
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: •
28
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het Nationaal Waterplan beschrijft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland, ook voor toekomstige generaties, veilig en leefbaar te houden. Daarnaast richt het plan zich op de kansen die water biedt beter te benutten. Waterbeleid Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2016-2021 (WBP) van Waterschap Rivierenland heeft als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om de lange termijn doelen te bereiken voor waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap. Het WBP beschrijft wat het waterschap in de planperiode 2016-2021 willen bereiken en hoe ze dat willen doen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Voor nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied is de Watertoets een belangrijk instrument. De watertoets blijft een belangrijk instrument om bij ruimtelijke ontwikkelingen de belangen van goed waterbeheer mee te wegen.
Er mag in de toekomst geen nieuwe overlast (door bijvoorbeeld toename van verharding) ontstaan. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden. Bij de watertoets hebben we ook oog voor drinkwater, grondwater en beleving van water. De watertoets is ook een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de voorliggende waterparagraaf worden de resultaten van de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg te zijner tijd opgenomen.
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)
29
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk. Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 (GRP) maakt de gemeente inzichtelijk op welke wijze binnen de aangegeven planperiode de riolerings- en watertaken zal invullen, welke werkzaamheden er worden uitgevoerd, wat dit kost én op welke manier deze kosten worden gedekt. Ook een lange termijn doorkijk maakt onderdeel uit van het plan. Water moet in een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming als een mede ordenende factor worden meegenomen. Bij nieuwe ontwikkelingen speelt water zelfs al een belangrijke rol in de locatiekeuze. Op deze manier wordt vroegtijdig zicht verkregen op de gevolgen voor het watersysteem en de restricties voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder is het nodig dat nieuwe ontwikkelingen hydrologisch neutraal worden aangelegd. Het realiseren van ruimte voor water is een volwaardig onderdeel van de grondexploitatie. De gekozen (hemel)waterstructuur wordt in bestemmingsplannen planologisch veiliggesteld.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat een voornemen geen negatieve effecten mag hebben op het functioneren van het watersysteem, zowel in kwantitatieve zin als in kwalitatief opzicht. Concreet betekent dit dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter is dan in de uitgangssituatie; 2. De omvang van de grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. De grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren; 4. De grondwaterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf; 5. Het plangebied zo moet worden ingericht dat de gevolgen op de (grond)waterstanden niet leiden tot knelpunten in of rondom het plangebied. Planspecifiek De voorgenomen bedrijfsverplaatsing gaat gepaard met de bouw van een nieuwe bomenloods, een tunnelkas en een bedrijfswoning. In de nieuwe situatie zal 1.250 m² aan bebouwing (woning, tunnelkas en bomenloods) en 250 m2 aan terreinverharding worden toegevoegd. Ten zuiden van het plangebied liggen een A-watergang. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied.
Bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes daarop in mindering worden gebracht. Dit is bij de voorliggende situatie het geval. Van de toename verhard oppervlak van 1.500 m² is vanwege de ligging in landelijk gebied eenmalig 1.500 m2 vrijgesteld. In het geval de verharding bij de planuitwerking, bijvoorbeeld door toename van terreinverharding groter zal zijn geldt dat de hoeveelheid dat 1.500 m2 te boven zal gaan, moet worden gecompenseerd volgens de volgende rekenmethode. De maximale afvoer van water uit het plangebied mag niet meer zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke afvoernorm). Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met een ontwerpbui T=10+10% neerslag; vuistregel hierbij is 436 m³ berging per hectare verhard oppervlak. De vereiste compensatie wordt aan de hand van de vuistregels berekend. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³). De berekening is dan als volgt: Bij T=10+10% neerslag: Benodigde compensatie = (Toename verhard opp. - vrijstelling) / 10.000 * 436
30
bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Te treffen voorziening Er moeten in dat geval voorzieningen worden getroffen om de benodigde compensatie te realiseren. Bij berging op het oppervlaktewater, mag gerekend worden met 30 cm berging capaciteit. Op het terrein is voldoende ruimte beschikbaar om bijvoorbeeld een waterberging aan te leggen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter verzekering van de aanleg van voldoende waterberging/ compensatie. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
5.8
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden. Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages.
Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Planspecifiek Het deel van het perceel van de Rijnbandijk ong, waarop de bedrijfswoning, tunnelkas en de bomenloods worden gebouwd, heeft de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3. Voor deze gronden geldt een vrijstelling tot max. 10.000 m² en een diepte tot 30 cm -mv. De oppervlakte van de bedrijfswoning, bomenloods en tunnelkas samen overschrijdt de 10.000 m² niet. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)
31
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Uitsnede archeologische beleidskaart 2016 (bron: gemeente Neder-Betuwe)
5.9
Verkeer en parkeren
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Dit is een criterium dat daarbij ook voortvloeit uit de criteria die gesteld worden vanuit de "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen". Planspecifiek Het perceel is aan de Rijnbandijk gelegen. Het perceel in casu is reeds in gebruik als kwekerij. Door het opnemen van een bouwvlak op dit perceel, waarbij een bedrijfswoning en een bomenloods worden toegestaan, zal het aantal verkeersbewegingen licht stijgen naar schatting maximaal 50 verkeersbewegingen per dag als gevolg van de nieuwe woning en loods. Deze verkeersgeneratie is gebaseerd op de bestaande bedrijfsvoering in combinatie met de gegevens van het CROW voor één vrijstaande woning (8 motorvoertuigen per etmaal). Omdat het echter een bestaande kwekerij betreft is er geen sprake van een onevenredige toename. Het terrein is ontsloten op een zijweg van de Hoofdstraat. Deze zijweg is aangesloten op de Rijnbandijk die op haar beurt is aangesloten op de Hoofdstraat. De Hoofdstraat is een gebiedsontsluitingsweg en heeft een grote capaciteit. Met de beoogde ontwikkeling wijzigt de wijze van ontsluiting niet. Vanuit parkeren zal het plan voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid (Parapluregeling Parkeren).
In dit beleid wordt een parkeernorm gehanteerd van 2,8 parkeerplaatsen per woning en 1,3 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. (categorie arbeidsextensief / bezoekersextensief). De toekomstige bomenloods en tunnelkas hebben tezamen een omvang van 1.050 m². Voor het bedrijf is een norm van (1,3*10.5) 13,65 van toepassing. Gezamenlijk geldt voor dit plan een parkeerbehoefte van afgerond 17 parkeerplaatsen. Gelet op de toekomstige bedrijfsactiviteit (het gebruik van één loods als opslaglocatie) zal de behoefte in de praktijk echter (ruim) onder de 17 liggen. Op het eigen terrein is desalniettemin voldoende ruimte aanwezig voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. De aanleg van de parkeerplaatsen conform het gemeentelijk beleid zal worden geborgd in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting. Ten aanzien van het aspect verkeer is het plan uitvoerbaar.
32
bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
5.10
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Gebiedsbescherming De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd: •
Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
•
beschermde Natuurmonumenten;
•
wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is het Gelders Natuurnetwerk (GNN, voorheen EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Het GNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het GNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
•
verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
•
verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Op de locatie aan de Rijnbandijk is in de huidige situatie sprake van het gebruik van de agrarische gronden voor boomteelt. Er is hiermee sprake van een (reeds langere tijd) intensief agrarisch gebruik.
Om deze reden is de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied niet waarschijnlijk en heeft bouwfase en gebruiksfase van de woning en loods geen nadelige gevolgen voor in de omgeving aanwezige Natura-2000 gebieden. Om hierover zekerheid te krijgen is zowel een stikstofberekening als ook een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, welke zijn opgenomen in bijlage 3 en 4.
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)
33
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Gebiedsbescherming Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning en bomenloods is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename, (groter dan 0,00 mol/ha/jaar) van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Voor het project is daarom een AERIUS berekening opgesteld. Een concreet bouwplan is nog niet beschikbaar. De berekening in het kader van de herziening van het bestemmingsplan gaat uit van een algemeen bouwproces.
Het uiteindelijk bouwplan en het daarbij horende bouwproces kan tot een andere stikstofdepositie leiden.De uitgangspunten, resultaten en conclusie van deze berekening is als bijlage aan deze toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt: Uit de stikstofberekening blijkt dat de aanlegfase niet leidt tot een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De verklaring hiervoor is gelegen in het feit dat de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden circa 1,1 km bedraagt. Gelet hierop en gelet op het eenmalige karakter van de aanlegfase, heeft de depositie van de aanlegfase geen meetbaar of merkbaar effect op de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen binnen deze Natura 2000gebieden. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca. 1,1 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. Omdat het inzicht in de stikstofdepositie nodig is voor één ruimtelijk besluit dat betrekking heeft op aanlegfase en gebruiksfase zijn beiden opgenomen in één berekening. Dit totaal bleek geen depositie te hebben van meer dan 0,00 mol/ha/jaar.
De stikstofdepositie ter plaatse van de dichtsbijgelegen Natura-2000 gebieden kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Soortenbescherming Met de quickscan flora en fauna, dd 21 april, IJzerman advies 2020 is onderzoek gedaan naar de effecten van de beoogde ontwikkeling op aanwezige natuurwaarden in het bijzonder de soorten. De quick scan is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De belangrijkste conclusie luidt als volgt: Flora Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht door een ervaren vegetatiekundige, op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied en worden hier ook niet verwacht. Ongewervelden Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen, kevers en mieren, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De bouwlocatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matig-voedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties.
Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen.
34
bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Amfibieën, vissen en reptielen Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Gelderland. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Broedvogels Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming. U dient daarom gedurende de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels.
Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Op de planlocatie staan enkele coniferen en een kersenboom. Hierin kunnen mogelijk algemene vogelsoorten tot broeden komen. Bij eventuele kap wordt aangeraden dit buiten het broedseizoen te doen. Zoogdieren Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locaties kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Gelderland tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober.
De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten. Op de planlocatie staan geen bomen of bebouwing. Potentiële vaste verblijfslocaties voor vleermuizen ontbreken op de locatie. Als foerageergebied heeft het gebied geen substantiële functie voor vleermuizen. In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipi-strellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken. De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is daarmee aangetoond.
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)
35
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
5.11
Leidingen
Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet daarnaast rekening worden gehouden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De afgelopen jaren is hier meer aandacht voor. Dit komt omdat er statistische aanwijzingen zijn dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed zijn op de gezondheid van kinderen. Voorkomen moet worden dat nieuwe gevoelige functies binnen de magneetveldzone van 0,4 microTesla liggen. Dit blijkt uit het advies van het Rijk uit 2005 en de toelichtende brief van 2008 over bovengrondse hoogspanningslijnen. In de brieven van 2005 en 2008 is toegelicht dat bestemmingen waar kinderen (tot 15 jaar) langdurig kunnen verblijven worden aangemerkt als gevoelig. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen.
'Zoveel als redelijkerwijs mogelijk' houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. Op de Netkaart van het RIVM zijn indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. In de nabijheid van het plan zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig.
5.12
Explosieven
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Gemeente Neder-Betuwe heeft op basis van literatuuronderzoek en historische bronnenmateriaal de risico’s op het voorkomen van explosieven uitgezocht. Uit het rapport Vooronderzoek Gemeente Neder-Betuwe (AVG Explosieven Opsporing Nederland, Rapport 1662057-VO-02, 28 maart 2017) blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. De risico’s op het voorkomen van explosieven in verdachte en niet-verdachte gebieden, is weergegeven op een CE-bodembelasting-kaart. Omdat de gehele gemeente verdacht is, adviseert de gemeente dat iedereen die werkzaamheden in de bodem verricht, de bodembelastingkaart uit het Vooronderzoek raadpleegt. Dit om op projecten/of straatniveau, kennis te nemen van de risico’s op het voorkomen van explosieven en in het kader van de Arbowetgeving hiermee rekening te houden door maatregelen te treffen.
36
bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Planspecifiek
Uitsnede kaart bodembelasting (bron: gemeente Neder-Betuwe) Op de bodembelasting-kaart is te zien dat het plangebied, zoals bijna de gehele gemeente, verdacht is op artillerie-, mortier- en raketbeschieting. Daarnaast is ter plaatse van het plangebied ook sprake van een verdacht gebied op geschutstelling. Omdat de locatie verdacht is op het voorkomen van niet gesprongen explosieven, is een detectierapport conform de WSCS-OCE uitgevoerd. Het rapport is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: “Het opsporingsgebied is onderzocht op de aanwezigheid van CE. Het opsporingsgebied heeft een totaaloppervlak van ca. 3.800m² waarvan 3.400m² non-realtime, en 400m² realtime is onderzocht. Er zijn 31 verdachte objecten benaderd die voldoen aan de gestelde criteria. Hierbij zijn geen (restanten van) CE aangetroffen. Met de door ons gebruikte zoekmethodiek zijn na het verwijderen van de objecten geen overige significante objecten welke overeenkomen met die van een CE meer aangetroffen” Er zijn geen belemmeringen vanuit niet-gesprongen explosieven.
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)
37
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Kostenverhaal Er is sprake van een bouwplan volgens artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waar op basis van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan voor dient te worden vastgesteld. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is bedoeld om de gronden die onderdeel zijn van de nieuwbouwwijk Herenland verder te kunnen invullen met woningbouw. Voor dit plan worden de kosten gedragen door de exploitatie van de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk Herenland. De kosten worden gedragen door de grondexploitatie van Herenland. De ontwikkeling is daarmee economisch uitvoerbaar.
38
bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Hoofdstuk 7 7.1
Het juridisch plan
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
7.2
Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
7.3
Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt Hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
•
Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
•
Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
•
Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
•
Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
•
Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
•
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)
39
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
7.4
Toelichting afzonderlijke bestemmingen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
40
•
'Agrarisch met waarden - 1' waarbij de functie grondgebonden agrarisch gebruik wordt neergelegd en dat parkeren op eigen terrein wordt gerealiseerd.
•
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3’. Deze dubbelbestemming heeft ten doel bescherming van van toepassing zijnde waarden. In het kader van archeologie heeft dit betrekking op de toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in de bodem voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
•
De dubbelbestemming 'Cultuurhistorisch waardevol gebied 2’ is toegekend aan de als zodanig geïnventariseerde terreinen van cultuurhistorische waarde ten oosten van Kesteren. De bestemming maakt de werkzaamheden gericht op het herstel van verdwenen cultuurhistorische warden mogelijk. Om deze waarden te beschermen is een stelsel aanlegvergunningen opgenomen.
bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Hoofdstuk 8
Overleg, inspraak en zienswijze
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er voor belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, de mogelijkheid in beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.1
Overleg
Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de provincie en het waterschap. De vooroverlegreacties zijn beschreven in de bijlage Eindverslag inspraak en vooroverleg die als bijlage aan het plan is toegevoegd.
8.2
Verslag inspraak
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 24 juni 2020 tot en met 23 juli 2020 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er 2 inspraakreacties tegen het plan ingediend. De inspraakreacties zijn behandeld en beantwoord. Het Eindverslag inspraak en vooroverleg is als bijlage aan de toelichting toegevoegd.
8.3
Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van XX tot XX ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er XX zienswijzen tegen het plan ingediend.
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)
41
Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren
Bijlagen bij de toelichting
42
•
Bijlage 1: Quickscan wegverkeerslawaai, uitgevoerd d.d. 17 maart 2020 door Omgevingsdienst Rivierenland
•
Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd. d.d. 23 maart 2020 door Verhoeven Milieutechniek B.V.;
•
Bijlage 3: Aerius berekening, uitgevoerd d.d. 12 mei 2020 door BuroGkracht VOF;
•
Bijlage 4: Quickscan Flora en Fauna, uitgevoerd d.d. 21 april 2020 door IJzerman Advies
•
Bijlage 5: Proces-verbaal van oplevering explosievenopsporing, uitgevoerd d.d. 7 september 2020 door Euro Radar
•
Bijlage 6: Eindverslag inspraak en vooroverleg, dd 6 oktober 2020
bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)