CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting

Raadsvergadering 25 maart 2021, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Rijnbandijk ong. Kesteren’14.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NL.IMRO.1740.bpKErijnbandijk-ont1

Bestemmingsplan "Rijnbandijk ong. Kesteren” Ontwerp

21 oktober 2020

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

2

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 Aanpak 1.4 Vigerend bestemmingsplan 1.5 Leeswijzer

6 6 6 7 7 8

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1 Karakteristiek van de omgeving 2.2 Het plangebied

9 9 9

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Ontstaansgeschiedenis 3.2 Ruimtelijke structuur 3.3 Functionele structuur 3.4 Afwijkingen van het vigerend bestemmingsplan

10 10 10 11 12

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid

13 13 14 16

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Geluid 5.2 Luchtkwaliteit 5.3 Externe veiligheid 5.4 Bodem 5.5 Geur 5.6 Bedrijven en milieuzonering 5.7 Watertoets 5.8 Archeologie en cultuurhistorie 5.9 Verkeer en parkeren 5.10 Ecologie 5.11 Leidingen 5.12 Explosieven

22 22 23 23 25 26 27 28 31 32 33 36 36

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

38

Hoofdstuk 7 Het juridisch plan 7.1 Algemeen 7.2 Verbeelding 7.3 Planregels 7.4 Toelichting afzonderlijke bestemmingen

39 39 39 39 40

Hoofdstuk 8 Overleg, inspraak en zienswijze 8.1 Overleg 8.2 Verslag inspraak 8.3 Verslag zienswijzen

41 41

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

41

3

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

4

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Toelichting

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

5

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doelstelling

Een ondernemer is in de huidige situatie met zijn agrarische bedrijf gevestigd aan de Hamsestraat 73 in Opheusden. In verband met volkshuisvestelijk belang van de gemeente Neder-Betuwe is het noodzakelijk dat het bedrijf zich naar een andere daarvoor geschikte locatie elders binnen de gemeente verplaatst. De onderneming zit namelijk de verdere ontwikkeling van de woningbouwlocatie Herenland in de weg. De initiatiefnemer is nu voornemens om aan de Rijnbandijk (ongenummerd) een nieuw agrarisch bouwvlak te vestigen ten behoeve van een bomenloods, tunnelkas en één bedrijfswoning. Deze verplaatsing past niet in het geldend bestemmingsplan. Een herziening van het geldend bestemmingsplan is noodzakelijk. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Rijnbandijk in het buitengebied van de kern Kesteren. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

Luchtfoto ligging plangebied (bron: Google Maps, 2020)

6

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

1.3

Aanpak

Het initiatief past niet in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Kesteren. Voor het plan is voorliggend bestemmingsplan opgesteld dat hiermee planologisch-juridisch de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt. In dit document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het nieuwe bouwvlak, inclusief de bouw- en gebruiksmogelijkheden, zijn vastgelegd in de regels en aangeduid op de verbeelding van dit bestemmingsplan. Toelichting De toelichting is opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen: •

een verantwoording van de in het plan gemaakte keuzes van bestemmingen;

•

een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;

•

de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg;

•

de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;

•

een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;

•

de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

Verbeelding De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. De verbeelding is opgesteld conform de laatste afspraken over het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. Planregels De planregels geven de omschrijving van de functie van de gronden. Daarnaast worden regels gegeven voor de wijze de gronden bebouwd mogen worden. De planregels sluiten aan bij de SVBP2012.

1.4

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Kesteren" vastgesteld op 24 mei 2012. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming ' Agrarisch met waarden - 1', ‘Natuur’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied 2’. Voor de gehele gemeente Neder-Betuwe is ook een 'Parapluregeling Archeologie' van toepassing, welke door de raad is vastgesteld op 27 september 2018. Daarin is opgenomen dat ter plaatse van de planlocatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing is. Ook ligt er op de westelijke gronden een gebiedsaanduiding 'overige zone - aangetast'. Tevens gelden het Parapluplan 'Plattelandswoningen' (vastgesteld op 1 oktober 2013), het Bestemmingsplan VAB beleid (vastgesteld 9 maart 2017), de ‘Parapluregeling Parkeren’(vastgesteld 26 april 2018) en het ‘Parapluplan 2020’ (vastgesteld september 2020) die op deze locatie echter geen aanduiding hebben.

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

7

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Uitsnede vigerende plankaart "Buitengebied Kesteren" (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) met daarin het plangebied aangeduid.

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie beschreven, gevolgd in hoofdstuk 3 door een beschrijving van het initiatief. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. Hoofdstuk 5 geeft een inhoudelijk verantwoording op de haalbaarheid van het plan en geeft een uiteenzetting van de toetsing van het initiatief aan geldend beleid en (milieu)wetgeving. De economische haalbaarheid van het plan wordt verantwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de overlegmomenten zijn opgenomen.

8

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie

Karakteristiek van de omgeving

Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern Kesteren, in het buitengebied aan de Rijnbandijk, respectievelijk aan de Oude Rijn. De oude structuur van de Rijnbandijk en de Oude Rijn wordt door de noordelijke uitbreidingen van Kesteren onderbroken. Het plangebied zelf is onbebouwd en functioneert als agrarisch perceel. Aan de Rijnbandijk zelf bevinden zich voor het overgrote deel reguliere burgerwoningen en enkele agrarische bedrijven en/of aan het buitengebied gerelateerde bedrijven. Het overgrote deel van gronden in de omgeving wordt gebruikt voor de agrarische functie, veelal fruit- en sierteelt. Het plangebied is via een bestaande in- en uitrit op de Rijnbandijk ontsloten.

2.2

Het plangebied

Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Rijnbandijk. Op de luchtfoto is de grens van het plangebied te zien. Op de locatie is geen (agrarische) bedrijfsbebouwing aanwezig. De gronden worden door de huidige eigenaar gedeeltelijk als boomkwekerij gebruikt. Onderstaande foto toont de ligging van het plangebied. Met oranje is de huidige ontsluiting aangeduid.

Ligging van het plangebied (bron: Google Maps, 2020)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

9

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Hoofdstuk 3 3.1

Planbeschrijving

Ontstaansgeschiedenis

Het plangebied is aan de rand van Kesteren aan de de Rijnbandijk en de Oude Rijn gelegen. De Oude Rijn is een oude rivierbedding en aftakking van de Nederrijn en loopt dwars door Kesteren. De Marsdijk is in de 18e eeuw aangelegd als nieuwe waterkering vóór de middeleeuwse Rijnbandijk. Hierdoor ligt de oude rivierloop de Oude Rijn nu binnendijks, namelijk tussen de Marsdijk en de Rijnbandijk. Door de noordelijke uitbreiding van de kern Kesteren werden de structuren van de Rijnbandijk als ook de Oude Rijn doorbroken en verdwenen deze uit het zicht. In het buitengebied zijn deze structuren echter nog behouden. In oostelijke richting sluit de Rijnbandijk aan op de dijk rond fort de Spees dat een onderdeel is van de Grebbelinie.

Uitsnede historische kaart rond het jaar 1850 (bron: www.topotijdreis.nl, 2020) Rond 1300 begon men in de regio met de aanleg van dijken waardoor bewoning en landbouw eenvoudiger werden. In de loop der jaren nam hierdoor de landbouw langzaam toe. Niet voor niets staat heel rivierenland bekend om zijn fruit- en laanboomteelt. Aan het plangebied is een cultuurhistorische waarde toegekend. Het gaat om terreinen ten oosten van Kesteren waarbij met name het dijklandschap met kolken ten noorden van Kesteren en de fortificatie van De Spees ten oosten van Kesteren wordt bedoeld.

3.2

Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen in een gebied dat ruimtelijk gezien door structuren van de Hoofdstraat, de Rijnbandijk respectievelijk Oude Rijn en de Nederrijn respectievelijk Marsdijk wordt begrensd. Het gebied functioneert voornamelijk voor de agrarische sector.

10

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

3.3

Functionele structuur

Langs de Rijnbandijk zijn voornamelijk woonbestemmingen met afwisselend agrarische bestemmingen gelegen. In het gebied tussen de Rijnbandijk en de Marsdijk domineert voornamelijk het agrarisch functieprofiel. Op dit moment is het plangebied in gebruik als agrarisch perceel als boomkwekerij. De toevoeging van een bomenloods, een tunnelkas en een bijbehorende bedrijfswoning past binnen de reeds aanwezige functionele structuur van het gebied omdat ze aansluit bij de in het gebied hoofdzakelijk voorkomende agrarische functie. Doordat de gebouwen onderdeel zijn van een terrein voor de kweek van bomen en daarmee omzoomd zijn, zijn de gebouwen op een goede manier ingepast in het landelijk gebied.

Beoogde ontwikkeling met ligging bomenloods, tunnelkas en bedrijfswoning (bron: Van Zeist B.V.)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

11

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Aanzicht van de noordelijke gevel van de bedrijfswoning (bron: Van Zeist B.V.)

Begane grond bedrijfswoning (bron: Van Zeist B.V.)

3.4

Afwijkingen van het vigerende bestemmingsplan

Het plangebied heeft een agrarische bestemming met waarden. Het bestemmingsvlak kent geen bouwvlak. De gronden mogen derhalve alleen gebruikt worden ten behoeve van grondgebonden agrarische productie. Omdat het agrarische perceel geen bouwvlak heeft en dus geen bouwmogelijkheden kent, is het oprichten van bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning niet toegestaan. Om toch agrarische bedrijfsbebouwing te kunnen realiseren, dient een bouwvlak opgenomen te worden.

12

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Gebiedsgericht De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol. In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend verankerd. In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten. Lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren. Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is duurzame verstedelijking.

Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). Het Bro beschrijft wat stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen. Planspecifiek Gebiedsgericht De SVIR richt zich op onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het voorliggend initiatief valt hier niet onder. Het Barro stelt in die zin geen regels voor het plangebied. Ladder duurzame verstedelijking In voorliggend plan wordt ter plaatse van een bestaand agrarisch perceel een bedrijfsgebouw met tunnelkas en een bedrijfswoning gerealiseerd.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” De ontwikkeling valt niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk. Het initiatief is niet strijdig met geldend rijksbeleid.

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

13

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

4.2

Provinciaal beleid

Algemeen Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van Gelderland. Deze zijn in 2014 vastgesteld en sindsdien een aantal keren geactualiseerd naar aanleiding van nieuwe wetgeving of nieuwe initiatieven. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De omgevingsvisie heeft een tweetal doelen geformuleerd, te weten: 1. Duurzame economische structuurversterking; Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om sterke steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Deze versterking van de economie gebeurt in een andere context dan een aantal jaar geleden. De komende jaren zullen minder in het teken staan van denken in termen van 'groei' en meer in termen van 'beheer en ontwikkeling van het bestaande'. Ter versterking van de kansen voor bedrijvigheid zet de provincie gericht stappen om ruimte te bieden aan initiatiefnemers en om hen te faciliteren. Dat betekent vooral: •

kansen bieden aan bestaande bedrijven,

•

creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat in de stedelijke regio's,

•

creëren van een goede bereikbaarheid van de stedelijke gebieden en de economische kerngebieden met fiets, openbaar vervoer en auto maar ook digitaal,

•

versterken van ruimtelijke randvoorwaarden voor de sterke (top)sectoren,

•

een gezonde vrijetijdseconomie,

•

een adequaat beheer van de bestaande bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel in Gelderland, zowel kwalitatief als kwantitatief en een daarop aangepaste aanpak van eventuele nieuwe plannen.

2. Borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. De realisatie van deze tweede centrale doelstelling betekent vooral: •

ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek,

•

zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap,

•

een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte, hitte en waterovervloed, een gezonde en veilige leefomgeving.

Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Dit vereist een denk- en cultuuromslag. Als leidend principe hanteren de provincie en partners de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen, staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Gelderse Ladder voor Duurzaam Ruimtegebruik is in onderhavig plan van toepassing, de ladder bestaat uit de volgende stappen. a. is er sprake van een actuele behoefte? b. is in de actuele behoefte te voorzien door herstructurering, transformatie of anderszins van bestaande gebouwen in bestaand stedelijk gebied?

14

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

c.

Indien bovenstaande vraag negatief wordt beantwoord: is in de actuele behoefte te voorzien door nieuwbouw binnen het bestaand stedelijk gebied?

d. Indien bovenstaande vraag negatief wordt beantwoord: is in de actuele behoefte te voorzien in het landelijk gebied door hergebruik, herstructurering, transformatie of anderszins, die gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld? e. Indien uit bovenstaande blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet middels benutting van bestaande bebouwing in het buitengebied van de desbetreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre kan worden voorzien in de behoefte op locaties aansluitend op het bestaand stedelijk gebied die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld? Indien uit bovenstaande blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van de desbetreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre kan worden voorzien in de behoefte op locaties die niet aansluiten op het bestaand stedelijk gebied, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Met de Omgevingsverordening Gelderland worden de onderwerpen uit de Omgevingsvisie waarvoor de provincie verantwoordelijk is juridisch gewaarborgd.

Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De regio Rivierenland staat traditioneel bekend als de fruitregio van Nederland. Het economisch beleid van de regio is erop gericht fruit en andere teelten zoals paddenstoelen- en laanboomteelt te versterken. De ambitie van de regio Rivierenland is om tot de top-5 van Europese tuinbouwregio´s voor fruit te behoren, door voortdurende innovaties, productontwikkeling en het vergroten van concurrentiekracht door kwaliteit en efficiëntie in de hele keten van het cluster. Het plangebied maakt volgens de omgevingsverordening onderdeel uit van het gebied van de Romeinse Limes (kaartlaag 5 Landschap).

Uitsnede omgevingsverordening Gelderland, kaartlaag 5 met on roze de aanduiding Romeinse Limes

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

15

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Onder de Romeinse Limes wordt verstaan het onderdeel van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde als bedoeld in artikel 2.13.2, eerste lid, onder b, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing zijn vastgelegd binnen de grenzen van de provincie Gelderland. In artikel 2.59 van de verordening worden de te beschermen kwaliteiten van het gebied omschreven. Deze luidt als volgt: “De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten (castella), burgerlijke nederzettingen, kampdorpen (vici) grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken.” Artikel 2.60 van de verordening bepaalt verder dat: 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Romeinse Limes maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk die de kernkwaliteiten, bedoeld in artikel 2.59, daarvan aantasten. 2. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en kernkwaliteiten, het door de gemeente te voeren beleid en de onderbouwing hiervan. 3. Een bestemmingsplan bevat regels over de wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan. Binnen het plangebied zijn bovengronds geen van de genoemde kernkwaliteiten van de Romeinse Limes aanwezig.

Eventueel nog aanwezige onderdelen bevinden zich niet aan de oppervlakte. De locatie is volgens de archeologische beleidskaart voor de ontwikkeling vrijgesteld voor het doen van archeologisch onderzoek. Het aspect vormt geen planologische belemmering voor het plan. De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes worden niet aangetast. Er zijn in de Verordening geen specifieke aanduidingen voor natuur opgenomen. Ruim buiten het plangebied is een aantal gebieden nader geduid, zoals het Natura 2000 gebied van de Rijntakken. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in of in de directe omgeving van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De ontwikkeling in het plangebied sluit aan bij de ambitie om de laanboomteelt verder te ontwikkelen. De ligging in het landschap van de Romeinse Limes heeft geen directe gevolgen voor de uitvoering van dit plan. Op basis van het bovenstaande past het plan binnen het provinciaal beleid. Gelderse Ladder voor Duurzaam Ruimtegebruik In paragraaf 4.1 is in gegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij is aangeven dat met onderhavig plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is daarom niet noodzakelijk.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 Op 5 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 vastgesteld. In de Structuurvisie is beschreven dat de gemeente een aantrekkelijke, groene en veilige woonomgeving biedt. Alle kernen hebben een eigen karakteristiek woonmilieu, met een hechte sociale samenhang. De gemeente streeft nog steeds naar het zoveel mogelijk benutten van inbreidingslocaties en daarmee een efficiënt gebruik van de (open) ruimte in de kernen, mits het landelijk karakter (lees kwaliteit) van de kern niet verloren gaat. De ontwikkeling en het behoud van compacte dorpskernen bespaart waar mogelijk uitbreiding aan de randen en ongewenste realisatie van bebouwing in het buitengebied. Daar waar nodig zijn bij de kernen en/ of ontwikkelingslocaties waterbergingsvoorzieningen gerealiseerd.

16

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Voor Neder-Betuwe geldt dat behoud van het bestaande buitengebied van belang is. Er gaat aandacht uit naar het verbeteren van de relatie met het omringende landschap en het verbeteren van de entrees van de dorpen.

Uitsnede kaart Structuurvisie, plangebied aangeduid met een ster (bron: Neder-Betuwe) Bovenstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart die behoort bij de structuurvisie. Het plangebied is hierin aangeduid met een gele ster. Het plangebied wordt aangemerkt als ‘Oude Rijnbedding’ en ‘Ontwikkeling laanboomteelt’. Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de lijnstructuur die wordt aangeduid als ‘versterken bandijken’. Voor de aanduiding die in het plangebied voorkomen zijn de volgende keuzes gemaakt: 1. Oude Rijnbedding: Eigenheid van de uiterwaarden bewaren Voor de uiterwaarden staat waterveiligheid, natuur en de landschapsbeleving voorop. De toegankelijkheid, met name ommetjes wandelen, is een belangrijk thema voor de uiterwaarden waarbij per locatie uitwerking in integraal perspectief nodig is. De grote eenheden van de Waaluiterwaarden behouden elk hun eigen sfeer. Bij alle ontwikkelingen in de uiterwaarden zijn vergezichten, ook over de rivier heen, medebepalend voor de vormgeving, waarbij beleving vanaf de dijk als belangrijke factor moet worden meegewogen. 2. Ontwikkeling laanboomteelt: versterken van een vitale agrarische sector De laanboomteelt is in Neder-Betuwe de belangrijkste grondgebruiker van het buitengebied. De rijen laanbomen in verschillende groeistadia, verschillende texturen en kleuren geven het landschap een bijzondere aanblik.

Neder-Betuwe is in de wereld bekend als laanboomcentrum. Het landschap kan daarom voor een deel gezien worden als een soort visitekaartje van de laanboomtelers. Daarom wil de gemeente de sector stimuleren om, onder meer gezien de toename van containerteelt en daarmee samenhangende toename van verharding, de aspecten landschap, beleving en beeldkwaliteit mee te nemen in de bedrijfsvoering.

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

17

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Het gaat erom dat de agrarische sector zich op de wereldmarkt kan blijven ontwikkelen en tegelijkertijd de belangen van de eigen dorpsgenoten en bezoekers van elders niet uit het oog verliest. Zo is bijvoorbeeld gras tussen de rijen bomen vanuit beeldkwaliteit en landschap veel aantrekkelijker dan beton, met zijn stedelijke uitstraling wat bedrijfseconomisch vaak aantrekkelijker is. De gemeente zal bij de toetsing van de aanvragen tot oprichting dan wel uitbreiding van een laanboomteeltbedrijf sturen op ruimtelijke kwaliteit. 3. Versterken bandijken: De dijken vormen bij uitstek het symbool van het rivierengebied, met de voortdurende spanning tussen waterafvoer en het menselijk gebruik van het gebied. De bandijken omvatten delen afkomstig uit verschillende tijden, die samen een technisch hoogstandje vormen. De bandijken zijn beiden doorgaande lijnen in het landschap en helpen bij de oriëntatie in het gebied. Door zijn hoogte vormt de bandijk op veel plekken een achtergrond voor het landschap. Sporadisch staat er bebouwing aan de dijk, maar voor het overgrote deel zijn de dorpen afgekeerd van de dijk en de rivier. De bandijk vormt een scherpe grens tussen binnen- en buitendijks land, met een hierdoor verschillend gebruik en voorkomen. Vanaf de dijk wordt het rivierengebied op ultieme wijze beleefd.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling is gekozen om de bomenloods, tunnelkas en bedrijfswoning in dezelfde richting te plaatsen als de zogenaamde slagen van het landelijk gebied. Hierdoor worden de nieuwe gebouwen onderdeel van het landelijk gebied en wordt de slingerende vorm van de oude rijnbandijk juist verbijzonderd. Door deze afwijking wordt de oude Rijnbedding als ruimtelijke eenheid versterkt zichtbaar in het landelijk gebied. 4.3.2

Structuurvisie Laanboomteelt

In juli 2015 is door de Gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe en Buren een intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt in de Betuwe opgesteld. Het integrale karakter van de visie wordt primair gezocht in een samenhangende benadering van de aspecten laanboomteelt, infrastructuur, landschap, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen en werken. De visie dient als input voor de structuurvisie van de deelnemende gemeenten en voor activiteiten gericht op de versterking van de laanboomteelt. De visie doet een uitspraak over waar de sector op ruimtelijke aspecten gefaciliteerd dient te worden en op welke wijze. Daarnaast gaat de visie in op hoe de sector een bijdrage kan leveren aan landschappelijke, ruimtelijke en milieukwaliteiten.

Uitsnede kaart structuurvisie Laanboomteelt (bron: gemeente Neder-Betuwe)

18

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

De laanboomteeltsector is een belangrijk fundament voor de economie van het gebied en heeft een intensieve samenwerking op regionaal en landelijk niveau. Het Laanboomcentrum Betuwe is een groen, gezond en gerespecteerd cluster. Hierbij heeft het Laanboomcentrum Betuwe een sterke internationale marktpositie en een ketenregiefunctie in de laanboomteelt gekregen. Het gebied herbergt diverse gecertificeerde laanboomteeltbedrijven van de toekomst aangevuld met ondersteunende bedrijven, waardoor een optimalisatie van de hele keten van bedrijven plaatsvindt. Tevens heeft het Laanboomcentrum Betuwe een toonaangevende positie in kennis, innovatie en hoogwaardige arbeid. De gemeente wil dat de sector zich verder kan ontplooien en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het gehele buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogel- en ganzengebied, kan worden ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken en heeft het de prioriteit ten opzichte van andere functies, zoals recreatie en toerisme en wonen. Als vanzelfsprekend zal rekening moeten worden gehouden met landschappelijke inpassing van de laanboomteeltbedrijven en de groene dooradering met boomteeltproducten.

Indien dit vanuit de kwaliteiten van het landschap nodig en mogelijk is, zullen randvoorwaarden worden gesteld aan de inpassing van nieuwe agrarische bouwpercelen, niet grondgebonden teelten (containerteelt) en teeltondersteunende voorzieningen. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van de aard en de locatie van de voorzieningen. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het bestaande boomteeltgebied. Het perceel is al in gebruik voor de boomteelt. Het toevoegen van een bouwvlak past in het beleid van de Structuurvisie. 4.3.3

Beleidsnotitie Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen

In de beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen" (2008) is de wijzigingsbevoegdheid voor nieuwe agrarische bouwpercelen op plaatsen waar nog geen bebouwing aanwezig is, geschrapt uit het bestemmingsplan Buitengebied. Hierdoor is de aanwijzing van een nieuw bouwperceel alleen nog mogelijk met een planherziening. In deze beleidsnotitie worden de criteria geconcretiseerd voor de aanwijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel op een locatie waar verder geen bouwvlak aanwezig is. Deze criteria gelden zowel voor een bouwperceel voor een nieuw agrarisch bedrijf, als voor een te verplaatsen bestaand agrarisch bedrijf. De aanwijzing van een agrarisch bouwperceel is alleen mogelijk voor een in hoofdzaak grondgebonden bedrijf, met uitzondering van containerteelt. Er zullen geen bouwpercelen in het komgebied worden aangewezen. Belangrijke voorwaarden zijn dat het moet gaan om volwaardig agrarisch bedrijf dat reeds drie jaar bestaat en dat aantoonbaar geen geschikte hergebruikslocaties aanwezig zijn. Deze criteria zijn de volgende: 1. Beschikbaarheid hergebruikslocatie Er dient te worden aangetoond dat er geen geschikte hergebruikslocatie zijn binnen het zoekgebied van 1 kilometer van alle in eigendom zijnde percelen. 2. Volwaardig bedrijf Er dient sprake te zijn van een volwaardig bedrijf dat minimaal 1 jaar actief operationeel is. 3.

Geen vestiging in agrarisch komgebied Situering in een agrarisch komgebied is niet toegestaan. Er wordt gestreefd naar een locatie binnen in de bestemming ‘Agrarisch gebied’ zonder landschappelijke en/of natuurlijke waarden. In het agrarisch oeverwalgebied zijn er evenwel mogelijkheden indien dit niet leidt tot aantasting van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden. 4. Overwegend grondgebonden bedrijf Er dient sprake te zijn van een overwegend grondgebonden bedrijf. Een agrarisch bouwperceel wordt alleen toegekend indien het bedrijf zich overwegend richt op teelt/productie.

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

19

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

5. Bouwperceel van maximaal 1 ha De oppervlakte van het nieuwe bouwperceel wordt afgestemd op de benodigde bebouwing met een maximale oppervlakte van 1 hectare. Een bedrijfswoning kan, indien aantoonbaar noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, worden meegenomen in de bestemmingsplanherziening. 6. Gesitueerd aan verharde openbare weg Het agrarische bouwperceel dient te worden gesitueerd aan een verharde openbare weg en is goed ontsloten. Planspecifiek In verband met volkshuisvestelijk belang van de gemeente Neder-Betuwe is het noodzakelijk dat het bestaande bedrijf aan de Hamsestraat 73 in Opheusden zich verplaatst naar een andere daarvoor geschikte locatie elders in de gemeente. De onderneming is al sinds jaren als bomenteler in de gemeente gevestigd en daarmee al geruime tijd operationeel actief. Het perceel aan de beoogde locatie aan de Rijnbandijk ong. is in eigendom van de ondernemer (met een omvang van ongeveer 1 hectare). Uit de toelichting blijkt dat de binnen de agrarische bestemming aanwezige waarden niet worden aangetast. De locatie is niet gelegen in een komgebied en doordat er reeds bomenteelt plaatsvindt, is de gewenste bedrijfswoning en de loods door invoeging tussen de teelt op een goede wijze landschappelijk ingepast. De Rijnbandijk betreft een goed openbaar toegankelijke en verharde weg.

Het nieuwe agrarische bouwperceel voorziet in een bomenloods, een tunnelkas en één bedrijfswoning. De beoogde bebouwing is in verhouding met de oppervlakte van het perceel. Het betreft een bedrijf met grondgebonden agrarische productie dat zich richt op het kweken van bomen dat reeds op de locatie actief is. 4.3.4

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Kesteren" vastgesteld op 24 mei 2012. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming ' Agrarisch met waarden - 1' en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied 2’. Later is een aantal paraplubestemmingsplannen vastgesteld. Het bestemmingsplan “VAB-beleid” is vastgesteld op 9 maart 2017, het bestemmingsplan “Parapluregeling Parkeren” op 26 april 2018 en het bestemmingsplan “Parapluregeling Archeologie” op 27 september 2018 en Parapluplan 2020’, vastgesteld september 2020. Op basis van het bestemmingsplan Buitengebied Kesteren gelden de volgende bestemmingen. De voor 'Agrarisch met waarden - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie of worteldoek, het weiden van dieren, bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de betreffende gronden maar ook watergangen en extensief medegebruik van dagrecreatie. Omdat er geen bouwvlak van toepassing is mag geen bedrijfsbebouwing worden opgericht. Er mogen wel niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen worden opgericht, alsmede constructies voor gotenteelt met een hoogte van 4 meter.

Ook mogen molens voor de waterhuishouding worden gebouwd en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, niet groter dan 10 m² en niet hoger dan 2,50 m. De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Deze bestemming is door het bestemmingsplan “Parapluregeling Archeologie” gewijzigd in de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Ter plaatse van deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van deze bestemming. Hieraan zijn de volgende voorwaarden gekoppeld: a) het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of

20

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

b) gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; of c) het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 10.000 m²; met dien verstande dat het bepaalde in a, b en c niet geldt voor zover het bouwen in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld. Als de beoogde ontwikkeling aan bovenstaande voorwaarden voldoet is een archeologisch onderzoek niet nodig. In paragraaf 5.8 wordt het aspect archeologie en bovenstaande voorwaarden nader beschouwd. De voor 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied 2' aangewezen gronden bestemd voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden. Aan deze bestemming zijn cultuurhistorische waarden gekoppeld die eigen zijn aan de in deze bestemming. Ter plaatse van deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd indien hierbij de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheid tot het herstel van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad. In deze waarde vinden geen ontwikkeling plaats. Planspecifiek Dit plan voorziet in de bouw van een bomenloods, tunnelkas en een bedrijfswoning. Omdat het bestemmingsplan buitengebied op dit perceel geen bouwvlak kent wordt het plan op dit punt gewijzigd.

Omdat aan de voorwaarden behorende bij de archeologische bestemming kan worden voldaan is een archeologisch onderzoek niet nodig.

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

21

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1

Geluid

In ruimtelijke procedures is het van belang om mogelijke hinder of overlast voor mensen voor het aspect geluid te beoordelen. Voor een aantal bestemmingen (zoals wonen) in combinatie met een aantal typen geluidsbronnen is de Wet geluidhinder het wettelijk kader dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de Wet geluidhinder staat beschreven dat alle wegen een zone hebben. Een uitzondering hierop zijn wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur of lager. De zone is een gebied waarbinnen een akoestisch onderzoek verplicht is als er een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de omgeving binnenstedelijk of buitenstedelijk is. In de onderstaande tabel staan de zonebreedtes gegeven.

Aantal rijstroken

Zone-breedte [m¹]

Zone langs wegen

binnenstedelijk

buitenstedelijk

1 of 2 rijstroken

200 meter

250 meter

3 of 4 rijstroken

350 meter

400 meter

5 of meer rijstroken

350 meter

600 meter

Tabel met zonebreedtes In de Wet geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg binnen en buiten de bebouwde kom. In artikel 82 ,lid 1 staat dat voor deze woningen de geluidbelasting van het verkeerslawaai op de gevel maximaal 48 dB mag zijn. Dit wordt de voorkeurswaarde genoemd. Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd: •

met 2 dB bij wegen met een toegestane rijsnelheid van 70 km/h en hoger; en

•

met 5 dB bij wegen met een rijsnelheid van lager dan 70 km/h.

Voor de bepaling van de geluidwering van de gevels (bij de bouwvergunning) mogen deze reducties niet worden toegepast. Er wordt 10 jaar vooruit gerekend wat betreft de verkeersbelasting en de bijbehorende gevelbelasting. Planspecifiek Aan het plangebied wordt één geluidgevoelig object toegevoegd, namelijk de bedrijfswoning. Hierdoor is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai voor deze woning. Hiervoor is door de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) een quickscan wegverkeerslawaai opgesteld. Deze quickscan is als bijlage 1 aan de toelichting toegevoegd. De belangrijkste conclusies luiden als volgt: De hoogst berekende geluidsbelasting van het totale wegverkeerslawaai gesommeerd bedraagt 43 dB. De voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder (48 dB) wordt dus niet overschreden. De berekende geluidsbelastingen zijn opgenomen in de bijlage. Deze zijn inclusief aftrek uit artikel 110g Wet geluidhinder. Het aspect wegverkeerslawaai geeft geen belemmering voor het bouwplan.

22

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

5.2

Luchtkwaliteit

In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Planspecifiek De nieuwbouw van een bomenloods en een bedrijfswoning zal naar verwachting het aantal verkeersbewegingen doen toenemen. De toename is echter niet onevenredig veel, de gronden worden al gebruikt ten behoeve agrarische activiteiten. Verkeersbewegingen ten behoeve van deze activiteiten zullen niet toenemen. Het gaat dus enkel om extra verkeersbewegingen door het oprichten van een nieuwe loods en de bedrijfswoning. Overschrijding van de norm ten gevolge van verkeerstoename is echter niet aan de orde. De verwachte toename van verkeer is, in een worst-case scenario, 50 verkeersbewegingen per weekdaggemiddelde, waarvan 10 procent bestaat uit vrachtverkeer. Deze aantallen zijn gebaseerd op de reeds bestaande bedrijfsvoering op het perceel. Uit berekening blijkt dat deze toename ruim onder de grens voor Niet in betekende mate valt.

Uitsnede tabel resultaten NIBM-tool (bron: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) Door realisatie van dit plan is er geen sprake van een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit aspect vormt geen belemmering voor realisatie van dit plan.

5.3

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord.

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

23

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden Risicovolle bedrijven Binnen de beoogde bestemming passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen.

Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 20 mei 2020 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebieden niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen.

24

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.”

5.4

Bodem

In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek Er is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd als bijlage 2. Op basis van het historisch onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Bodem Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreinigingen met diverse NEN parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien zowel in de onderzochte grond als in het onderzochte grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrond- en streefwaarden. Aangezien de meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb.

Op basis van de indicatieve analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat in de grond uit het depot indicatief maximaal licht verhoogde gehalten voor lood en zink zijn aangetoond. Uit indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, voldoet de grond uit het depot indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse “Altijd Toepasbaar”, rekening houdend met het feit dat geen analyses op PFAS hebben plaatsgevonden. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden. Aangezien de meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb Voor de teeltlaag is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien geen verhoogde gehalten zijn aangetoond voor OCB. Asbest Volgens de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland is er op en in de directe nabijheid van onderhavige onderzoekslocatie geen asbestverdachte dakbedekking aanwezig. Wel is er op een gedeelte van de locatie een asfaltgranulaat/puinpad aanwezig. Dit is bevestigd tijdens het uitgevoerde locatiebezoek. Op het overige deel van de locatie worden geen asbestverdachte (puin)bijmengingen verwacht.

Derhalve is vooralsnog alleen het asfaltgranulaat/puinpad en de onderliggende bodem verdacht op het voorkomen van een (bodem)verontreiniging met asbest. Het overige deel van de locatie blijft vooralsnog onverdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Voor wat betreft asbest is ter plaatse van het asfaltgranulaat/puinpad een hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen. Zintuiglijk is in zowel de opgeboorde en opgegraven grond als in de opgeboorde en opgegraven puinlagen geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch is eveneens geen asbest aangetoond.

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

25

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Buiten het asfaltgranulaat/puinpad worden geen asbestverdachte materialen en/of (puin)bijmengingen verwacht. Vooralsnog is alleen het asfaltgranulaat/puinpad en de onderliggende bodem verdacht op het voorkomen van een (bodem)verontreiniging met asbest. Buiten dit pad is de locatie vooralsnog onverdacht, waardoor geen verkennend onderzoek naar asbest hoeft te worden uitgevoerd buiten het pad. Er is geen aanvullend PFAS onderzoek uitgevoerd. Resumerend wordt gesteld dat het funderingsmateriaal (asfaltgranulaat/puinpad) als funderingsmateriaal binnen de onderzoekslocatie kan worden hergebruikt. Middels de onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het asfaltgranulaat/puinpad ten behoeve van de beoogde ontwikkeling plaatse perceel F nummer 4 aan de Rijnbandijk achter nummer 60 te Kesteren in voldoende mate vastgelegd. Er bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van het aspect bodem is het plan uitvoerbaar.

5.5

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (de tweede soort staat ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

Tabel normen voor dieren met een geuremissiefactor Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden op basis van artikel 3. lid 2 van de Wgv gelden de volgende eisen: •

binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;

•

buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 25 respectievelijk 50 meter voor hetzij buiten danwel binnen de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een nietconcentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

26

bestemmingsplan "Rijnbandijk ong." (ontwerp)

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Planspecifiek De gemeente Neder-Betuwe heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met een gemeentelijke verordening af te wijken van de wettelijke normen. De gemeenteraad heeft een geurverordening vastgesteld op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij. De vaststelling van de geurverordening is onderbouwd in de herziening van de Gebiedsvisie, behorende bij de geurverordening N-B 2011, vastgesteld 15 september 2011.

Uitsnede kaart maximale geursituatie (bron: Geurgebiedsvisie Neder-Betuwe 2011) In de gebiedsvisie zijn kaarten opgenomen met achtergrondbelasting, waarbij rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen van de veehouderijen. Uit deze kaart (maximale geursituatie) is af te leiden dat ter plaatse van het plangebied de leefsituatie 'goed' is. De bestaande veehouderijen in de gemeente Neder-Betuwe zijn op een ruime afstand (meer dan 800m ) van het nieuwe bouwvlak gelegen. Door deze ruime afstand zijn er geen belemmeringen voor gevoelige functies te verwachten met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het plan. Ook worden geen agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd door het initiatief. Verder onderzoek naar het aspect 'geur' is derhalve ook niet nodig. Ten aanzien van het aspect geur is het plan uitvoerbaar.

5.6

Bedrijven en milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.“ (ontwerp)

27

Bestemmingsplan “Rijnbandijk ong.” te Kesteren

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Op een afstand van 400 m van de locatie is aan de Boveneindsestraat een metaalbewerkinsgbedrijf gevestigd. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig die milieuhinder kunnen veroorzaken. Geconcludeerd kan worden dat voor het te ontwikkelen bedrijf, tunnelkas en de bedrijfswoning sprake is van een goede leefomgeving. Tevens worden de omliggende bedrijven niet (extra) in hun bedrijfsvoering belemmerd door de realisatie van het initiatief. De meest nabij gelegen woningen liggen op 32 en 55 m afstand en vallen daarmee buiten de minimale afstand van 30 m die voor dit type bedrijf moet worden gehanteerd. Met betrekking tot mogelijk spuithinder als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geldt dat de gronden in de nabijheid van de nieuwe bedrijfswoning allen behoren tot het eigen bedrijf en er dus als gevolg van de eigen bedrijfsvoering geen spuithinder voor de woning te verwachten is. Binnen het plangebied is de teelt van bomen en dus het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen reeds toegestaan. Met dit plan wordt dit gebruik doorgezet en vindt er geen verandering plaats voor in de nabijheid gelegen bestaande woningen van derden. In het kader van bedrijven en milieuzonering is het plan uitvoerbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9884547/1