CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Dodewaard Welysestraat 33

Raadsvergadering 29 januari 2026, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Dodewaard, Welysestraat 33’17.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

30

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Uit de kaart valt op te maken dat het plangebied buiten de risicocontouren van mogelijke risicobronnen ligt. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van inrichtingen of veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Gelet op de ruime afstand tot de Waal (ca 1.3 km) kunnen eventuele belemmeringen ten aanzien van het plan door deze transportroute eveneens worden uitgesloten. Daarbij geldt dat met de functiewijziging er geen toename van het aantal personen in het plangebied plaatsvindt. Vervolgonderzoek in het kader van externe veiligheid is niet aan de orde. Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Planspecifiek In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

4.9

Conclusie veilige en gezonde fysieke leefomgeving

De Omgevingswet benoemt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden. Dat is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

31

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in de wijziging van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Er worden geen aanpassingen aan de bestaande bebouwing gedaan. Met voorliggend initiatief is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is een verdere toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).

Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

32

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in een vastgesteld integraal ensemble. Daarmee zijn er geen structuren bekend waarmee rekening moet worden gehouden bij deze functiewijziging. De bestaande structuren op het perceel wijzigen door het voornemen niet. Archeologie Er vinden geen bodem verstorende werkzaamheden plaats. Er is geen kans op mogelijke aantasting van eventuele archeologische waarden in het plangebied. Het initiatief kan, voor zover het cultuurhistorisch en archeologische waarden betreft, zonder beperkingen worden uitgevoerd.

Ter bescherming van deze waarden blijft de bestaande dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' gelden in het vigerende tijdelijke deel van het omgevingsplan.

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

33

2. 3.

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:  er soorten aanwezig zijn; en  welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Met voorliggend initiatief wordt enkel de functie van de bedrijfswoning met bijgebouwen ten behoeve van wonen overeenkomstig de feitelijke situatie gewijzigd. Er vinden geen bouwwerkzaamheden plaats. Hierdoor wordt flora & fauna niet verstoord. Er vinden geen werkzaamheden plaats waardoor toetsing aan gebiedsbescherming of soorten niet aan de orde is.

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente heeft via de Parapluregeling Parkeren in de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe parkeerbeleid vastgelegd met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. Planspecifiek Met voorliggend initiatief neemt de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte niet toe. Er is immers enkel sprake van het omzetten van de functie zoal die feitelijk aanwezig is. Hierdoor is een toename aan verkeer en parkeren niet aan de orde. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

34

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er in het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt.

Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe. Echter geldt de toename voor de gehele omgeving. Voorliggend plangebied blijft in de toekomstige situatie voor het grootste deel onverhard waardoor water in de bodem kan infiltreren. Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat binnen het plangebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De bestaande woning is geïsoleerd. Daarmee voldoet de woning aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarnaast is het plangebied rondom de woning groen ingericht. Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft droogte zien dat er in het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden blijft bij langdurige droogte in de toekomst gelijk aan de huidige situatie. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat het plangebied op enige afstand (1,3 kilometer) tot het grote water de Waal ligt. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is er slechts een zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar) dat het plangebied overstroomt.

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

35

Hoofdstuk 6 6.1

Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

Participatie

Voor participatie heeft de gemeente een handreiking opgesteld. Daarin staat wat de bedoeling van participatie is en wanneer bijvoorbeeld participatie verplicht is. Aangezien voorliggend plan enkel een planologische wijziging laat zien waarin de feitelijk aanwezige situatie wordt geregeld en er geen fysieke veranderingen plaatsvinden, is er bij voorliggend plan geen sprake van enige impact op de omgeving. Om die reden, en omdat er geen sprake is van het toevoegen van extra woningen in het buitengebied waardoor participatie niet verplicht is gesteld, is voor dit plan geen participatieproces doorlopen.

6.2

Kostenverhaal

Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

36

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Bijlagen bij de motivering

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

37

38

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Bijlage 1

Digitale Watertoets

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

39

40

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Regels

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

41

42

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende bepalingen Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Neder-Betuwe Dit plan wijzigt het omgevingsplan Neder-Betuwe in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Neder-Betuwe een hoofdstuk 22c wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan Neder-Betuwe. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22c.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22c.]' gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

1.4 Verwijzing naar verbeelding De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe), waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamDOwelysestr33-vst1.

Artikel 2

Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan. 2.2 Aanvullende begrippen In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.48 gehanteerd.

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

43

2.3 Plan: Het TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe) met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamDOwelysestr33-vst1 van de gemeente Neder-Betuwe bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamDOwelysestr33-vst1 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.4 Locatievlak: een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel. 2.5 aanbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde zelfstandige ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap en die vanuit het hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk is; 2.6 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.7 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.8 achtererfgebied: gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn dan noodzakelijk zijn voor

het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied; 2.9 afhankelijke woonruimte: een deel van de woning waarin een gedeelte van de huishouding uit oogpunt van mantelzorg gehuisvest is; 2.10 archeologische deskundige: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige met een aantoonbare specifieke deskundigheid op het gebied van de archeologische monumentenzorg; 2.11 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in de bodem voorkomende overblijfselen uit oude tijden; 2.12 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 2.13 bebouwingspercentage: het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd;

44

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

2.14 bed & breakfast: een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, verblijfsvoorziening in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gericht op het aanbieden van logies en ontbijt. Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur; 2.15 begane grondbouwlaag: de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder; 2.16 bestaand:  bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende bouwvergunning;  bij gebruik: gebruik dat op het tijdstip van het van kracht worden van dit hoofdstuk bestond; 2.17 bestemmingsgrens: de grens van een locatievlak; 2.18 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 2.19 boomkwekerij: het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en/of heesters; 2.20 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een

standplaats; 2.21 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 2.22 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap). De bouwhoogte van een bouwlaag bedraagt niet meer dan 4 m; 2.23 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.24 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 2.25 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

45

2.26 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 2.27 carport: een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal 3 wanden van gebouwen en/of ondersteuningen van het dak; 2.28 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen; 2.29 dienstverlening: dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, opticien, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, telefoon-/internetdienst, makelaarskantoor, foto-atelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven; 2.30 diepploegen: het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte

van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik; 2.31 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 2.32 grondgebonden agrarische activiteiten: agrarische activiteiten, waarbij het voortbrengen van producten afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop de productie plaatsvindt en waarbij het voortbrengen van producten in hoofdzaak plaatsvindt in de openlucht en waarbij geen dieren worden gehouden/ geweid; 2.33 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel, door zijn bestemming, constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 2.34 huishouden: één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid; 2.35 internetverkoop: detailhandel zonder showroom en verkoopruimte, waarvan de handel via internet en andere media loopt; 2.36 kantoor: een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie;

46

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

2.37 kamer: een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehoren bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte; 2.38 kamerbewoning: bewoning van een kamer; 2.39 kap: een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°; 2.40 kelder: een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein; 2.41 luifel: afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund; 2.42 nevenfunctie: activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een agrarisch bouwperceel; 2.43 niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in

overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse; 2.44 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie; 2.45 ondergronds: onder peil; 2.46 overkapping: bouwwerken, geen gebouwen zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand; 2.47 publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan;

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

47

2.48 uitbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap; 2.49 voorgevel: de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied; 2.50 wonen: het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning als bedoeld in 2.50; 2.51 woning: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

3.1 Meetbepalingen In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen: 3.2 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel, bouwvlak of aanduidingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. De oppervlakte van zwembaden wordt niet meegerekend bij het bepalen van het bebouwingspercentage. 3.3 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 3.4 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 3.5 Inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 3.6 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 3.7 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein;

48

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

3.8 peil de hoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; 3.9 afstand van een gebouw tot de perceelsgrens: de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens; 3.10 toepassing van maten Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m. bedraagt.

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

49

Hoofdstuk 2 Artikel 4

Specifieke regels over functies Agrarisch

4.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamDOwelysestr33-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch. 4.2 Beschrijving gebruiksdoel Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch heeft de volgende functies: 1. de uitoefening van grondgebonden agrarische activiteiten; 2. het hobbymatig houden van dieren; 3. landschappelijke beplanting; 4. water en waterhuishoudkundige doeleinden; een en ander met bijbehorende voorzieningen. 4.3 Gebruiksactiviteit - verboden Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden. 4.4 Bouwactiviteiten - algemeen Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 4.2. 4.5 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2,5 m.

Artikel 5

Wonen

5.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamDOwelysestr33-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen. 5.2 Beschrijving gebruiksdoel Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies: a. wonen; b. niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten conform het bepaalde in 5.3.1; c. nutsvoorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen; een en ander met de daarbij behorende voorzieningen. 5.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels 5.3.1 Niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit Voor het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis gelden de volgende voorwaarden: a. een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken

50

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

b.

c. d. e.

maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van gerealiseerde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning; activiteiten die vergunningplichtig zijn krachtens de Omgevingswet zijn niet toegestaan; detailhandel mag niet plaatsvinden.

5.4 Gebruiksactiviteit - verboden 5.4.1 Algemeen 1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden. 2. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in 5.3 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. 5.4.2 Kamerbewoning Het is in ieder geval verboden om een woning te gebruiken ten behoeve van kamerbewoning. 5.4.3 Zelfstandige bewoning bijbehorende bouwwerken Het is in ieder geval verboden om vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken ten behoeve van zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte. 5.4.4 Internetverkoop Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor internetverkoop, waarbij de te koop aangeboden goederen worden opgeslagen, tentoongesteld en/of kunnen worden afgehaald. 5.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit 5.5.1 Publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. 2. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien: a.

een publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken b. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; c. degene die de activiteiten in de woning of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; d. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse. e. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving; f. detailhandel mag niet plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en uitsluitend in verband met die activiteit. 5.5.2 Bed & Breakfast 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een bed & breakfast. 2. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien a. de bed & breakfast wordt gerealiseerd in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken;

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

51

b. c. d. e.

f.

het gebruik ten behoeve van de bed & breakfast is gekoppeld en ondergeschikt aan de woonfunctie van de woning; het vloeroppervlak van de bed & breakfast mag niet meer bedragen dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 80 m²; er mag tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal 4 kamers bed & breakfast worden geboden; de bed & breakfastvoorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kunnen functioneren als een zelfstandige woning. Dit betekent in ieder geval dat een aparte kookgelegenheid bij de voorziening niet is toegestaan; als gevolg van de bed & breakfast mogen geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

5.6 Bouwactiviteit - algemeen a. Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 5.2. 5.7 Bouwactiviteit - hoofdgebouwen 5.7.1 Beoordelingsregels Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. voor de bouwwijze van de woning geldt dat deze uitsluitend als een vrijstaande woning is toegestaan; c. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte. 5.8 Bouwactiviteit - bijbehorende bouwwerken 5.8.1 Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel Bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel zijn toegestaan in de vorm van erkers, mits voldaan wordt aan het volgende: a. de bouwdiepte, gemeten vanaf de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, mag niet meer bedragen dan 1,5 m; b. de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de gevel waar tegenaan wordt gebouwd, met dien verstande dat de breedte niet meer mag bedragen dan 4 m; c. indien de erker in de zijtuin wordt gebouwd, mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedragen dan 2 m; d. de afstand tot het openbare gebied mag niet minder bedragen dan 3 m.

5.8.2 Bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel Voor bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel geldt het volgende in afwijking van het bepaalde in 22.36 in aanvulling en indien van toepassing in afwijking van 22.27, het volgende: a. bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen'; b. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geldt voor de bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 120 m2 bedraagt ofwel de grotere bestaande oppervlakte; c. in aanvulling op het bepaalde onder b geldt dat van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' niet meer dan 50% mag worden bebouwd; d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m danwel de bestaande goothoogte. Indien het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met kap, mag de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, maar nooit meer dan 5 m; e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m danwel de bestaande bouwhoogte.

52

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

5.8.3 Carport Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van een carport gelden in afwijking van 5.8.1 en 5.8.2 de volgende regels: a. een carport mag uitsluitend worden gebouwd op het bouwperceel behorende bij de woning; b. de carport mag de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw niet overschrijden; c. de bouwhoogte van de carport mag niet meer bedragen dan 3 m; d. de bebouwde oppervlakte van de carport mag niet meer bedragen dan 20 m2. 5.9 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde 5.9.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn van het dichtst bij de weg gesitueerde gebouw op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.9.2 Zwembad Voor het bouwen van een zwembad gelden de volgende regels: a. een zwembad is uitsluitend toegestaan bij een woning; b. het aantal zwembaden mag niet meer bedragen dan één per woning; c. een zwembad is uitsluitend toegestaan binnen het achtererfgebied; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,2 m; e.

de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m. 5.10 Bouwactiviteit - ondergronds bouwen Voor het ondergronds bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag. 5.11 Bouwactiviteit - geboden 5.11.1 Hydrologisch neutraal bouwen Het bouwen van bouwwerken dient hydrologisch neutraal te gebeuren. De te realiseren voorzieningen dienen op het eigen terrein aangebracht en in stand te worden gehouden. 5.12 Bouwactiviteit - voorwaardelijke verplichting 5.12.1 Hemelwaterberging Het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan als is voorzien in de aanleg van voldoende hemelwaterberging conform de ten tijde van de vergunningverlening geldende Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland en het Gemeentelijk riool- en waterplan. 5.12.2 Parkeren a. De omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26 wordt alleen verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en veilig gesteld is dat deze parkeergelegenheid in stand wordt gehouden. b.

Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26.

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

53

5.12.3 Landschappelijke inpassing a. Binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit plan dient de landschappelijke inpassing conform het landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 bij de planregels, te zijn aangelegd. Het gebruik in overeenstemming met het gebruiksdoel is slechts toegestaan zolang de landschappelijke inpassing conform het landschappelijke inpassingsplan in stand wordt gehouden. b. Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.12.3 onder a, indien het doel van de landschappelijke inpassing nog steeds voldoende wordt bereikt.

54

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Hoofdstuk 3 Artikel 6

Algemene regels over functies Algemene functieregels

6.1 Milieuzone - spuitzone Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.

Artikel 7 1.

1.

Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat: a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een aanlegactiviteit in dit plan; en b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9

Bestaande maatvoering

Voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende omgevingsvergunning geldt dat indien de bestaande situering en/of maten afwijken van de ingevolge deze regels toegestane situering en/of maten, de bestaande situering tevens en/of bestaande maten als maximaal toegestaan worden beschouwd.

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

55

Hoofdstuk 4 Artikel 10

Regels ter bescherming van waarden en objecten Waarde - Archeologie 2

10.1 Voorrangsregeling De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. 10.2 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamDOwelysestr33-vst1 is aangewezen als Waarde - Archeologie 2. 10.3 Functieomschrijving Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 2 heeft als functie het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. 10.4 Bouwactiviteit 10.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35, een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 2. In afwijking van het gestelde onder 1 hoeft de aanvrager geen rapport als bedoeld onder 1 te overleggen, indien één van de volgende situaties van toepassing is: a. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; b.

de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het uitbreiden van bestaande bebouwing tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering; c. het nieuw te bebouwen oppervlak is niet groter dan 1.000 m²; d. de aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; e. naar het oordeel van het bevoegd gezag is de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie voldoende vastgesteld. 10.4.2 Aanvullende vergunningvoorschriften Indien uit het onder 10.4.1 onder 1 genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in 10.4.1 onder 2 sub e, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of, c.

de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

56

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

10.5 Aanlegactiviteit 10.5.1 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten: a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; b. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist; c. het verlagen van het waterpeil; d. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; e. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; f. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 10.5.2 Uitzondering vergunningplicht Het verbod van 10.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten: a. voor zover het aanlegactiviteiten in de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt; b.

in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld; c. in de bodem over een maximale oppervlakte van 1.000 m²; d. in de bodem binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; e. in de vorm van het plaatsen van palen om bomen of hagelnetten vast te zetten; f. die het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen; g. die op het moment van de inwerkingtreding van dit artikel legaal in uitvoering zijn of legaal kunnen worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; h. in de bodem die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 10.4 . 10.5.3 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 2. Een rapport als bedoeld onder 1 is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

10.5.4 Beoordelingsregels 1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door die aanlegactiviteiten, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 2. Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders advies in van een archeologisch deskundige over: a. het bepaalde in 1. en; b. of en zo ja welke voorwaarden er dienen te worden gesteld.

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

57

10.6 Vergunningvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of, c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

58

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Hoofdstuk 5 Artikel 11

Overgangsregels Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken 11.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 11.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 11.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 11.1.1 met maximaal 10 %. 11.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 11.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan. 11.2 Overgangsrecht gebruik 11.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

11.2.2 Stijdig gebruik Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 11.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 11.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 11.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 11.2.4 Uitzondering Het bepaalde in 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

59

60

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Bijlagen bij de regels

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

61

62

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)

63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16402569/2