Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Dodewaard Welysestraat 33
Tekst van het document
NL.IMRO.1740.tamDOwelysestr33-vst1
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe) Vastgesteld
19 januari 2026
2
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit
5
Motivering
7
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 6.1 6.2
Inleiding Aanleiding voor het plan Ligging plangebied Geldende plannen Leeswijzer Planbeschrijving Huidige situatie Toekomstige situatie Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Veilige en gezonde fysieke leefomgeving Weging van het waterbelang Activiteiten en milieuzonering Bodem Luchtkwaliteit Geur Geluid Omgevingsveiligheid Trilling Conclusie veilige en gezonde fysieke leefomgeving Goede omgevingskwaliteit Zorgvuldig ruimtegebruik Archeologie, cultuurhistorie en landschap Ecologie Verkeer en parkeren Duurzaamheid en klimaatadaptatie Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Participatie Kostenverhaal
9 9 9 9 11 12 12 13 14 14 15 17 19 23 23 24 25 25 27 28 29 31 31 32 32 32 33 34 35 36 36 36
Bijlagen bij de motivering
37
Bijlage 1
39
Digitale Watertoets
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Hoofdstuk 2 Artikel 4
41 Inleidende bepalingen Toepassingsbereik Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Specifieke regels over functies Agrarisch
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
43 43 43 48 50 50
3
Artikel 5 Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Hoofdstuk 4 Artikel 10 Hoofdstuk 5 Artikel 11
Wonen Algemene regels over functies Algemene functieregels Aanvraagvereisten Anti-dubbeltelregel Bestaande maatvoering Regels ter bescherming van waarden en objecten Waarde - Archeologie 2 Overgangsregels Overgangsrecht
50 55 55 55 55 55 56 56 59 59
Bijlagen bij de regels
61
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
63
4
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Vaststellingsbesluit
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
5
6
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Motivering
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
7
8
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
De initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfsfunctie te wijzigen in een woonfunctie omdat er al vele jaren geen sprake meer is van uitoefening van bedrijvigheid op de locatie. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende omgevingsplan. Omdat de functiewijziging wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een wijziging van het omgevingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Omgevingswet en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt de planologische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. In februari 2024 is er in principe ambtelijk besloten om in te stemmen met de omzetting van de bedrijfsfunctie naar een reguliere woonfunctie op basis van de wijzigingsbevoegdheid in het omgevingsplan.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Welysestraat en maakt onderdeel uit van het buitengebied van Dodewaard. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Dodewaard, sectie D, nummer 242. Navolgende afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging met het plangebied rood omcirkeld (bron: openstreetmap.org).
1.3
Geldende plannen
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat.
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
9
De gemeente Neder-Betuwe beschikt nog niet over een omgevingsplan dat is opgesteld op grond van de Omgevingswet. Daarom is voorliggend initiatief getoetst aan het geldende, tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit omvat onder meer het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld', vastgesteld door de gemeente Neder-Betuwe op 30 mei 2013. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming 'Bedrijf' met dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2'. In het plangebied geldt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - hondentrainingsschool'. In het noordelijke deel van het projectgebied geldt tevens de gebiedsaanduiding 'geluidzone – spoor'. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het vigerende planologische regiem.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' (omgevingswet.overheid.nl)
Het bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld' biedt met artikel 48.5 de mogelijkheid voor het afvoeren van de bedrijfsbestemming; functiewijziging ten behoeve van bewoning bij bedrijfsbeëindiging op een locatie waar sprake is van een bestaande (bedrijfs-)woning(en). Aangezien onder de Omgevingswet niet meer gewerkt kan worden met de wijzigingsbevoegdheid is voorliggende wijziging omgevingsplan opgesteld. Voorts zijn ter plaatse de volgende (paraplu)bestemmingsplannen van toepassing: Plattelandswoningen - niet van toepassing; VAB-beleid - niet van toepassing; Parapluregeling Parkeren - hierbinnen geldt dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn;
10
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Parapluplan 2020 - niet van toepassing; Aanpassing Woonbestemming Buitengebied - niet van toepassing; Parapluplan 2023 - niet van toepassing; Daarnaast geldt de Bruidsschat waarvan de regels op voorliggend plan eveneens niet van toepassing zijn.
1.4
Leeswijzer
Onderhavige motivering bevat de inhoudelijke onderbouwing van het initiatief. Hoofdstuk 2 begint met een beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt verwezen naar de voor het plan relevante beleid van gemeente, provincie en Rijk. In de hoofdstukken 4 en 5 wordt de nieuwe ontwikkeling getoetst aan diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en de toedeling van functies aan locaties. Daarna komt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 samengevat waar deze TAM-IMRO betrekking op heeft: wat wordt hiermee geregeld en waarom.
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
11
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de huidige situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen aan de Welysestraat 33 in het buurtschap Wely. Deze buurt ligt in het buitengebied van Dodewaard. De locatie betreft een voormalige hondentrainingsschool die al jaren niet meer in gebruik is. De Welysestraat heeft een landelijk karakter door de openheid op de aanliggende percelen. Het gebied kenmerkt zich als een gemengd gebied met agrarische bedrijvigheid, wonen en niet-agrarische bedrijvigheid. Het plangebied wordt ontsloten via de Welysestraat. De bestaande bebouwing op de locatie omvat circa 366 m². Na het beëindigen van de hondenschool zijn de gebouwen in gebruik genomen voor het hobbymatig fokken van paarden, de opslag van stro en hooi, en de stalling van machines ten behoeve van het onderhoud van het perceel. Daarnaast vindt er beperkte opslag plaats van materiaal (zoals een aanhanger, trilplaat en klein materieel) ten dienste van het bedrijf van de initiatiefnemers. Alle werkzaamheden van het bedrijf vinden plaats op een andere locatie; alleen de stalling en opslag vinden plaats op Welysestraat 33. Het perceel is voorzien van veel groen met steekeigen beplanting en fruitbomen. Op onderstaande luchtfoto is de situatie ter plaatse van het plangebied weergegeven.
Luchtfoto waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)
12
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Zicht op de locatie vanaf de Welysestraat 33 (bron: Google Maps)
2.2
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfsbestemming van het plangebied te wijzigen in een woonbestemming, omdat er geen sprake meer is van actieve bedrijfsuitoefening op deze locatie. De bestaande woning en bijgebouwen blijven behouden. Het bestaande gebruik van de bijgebouwen wordt in de toekomstige situatie voortgezet. De wijziging draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het erf. Sinds de aankoop is het terrein stap voor stap verbeterd: van een verwaarloosde bedrijfsomgeving is het erf getransformeerd tot een plek die past bij het landelijke karakter van de Welysestraat. De initiatiefnemers zijn voornemens deze kwaliteitsverbetering voort te zetten door de bestaande schuren te verfraaien met gepotdekselde houten delen, waarmee een meer agrarisch-erfachtige uitstraling wordt gerealiseerd. Deze uitstraling sluit aan bij het karakter van de omgeving en versterkt het beeld van een verzorgd erf met een hobbymatige invulling. Daarnaast worden aan de achterzijde van de bestaande bebouwing nog drie fruitbomen geplaatst om de overgang van het woonperceel naar het agrarisch gebied te accentueren. De aanplant en instandhouding van deze toe te voegen elementen en instandhouding van de bestaande opgaande begroeiing wordt in voorliggend plan voorwaardelijk verplicht.
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
13
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang.
Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden. Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op: 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed; 3. Natuurbescherming.
14
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden 4. Veiligheid primaire waterkeringen; 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk; 6. Kwaliteit van de buitenlucht; 7. Waterkwaliteit; 8. Kwaliteit van de zwemlocatie. Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Planspecifiek Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit het Bkl. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke regels voor dit plan. Het voorgenomen initiatief betreft de wijziging van de bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. De ontwikkeling is niet ladderplichtig. 3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl.
Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4. Het plan past binnen het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Omgevingsvisie Gaaf Gelderland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
15
Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Planspecifiek Met voorliggend initiatief is enkel sprake van een wijziging van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Fysiek veranderd er niks aan de huidige situatie. Hiermee draagt het initiatief bij aan een duurzaam woon- en leefklimaat, zoals omschreven in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.
Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting/ motivering een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering. Streekgids Betuwe en Tielerwaard, deelgebied Gekanaliseerde Linge In het deelgebied gekanaliseerde Linge uit de Streekgids staan de hoofdlijnen van het landschappelijk karakter. Het gebied staat bekend om zijn brede oeverwallen langs de Nederrijn en Waal, de kleinschalig gevarieerde oeverwallen, het grootschalige rationeel verkavelde kommen en het erfgoed.
Het deelgebied zet onder andere in op onderstaande ontwerpprincipes: • Zet in op een aantrekkelijke mix van grondgebruiksfuncties en sferen die bijdragen aan het versterken van het landschapsmozaïek; • Voorkom het aan elkaar groeien van de dorpen door het ontwikkelen van 'groene wiggen' tussen de dorpen met ruimte voor landbouw, natuur, recreatie en incidentele bebouwing; • Versterk de kleinschaligheid en afwisseling van het landschap door aanleg en beheer van groene landschapselementen zoals lanen, singels, boomgaarden, erfbeplantingen en bosschages; • Bouw voort op de organisch gegroeide opzet van het landschap met slingerende wegen en onregelmatige verkaveling; • Versterk de recreatieve toegankelijkheid. Verbindt de dorpen met de rivier en de kommen in het achterland; • Geef vorm aan de nieuwe dorpsentrees langs de N327. Geef de kernen een 'dorps' gezicht naar de weg met een afwisseling van groen en bebouwing; • Versterk het lommerijke karakter van de dorpen door het behoudt van kleine weidepercelen en boomgaarden in de kernen en het ontwikkelen van groene rafelige dorpsranden met een afwisseling van kleine rode ontwikkelingen en groen gebieden; • Weghalen van storende bebouwing/oude kassen op kwetsbare plekken;
16
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
• Zorg voor een mooie landschappelijke overgang naar de komgebieden, waarin de landschappelijke gradiënt van droog naar nat herkenbaar wordt gemaakt. Planspecifiek Het plangebied ligt in een intrekgebied. Op grond van artikel 2.38 uit de Omgevingsverordening Gelderland mogen nieuwe ontwikkelingen binnen 'intrekgebieden' geen functies bevatten die winning van fossiele energie mogelijk maken. Voorliggend initiatief maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk. Het initiatief past binnen de Omgevingsverordening Gelderland. Met voorgenomen initiatief treden geen fysieke veranderingen op. Wel worden er drie fruitbomen extra aangeplant. Hierdoor vindt er geen aantasting aan het omliggende landschap ten gevolge van de functiewijziging plaats, maar een versterking die passend is bij het landschapstype en de kernkwaliteiten. De ambities in de streekgids vormen geen belemmering voor onderhavig initiatief. 3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid Voorliggend plan betreft de wijziging van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. De functiewijziging voldoet aan het beleid en de regels uit de Provinciale Omgevingsvisie, de Streekgids Betuwe & Tielerwaard en de Omgevingsverordening Gelderland. Er worden in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke eisen aan voorliggende locatie gesteld.
Het initiatief is passend binnen het provinciaal beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionale woonagenda 2020-2030 In het najaar van 2020 is de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030 vastgesteld. Neder-Betuwe heeft samen met de andere regiogemeenten vijf thema's gekozen waarin we samenwerking zoeken: Continuïteit in productie waarbij we de bestaande woningbouwplannen versneld uitvoeren en waar gaan proberen om adaptief (flexibeler) te programmeren. Betaalbaarheid waarbij we ons extra inzetten voor huishoudens met een laag- of middeninkomen. Flexibiliteit op de woningmarkt: er is een toenemend aantal inwoners dat behoefte heeft aan betaalbare en snel beschikbare woonruimte. Wonen en zorg waarbij er voldoende passende en betaalbare woonruimte beschikbaar moet zijn in een breed scala aan woonvormen. Duurzame woningvoorraad waarbij we kijken naar de Regionale Energie Strategie (RES) die invulling moet geven aan de ambities uit het Klimaatakkoord en het Gelders Energie Akkoord. Planspecifiek Voorliggend initiatief raakt de uitgangspunten van de woonagenda niet, het gaat immers om het omzetten van de functie van een bestaande woning. 3.3.2 Regionaal woningbouwprogramma Rivierenland Het Woningbouwprogramma voor de periode 2020-2030 is vastgesteld door de Provincie Gelderland. Voor de gemeente Neder-Betuwe gaat het om minimaal 950 en maximaal 1.400 woningen tot 2030.
De Omgevingsverordening stelt ten aanzien van nieuwe woonlocaties (artikel 2.2.1.1) dat “in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.”
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
17
De gemeenten in de regio Rivierenland werken al jarenlang samen op het gebied van wonen. De regio heeft een methodiek van kwalitatief programmeren ontwikkeld, die de instemming van de provincie heeft. Om de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte inzichtelijk te krijgen hebben de gemeenten van de regio Rivierenland afspraken gemaakt voor het opstellen en monitoren - actueel houden - van een regionaal woningbouwprogramma. Het regionale woningbouwprogramma is een dynamische lijst en wordt jaarlijks geactualiseerd. Alle projecten worden getoetst op vier punten: 1. Woonmilieu, prijs en woningtype 2. Hardheid 3. Ruimtelijke kwaliteit en meerwaarde voor de omgeving 4. Prioritering 3.3.3 Woondeal Rivierenland Algemeen De Woondeal Rivierenland die de 8 gemeenten in de regio Rivierenland opstelden in samenwerking met de provincie Gelderland en het Ministerie van Binnenlandse zaken is de regionale uitwerking van de Nationale Woon- en Bouwagenda die in het voorjaar van 2022 verscheen. De provincie Gelderland koos ervoor de Gelderse Woondeal op te stellen. In Gelderland is afgesproken de komende jaren in te zetten op de bouw van 100.000 woningen, waarvan minimaal 60% betaalbaar en waarvan minimaal 28% sociale huur door corporaties. Regionaal De Gelderse Woondeal is vervolgens vertaald in regionale Woondeals.
Voor de regio Rivierenland is een woonambitie van 10.000 tot 13.000 te realiseren woningen vanaf 2022 tot en met 2030 bepaald. Concreet is afgesproken regionaal in te zetten op de realisatie van circa 12.550 nieuwe woningen en met daarbij een regionaal streven voor de realisatie van 30% sociale huur en 8% vrije sector huur in het woningbouwprogramma tot 2030. De ambities vragen om nieuwbouw die is gericht op de lokale behoefte en bijdraagt aan de vraag naar meer levensloopbestendige, betaalbare en duurzame woningen. Dit kan enerzijds door het bouwen van passende woningen voor deze doelgroepen en anderzijds door het zorgen van doorstroming op de woningmarkt, waardoor uiteindelijk starters meer kans krijgen. Uit navolgende tabel komt naar voren dat voor de gemeente Neder-Betuwe wordt uitgegaan van 1.396 te realiseren woningen.
Te realiseren woningen gemeente Neder-Betuwe (bron: Woondeal Rivierenland).
18
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Planspecifiek Binnen de Woondeal Rivierenland heeft de gemeente Neder-Betuwe de ruimte gekregen om 1.396 nieuwe woningen te realiseren. Vanuit kwalitatief oogpunt wordt enkel een bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Dit heeft geen effect op de woningvoorraad. Het plan past kwalitatief binnen de regionale woondeal Rivierenland door het mogelijk maken van één reguliere woning. 3.3.4 Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid Het initiatief is passend binnen het regionaal beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe De raad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 24 februari 2022 de 'Omgevingsvisie Neder-Betuwe' vastgesteld. De Omgevingsvisie schetst een toekomstbeeld met belangrijke waarden, die Neder-Betuwe kenmerken en wil behouden en versterken voor toekomstige ontwikkelingen. Daarnaast schetst de Omgevingsvisie ook een beeld waar de gemeente de komende jaren aan wil werken. De Omgevingsvisie bestaat uit tien speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. De speerpunten Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Wonen voor iedereen. Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV, de auto, de fiets en voor de wandelaar. Doorontwikkelen en beleefbaar maken van onze identiteit. Doorontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren. Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier. Voorbereid zijn op de veranderingen in klimaat. Een gezonde, groene en biodiverse omgeving. Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente. Richtinggevende kaart: Vanuit de speerpunten en de bijbehorende opgaven is een richtinggevende kaart opgesteld.
Op deze kaart staat aangegeven in welk gebied een bepaalde ontwikkeling wenselijk is. Voor een aantal speerpunten zijn zoekgebieden en mogelijke ontwikkelrichting opgenomen. De zoekgebieden zijn wel specifiek aangegeven, voor de overige ontwikkelingen zijn ze richtinggevend en indicatief op de kaart aangegeven.
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
19
Richtgevende kaart Omgevingsvisie Neder-Betuwe
Waardenkaart Op de waardenkaart staan gebieden aangegeven waarin de specifiek waarden van de gekozen locatie op aan staan gegeven. Bij een ontwikkeling moet rekening gehouden worden met de waarden van het gebied waarin de locatie ligt. In de Omgevingsvisie worden op de waardenkaart voor de kern Dodewaard de volgende waarden benoemd: • Aanwezigheid van alle basisvoorzieningen (winkels voor dagelijkse boodschap, ruimte voor ontmoeting, sport en beweging, basisscholen) • Gevarieerde werkgelegenheid • Centrale ligging, goede bereikbaarheid (OV, auto en fiets) • Omgeving met veel groen en mooie uiterwaarden en goede verbindingen hiermee • Een rijk verenigingsleven en zorg voor elkaar Bij ontwikkelingen in de kern Dodewaard wil de gemeente rekening houden met: • Levendigheid in het centrum en rust in de woonwijken • Aanwezigheid van groen in de kern • De zichtbaarheid en toegankelijkheid van het omringende landschap met waardevolle cultuurhistorische elementen en waardevolle natuur • Het belang van verenigingen, saamhorigheid en betrokkenheid Planspecifiek Met voorgenomen ontwikkeling worden er geen wijzigingen aangebracht aan de bestaande bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling is hiermee passend binnen de Omgevingsvisie van Neder-Betuwe.
20
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
3.4.2 Programma Wonen 2022-2030: wonen voor iedereen Op 27 januari 2022 is het Programma Wonen 2022-2030: wonen voor iedereen, vastgesteld door de raad van de gemeente Neder-Betuwe. Dit is een verdiepend programma van de Omgevingsvisie Neder-Betuwe. In het Programma wonen is het beleid met betrekking tot de woningmarkt, het aanbod en de behoefte opgenomen. Om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente, biedt het Programma Wonen belangrijke handvatten voor de gemeente zelf, maar ook de partners met wie zij op het brede speelveld van het wonen samenwerkt. Het geeft een kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van zowel nieuwbouw als bestaande bouw en alle facetten die hiermee samenhangen. Dit borgt de gemeente door randvoorwaarden te stellen voor de realisatie van sociale huur en sociale koop. Om wonen voor iedereen te realiseren ziet de gemeente de volgende aandachtspunten die gebaseerd zijn op onderzoek, bestaande beleidskaders en discussie met inwoners, professionals en de raad: 1. Betaalbaar voor iedereen Momenteel staat de woningmarkt in heel Nederland onder spanning, ook in Neder-Betuwe. In de koopsector is dit bijvoorbeeld te zien aan de steeds hoger wordende prijzen van koopwoningen en een afname van het aantal beschikbare woningen. In de huursector is de spanning te zien aan de lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen.
Door het grote tekort aan woningen en de groei van huishoudens wordt het steeds moeilijker om aan een woning te komen. Vooral voor de lagere inkomens, starters en kwetsbare groepen is de situatie nijpend. Maar ook spoedzoekers en middeninkomens hebben moeite met het vinden van een betaalbare woning. Dit geldt voor zowel de koop- als de huursector. 2. Beschikbaar voor iedereen We zetten in op gevarieerde woningbouw in elke kern, zowel qua woningtype als prijsklasse. Dit doen we voor onze lokale inwoners en om aan de autonome inwonersgroei van de gemeente te voldoen. Uit onderzoek van de verhuisstromen blijkt dat we, ondanks gunstige ligging aan de A15, geen grote toestroom hebben vanuit de Randstad. De woningbouwprogrammering is afhankelijk van de bestaande woningen, de behoefte en nieuwbouwmogelijkheden per kern. 3. Vindbaar voor iedereen Het vinden van een woning is op dit moment geen vanzelfsprekendheid. Het is fijn om te weten welk actueel aanbod er is in de gemeente is. Ook is het handig om te weten bij wie u moet zijn of hoe u kunt reageren om een woning te huren of kopen. Elke verhuurder en verkoper mag zelf bepalen hoe zij dit doen. De gemeente aan de slag om dit voor inwoners beter inzichtelijk te maken. 4. Lagere inkomens In de dorpen van Neder-Betuwe wordt al jaren gemixt gebouwd.
Daarmee bedoelen we dat er verschillende woningtypen en prijsklassen gerealiseerd worden: van sociale huur tot luxe villa's. De keuze wat er gebouwd wordt moet aansluiten bij wat nodig is. De bevolking verandert en dat betekent ook dat het bouwprogramma moet veranderen: meer eenpersoonshuishoudens en zorg aan huis, waarbij het merendeel van deze inwoners een inkomen heeft waarmee ze alleen kans maken op een woning in de sociale huur of lage koop.
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
21
5. Starters Het begrip starter wordt vaak gebruikt, maar wie is nou die starter? De groep starters wordt door iedereen op een andere manier gedefinieerd. Toch worden starters op de woningmarkt vaak wel gezien als 'jonge mensen'. Hierbij denkt men al snel aan de groep 25-35 jaar, vooral bij koopstarters. De groep tot 25 jaar wordt vaak niet meegenomen als starter op de woningmarkt. Je kan huurstarters en koopstarters onderscheiden. Huurstarters starten óf in de sociale huur óf in de particuliere huur. Voor koopstarters gaat het veelal om het bemachtigen van een sociale of goedkope koopwoning, waarbij ze zelf geen zelfstandige koopwoning achter laten. Het kan daarbij wel zijn dat deze koopstarter al een stukje wooncarrière in de (sociale) huur heeft doorlopen en daardoor een huurwoning achterlaat. 6. Senioren Vanaf 65 jaar val je onder de noemer senior. Neder-Betuwe telt 2.500 inwoners van 65 tot 75 jaar (ruim 10% van de bevolking) en 1.650 inwoners van 75 jaar of ouder (bijna 7% van de bevolking). Onze gemeente is daarmee iets minder vergrijsd dan het landelijk gemiddelde. De komende jaren zal de vergrijzing in Neder-Betuwe verder toenemen. Dat betekent ook een toenemende zorgvraag en een toenemende vraag naar passend wonen. Het belangrijkste is dat 55-plussers, die nog geen senior zijn, zich ervan bewust moeten worden dat ze tijdig kiezen voor een passende woning.
Nadenken over verhuizen of verbouwen als de zorgvraag er is, betekent dat er weinig keuze en/of tijd is voor het vinden van een gewenste woning of verbouwen van de bestaande woning. Als er niet op tijd verhuisd is, moet de huidige woning via de WMO aangepast worden op de hulpvraag. Planspecifiek Het initiatief betreft een functiewijziging waarbij er geen wijzigingen in het aantal woningen plaatsvindt en er niets aan de bestaande bebouwing wordt gedaan. Op een dergelijk kleine ontwikkeling is het programma Wonen niet gericht. 3.4.3 Toetsing van het initiatief in relatie tot omgevingsplan De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.
22
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 4
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze aangetoond wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.
4.1
Weging van het waterbelang
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld: Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow); Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow); Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen.
Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder. Beleid Waterschap Rivierenland Met ingang van 22 december 2021 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken. Verbinden. Vergroenen.' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.
Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren.
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
23
Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is. Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening: Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436 Planspecifiek Beheergebied Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Rivierenland. Met voorgenomen ontwikkeling worden er geen wijzigingen aan de bestaande bebouwing en/of oppervlakteverharding gedaan. Watercompenserende maatregelen zijn daarom niet nodig. Het initiatief is hiermee uitvoerbaar op het gebied van water. Overige waterhuishoudkundige Binnen het plangebied zijn geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen aanwezig. Watertoets Voor dit plan is een watertoets uitgevoerd, deze is als opgenomen als Bijlage 1 bij deze motivering. In deze watertoets wordt uitgebreid ingegaan op alle waterhuishoudkundige aspecten in en om het plangebied en wordt het planvoornemen getoetst. Uit Bijlage 1 blijkt dat locatie vanuit waterhuishoudkundig opzicht geschikt is voor de beoogde functie.
4.2
Activiteiten en milieuzonering
Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden. Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën.
Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
24
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Planspecifiek Met voorliggend initiatief worden er geen wijzigingen gedaan aan de bestaande bebouwing. Er is enkel sprake van een functiewijziging waarin de bestaande bedrijfswoning een reguliere woning wordt. Zowel een bedrijfswoning als een reguliere woning worden aangemerkt als milieugevoelig objecten. Hierdoor is te concluderen dat de reguliere woning geen negatieve effecten vanuit het aspect milieu ondervindt en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Door de aanwezigheid van woningen tussen het plangebied en de omliggende bedrijven, is er geen sprake van onevenredige schending van belangen voor zowel het initiatief als de omliggende functies. Omdat direct ten noorden van de locatie agrarische gronden aanwezig zijn en worden bestemd, dient ten behoeve van gewasbescherming (spuitzonering) een zone van 50 m aangehouden te worden waarbinnen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. Op die manier wordt het woon- en leefklimaat van de woning gewaarborgd. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
4.3
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig functies toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Planspecifiek De kwaliteit van de bodem was al en is in lijn met het bestaande en toekomstig gebruik. Er hebben geen milieubelastende activiteiten plaatsgevonden wat invloed zou kunnen hebben op de bodemkwaliteit.
Er vinden geen fysieke veranderingen aan de bestaande bebouwing plaats (er is geen sprake van sloop en nieuwbouw). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is nader bodemonderzoek niet aan de orde.
4.4
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
25
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. Niet in betekende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Planspecifiek Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is receptor wegverkeer 27364178_20084 dat op ongeveer 600 meter ten zuiden van het plangebied ligt. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.
Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de grenswaarden liggen. NO2 (stikstofdioxide) 18,8 µg/m3
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) Resultaatverplichting 40 µg/m3 concentratie (µg/m3) kalenderjaargemiddelde
26
PM10 (fijnstof) 17,6 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 9,7 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit leidt het initiatief niet tot een verandering aan de luchtkwaliteit omdat er enkel een functiewijziging plaatsvindt van de bestaande woning. Het initiatief past binnen de regeling NIBM omdat het plan binnen de kwantitatieve grens van maximaal 1500 woningen valt. Het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.
4.5
Geur
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par.
22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. Geurgevoelig gebouw Standaardwaarde Grenswaarde Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3 buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m3 binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en 8,0 ouE/m3 20,0 ouE/m3 buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en 14,0 ouE/m3 35,0 ouE/m3 binnen een concentratiegebied Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder.
Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
27
Planspecifiek Het initiatief voorziet in een functiewijziging voor het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. De bedrijfswoning is reeds aangemerkt als geurgevoelig gebouw. Hierdoor is er al sprake van een milieugevoelig object waardoor verdere toetsing aan het aspect geur niet nodig is.
4.6
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort Standaardwaarde, in dB. Grenswaarde, in dB. Rijks- en provinciale wegen. In Lden 50 60 Gemeente- en waterschapswegen. In Lden 53 70 Hoofd- en lokale spoorwegen.
In Lden 55 65 Industrieterrein Lden 50 55 Lnight 40 45 Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen en in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2.
de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen
28
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
4.
5. 6.
het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).
In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek De bedrijfswoning is reeds aangemerkt als geluidgevoelig gebouw, dit wijzigt niet door voorliggende functiewijziging. Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot het aspect geluid.
4.7
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
TAM-omgevingsplan Dodewaard, Welysestraat 33 (hoofdstuk 22c omgevingsplan Neder-Betuwe)
29
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.