Bijlage 1 - Reglement van orde 2023
Tekst van het document
Een voorstel aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raad kan alleen worden ingetrokken met toestemming van de raad. 2. Als de raad van mening is dat een voorstel zoals bedoeld in het eerste lid voor advies terug aan de indiener dient te worden gezonden, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt. Op verzoek van de raad kan deze keuze aan de agendacommissie worden gelaten. Dit lid is niet van toepassing op burgerinitiatieven. Het bovenstaande artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel dat het college of een andere indiener heeft voorbereid kan agenderen. Als de indiener het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat hij het voorstel ook weer kan intrekken. De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel niet voldoende is voorbereid/onderbouwd, kan de raad het voorstel nogmaals voor advies aan de indiener zenden. De raad kan de indiener bijvoorbeeld verzoeken het voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering bepalen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten. Het voorgaande is niet van toepassing op burgerinitiatieven, omdat daarvoor een aparte verordening geldt.
3.2 Aanwezigheid, orde en besluitenlijsten Om de aanwezigheid van de raadsleden vast te leggen, wordt gebruik gemaakt van een presentielijst. Het werken met een presentielijst is een wettelijke plicht. De handtekeningen op de presentielijst zijn (o.m.) bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De griffier zorgt voor het bijhouden van de presentielijst en deze stelt hij samen met de raadsvoorzitter vast middels ondertekening. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Artikel 28. Presentielijst 1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen. 2. Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst. Aan het einde van elke raadsvergadering wordt die lijst door de raadsvoorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld. Artikel 29. Opening en sluiting van de vergadering 1. De raadsvoorzitter verzoekt bij de opening van de vergadering de leden van de raad staande een moment van stilte voor bezinning of gebed in acht te nemen. Indien de raadsvergadering onderdeel uitmaakt van een avondprogramma waarop ook ‘Het Debat’ is geagendeerd, vindt dit moment van stilte evenwel plaats aan het begin van ‘Het Debat’. 2.
De raadsvoorzitter verzoekt bij de sluiting van de vergadering de leden van de raad staande een moment van stilte voor bezinning of gebed in acht te nemen. Artikel 30. Voorstellen van orde Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier terstond over. Artikel 31. Deelname aan de beraadslagingen door derden Pagina 17 van 33
Onverminderd artikel 21 van de Gemeentewet kan de raad op enig moment besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. Artikel 21 van de Gemeentewet regelt de aanwezigheid van wethouders in de raadzaal en hun deelname aan de beraadslaging. Hun rol is uiteraard een andere dan die van de raadsleden. Tijdens de beeldvormende avond (zie het vorige hoofdstuk) is de wethouder, samen met ondersteunende ambtenaren, een bron van informatie. In ‘Het Debat’ (zie eveneens het vorige hoofdstuk) is hij adviseur van de raad. In de besluitvormende raad heeft de wethouder alleen een rol als de raad of de raadsvoorzitter hem vraagt te reageren op ingediende of in te dienen amendementen en moties. Bij uitzondering kan de wethouder tijdens beraadslagingen op verzoek van de raadsvoorzitter het woord voeren. Vanzelfsprekend heeft de wethouder wel een rol bij agendapunten waar de raad de wethouder expliciet bevraagt, zoals het vragen(half)uur of een interpellatiedebat. Raadsleden kunnen tijdens een vergadering op elk moment een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. Dit kan bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze betreffen. De raadsvoorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad.
Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden. Artikel 26 van de Gemeentewet betreft de orde van de vergadering. Dit wetsartikel wordt aangevuld door onderstaande bepaling. De raadsvoorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen. Artikel 32. Orde tijdens de raadsvergadering 1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen. 2. Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden. 3. Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de raadsvoorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. Zij dienen rekening te houden met de privacy van bezoekers. Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, mogen radio-, tv- en internetdiensten geluid- en beeldregistraties maken (dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft). Wel dient rekening gehouden worden met de privacy van het publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie.
Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts van af een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties. Artikel 33. Aantal spreektermijnen 1. Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. 2. Spreektermijnen worden door de raadsvoorzitter afgesloten. 3. Raadsleden mogen in een termijn niet meer dan éénmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel. 4. Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, ten aanzien van de beraadslaging over het door dat raadslid ingediende. 5. Bij de bepaling hoeveel malen een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde. Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de raadsvoorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een wethouder op verzoek van de raad antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.
Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de raadsvoorzitter niet te honoreren. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp. Pagina 18 van 33
Om buiten de stukkenstroom om, vanuit de controlerende rol van de raad, het college mondeling te bevragen, staan raadsleden twee instrumenten ter beschikking: het vragen(half)uur en het interpellatiedebat. Het karakter van het vragen(half)uur verschilt van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. In het vragen(half)uur wordt gevraagd naar zaken die de politieke actualiteit betreffen of een spoedeisend karakter hebben. Het vragen(half)uur is niet bedoeld voor debat. Het middel van de interpellatie gaat verder en kan elk onderwerp betreffen. Voor de behandeling daarvan is echter wel verlof van de raad nodig. Mede ten behoeve van een goede voorbereiding door raadsleden en het college zijn onderstaande procedurele bepalingen van kracht. Artikel 34. Vragen(half)uur 1. In de raadsvergadering is er een vragen(half)uur, tenzij er bij de raadsvoorzitter geen vragen zijn ingediend. In bijzondere gevallen kan de agendacommissie bepalen dat het vragen(half)uur op een ander tijdstip wordt gehouden. De raadsvoorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragen(half)uur eindigt. 2. Raadsleden die tijdens het vragen(half)uur vragen wil stellen, melden dit uiterlijk om 16.00 uur daags vóór het vragen(half)uur, door tussenkomst van de griffier, bij de raadsvoorzitter.
Daarbij vermelden zij het onderwerp en de hoofdlijnen van de vragen. De raadsvoorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders. 3. Vragen voor het vragen(half)uur richten zich op de politieke actualiteit of betreffen zaken met een spoedeisend karakter. 4. De raadsvoorzitter kan weigeren een onderwerp tijdens het vragen(half)uur aan de orde te stellen indien: a. de vraag naar zijn oordeel niet aan de voorwaarde onder lid 3 voldoet; b. hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven; c. het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt; 5. De raadsvoorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragen(half)uur aan de orde worden gesteld. 6. De raadsvoorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de overige raadsleden. 7. Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. 8. Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om in één termijn aanvullende vragen te stellen. 9.
Vervolgens kan de raadsvoorzitter aan andere raadsleden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. Elk raadslid krijgt hiertoe maximaal één termijn. 10. Tijdens het vragen(half)uur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten. Artikel 35. Interpellatie 1. Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de raadsvoorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval de te stellen vragen. 2. De raadsvoorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders. 3. Als het verzoek ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering is ingediend of in naar het oordeel van de raadsvoorzitter spoedeisende gevallen, wordt over het verzoek tijdens de eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering. De raad besluit bij gewone meerderheid of het verzoek wordt toegekend. 4. De voorzitter bepaalt de spreektijden van interpellant, de wethouders, c.q. de burgemeester en de raadsleden. De interpellant voert tijdens een toegekende interpellatie eerst het woord. Na de beantwoording door het college c.q. de burgemeester krijgt de interpellant desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.
Vervolgens stelt de voorzitter de andere leden in de gelegenheid om over hetzelfde onderwerp een reactie te geven, dan wel kort in debat te gaan met interpellant of het college c.q. de burgemeester 5. Raadsleden kunnen tijdens een interpellatiedebat een motie indienen.
Pagina 19 van 33
In elke raadsvergadering is er ruimte voor de behandeling van ingekomen stukken die zijn geplaatst op de lijst van ingekomen stukken. Deze lijst wordt gelijktijdig met de uitnodiging voor de raadsvergadering opgesteld. Nadien ontvangen ingekomen stukken worden een volgende vergadering behandeld. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad en de beantwoording van schriftelijke vragen zoals bedoeld in artikel 59 maken als raadsinformatiebrieven onderdeel uit van de ingekomen stukken. Er is geen ruimte om ingekomen stukken diepgaand inhoudelijk te bespreken (tenzij zij op verzoek van de agendacommissie als bespreekpunt op de agenda zijn opgenomen). Van aan de raad gerichte inkomende stukken doet de griffie op de lijst een voorstel van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een commissie of doorsturen naar het college. Wel worden raadsleden ter vergadering in de gelegenheid gesteld een korte reactie te geven of vraag te stellen. Wanneer de raad alsnog een ingekomen stuk inhoudelijk wil bespreken en behandelen, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid voor een latere vergadering, met uitzondering van spoedeisende gevallen. Artikel 36. Ingekomen stukken 1. Bij de raad ingekomen stukken die niet tot de stukken van een ander agendapunt behoren worden op een lijst geplaatst.
Deze stukken en bijbehorende lijst worden als één agendapunt behandeld. 2. De raad stelt op advies van de griffie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. 3. Raadsleden kunnen per ingekomen stuk een korte (max. 1 minuut) verklaring geven. 4. Indien raadsleden over een ingekomen stuk een urgente vraag aan het college willen stellen maken zij gebruik van het vragen(half)uur. Artikel 37. [Vervallen] Amendementen en moties zijn belangrijke instrumenten van raadsleden. Via amendementen kunnen raadsleden voorgestelde besluiten veranderen. Moties zijn bedoeld om de raad voor te stellen een uitspraak te doen. Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in onderstaand artikel. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op een ontwerpbesluit voorstellen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen, bij voorkeur samen met de beraadslaging over het voorstel en andere (sub)amendementen bij het voorstel.
Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn. Artikel 38. Amendementen en subamendementen 1. Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben in bij de raadsvoorzitter. Dit gebeurt schriftelijk, tenzij de raadsvoorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat. 2. Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben en bij de start van de behandeling van het betreffende agendapunt aanwezig zijn in de raadzaal. 3. Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. Artikel 39. Moties 1. Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de raadsvoorzitter. Er wordt alleen beraadslaagd over moties die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben en bij de start van de behandeling van het betreffende agendapunt aanwezig zijn in de raadzaal. 2. De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft. 3.
De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld. 4. Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. Pagina 20 van 33
Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht. Een motie heeft geen juridische maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot politieke consequenties. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp (‘motie vreemd’) vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen individuele raadsleden en zowel de grote als de kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten.
Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken. De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de griffier aangewezen om de besluitenlijst op te stellen en deze, tezamen met de raadsvoorzitter, te ondertekenen. Artikel 40. Besluitenlijst 1. De griffier draagt zorg voor de besluitenlijsten en de opname van raadsvergaderingen. 2. Een besluitenlijst bevat in ieder geval: a. de namen van de raadsvoorzitter, de griffier, de wethouders en de raadsleden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd hebben; b. een aantekening van welke raadsleden afwezig waren; c.
een vermelding van de agendapunten die aan de orde zijn geweest; d. een zakelijke samenvatting van het besluit; e. een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden (of fracties) die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist; f. (een verwijzing naar) de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen; g. bij het desbetreffende agendapunt, de naam en de hoedanigheid van eventuele derden aan wie het door de raad is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen. 3. Een conceptbesluitenlijst wordt gelijktijdig met de verzending aan de raadsleden verzonden aan de overige personen die het woord hebben gevoerd in de raadsvergadering waarop het betrekking heeft. 4. Vastgestelde besluitenlijsten worden ondertekend door de raadsvoorzitter en griffier. 5. Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt een concept-besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt in het raadsinformatiesysteem. 6. Als besluitenlijsten en geluidsopnames elektronisch beschikbaar zijn, worden ze op de website van de gemeente geplaatst.
3.3 Stemmingen De raadsvoorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De raadsvoorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet. Artikel 41. Beslissing 1. De raadsvoorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel Pagina 21 van 33
voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. 2. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de raadsvoorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing. 3. Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag toelichten. Een stemverklaring duurt ten hoogste één minuut. Alvorens de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden een stemverklaring geven. Het derde lid van bovengenoemd artikel is daartoe in het reglement opgenomen. Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint. Artikel 42. Procedure stemming 1. De raadsvoorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de raadsvoorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen. 2. Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming te hebben deelgenomen. 3. Als een raadslid om niet-hoofdelijke of hoofdelijke stemming vraagt, wordt hieraan gevolg gegeven.
Als één raadslid om hoofdelijke stemming vraagt, wordt als zodanig gestemd, ongeacht of andere raadsleden om niet-hoofdelijke stemming verzoeken. 4. Bij niet-hoofdelijke stemming wordt bij handopsteken gestemd. Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen vóór de raadsvoorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de raadsvoorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming. 5. Bij hoofdelijke stemming roept de raadsvoorzitter of de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid. Vervolgens geschiedt de oproeping op alfabetische volgorde vanaf het bij loting aangewezen lid. De ter vergadering aanwezige raadsleden brengen, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren te nemen, hun stem uit door “voor” of “tegen” uit te spreken, zonder enige toevoeging. Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen totdat het volgende raadslid heeft gestemd.
Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de raadsvoorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming. 6. De raadsvoorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee. Daarbij meldt hij welke leden (of fracties) voor en tegen stemden. De raadsvoorzitter doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit. De raadsvoorzitter kan, eventueel op verzoek van een raadslid, besluiten over te gaan tot een niet-hoofdelijke stemming. Stemming geschiedt dan bij handopsteken. Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Een volksvertegenwoordiger dient immers duidelijk te zijn over zijn of haar stemmen. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing.
Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. In het vijfde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Praktisch gezien kan de volgorde van stemmen aan het begin van de vergadering bepaald worden; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.
Pagina 22 van 33
Artikel 43. Volgorde stemming over moties en amendementen 1. Als een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel. 2. Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft. 3. Als meerdere amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. 4. Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Artikel 44. Stemming over personen 1. Bij stemming over personen voor voordrachten of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de raadsvoorzitter drie raadsleden tot stembureau. 2.
Aanwezige raadsleden zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren te nemen. 3. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje. 4. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van het stembureau. 5. Indien de voltallige raad daarmee instemt kan bij handopsteken in plaats van met stembriefjes worden gestemd. Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. Indien raadsleden genomineerd worden voor de functie van wethouder is er sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht.
De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet). Dat is echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van belang. Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: - een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Jansen en meneer Pietersen aan als wethouders.
Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen; - een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht. Pagina 23 van 33
Ten slotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken. 3.4 Nieuwe (burger)raadsleden en wethouders Met een zogeheten ‘geloofsbrief’ geeft de raadsvoorzitter van het centraal stembureau aan een benoemd raadslid kennis van de benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden.
Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Artikel 45. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden 1. Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. 2. Deze onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies. 3. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen. 4.
Na een raadsverkiezing roept de raadsvoorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de raadsvoorzitter in afwijking van het voorgaande een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Het onderzoek van het procesverbaal zoals hier genoemd (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak: zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau.
De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot een dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een klein aantal (bijv. 3) stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit bijvoorbeeld wel zijn. Wat betreft het vierde en vijfde lid van bovengenoemd artikel nog het volgende. Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen.
De raadsvoorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd. Pagina 24 van 33
Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien een wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder, maar niet op welk moment deze getoetst worden. Onderstaand artikel vult deze leemte in. Artikel 46. Benoeming wethouders Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. De commissie onderzoekt of benoeming van de kandidaat voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadslidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten, maar uit de raad wordt benoemd, want de incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen opnieuw beoordeeld te worden. Bij de benoeming van een wethouder zal er tevens een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode politieke ambtsdragers speelt hierbij een rol.
Daarnaast kan een verklaring omtrent het gedrag (VOG) worden gevraagd. De raad kan aangeven dat hij deze procedure wil volgen bij de benoeming van wethouders. De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de integriteit van de aspirant-bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de Gemeentewet). Behalve de raadsleden en de wethouders benoemt de raad ook de leden van commissies en de burgerraadsleden. Artikel 47. Benoeming burgerraadsleden 1. De raad benoemt, op voordracht van de fractie, voor elke fractie maximaal vier burgerraadsleden. 2. Op een burgerraadslid zijn de artikelen 10,11,12, 13 en 15 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. 3. De raad benoemt een burgerraadslid niet voordat hij een verklaring omtrent gedrag van maximaal drie maanden oud bij de griffie heeft aangeleverd. De kosten voor de aanvraag van een verklaring omtrent gedrag komen in aanmerking voor vergoeding door de gemeente. 4. De griffier onderzoekt of benoeming van de kandidaat voldoet aan de vereisten genoemd in het tweede en in het derde lid en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot burgerraadslid. 5.
Alvorens zijn functie als burgerraadslid te aanvaarden legt het burgerraadslid, in handen van de raadsvoorzitter van de raad, de eed of belofte af. 6. De fracties doen van een voordracht tot benoeming of ontslag van burgerraadslid schriftelijk mededeling bij de griffie. Een burgerraadslid is iemand die namens zijn fractie vergaderingen actief kan bijwonen. Het belangrijkste verschil met een gemeenteraadslid is dat een burgerraadslid niet door het volk is verkozen en dus niet mag deelnemen aan de raadsvergadering. In tegenstelling tot raadsleden (die immers door de bevolking worden gekozen) wordt van burgerraadsleden een verklaring omtrengt gedrag gevraagd. Een fractie kan om haar moverende redenen de raad verzoeken een burgerraadslid te ontslaan. 3.5 Besloten raadsvergaderingen Transparantie in het lokaal bestuur is een groot goed. Vergaderen in beslotenheid moet daarom tot een minimum beperkt blijven. Uit artikel 23 van de Gemeentewet kan worden afgeleid dat een raadsvergadering altijd in het openbaar moet beginnen en dat de raad daarna op enig moment kan beslissen of in beslotenheid wordt vergaderd. Formeel is er dan geen sprake van een besloten vergadering, maar van een besloten deel van een openbare vergadering. Direct nadat om een besloten vergadering wordt verzocht moeten de aanwezige burgers, pers en ambtenaren de raadzaal verlaten.
Formeel geldt dit ook voor de wethouders en de gemeentesecretaris, maar doorgaans kunnen zij Pagina 25 van 33
aanwezig blijven in de besloten vergadering. In een concreet geval zou de raad evenwel kunnen beslissen dat ook de wethouders (en dan ook de secretaris) de raadzaal moeten verlaten. De raad beslist – nadat toehoorders, pers en ambtenaren de raadzaal hebben verlaten en de deuren zijn gesloten – of in beslotenheid zal worden vergaderd. Daarover dient dus een expliciete beslissing te worden genomen door de raad. Over een aantal onderwerpen (opgesomd in artikel 24 van de Gemeentewet) mag nooit in beslotenheid worden vergaderd. Het is denkbaar dat het gewenst is dat anderen dan de in de vergadering aanwezige raadsleden, de raadsvoorzitter, de raadsgriffier, de wethouders en de secretaris aanwezig moeten zijn bij de beraadslagingen in een besloten vergadering. Hierbij kan worden gedacht aan bepaalde ambtenaren of externe deskundigen. Daarover zal de raad een expliciete beslissing moeten nemen. Artikel 48. Toepassing reglement op besloten vergaderingen Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Artikel 49. Besloten vergaderingen van de gemeenteraad 1. Elke raadsvergadering opent in openbaarheid.
Een vergadering kan op elk ogenblik worden onderbroken voor een vergadering met gesloten deuren, tenzij er sprake is van een situatie als aangegeven in artikel 24 van de Gemeentewet. De deuren worden (zonder daarover te beraadslagen) gesloten, wanneer tenminste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de raadsvoorzitter het nodig oordeelt. 2. Direct na het sluiten van de deuren besluit de raad of in beslotenheid dan wel in openbaarheid wordt vergaderd. 3. Vervolgens beslist de raad of en, zo ja, wie er als toehoorder(s) bij een besloten vergadering aanwezig mag/mogen zijn. Daarbij geldt dat de raadsvoorzitter en griffier te allen tijde aanwezig moeten zijn in een besloten vergadering. 4. Vóór de afloop van de besloten vergadering beslist de raad of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. Deze geheimhouding kan door de raad in een besloten vergadering worden opgeheven. 5. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijke besluitenlijst opgemaakt, die niet openbaar wordt gemaakt, tenzij de raad anders beslist. De besluitenlijst wordt in een volgende besloten vergadering ter goedkeuring voorgedragen, nadat zij gedurende ten minste tweemaal 24 uren voor de raad ter inzage heeft gelegen c.q. in het raadsinformatiesysteem is geplaatst. 6.
De raadsvoorzitter doet binnen 24 uren na afloop van een zitting waarin over enig punt geheimhouding is opgelegd, bij vertrouwelijk schrijven aan alle leden mededeling van de opgelegde geheimhouding. Artikel 50. Opheffing geheimhouding Als de raad op grond van artikel 89 lid 4 van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd. Voor de vergaderingen van commissies gelden dezelfde regels voor wat betreft de openbaarheid als voor de raadsvergaderingen. Dat blijkt uit artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet waarin is bepaald dat op een vergadering van een commissie artikel 23 van de Gemeentewet (openbaarheid vergaderingen) van overeenkomstige toepassing is. Een commissievergadering dient daarom altijd in openbaarheid te openen. Het is niet wenselijk om informele bijeenkomsten te organiseren over geheime of vertrouwelijke onderwerpen, zoals over bepaalde informatie uit grondexploitaties. Dergelijke bijeenkomsten zijn wellicht praktisch, maar de organisatie ervan is juridisch niet altijd waterdicht. Het is daarom te verkiezen om geheime onderwerpen in een besloten gedeelte van een commissie- of raadsvergadering te behandelen. Artikel 51. Geheimhouding in andere vergaderingen dan de raadsvergadering 1.
Het bepaalde in artikel 48 geldt eveneens voor commissievergaderingen. Indachtig het bepaalde in hoofdstukken 2 en 4 vinden Het Debat, Het Gesprek en de collegePagina 26 van 33
informatieavonden altijd en volledig in de openbaarheid plaats. 2. Elke commissievergadering opent in openbaarheid. Een vergadering kan op elk ogenblik worden onderbroken voor een vergadering met gesloten deuren, tenzij er sprake is van een situatie als aangegeven in artikel 24 van de Gemeentewet. De deuren worden (zonder daarover te beraadslagen) gesloten, wanneer tenminste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de raadsvoorzitter het nodig oordeelt. 3. De commissie beslist of en, zo ja, wie er als toehoorder(s) bij een besloten commissievergadering aanwezig mag/mogen zijn. Raadsvoorzitter en griffier mogen te allen tijde aanwezig zijn. 4. Direct na het sluiten van de deuren besluit de commissie of in beslotenheid dan wel in openbaarheid wordt vergaderd. 5. Vóór de afloop van de besloten commissievergadering beslist de commissie of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden, voor zo ver de commissie hiertoe bevoegd is. Deze geheimhouding kan door de raad in een besloten vergadering worden opgeheven. 6. Van een commissievergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijke besluitenlijst opgemaakt, die niet openbaar wordt gemaakt, tenzij de commissie of de raad anders beslist.
De besluitenlijst wordt in een volgende besloten commissievergadering ter goedkeuring voorgedragen, nadat zij gedurende ten minste tweemaal 24 uren voor de raad ter inzage heeft gelegen c.q. in het raadsinformatiesysteem is geplaatst. 7. De commissievoorzitter doet binnen 24 uren na afloop van een zitting waarin over enig punt geheimhouding is opgelegd, bij vertrouwelijk schrijven aan alle leden mededeling van de opgelegde geheimhouding. 8. Er worden geen informele bijeenkomsten over geheime stukken gehouden. 9. De raad kan besluiten een ‘commissie ter behandeling van geheime stukken’ in te stellen. Indien een dergelijke commissie wordt ingesteld, is het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 van overeenkomstige toepassing. Een dergelijke commissie dient geen andere onderwerpen te behandelen dan op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.
Pagina 27 van 33
HOOFDSTUK 4 – OVERIGE ZAKEN College-informatieavond In hoofdstuk 2 kwam de beeldvormende avond aan bod. Deze is primair bedoeld om raadsleden in de gelegenheid te stellen zich zo breed mogelijk te laten informeren over voorstellen die het college bij de raad heeft ingediend. Het college heeft vaak ook de behoefte, het belang of de taak om de raadsleden te informeren over een bepaald thema of een bepaalde ontwikkeling, zonder dat er (al) een concreet voorstel ligt. De beeldvormende avond is hiervoor niet het juiste moment en in plaats daarvan kan het college een zogeheten ‘college-informatieavond’ organiseren. De organisatie van de college-informatieavonden ligt geheel bij het college. Uiteraard probeert het college daarbij zo veel mogelijk in de behoefte van raadsleden te voorzien. Artikel 52. Functie van de college-informatieavond 1. De college-informatieavond is een van de instrumenten van het college om te voorzien in zijn informatieplicht aan de raad. Daarbij gaat het met name om onderwerpen waarvan de aard of omstandigheden ertoe leiden dat een mondelinge toelichting te verkiezen is boven schriftelijke informatieverstrekking. 2. Tijdens de college-informatieavond worden de leden van de raad door het college, de burgemeester, een vereniging club of organisatie over één of meerdere thema’s of ontwikkelingen geïnformeerd, eventueel in de vorm van presentaties.
Ook het onderhouden van contacten tussen bestuur (raad en college) en samenleving kan een functie van de college-informatieavond zijn, eventueel in de vorm van een werkbezoek. Artikel 53. Status van en besluitvorming tijdens de college-informatieavond 1. De college-informatieavond heeft geen formele status. De vorm van elke collegeinformatieavond wordt door het college op maat gekozen. 2. Tijdens een college-informatieavond worden geen ‘besluiten’ genomen. Eventueel gemaakte afspraken hebben een informeel karakter en mogen niet als raadsbesluit worden opgevat. 3. De college-informatieavond is altijd en volledig openbaar. 4. Het college kan ervoor kiezen van een college-informatieavond een informeel verslag te maken. Dit wordt dan ter kennisname aan de raad gezonden en door de griffie op de lijst van ingekomen stukken van de eerstvolgende raadsvergadering (waarvan de agenda nog niet is gepubliceerd) geplaatst. Artikel 54. Agenda en openbare kennisgeving van de college-informatieavond 1. Het college is verantwoordelijk voor het opstellen van een agenda. 2. De agenda vermeldt in ieder geval: a. de onderwerpen die aan de orde zullen komen; b. begin- en eindtijd van de bijeenkomst; c. de locatie. 3. Het college kan er niet voor kiezen meerdere sessies tegelijkertijd te laten plaatsvinden. 4.
De agenda en bijbehorende stukken worden uiterlijk zeven dagen voor de collegeinformatieavond bij de griffie aangeleverd. De griffie plaatst de documenten in het raadsinformatiesysteem. 5. De college-informatieavond wordt onder verantwoordelijkheid van het college op de voor afkondigingen gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebracht. Artikel 55. Onderwerpen die niet tijdens de college-informatieavond behandeld kunnen worden Onderwerpen en stukken waarop geheimhouding rust worden niet tijdens een collegeinformatieavond behandeld. Artikel 56. Bijzondere onderdelen van de college-informatieavond Het college kan ervoor kiezen tijdens de college-informatieavond een ‘rondvraag’ op de agenda te zetten. Deze kan gebruikt worden voor het stellen van vragen door (burger)raadsleden aan collegeleden (en andersom). Deze vragen moeten passen binnen het informatieve en informele karakter van de avond. Ook kunnen tijdens de rondvraag mededelingen worden gedaan. Het college kan ervoor kiezen dat onderwerpen voor de rondvraag daags voor de college-informatieavond (12.00 uur) bij de gemeentesecretaris worden aangemeld. Artikel 57. Deelnemers aan de college-informatieavond Pagina 28 van 33
1. Raadsleden, burgerraadsleden, de burgemeester, collegeleden, de gemeentesecretaris, door het college aangewezen ambtenaren of derden en de griffier mogen te allen tijde aan de bespreking deelnemen. 2. Het college of de voorzitter kan ervoor kiezen dat burgers of andere derden aan de bespreking deelnemen. Artikel 58. Orde tijdens de college-informatieavond 1. Het college is verantwoordelijk voor (keuzen omtrent) het handhaven van de orde tijdens de college-informatieavond. 2. Degenen die van een college-informatieavond geluid- en/of beeldregistraties willen maken, melden zich bij de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. Zij dienen rekening te houden met de privacy van bezoekers. Het niet-formele karakter van de college-informatieavond betekent dat deze sessie geen bijeenkomst van de raad of het college in de zin van de Gemeentewet is. Dit leidt ertoe dat tijdens de college-informatieavond geen gebruik wordt gemaakt van een presentielijst. Er is ook geen quorum voor het aantal aanwezige (burger)raadsleden. Ook wordt er door de griffie geen afsprakenlijst/besluitenlijst gemaakt en worden door het college gedane toezeggingen niet genoteerd. Het college kan ervoor kiezen om zelf een verslag te maken en dit in de vorm van een raadsinformatiebrief aan de raad te zenden.
Zo mogelijk regelt het college dat de vergaderingen rechtstreeks worden uitgezonden en deze uitzendingen na de vergadering zijn terug te kijken. Vragen aan en inlichtingen van het college Het college, maar ook de individuele collegeleden alsmede de burgemeester, zijn verantwoordelijk om de raad alle inlichtingen te geven die hij voor het uitvoeren van zijn taken nodig heeft en de inlichtingen waarom de raad gevraagd heeft. Dit is onder meer geregeld in de artikels 169 en 180 van de Gemeentewet. Vragen van raadsleden kunnen in vier categorieën worden geplaatst: vragen over stukken die aan de raad zijn voorgelegd (beantwoording hiervan vindt plaats op de wijze zoals is opgenomen in hoofdstukken 2 en 3); vragen met een spoedeisend karakter of over de politieke actualiteit (te stellen in het vragen(half)uur of in een interpellatiedebat, zie hoofdstuk 3); politiek-bestuurlijk relevante vragen (“schriftelijke vragen”); zuiver technische vragen. Artikel 59. Schriftelijke vragen aan het college 1. Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester in bij de griffier. Als zij de voorkeur geven aan een mondelinge beantwoording, dan geven zij dat bij het indienen van de vragen aan. 2. Schriftelijke vragen worden door tussenkomst van de griffier zo spoedig mogelijk in het raadsinformatiesysteem geplaatst. 3.
Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn ingediend. Mocht een inhoudelijke reactie niet binnen dertig dagen gegeven kunnen worden, dan wordt de raad door de burgemeester of het college onder vermelding van redenen geïnformeerd wanneer het inhoudelijke antwoord naar verwachting beschikbaar komt. 4. Als de vragen meer dan 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend, waarbij is verzocht om mondelinge beantwoording, vindt mondelinge beantwoording plaats in de eerstvolgende raadsvergadering, tenzij het college of de burgemeester de griffier gemotiveerd in kennis stelt dat dit onmogelijk is, waarbij tevens aangegeven wordt binnen welke termijn en op welke wijze beantwoording zal plaatsvinden. 5. Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffier zo spoedig mogelijk in het raadsinformatiesysteem geplaatst. 6. Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden door de griffier op de lijst van ingekomen stukken geplaatst en behandeld conform het bepaalde in artikel 36. Artikel 60. Technische vragen Raadsleden en burgerraadsleden kunnen zuiver technische vragen betreffende onderwerpen die voor Het Beeld, Het Debat of Het Besluit zijn geagendeerd rechtstreeks indienen bij de ambtelijke organisatie.
Pagina 29 van 33
Wat betreft de behandeling van technische vragen wordt voorts verwezen naar de ‘Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Gemeente Neder-Betuwe 2015’. Wat betreft politiek relevante schriftelijke vragen het volgende. De Gemeentewet bevat regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. In de eerste plaats is er de actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van het met focus controleren door de raad komt dan weinig terecht. Eenzelfde risico doet zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht.
Artikel 169, vierde lid, verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad op substantiële financiële en/of maatschappelijke gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. Raad en college moeten hier zelf steeds een modus voor vinden. Verder kent de Gemeentewet de passieve inlichtingenplicht (artikel 169 derde lid). Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden (niet aan burgerraadsleden).
Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. De gevraagde informatie moet altijd gegeven worden, tenzij dit in strijd is met het openbaar belang. De wetgever beoogde daarmee dat een beroep daarop in de praktijk als een hoge uitzondering op de algemene regel zou moeten worden gebruikt.
Pagina 30 van 33
Het Gesprek ‘Het Gesprek’ is bedoeld om een thema oriënterend of opiniërend door te spreken, zonder dat er al besluitvorming door de raad nodig is. Dergelijke gespreksavonden kunnen het college helpen om te proeven welke richting de raadsleden uit zouden willen, zodat dit bij het opstellen van een raadsvoorstel betrokken kan worden. Bovendien bevorderen deze gespreksavonden het inhoudelijk gesprek binnen de raad. De agendacommissie stelt de agenda’s op, kiest bij elk onderwerp een behandelvorm op maat en houdt het overzicht op de te behandelen onderwerpen. Artikel 60a. Functie van ‘Het Gesprek’ In ‘Het Gesprek’ wordt op oriënterende of opiniërende wijze van gedachten gewisseld tussen de leden van de raad en met de leden van het college over één of meerdere thema’s, zonder dat er sprake is van een concreet voorstel dat de raad binnen dezelfde vergadercyclus al krijgt voorgelegd. Artikel 60b. Status van en besluitvorming tijdens ‘Het Gesprek’ 1. ‘Het Gesprek’ is formeel-juridisch een commissievergadering in de zin van artikel 84 Gemeentewet. 2. De vorm van elke vergadering wordt door de agendacommissie op maat gekozen. 3. De voorzitter van Het Gesprek is een door de agendacommissie aangewezen voorzitter uit de voorzitterspool. Het voorzitterschap kan in voorkomende gevallen ook door meerdere personen worden ingevuld.
In uitzonderlijke situaties kan de agendacommissie een raadslid die geen onderdeel uitmaakt van de voorzitterspool verzoeken het voorzitterschap op zich te nemen. 4. ‘Het Gesprek’ is altijd en volledig openbaar. 5. Van ‘Het Gesprek’ worden geen verslag/afsprakenlijst gemaakt. De agendacommissie kan besluiten hiervan in bijzondere situaties af te wijken. 6. Door of namens het college gedane toezeggingen worden opgenomen in het raadsinformatiesysteem. Artikel 60c. Onderwerpen, agenda en openbare kennisgeving van ‘Het Gesprek’ 1. Raadsleden, college en griffie kunnen bij de agendacommissie onderwerpen aandragen, al dan niet voorzien van een voorstel van de wijze waarop het onderwerp kan worden behandeld. 2. De agendacommissie stelt de agenda vast. 3. De agenda vermeldt in ieder geval: a. de onderwerpen die aan de orde zullen komen; b. begin- en eindtijd van de bijeenkomst; c. de voorzitter(s); d. de locatie. 4. Per (sub)agendapunt is er ten hoogste vijf minuten gelegenheid voor een korte toelichting namens het college. 5. De agendacommissie kan er niet voor kiezen meerdere sessies tegelijkertijd te laten plaatsvinden. 6. De agenda en bijbehorende stukken worden uiterlijk veertien dagen voor de vergadering in het raadsinformatiesysteem geplaatst. 7. De vergadering wordt op de voor afkondigingen gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebracht. Artikel 60d.
Deelnemers aan ‘Het Gesprek’ 1. Het Gesprek kent geen vaste, benoemde leden. In beginsel kunnen alle (burger)raadsleden deelnemen aan de bijeenkomst, tenzij de agendacommissie om gemotiveerde redenen een beperking van het aantal deelnemers instelt. 2. Alle (burger)raadsleden die aan Het Gesprek deelnemen, tekenen vóór aanvang van de vergadering de presentielijst. 3. De fungerende voorzitter is geen fractiewoordvoerder over een onderwerp dat tijdens zijn voorzitterschap aan de orde is. 4. Van collegeleden en door het college aangewezen ambtenaren wordt verwacht dat zij deelnemen aan de behandeling van de onderwerpen die onder hun portefeuille/expertise vallen. 5. Er is in principe geen gelegenheid voor insprekers. Wel kan de agendacommissie ervoor kiezen dat externe deskundigen deelnemen aan de bijeenkomst. Artikel 60e. Orde tijdens ‘Het Gesprek’ 1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen ‘Het Gesprek’ uitsluitend bij op de Pagina 31 van 33