CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Inventarisatiedocument omgevingsplan Kernen

Raadsvergadering 7 december 2023, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Nota van uitgangspunten voor omgevingsplan ‘Kernen’13.114 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Inventarisatiedocument

Omgevingsplan ‘Kernen Neder-Betuwe’

Gemeente Neder-Betuwe

Datum: 31 januari 2023 Projectnummer: 220232

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1

Aanleiding

3

2

Instructieregels Rijk

4

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10

Inleiding Bodem Geur Geluid Lucht Omgevingsveiligheid Milieuzonering Cultureel erfgoed Overig Bruidsschat

4 4 5 7 11 11 14 16 16 16

3

Instructieregels provincie

18

3.1

Omgevingsverordening Gelderland

18

4

Gemeentelijk beleid

20

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Omgevingsvisie Neder-Betuwe Geurverordening Erfgoedverordening Verordening afvoer hemelwater Overig beleid

20 28 29 30 30

5

Ruimtelijke plannen

47

5.1 5.2 5.3

Algemeen Inventarisatie geometrie Wijzigingsbevoegdheden

47 47 47

Bijlage 1: strijdighedenkaarten.

1 Inleiding 1.1

Aanleiding De Omgevingswet heeft tot doel de regels voor ruimtelijke projecten te bundelen en te vereenvoudigen. Hiertoe worden wetten voor de leefomgeving samengevoegd en gemoderniseerd, waarbij tevens ruimte ontstaat voor maatwerk op lokaal niveau. Het maatschappelijk doel hierbij is ‘ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit’. Als gevolg hiervan wordt in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In het omgevingsplan worden de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving opgenomen. Het omgevingsplan vervangt het instrument bestemmingsplan (en aanverwante ruimtelijke plannen zoals uitwerkings- en wijzigingsplannen en beheersverordeningen) en alle andere verordeningen die regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving bevatten, zoals delen van de Algemene Plaatselijk Verordening (APV) en Erfgoedverordening. Het gemeentelijke omgevingsplan is hierbij dus straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Op basis van de Invoeringswet hebben gemeenten tot en met 31 december 2029 de tijd om het tijdelijke (van rechtswege verkregen) omgevingsplan om te zetten naar een permanent en gemeentedekkend omgevingsplan. De gemeente Neder-Betuwe heeft hiervoor de nodige voorbereidingen getroffen en staat momenteel voor de opgave de ruimtelijke regels voor de kernen te verhuizen naar het permanente omgevingsplan.

Voordat hiermee gestart wordt, is de tijd genomen om een goed beeld te krijgen van de bestaande regelgeving (vanuit het Rijk en provincie) en relevant gemeentelijk beleid. Daarnaast is de bestaande planvoorraad geïnventariseerd. Uitgangspunt voor het omgevingsplan is een beleidsneutrale omzetting van de ruimtelijke regels. Dit houdt in dat de bestaande rechten worden gerespecteerd en er in principe geen nieuw beleid of ontwikkelingen worden geïmplementeerd. Dit neemt niet weg dat activiteiten op basis van bestaand (sectoraal) beleid wellicht eenvoudiger vergund kunnen worden. Het beleid moet dan wel voldoende concreet zijn om in de regels van het omgevingsplan te vertalen. Indien dat niet het geval is kan nadat het beleid concreter is uitgewerkt met een wijzigingsbesluit het omgevingsplan aangepast worden. Tevens vraagt de afwegingsruimte die het Rijk biedt (o.a. ten aanzien van wegverkeerslawaai) mogelijk om nieuw beleid. Voorliggend inventarisatiedocument vormt een opstap naar het opstellen van een Nota van Uitgangspunten, die het vertrekpunt vormt voor het (permanent) omgevingsplan voor de kernen. In de Nota van Uitgangspunten leggen we vast hoe we omgaan met aandachtspunten die volgen uit voorliggend inventarisatiedocument.

1.2

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen vier hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op de (beleids)regels van respectievelijk het Rijk, provincie en gemeente. In hoofdstuk 5 wordt stilgestaan bij de inventarisatie van de geldende bestemmingsplannen.

3

2 2.1

Instructieregels Rijk Inleiding Anders dan in bestemmingsplannen worden milieuwaarden onder de Omgevingswet juridisch verankerd in het omgevingsplan. Vanuit het Rijk gelden er zogenaamde instructieregels voor gemeenten, die volgen uit de drie AmvB’s: het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In algemene zin geldt dat het Rijk met instructieregels aangeeft op welke wijze gemeenten een taak of bevoegdheid moeten uitoefenen. Navolgend wordt ingegaan op de relevante instructieregels voor het omgevingsplan ‘Kernen NederBetuwe’.

2.2

Bodem Voor het aspect bodem zijn er een aantal relevante instructieregels vanuit het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving), waaronder het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie en nazorg na saneren of toevalsvondst. Verder gelden de instructieregels ‘indeling landbodem in bodemfunctieklassen’ (deze valt onder het overgangsrecht via Aanvullingswet bodem Omgevingswet) en de ‘aanwijzing van bodembeheergebieden’ (deze valt onder het overgangsrecht via Aanvullingswet bodem Omgevingswet). Tot slot moet de gemeente nagaan welke andere regels in het omgevingsplan opgenomen kunnen worden. Daarbij kan het gaan om regels die onder de huidige regelgeving zijn opgenomen in gemeentelijke verordeningen waarin regels staan die gaan over activiteiten in de fysieke leefomgeving en die niet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn opgenomen. Dit zal echter in een later stadium plaatsvinden en laten we daarom nu buiten beschouwing. Op basis van de Aanvullingswet bodem vallen een door de gemeente vastgestelde bodemfunctieklassenkaart (artikel 55 van het Besluit bodemkwaliteit (oud)), en gebiedspecifiek beleid (artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit (oud)) automatisch in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dat staat in artikel 3.5, lid 2 en 3, van de Aanvullingswet bodem.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt de Nota bodembeheer voor de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel van rechtswege deels via het overgangsrecht direct in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Toetsing aanvraag bouwen Regels uit de Nota bodembeheer die niet automatisch onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen. Waar moet de NvU antwoord op geven? Is het wenselijk de regels voor nazorg op gesaneerde locaties aan te passen? Deze staan in de bruidsschat maar wil je misschien aanpassen. Nagaan of het wenselijk is dat de regels uit de Nota bodembeheer die niet automatisch overgaan naar het omgevingsplan opgenomen worden in het omgevingsplan. 4

2.3

Geur

2.3.1

Borging regels De immissienormen en afstanden voor geur in het Bkl komen voor een belangrijk deel overeen met de immissienormen en afstanden die op dit moment in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn opgenomen. Echter, de regels zullen niet meer door middel van algemene rechtstreeks werkende rijksregels worden gesteld, maar door middel van regels in het omgevingsplan. De instructieregels verplichten de gemeenteraad om in het omgevingsplan geurnormen voor bedrijfsmatige activiteiten op te nemen. Hierbij kan gebiedsgericht maatwerk worden geleverd. De gemeente stelt in het omgevingsplan regels voor geur. Deze regels moeten zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Voor geur kunnen gemeenten ook zelf regels gaan opnemen in het omgevingsplan. Voor het houden van landbouwhuisdieren en diverse agrarische activiteiten geeft het Rijk instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor veel andere activiteiten, zoals horeca, stelt het Rijk geen regels. De gemeente bepaalt zelf of en welke regels ze hiervoor opneemt in het omgevingsplan. De instructieregels in het Bkl gelden niet voor activiteiten ten gevolge van wonen. Wel kan de gemeente ervoor kiezen hier regels aan te stellen. Het gaat hier niet om woningen met een bedrijf aan huis.

Als de geurhinder afkomstig is van de bedrijfsmatige activiteit, dan gelden de instructieregels uit het Bkl wel. Het Bal stelt alleen nog geureisen aan een beperkt aantal activiteiten. Het gaat dan om: bovendaks en omhooggericht afvoeren van emissies en maatregelen ter beperking van geuremissies. Voor activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken kan een gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Zolang zij dat niet doet, bepaalt de bruidsschat welke regels gelden.

2.3.2

Bandbreedtes Het Bkl voorziet in een basisbeschermingsniveau van geurimmissies op geurgevoelige gebouwen en locaties, die veroorzaakt worden door veehouderijen. Dat basisbeschermingsniveau mag in beginsel niet worden overschreden. Indien dat voor een doelmatig beheer, gebruik of de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies aangewezen is, kan in een omgevingsplan voor onderdelen van het grondgebied een andere waarde dan de standaardwaarde of een andere afstand dan de standaardafstand worden vastgesteld. Hiervoor gelden banbreedtes, die overeenkomen met de bandbreedtes van de Wet geurhinder en veehouderij.

5

Het Bkl gaat nog een stap verder dan de Wet geurhinder en veehouderij. Als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen, kan de gemeenteraad bij de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan voor een daarbij vast te stellen periode of voor onbepaalde tijd andere immissiewaarden of afstanden voor geur door veehouderijen vaststellen, waarbij de grenswaarden of minimumafstand worden overschreden. 2.3.3

Geurgevoelig Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie met bedgebied of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar. In beginsel neemt het beschermingsbereik met deze definitie af. Zo kwalificeren een kantoor of een museum in het buitengebied waar permanent iemand in de receptie aanwezig is niet als geurgevoelig gebouw. Kinderopvang in een kinderdagverblijf voor kinderen jonger dan 4 jaar wordt wel beschermd, omdat daar veelvuldig bedrust wordt gehouden. Buitenschoolse opvang voor oudere kinderen die geen bedrust meer nodig hebben, wordt niet beschermd. De gemeenteraad kan in het omgevingsplan echter andere geurgevoelige gebouwen aanwijzen. Naast geurgevoelig gebouw kent het Bkl het begrip geurgevoelige locatie, hetgeen is gedefinieerd als een locatie voor het plaatsen van een woonwagen of een drijvende woonfunctie. De gemeenteraad is eveneens bevoegd om in het omgevingsplan andere geurgevoelige locaties aan te wijzen.

2.3.4

Agrarisch bedrijf De immissienormen en/of afstanden zijn alleen van toepassing op het houden van meer dan 10 stuks rundvee, meer dan 15 varkens, meer dan 350 kippen, een of meer pelsdieren of meer dan 25 overige landbouwhuisdieren. Landbouwhuisdieren die alleen worden gehouden voor natuurbeheer of beheer van de openbare ruimte, educatieve doeleinden of bij onderzoeksinstellingen zijn hiervan uitgezonderd. Voor deze kleinere aantallen is de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal van toepassing.

2.3.5

Afstand en belasting bepalen De geurbelasting op een geurgevoelig gebouw dient te worden bepaald op de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw gebouwd mag worden in overeenstemming met het omgevingsplan of de omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit. Ook op dit punt is sprake van een wijziging ten opzichte van het huidig recht. Ook een gebouw dat er nog niet is, maar er wel mag komen, is daarmee geurgevoelig. De afstandsregels gelden hierbij tot de (geprojecteerde) gevel.

2.3.6

Bebouwingscontour Het Bkl kent een bebouwingscontour geur, die in het omgevingsplan dient te worden vastgesteld. Binnen de bebouwingscontour geldt een hoger beschermingsniveau voor geur, daarbuiten een 'lage bescherming'. Verwacht mag worden dat de gemeenteraad hierbij veel beleidsvrijheid heeft en dat de Afdeling niet snel zal oordelen dat de bebouwingscontour niet in redelijkheid zo had mogen worden vastgesteld. Toekomstige ontwikkellocaties zouden dus bijvoorbeeld binnen de bebouwingscontour kunnen worden opgenomen. Het huidige onderscheid tussen binnen de bebouwde kom en buiten 6

de bebouwde kom, komt te vervallen. Verwacht kan worden dat gemeenten welke een geurverordening opgesteld hebben (zoals Neder-Betuwe), deze overgenomen kunnen worden in bebouwingscontouren (diverse beschermingsniveaus). In paragraaf 4.2 wordt hier nader op ingegaan. Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Bebouwingscontour geur Eventueel geurgevoelige gebouwen en locaties aanwijzen Bepalen van een aanvaardbaar niveau industrieel geur Waar moet de NvU antwoord op geven? Is de geurverordening nog actueel en hoe vertalen we deze? Wat is een aanvaardbaar niveau voor industriële geur? En is hier nieuw beleid voor nodig? Relevantie instructieregels Bkl Aanvaardbaarheid 5.92 Bebouwingscontour 5.97

2.4

Geluid

2.4.1

Belangrijkste wijzigingen •

• •

•

•

• •

•

De bescherming van geluidgevoelige gebouwen tegen geluid van bedrijven staat niet meer opgenomen in de algemene rijksregels (zoals nu in het Activiteitenbesluit). Dit staat in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan daarvoor instructieregels. Dit biedt meer ruimte voor lokale gebiedsgerichte bescherming. Beheersing van de gecumuleerde geluidbelasting van activiteiten op het industrieterrein met geluidproductieplafonds (op referentiepunten). Beheersing van geluid van provinciale wegen en door de provincie aangewezen lokale spoorwegen met geluidproductieplafonds (op referentiepunten), zoals nu al bij rijkswegen en hoofdspoorwegen. Beheersing van geluid van gemeentelijke en waterschapswegen met een basisgeluidemissie (BGE, > 1.000 mvt/etmaal). BGE is niet overeenkomstig met de geluidruimte per bron (wezenlijk verschil met GPP). Het beoordelingskader (normenhuis) voor geluidgevoelige gebouwen is vereenvoudigd. Dit geldt zowel voor geluid van wegen en industrieterreinen met een geluidproductieplafond als voor activiteiten. Voorkeursgrenswaarde wordt standaardwaarde. Maximale ontheffingswaarde wordt grenswaarde. Getoetst wordt per gezamenlijk geluid in plaats van per bron afzonderlijk. Dit betreffen bijvoorbeeld alle gemeentelijke wegen tezamen binnen het geluidaandachtsgebied.

Is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde dan dient het cumulatief geluid ook getoetst te worden. Hogere grenswaarde procedures vervallen. Hiermee vervalt ook een gecontinueerd databestand van vastgestelde hogere grenswaarde, en daarmee toegepaste gevelmaatregelen.

7

•

Lokaal hogere waardenbeleid kan in het omgevingsplan omgezet worden naar de nieuwe normen van de Omgevingswet en ter bepaling of een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde als acceptabel kan worden geacht. Te denken valt bijvoorbeeld aan de noodzaak van een geluidluwe zijde.

Aanvullingsspoor geluid Het aanvullingsspoor geluid vult het nieuwe stelsel van omgevingsrecht aan. Doel van dit aanvullingsspoor is het voorkomen van de onbeheerste groei van geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen. Instrumenten daarvoor zijn: geluidproductieplafonds voor industrieterreinen, wegen en spoorwegen. En basisgeluidemissie voor wegen en spoorwegen. Aanvullingswet geluid Voor het halen van de doelen staan er in de Aanvullingswet geluid regels over: • verplichte omgevingswaarde gemeente voor geluidproductie industrieterrein (artikel 2.11a). • verplichte omgevingswaarde provincie voor geluidproductie wegen en aangewezen lokale spoorwegen (artikel 2.13a) en industrieterreinen (artikel 2.12a). • verplichte omgevingswaarden Rijk voor geluidproductie wegen in beheer bij het Rijk en hoofdspoorwegen (artikel 2.15, tweede lid). • beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (artikel 2.16, eerste lid onderdeel c; artikel 2.17, eerste lid, onderdeel c; artikel 2.18, eerste lid, onderdeel f; artikel 2.19, derde lid onderdeel b), voor het beschermen van de gezondheid (artikel 2.28, onderdeel d). De hierboven genoemde verplichte omgevingswaarden zijn geluidproductieplafonds. Sinds 2012 geldt er al een systematiek met geluidproductieplafonds voor rijkswegen en hoofdspoorwegen. Dit staat in de Wet milieubeheer, maar gaat over naar de Omgevingswet.

De Omgevingswet zet deze systematiek door en verbreedt die ook. Deze systematiek gaat ook voor provinciale wegen en industrieterreinen gelden. De geluidregels voor lokale infrastructuur en geluidgevoelige gebouwen veranderen ook. Aanvullingsbesluit geluid In het Aanvullingsbesluit geluid staan instructieregels voor: • het beheersen van geluid van industrieterreinen, wegen en spoorwegen (geluidproductieplafonds of basisgeluidemissie). • het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in de omgeving van deze geluidbronnen. • sanering van te hoge geluidbelastingen langs decentrale infrastructuur. Aanvullingsregeling geluid In de Aanvullingsregeling geluid worden allerlei technische en praktische onderdelen van het stelsel ingevuld. Zoals de reken- en meetmethoden om het geluid te bepalen. Nieuw normenhuis (toevoeging geluidgevoelig gebouw) Standaardwaarde in Grenswaarde in Bronsoort dB (Lden) dB (Lden) Rijkswegen 50 60 Provinciale wegen

50

60

8

Verschil feitelijk + 3 dB binnenstedelijk: feitelijk – 8 dB

Bronsoort

Standaardwaarde in Grenswaarde in dB (Lden) dB (Lden)

Gemeentewegen en Waterschapswegen

53

70

Spoorwegen

55

65

50 40 dB Lnight

55 45 dB Lnight

Gezoneerd industrieterrein

Verschil buitenstedelijk: feitelijk + 2 of 3 dB binnenstedelijk: feitelijk + 2 dB buitenstedelijk: feitelijk + 12 dB feitelijk - 3 dB van etmaalwaarde naar Lden. Toevoeging Lnight

Voor de toevoeging van een nieuwe geluidbron gelden met uitzondering voor de gemeentewegen en waterschapswegen 5 dB hogere grenswaarden. Een nieuwe woning in het aandachtsgebied van bijvoorbeeld een gezoneerd industrieterrein heeft daarmee een maximale gevelgeluidbelasting van 55 dB. Indien echter een nieuw bedrijf wordt toegevoegd op het gezoneerde industrieterrein geldt een maximale gevelgeluidbelasting van 60 dB, dit betreft de geluidsruimte van het gezoneerde industrieterrein.

Geluid van Activiteiten langtijdgemiddelde maximale geluidniveaus tgv transport overige maximale geluidniveaus 2.4.2

Dag in dB(A) 50

Avond in dB(A) 45

Nacht in dB(A) 40

-

70

70

Avond + 5 dB, Nacht + 10 dB

-

65

65

Nacht + 5 dB

Verschil Geen

Geluidaandachtsgebieden Bij het ingaan van de Omgevingswet vervalt de Wet geluidhinder en de systematiek voor de geluidszone. Hiervoor in de plaats komt het geluidsaandachtsgebied met vernieuwde grenswaarden en systematiek voor het vastleggen van een onderzoeksgebied. In plaats van een vaste zone toe te kennen aan een weg zal deze na ingang van de Omgevingswet worden berekend. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om bijvoorbeeld de gehele bebouwde kom als geluidaandachtsgebied voor gemeentelijke wegen aan te wijzen. Het geluidsaandachtsgebied wordt aan de hand van de eigenschappen van een te onderzoeken geluidbron berekent. Uit de berekening resulteert een contour rondom de betreffende geluidbron waarin de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden, ook wel het geluidaandachtsgebied. Voor het berekenen van de contour gelden regels uit de Aanvullingsregeling geluid en de Omgevingsregeling. De systematiek voor het bepalen van een geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de juridische status van een bron. Hierin worden twee soorten bronnen onderscheden betreffende bronnen met een geluidproductieplafond (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE).

9

Bronnen met geluidproductie plafonds (GPP) Het GPP is een beleidsinstrument van toepassing op rijkswegen, spoorwegen, provinciale wegen en gezoneerde industrie beheert door het Rijk, de provincie of de gemeente. Het bevoegd gezag stelt aan de hand van grenswaarden voor geluidbelasting een waarde op voor de aanvaardbare geluidbelasting door een geluidsbron. Deze waarde wordt getoetst via geluidreferentiepunten in een digitaal model die de geluidbelasting berekend. Bij een overschrijding van de vastgestelde waarde met 1,5 dB of meer is het bevoegd gezag verplicht maatregelen te nemen voor het verminderen van de geluidbelasting. Hiervoor kan het wenselijk zijn om bijvoorbeeld geluidverkaveling toe te passen op een gezoneerd industrieterrein. Bronnen met een basisgeluidemissie (BGE) De BGE is een beleidsinstrument die bij ingaan van de Omgevingswet wordt geïntroduceerd en wordt toegepast op de weggen zonder GPP. Door middel van de BGE wordt een referentieniveau van geluid gegeven voor gemeentelijke wegen en waterschapswegen. De BGE geldt voor de wegen met een verkeersintensiteit hoger dan 1.000 voertuigen per etmaal. Voor het bepalen van de BGE verzamelt het bevoegd gezag gegevens volgens artikel 11.46 van het Bkl. De gegevens moeten op zijn minst geluidsbrongegevens, het geluidsaandachtsgebied en verkeerintensiteit bevatten.

Voor BGE wegen met een verkeersintensiteit van 4.500 voertuigen per etmaal of meer moet de BGE zijn opgesteld in 2023. Voor wegen met een intensiteit van tussen de 1.000 en 4.500 geldt dat BGE moet zijn bepaald in 2026. Na het vaststellen van de BGE worden de gegevens opgenomen in een centrale voorziening geluidgegevens waarna de gemeente de BGE moet monitoren. Het geluidniveau wordt berekend of geschat in Lden en vergeleken met het referentieniveau van de BGE. Bij een overschrijding van 1,5 dB of hoger moeten maatregelen worden overwogen. Gemeenten zijn in tegenstelling tot GPP’s echter niet verplicht om deze maatregelen ook uit te voeren. Uiterlijk in 2028 dient verslag te worden gedaan van de monitoring van de BGE. Daarna dient dit elke 5 jaar herhaald te worden. 2.4.3

Gezoneerde industrieterreinen Onder de Omgevingswet worden voor bedrijven op een gezoneerd industrieterrein de GPP systematiek toegepast uit de Wet milieubeheer. Door middel van het vaststellen van de GPP’s wordt de maximale geluidproductie van een gezoneerd industrieterrein gelimiteerd. Hierbij geldt dat de bestaande 50 dB(A) contour van een terrein overgezet wordt naar een 50 Lden contour en gaat fungeren als geluidsaandachtsgebied. Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Geluidaandachtsgebieden bepalen voor gemeentewegen, spoorwegen, provincialeen rijkswegen. Vaststellen (grens)waarden voor geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied Vaststellen (grens)waarden voor activiteiten met gebruiksruimte GPP waarden vaststellen voor gezoneerde industrieterreinen (geluidaandachtsgebied ligt deels over het plangebied)

10

Waar moet de NvU antwoord op geven? Welke (grens)waarden hanteren we voor geluid van activiteiten met gebruiksruimte op een geluidgevoelig gebouw? En is daar nieuw beleid voor nodig? Welke (grens)waarden hanteren we voor geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen op een geluidgevoelig gebouw? En is daar nieuw beleid voor nodig (verlenen van hogere waarden is niet langer mogelijk)? Relevantie instructieregels Bkl Aanvaardbaarheid 5.59 Standaardwaarden en grenswaarden 5.65 Flexibiliteit (geen waarden) 5.70 Flexibiliteit (andere regels dan waarden) 5.71 Toepassingsbereik 5.78 Waarden van het geluid 5.78a Toepassingsbereik 5.78r

2.5

Lucht Het Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) komen niet terug onder de Omgevingswet. Overheden kunnen met de instrumenten van de Omgevingswet sturen op het toelaten van nieuwe functies, zoals gevoelige gebouwen of uitbreidingen op bepaalde locaties. De nadruk ligt op verbetering van de luchtkwaliteit via lokale maatregelen. Daarvoor kunnen gemeenten en provincies lokale omgevingswaarden opstellen. Decentrale overheden kunnen ook strengere omgevingswaarden stellen. Ze moeten lokale omgevingswaarden zelf monitoren en een programma opstellen bij dreigende overschrijding. Omdat Neder-Betuwe voor een beleidsneutrale omzetting gaat, is dit thans niet aan de orde. Vanuit het aspect lucht hoeven vooralsnog geen regels te worden gesteld in het omgevingsplan. Waar moet de NvU antwoord op geven? Nemen we een omgevingswaarde voor luchtkwaliteit op? En waarom wel/niet?

2.6

Omgevingsveiligheid

2.6.1

Hoofdpunten veranderingen externe veiligheid •

•

•

Regels uit activiteitenbesluit, activiteitenregeling, besluit omgevingsrecht, besluit externe veiligheid buisleidingen, besluit en regeling risico’s zware ongevallen en vuurwerkbesluit komen te staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Beoordelingsregels voor vergunningen en instructieregels voor bestemmingsplannen (voortaan dus omgevingsplan) uit Bevi, Revi, Bevb, Revb, vuurwerkbesluit, Barro, Rarro en circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik komen te staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bouweisen uit het bouwbesluit komen te staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

11

• • •

•

•

2.6.2

Het adviesrecht uit Bevi, Bevb en Bor komt te staan in het Omgevingsbesluit (Ob). De verplichte rekenmethodes komen te staan in de Omgevingsregeling (Or). De specifieke verwijzing naar voorschriften uit de PGS-richtlijnen komt te vervallen in de wetgeving, er wordt algemeen verwezen naar PGS, die zelf aangeeft welke voorschriften relevant zijn. De opgenomen maatregelen hebben betrekking op omgevingsveiligheid, arbeidsveiligheid, brandveiligheid en/of rampenbestrijding. Daar waar nu via diverse besluiten en regelingen definities worden gegeven voor gevaarlijke stoffen en giftige stoffen is straks in het Bal een algemene definitie per stofcategorie opgenomen. Daar waar nu een vergunningplicht bestaat vanuit het Activiteitenbesluit of op basis van oude wetgeving, wordt de vergunningplicht op Rijksniveau beperkt tot Seveso-bedrijven en activiteiten waarbij BBT-regels ontbreken dan wel opvolging daarvan zou significante risico's buiten het bedrijf betekenen die berekend moeten worden. Wanneer arbo-regels externe veiligheidsrisico's ondervangen, bestaat geen vergunningplicht.

Aandachtsgebieden externe veiligheid Het bevoegde gezag moet rekening houden met de mogelijke gevolgen van gevaren van activiteiten met gevaarlijke stoffen en bepalen of aanvullende bescherming nodig is voor het waarborgen van een voldoende veilige en gezonde leefomgeving. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het type aandachtsgebied maakt direct zichtbaar door welke gevaren (brand, explosie of gifwolk) de omgeving kan worden getroffen. Hierdoor vormt het aandachtsgebied een instrument voor bedrijf, bestuurder en burger om het gesprek over veiligheid en bescherming door maatregelen te starten. Hoe invulling gegeven wordt aan de bescherming binnen aandachtsgebieden, is een bestuurlijke keuze. Het bevoegde gezag maakt en motiveert in de omgevingsvisie en het omgevingsplan een keuze over wat voldoende veilig is en hoe gezondheid en milieu worden beschermd. Ook beoordeelt het bevoegd gezag of, en zo ja welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen De Omgevingswet kent voor externe veiligheid drie aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied voor bescherming tegen hittestraling. Binnen dit gebied kan de warmtestraling >10 kW/m2 zijn.

o Explosieaandachtsgebied voor bescherming tegen drukgolf en warmtestraling. Binnen dit gebied kan een BLEVE plaatsvinden met een warmtestraling van >35 kW/m2 of een explosie met een overdruk >10 kPa. Voor vuurwerk werkt het aandachtsgebied anders. o Gifwolkaandachtsgebied voor bescherming tegen gevaarlijke gassen. Binnen dit gebied geldt een overschrijdingsnorm die is vastgelegd in de Omgevingsregeling met een concentratie per stof. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s en de begrenzing ervan is vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ze gelden vanaf het begin van het verrichten van de activiteit. Een aandachtsgebied hoeft de gemeente in principe niet in het omgevingsplan aan te wijzen (deze zijn altijd van toepassing), maar dit mág uiteraard wel (het omgevingsplan is immers vormvrij). 12

Ook kan een gemeente bínnen een aandachtsgebied zogenaamde voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand-of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Daarnaast kent het Bkl voor buisleidingen een beperkingengebied dat in het omgevingsplan dient te worden opgenomen (instructieregel).

Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Bepalen aandachtsgebieden en beperkingengebieden Inventarisatie (zeer) kwetsbare gebouwen en waar deze toe te laten. Daaropvolgend eventueel brand- en explosievoorschriftengebieden aanwijzen. Waar moet de NvU antwoord op geven? Is het wenselijk de brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden op te nemen in het omgevingsplan? Is het nodig brand- en explosievoorschriftengebieden aan te wijzen? Relevantie instructieregels Bkl Plaatsgebonden risico: afstanden 5.8 Aandachtsgebieden 5.12, 5.14 Risicogebied 5.17 Belemmeringengebied 5.18

2.6.3

Niet Gesprongen Explosieven Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder-Betuwe verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Omdat de gehele gemeente verdacht is, adviseert de gemeente dat iedereen die werkzaamheden in de bodem verricht, de bodembelastingkaart uit het vooronderzoek raadpleegt.

13

Waar moet de NvU antwoord op geven? Op welke wijze borgen we de bodembelastingskaart in het omgevingsplan?

2.7

Milieuzonering

2.7.1

Hoofdpunten veranderingen De belangrijkste wijzigingen bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de volgende: • Het Activiteitenbesluit komt te vervallen. • Het aantal (en soort) activiteiten waar het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) betrekking op heeft is beduidend kleiner dan in het Activiteitenbesluit. • De VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering (met milieucategorieën) wordt niet meer geactualiseerd. • Milieuaspecten als geluid- en geurhinder worden niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals nu in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan.

2.7.2

Hoe verder? Binnen het programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ is de staalkaart ‘bedrijfsmatige activiteiten’ voor het omgevingsplan opgesteld. Deze is bedoeld als uitnodiging en startpunt richting gemeenten om na te denken over de wijze waarop zij bedrijfsmatige activiteiten binnen hun grondgebied willen reguleren. De staalkaart bevat een aantal mogelijkheden voor de wijze van regulering van bedrijfsmatige activiteiten. De staalkaart biedt onder meer een nieuwe aanpak voor het evenwichtig toedelen van bedrijfsmatige activiteiten aan locaties, in overeenstemming met de VNG-uitgave Milieuzonering Nieuwe Stijl. Het wordt gezien als de vervanger van de bekende VNGuitgave Bedrijven en milieuzonering. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een ander wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. De Milieuzonering nieuwe stijl gaat niet meer in op: • Externe veiligheid: Het aspect externe veiligheid wordt in bestemmingsplannen al gericht gereguleerd via planregels die een relatie hebben met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en met het Vuurwerkbesluit. Uitzondering: Er zijn wel enkele activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen, waar veiligheidsafstanden van belang kunnen zijn in de ruimtelijke ordening.

Het gaat om activiteiten zoals gasontvangst- en verdeelstations en elektriciteitsdistributie. • Stofhinder: In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan verschillende regels om stofhinder te voorkomen al direct buiten de hinder veroorzakende inrichting, dit is dus los van de ligging ten opzichte van de woonomgeving. Daarnaast zijn andere milieuthema’s zoals geluid, geur en gevaar maatgevend voor de milieubelasting en de aan te houden afstanden tussen bedrijven en woningen. • Verkeersaantrekkende werking, visuele hinder, bodem- en luchtverontreiniging: In de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering zijn naast de richtafstan14

den voor geur, stof, geluid en gevaar, voor de aspecten verkeersaantrekkende werking, visuele hinder, bodem- en luchtverontreiniging indices opgenomen. Zo loopt de index van verkeersaantrekkende werking van 1 (potentieel geringe verkeersaantrekkende werking) tot 3 (potentieel zeer grote verkeersaantrekkende werking). Deze indices zijn indicatief van karakter en worden in het algemeen niet vertaald in planregels. Neder-Betuwe heeft er in het bestemmingsplan ‘Kernen Neder-Betuwe’ voor gekozen de index voor verkeersaantrekkende werking wél in de planregels te borgen. De overige indices zijn niet vertaald in de planregels. Dit neemt niet weg dat in de toelichting van het bestemmingsplan, naast de systematiek van milieuzonering, altijd onderbouwd moet worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (onder de huidige wetgeving), na inwerkingtreding van de Omgevingswet een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Drie te onderscheiden gebiedstypen • Werklocatie zoals industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden (zoals kantorenlocaties) • Woongebieden • Gemengde gebieden met wonen (functiemenging) En dus niet (meer) op woonwijken, buitengebied en geluidgezoneerde industrieterreinen. Het is aan te bevelen de verschillende gebiedstypen in het omgevingsplan aan te wijzen.

Zonering op basis van gebruiksruimte Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. In de nieuwe publicatie gaat het hierbij vooral om de gebruiksruimte op het gebied van geluid en geur. Met het oog op een gezonde fysieke leefomgeving is het uitgangspunt voor bedrijventerreinen/werklocaties: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties. Hoe groter deze afstand, hoe meer gebruiksruimte de bedrijven op een bedrijventerrein krijgen in het bestemmingsplan. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Dus ieder bedrijf krijgt zijn eigen gebruiksruimte. Hierbij is de hoeveelheid gebruiksruimte afhankelijk van de specifieke bedrijfsactiviteiten en de zone van het bedrijventerrein waarin het bedrijf ligt. Per zone wordt een standaard gebruiksruimte per bedrijf toegekend. De ligging en werking van de normen volgen uit de regels en bewegen mee met de ligging van de gevestigde bedrijven. Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Bepalen (gewenste) gebruiksruimte voor bedrijfsmatige activiteiten

15

Waar moet de NvU antwoord op geven? Hoe bepalen we de gebruiksruimte voor bedrijfsmatige activiteiten? Welke waarden leggen we daarvoor vast? En is daar nieuw beleid voor nodig? Is het wenselijk de verschillende gebiedstypen aan te wijzen? En waarom wel/niet?

2.8

Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de instructieregels van het Rijk (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • verplaatsing van beschermde monumenten; • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Beschermen (archeologische) monumenten (in de bodem). Beschermen beschermd dorpsgezicht. Waar moet de NvU antwoord op geven? Op welke wijze willen we monumenten beschermen tegen o.a. leegstand, ontsiering, beschadiging of sloop? En hoe voorkomen we verplaatsing? Is het wenselijk c.q. nodig een aandachtsgebied rondom monumenten op te nemen (ensemblewaarde)? En waarom wel/niet?

2.9

Overig Op grond van de artikelen 5.165a en 5.165b van het Bkl moeten gemeenten in hun omgevingsplan een bebouwingscontour houtkap en een bebouwingscontour jacht aanwijzen voor gebieden aansluitend aan stedelijk gebied (en voor jacht tevens aansluitend aan lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen). Het ligt voor de hand het bebouwd gebied (kernen) óók op te nemen in deze bebouwingscontour. Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Aanwijzen bebouwingscontour houtkap Aanwijzen bebouwingscontour jacht

2.10

Bruidsschat Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat de regels voor gemeenten automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan komen. 16

Het is aan gemeenten om deze regels voor 2030 te verhuizen naar het permanente deel van het omgevingsplan. De gemeente Neder-Betuwe kiest er in beginsel voor de bruidsschat in één keer voor de hele gemeente te verhuizen. Dit neemt niet weg dat het wellicht logisch(er) is bepaalde onderdelen van de bruidsschat nu al mee te verhuizen, omdat deze samenhangen met de planologische regels. Een voorbeeld hiervan is de vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken. Daarnaast bevat de bruisschat o.a. relevante bepalingen voor cultureel erfgoed en geluid door activiteiten (met gebruiksruimte). Waar moet de NvU antwoord op geven? Welke delen van de bruidsschat willen we nu al meeverhuizen? En waarom is dat wenselijk/noodzakelijk?

17

3 3.1

Instructieregels provincie Omgevingsverordening Gelderland Naast het Rijk kunnen ook de provincies middels instructieregels of direct werkende regels aangeven op welke wijze gemeenten een taak of bevoegdheid moeten uitoefenen. Deze regels zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening, die alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving bevat. Via instructieregels of instructies worden regels gegeven voor bepaalde locaties. Dat vindt zijn grondslag in artikel 4.2, tweede lid, van de Omgevingswet (Ow). In dit hoofdstuk is aangegeven welke instructieregels van de provincie een vertaling in het omgevingsplan behoeven. De instructieregels voor omgevingsplannen zijn weergegeven in onderstaande tabel, waarbij in de laatste kolom is aangegeven of deze relevant zijn voor het omgevingsplan ‘Kernen Neder-Betuwe’ en waarom wel/niet. Onderwerp Afdeling 2.1 Woonlocaties

Artikelen met (instructie)regels 2.2, 2.3, 2.4 en 2.5

Afdeling 2.2 Werklocaties

2.9, 2.10, 2.11, 2.12, 2.13, 2.14 en 2.15

Afdeling 2.3 Glastuinbouw Afdeling 2.4 Veehouderij

2.16, 2.17

Afdeling 2.5 Grond- en drinkwaterbescherming

2.36, 2.37 en 2.38

2.28, 2.29, 2.31, 2.33, 2.34 en 2.35

Relevantie voor omgevingsplan Kernen •

Art. 2.2: Niet relevant, het omgevingsplan staat geen nieuwe woningen toe. • Art. 2.3: Niet relevant, het omgevingsplan staat geen nieuwe solitaire recreatiewoningen toe. • Art. 2.4: Relevant indien er recreatiewoningen binnen het plangebied aanwezig zijn. • Art. 2.5: Niet relevant, er worden geen nieuwe recreatiewoningen toegestaan. • Art. 2.9: Niet relevant: het omgevingsplan staat geen nieuwe kantoren toe. • Art. 2.10: Niet relevant: het omgevingsplan maakt geen nieuw bedrijventerrein mogelijk. • Art. 2.11: Niet relevant: het omgevingsplan maakt geen kadegebonden bedrijventerrein mogelijk. • Art. 2.12: Niet relevant: het omgevingsplan maakt geen nieuwe solitaire bedrijven mogelijk. • Art. 2.13/2.14: Niet relevant: het omgevingsplan maakt geen nieuwe perifere detailhandel en/of supermarkten mogelijk. • Art. 2.15: Niet relevant, dit bestemmingsplan ziet niet toe op (bestaande) bedrijventerreinen. Niet relevant, het omgevingsplan staat geen nieuwvestiging of uitbreiding toe. • Art. 2.28: Niet relevant, het omgevingsplan staat geen nieuwe grondgebonden veehouderij toe. • Art. 2.29: Niet relevant, het omgevingsplan staat geen nieuwe niet-grondgebonden veehouderij toe. • Art. 2.31/2.33: Niet relevant, zie hiervoor. • Art. 2.34: Niet relevant, het omgevingsplan staat geen nieuwe of uitbreiding van een geitenhouderij toe. • Art.

2.36: Niet relevant, plangebied is niet gelegen in een waterwingebied • Art. 2.37: Niet relevant, plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsge18

bied. Art. 2.38: Relevant, delen plangebied zijn aangewezen als intrekgebied. • Art. 2.39/2.40/2.43: Aandachtspunt; het omgevingsplan staat in principe geen nieuwe ontwikkelingen en/of activiteiten toe binnen NNN. • Art. 2.60: Relevant; het plangebied is deels onderdeel van de Romeinse Limes. • NB: Overige artikelen in deze afdeling zijn niet beschouwd vanwege ontbreken van GO in het plangebied. • Art. 2.63: Niet relevant, in het plangebied zijn locaties aangewezen waar windturbines uitgesloten moeten worden. • Art. 2.64: Niet relevant, in het plangebied zijn geen molenbiotopen aanwezig. • Art. 2.65/Art. 2.65a: Niet relevant, geldt alleen voor het buitengebied. Niet relevant, het omgevingsplan staat geen nieuwe ontwikkelingen toe. Regels water: een deel van het plangebied ligt binnen het kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. •

Afdeling 2.6 Natuur en landschap

2.39, 2.40, 2.43 en 2.60

Afdeling 2.7 Energie

2.63, 2.64, 2.65 en 2.65a

Afdeling 2.8 Klimaatadaptatie Actualisatieplan 9 Omgevingsverordening

2.65b

Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Aanwijzen Limes en opnemen beschermende regeling Aanwijzen intrekgebied en kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied en opnemen beschermende regeling (indien nodig)

19

4 4.1

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Neder-Betuwe Eén van de belangrijkste principes achter de Omgevingswet is het werken volgens de ‘beleidscyclus’, waarbinnen alle instrumenten een plaats en rol hebben. De omgevingsvisie is bedoeld om de bestuurlijke doelen op hoofdlijnen vast te leggen. Eventuele programma’s bevatten een uitwerking van deze bestuurlijke doelen, maar ook op onderdelen een vertaling van deze doelen naar uitvoering. In het omgevingsplan worden de bestuurlijke doelen uit de omgevingsvisie (en eventuele uitwerking in programma’s) vertaald in juridische regels voor het toestaan (of verbieden) van activiteiten. Door de (omgevings)vergunning krijgen de regels vervolgens uitvoering. In de omgevingsvisie van Neder-Betuwe zijn tien speerpunten geformuleerd waar de gemeente zich de komende jaren op wil richten. Per speerpunt is in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente doet. De keuzes die zijn gemaakt in de Omgevingsvisie worden in het omgevingsplan verder uitgewerkt in regels. Daarbij wordt tevens beoordeeld of er mogelijkheden zijn voor deregulering. Dat is geen doel op zich, maar een middel om (overbodige) regels te verminderen zodat het voor inwoners makkelijker wordt om een initiatief (dat past binnen de omgevingsvisie) mogelijk te maken.

Speerpunten omgevingsvisie Neder-Betuwe

20

Het omgevingsplan vormt de juridische vertaling van de speerpunten uit de omgevingsvisie. Het ligt voor de hand de hiervoor genoemde speerpunten te vertalen naar concrete doelen (voor de hele gemeente of een specifiek gebied) en oogmerken (voor specifieke gebieden of thema’s). Daarmee werkt de omgevingsvisie door in het omgevingsplan. Hoewel het omgevingsplan voor de kernen van Neder-Betuwe in de basis beleidsneutraal is, vraagt een aantal beleidsambities om een juridisch-planologische vertaling in het omgevingsplan. In navolgende tabel zijn de beleidsambities weergegeven die idealiter in het omgevingsplan moeten (of kunnen) landen. De Nota van Uitgangspunten moet uiteindelijk een antwoord geven op de vraag of het wenselijk c.q. noodzakelijk is voor de onderstaande beleidsambities regels te stellen in het omgevingsplan.

21

1

2

3

Speerpunt Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken

Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt

Wonen voor iedereen

Beleidsambitie De gemeente zorgt voor:

Mogelijke vertaling

•

een goede en gezonde milieukwaliteit,

• • • •

veilige verkeersverbindingen, passende huisvesting, voldoende toegankelijke voorzieningen en openbare ruimte voor alle doelgroepen om elkaar te ontmoeten, te bewegen, sporten en spelen.

In het omgevingsplan worden milieueisen gesteld aan bijvoorbeeld geluid. De milieuaspecten zijn verder aan bod gekomen in hoofdstuk 2. Zie onder 4. Zie onder 3. Zie onder 10. In de bestaande bebouwde omgeving kan als doel worden opgenomen: Het creëren van een beweegvriendelijke omgeving door voldoende (bouw)mogelijkheden te bieden die bijdragen aan bewegen in de openbare ruimte.

Dit speerpunt vertaalt zich in:

•

Behoud en versterking van het lokale bedrijfsleven en bedrijven.

•

De gemeente streeft naar een goed vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven, met aantrekkelijke, vitale en duurzame werklocaties met passende functies.

De gemeente richt zich op het faciliteren van woningbouwplannen in alle kernen. Het gaat om de juiste woningen op de juiste plek. De gemeente zorgt dat in alle kernen wordt gebouwd. Voor binnen de kernen betekent dit: 22

De bestaande bedrijven en planologische mogelijkheden worden overgenomen in het omgevingsplan. Indien mogelijk voldoende mogelijkheden bieden voor (bestaande) bedrijvigheid om te innoveren/uit te breiden. Bijvoorbeeld door de Staat van Bedrijfsactiviteiten te laten vervallen en te werken met normen voor o.a. geluid, geur, veiligheid en trillingen voor bedrijfsactiviteiten. Gevarieerde woningbouw kan tot uiting komen in oogmerken bij de activiteit wonen. In omgevingsplan Kernen worden geen nieuwe woningbouwontwikkelingen meegenomen, daar worden afzonderlijke procedures voor gevoerd.

Speerpunt

4

Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het openbaar vervoer, de auto, de fiets en voor de wandelaar.

Beleidsambitie • Dat mogelijke inbreidingslocaties worden onderzocht. • Gestapelde bouw behoort tot de mogelijkheden om uitbreiding te voorkomen. • Gevarieerde woningbouw in elke kern, zowel qua woningtype als prijsklasse. Het aantal is afhankelijk van bestaande woningbouw, behoefte en nieuwbouwmogelijkheden per kern. Bij de kernen Echteld en IJzendoorn stimuleert en faciliteert de gemeente lokale initiatieven voor bijvoorbeeld meergeneratiewoningen en woonzorgboerderijen die passen bij de schaal van de omgeving. De gemeente zorgt voor voldoende huisvestingsmogelijkheden voor de lokaal werkende arbeidsmigranten. De gemeente wil een samenleving waarin iedereen plezierig en gezond kan wonen en leven en een zinvolle bijdrage kan leveren. Een goede en veilige bereikbaarheid is daarbij van essentieel belang. De gemeente zet daarom in op een optimaal bereikbare gemeente, waarbij we energiebewuste keuzes makkelijker willen maken. De gemeente zorgt voor goede parkeervoorzieningen in woonwijken en centrumgebieden conform de gemeentelijke Nota parkeernormen.

5

Doorontwikkelen en beleefbaar maken van de 23

Identiteit is een krachtige basis voor ontwikkelin-

Mogelijke vertaling

Het omzetten van een bestaande woning in een meergeneratiewoning en/of het binnenplans mogelijk maken van een woonzorgboerderij (middels een vergunningplicht). Huisvesting van arbeidsmigranten binnenplans mogelijk maken (middels een vergunningplicht in combinatie met beleidsregels). Dit kan tot uiting komen in oogmerken bij regels over de openbare ruimte. In het omgevingsplan zal de bestaande infrastructuur overgenomen worden. Daarnaast zal het mogelijk zijn fiets- en voetpaden aan te leggen. Indien er nieuwe infrastructuur aangelegd moet worden voor OV-verbindingen of autoverkeer dan is dat een nieuwe ontwikkeling die niet meegenomen wordt in dit omgevingsplan. In het omgevingsplan kan een koppeling gelegd worden tussen het omgevingsplan (bouwen en wijzigen gebruik) en de gemeentelijke parkeernota (zoals dat nu ook al gebeurt in bestemmingsplannen). De Archeologische waarden in de bodem worden

Speerpunt identiteit van de gemeente

6

Door ontwikkeling van de gemeente als centrum voor de laanboomteelt en andere agrarische sectoren

7

Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier

Beleidsambitie gen. Een plan is een kans om de identiteit van het gebied te versterken. Aan het begin van elk plan vraagt de gemeente hier aandacht voor. Bij ruimtelijke ontwikkelingen houdt de gemeente rekening met archeologie, zoals is opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid en beschermde ensembles en beschermde dorpsgezichten zoals opgenomen in het erfgoedbeleid. Van toepassing in het buitengebied en niet in de kernen.

Met de energietransitie doelt de gemeente op de overgang van het huidige energiegebruik en de gangbare manier van opwekking van energie naar een nieuwe, duurzame manier. • De gemeente werkt toe naar aardgasvrij wonen voor bestaande woningen volgens een regionale (RES) en lokale strategie (Transitievisie Warmte). • De gemeente werkt toe naar goed geïsoleerde woningen zonder aardgas. • De gemeente zet in op energiebesparing en isoleren om minder energie te verbruiken. • Bij bouwen kiest de gemeente voor duurzame materialen. •

24

De gemeente stimuleert het opwekken van

Mogelijke vertaling beschermd middels beperkingengebieden (overeenkomstig de huidige systematiek met dubbelbestemmingen in de bestemmingsplannen). Daarnaast kan een beperkingengebied voor beschermde ensembles en beschermde dorpsgezichten opgenomen worden. Verder kan het doorontwikkelen en beleefbaar maken opgenomen worden in de doelen van het omgevingsplan. In overleg met de sector ontwikkelt de gemeente duidelijke regels over de toepassing van (nieuwe) teeltondersteunende voorzieningen en het realiseren van nieuwe agrarische bouwpercelen. Dit is vooral relevant voor het buitengebied. Dit is niet van toepassing voor de kernen.

Er kan overwogen worden bestaande goot- en bouwhoogte te mogen verhogen in verband met de isolatie van daken (eventueel vergunningplicht om binnenplans af te wijken).

Er kan overwogen worden om het gebruik van duurzame materialen voor te schrijven. Dit vergt nog wel nadere uitwerking. Het plaatsen van zonnepanelen op daken kan ver-

Speerpunt

Beleidsambitie energie door zonnepanelen op daken van woningen en bedrijven. • De gemeente realiseert duurzame alternatieven voor aardgas. Denk aan warmte uit wind en zon, restwarmte, geothermie, aquathermie, enzovoort.

•

8

Voorbereid zijn op de veranderingen in het klimaat

25

Veel voorkomende initiatieven gericht op besparing en opwekking van duurzame energie maakt de gemeente in het omgevingsplan zo makkelijk mogelijk. Dat betekent dat ze (onder voorwaarden) vergunningsvrij worden gemaakt of met een eenvoudige (reguliere) procedure. Om veilig te blijven bij piekbuien reserveert de gemeente meer ruimte voor water, zowel voor de rivier als binnen de dijken. Daardoor is er ook voldoende watervoorraad voor periodes van droogte. De gemeente zal meer bomen planten om schaduw te bieden voor mensen en dieren en om hittestress te voorkomen. • De gemeente zoekt actief naar mogelijkheden om duurzaam om te gaan met water. Dit doet de gemeente door stedelijk gebied klimaatadaptief in te richten, verharding te minimaliseren en bestaande verharding te vergroenen en door de opslag van water in hemelwaterbuffers tijdens hevige neerslag.

Mogelijke vertaling gunningsvrij toegestaan worden in het omgevingsplan. Naast het plaatsen van zonnepanelen kan het plaatsen van een warmtepomp vergunningsvrij mogelijk zijn, mits voldaan wordt aan de geluidsnormen. Binnen de zoekgebieden voor energieparken kunnen, onder voorwaarden windparken of zonneparken mogelijk gemaakt worden. Echter liggen deze zoekgebieden buiten het gebied van de kernen. Zie hiervoor.

Op dit moment wordt er een visie opgesteld voor klimaatadaptatie, aan de hand waarvan de beleidsambitie concreet kan worden gemaakt. Dat biedt misschien mogelijkheden om regelingen in het omgevingsplan op te nemen. Daarnaast zal bij nieuwe ontwikkelingen eisen gesteld kunnen worden. In het omgevingsplan worden geen nieuwe initiatieven opgenomen.

Speerpunt

Beleidsambitie • De gemeente neemt maatregelen tegen hittestress door meer bomen aan te planten en slim watermanagement.

•

9

Een gezonde, groene en biodiverse omgeving

De gemeente stimuleert de toepassing van waterbesparende systemen bij bouwplannen om waterverbruik te verminderen. De gemeente wil meer ruimte voor groen in en om de kernen. Zowel in de openbare ruimte als in de tuinen of erven van inwoners en bedrijven. Dit groen wil de gemeente zo inrichten dat meer verschillende planten en dieren zich hier thuis voelen. Tevens wil de gemeente het beheer zodanig omvormen dat dit leidt tot het versterken van de biodiversiteit. Het combineren van groen met functies als bewegen, spelen en waterberging leveren een aantrekkelijke openbare ruimte. • De gemeente zorgt voor voldoende groen en water, vergroening in tuinen en stedelijk gebied, verlichting- en geluidbeperking en bescherming van kwetsbare zones.

•

10

Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente

26

De gemeente voorziet ruimtelijke plannen van een biodiversiteitsparagraaf: voor behoud en herstel van de biodiversiteit in het plangebied. De gemeente werkt aan dorpen die vitaal en veerkrachtig zijn, waarin men bij elkaar betrokken is en er voldoende mogelijkheden zijn om betekenisvol

Mogelijke vertaling Het aanplanten van bomen e.d. is niet af te dwingen behalve bij nieuwe ontwikkelingen. Wel kan het kappen van bestaande bomen voorkomen worden. Hiervoor kan de bestaande kapvergunning overgenomen worden. Dit aspect heeft betrekking op nieuwe ontwikkelingen. In het omgevingsplan worden die niet meegenomen.

Dit betreft veelal inrichting van openbare ruimte. In bestemmingsplannen en straks ook in het omgevingsplannen zijn hiervoor geen belemmeringen. Het is mogelijk om eisen te stellen aan verharding in tuinen. Hiervoor is nog geen concreet beleid. De milieuaspecten zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 2. Aandacht voor biodiversiteit (en klimaatadaptatie) in de motivering/toelichting bij het omgevingsplan.

Speerpunt

Beleidsambitie te kunnen wonen, werken en leven. In elk dorp dienen de basisvoorzieningen aanwezig of bereikbaar te zijn. • Ten minste één ontmoetingsruimte per dorp, zo nodig in combinatie met andere voorzieningen zoals sportaccommodaties.

27

•

Het behoud van een school per dorp.

•

De gemeente biedt ruimte aan nieuwe speelvoorzieningen in de kernen, ook voor de leeftijdscategorie 12+.

Mogelijke vertaling

De huidige maatschappelijke en sportvoorzieningen zullen de huidige functies behouden. Hierbinnen is ook al enige mate van functie-uitwisseling mogelijk. De scholen kunnen net als nu specifiek voor de onderwijsfunctie behouden blijven. Functieverandering naar een andere maatschappelijke functie is dan, net als nu, niet mogelijk. Er kan ook opgenomen worden dat er wel een andere maatschappelijke functie mogelijk is maar allen indien er minimaal één school overblijft in de desbetreffende kern. Voldoende ruimtelijke mogelijkheden bieden voor de realisatie van speelvoorzieningen. Jongerenontmoetingsplekken (12+) eventueel binnenplans toestaan met een omgevingsvergunning.

Waar moet de NvU antwoord op geven? Op welke wijze we de speerpunten uit de omgevingsvisie naar het omgevingsplan vertalen: Hoe komt dit tot uitdrukking in doelen en oogmerken? Welke activiteiten willen we eenvoudiger kunnen vergunnen? En welke (extra) randvoorwaarden willen we stellen aan bestaande activiteiten (denk aan klimaatadaptatie)?

4.2

Geurverordening De gemeente Neder-Betuwe heeft in 2009 een geurverordening opgesteld, die in 2011 is geactualiseerd. Hierin zijn een aantal andere geurnormen opgenomen die gelden voor enkele gebieden binnen de gemeente. De geurverordening maakt onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. In de geurverordening heeft de gemeente eigen waarden vastgesteld voor de geurhinder van veehouderijen. Deze waarden gelden voor de gebieden die in de verordening zijn aangewezen, en komen daarmee in de plaats van de waarden die zijn opgenomen in de Wet geurhinder veehouderijen (Wgv). In de geurverordening is bepaald dat: • de bebouwde kommen zoals begrensd in de bij de geurvisie weergegeven kaart een maximale geurbelasting van 2,0 ouE/m3 als 98-percentiel behouden; • Casterhoven en de uitbreidingswijken in Opheusden en Ochten als overgangsgebied worden behouden, met een maximale geurbelasting van 4,5 ouE/m3 als 98-percentiel.

Geurnormenkaart

In het plangebied van het omgevingsplan ‘Kernen Neder-Betuwe’ zijn geen veehouderijen gelegen. Het opnemen van regels voor het veroorzaken van geur als gevolg van agrarische activiteiten en/of het houden van landbouwhuisdieren (al dan niet met emissiefactor) is derhalve niet nodig. Het verhuizen van deze regels kan plaatsvinden in een later stadium, wanneer de ruimtelijke regels voor het buitengebied naar het 28

permanente omgevingsplan worden verplaatst of op een ander ‘natuurlijk’ moment, bijvoorbeeld wanneer de geurverordening aan actualisatie toe is. Wel dient in het omgevingsplan voor de kernen een bebouwingscontour geur (normwaarde 2,0 ouE/m3 als 98-percentiel) aangewezen te worden (gebiedsaanwijzing). Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour geur als bedoeld in artikel 5.97 is aangewezen, geldt de bebouwde kom als bebouwingscontour geur (overgangsrecht). Omdat er in Neder-Betuwe overgangsgebieden zijn aangewezen (normwaarde 4,5 ouE/m3 als 98-percentiel), ligt het voor de hand deze ook als zodanig aan te wijzen in het omgevingsplan. Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Bebouwingscontouren geur opnemen (voor bebouwde kom en aangewezen overgangsgebieden/uitbreidingswijken)

4.3

Erfgoedverordening Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Tot eind 2029 (of tot de datum waarop de gemeente overgaat naar het definitieve omgevingsplan) bundelt het tijdelijke omgevingsplan de regels die nu zijn opgenomen in het bestemmingsplan, de welstandsnota en een aantal regels over archeologie in de erfgoedverordening van de gemeente. Regels uit de erfgoedverordening die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, moeten eind 2029 opgenomen zijn in het omgevingsplan. Stapsgewijs en gefaseerd wordt hieraan gewerkt, te beginnen bij deelgebied kernen. Voor onroerend cultureel erfgoed mag de erfgoedverordening (na 2030) dan alleen nog regels bevatten die geen directe relatie hebben met de fysieke leefomgeving, zoals subsidieregelingen. Alleen de regels voor archeologische monumentenzorg worden automatisch onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. De rest van de erfgoedverordening blijft naast het tijdelijke omgevingsplan bestaan. Bij vaststelling van een nieuw omgevingsplan (in dit geval voor de kernen) moeten in principe alle regels over cultureel erfgoed die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, opgenomen worden in dat nieuwe omgevingsplan.

De gemeente Neder-Betuwe heeft in 2018 het bestemmingsplan ‘Parapluregeling Archeologie’ vastgesteld, waarin het behoud van archeologische waarden in de bodem juridisch-planologisch is verankerd. In dit bestemmingsplan zijn de verschillende archeologische (verwachtings)waarden vertaald naar zogenaamde archeologische dubbelbestemmingen. Deze zijn later overgenomen in het bestemmingsplan voor de kernen. Uitgangspunt voor het omgevingsplan ‘Kernen Neder-Betuwe’ is het continueren van de juridisch-planologische bescherming middels zogenaamde ‘beperkingengebieden’ (vergelijkbaar met de huidige dubbelbestemmingen). De regels voor het bouwen en graven/breken worden overgenomen. Wat moeten we regelen in het omgevingsplan Kernen? Beperkingengebieden voor archeologie opnemen (overeenkomstig de huidige archeologische (verwachtings)waarden): - Beperkingengebied archeologie – 1 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13422530/1