AB - Toelichting en regels
Tekst van het document
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
28
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk.
Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron. Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
29
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgevinh.nl)
Uit de risicokaart valt op te maken dat het plangebied niet binnen relevante aandachtsgebieden of PR-contouren van in de omgeving aanwezige risicobronnen gelegen is. Het aantal woningen ter plaatse van het plangebied blijft gelijk er is dan ook geen sprake van het vergroten van het aantal mensen op de locatie. Een nadere verantwoording in het kader van het groepsrisico is niet aan de orde. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.8
Trilling
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat.
Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.
30
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.9
Explosieven
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Neder Betuwe diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor hoeveelheden Conventionele Explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Door de geplande werkzaamheden kunnen deze mogelijk ter plaatse aanwezige explosieven een reëel gevaar opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet dus worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn. Planspecifiek Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van een explosievenonderzoek kunnen de risico's en kans op explosieven in het plangebied in kaart gebracht worden. Een dergelijk onderzoek vindt plaats in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de onderhavige procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is voldoende aannemelijk dat de situatie ter plaatse de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.
4.10
Spuitzonering
Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Er kunnen omstandigheden zijn om (gemotiveerd) van deze indicatieve afstand af te wijken. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in agrarisch gebied, waar het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht mogelijk is. Hierbij kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Ter plaatse van het plangebied is wonen in de huidige situatie reeds mogelijk. Wel komt de woning dichterbij de agrarische gronden aan de noordkant van het plangebied te liggen. Rondom de woonfunctie wordt in dit plan daarom een spuitvrije zone toegevoegd van 50 m. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het aspect gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering vormt voor het initiatief.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
31
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m². De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.
Planspecifiek Het aantal woningen in het plangebied blijft gelijk, waardoor er per definitie geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).
32
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Ten aanzien van de ontwikkeling zijn de Waarderingskaart landschap en Waarderingskaart historische bouwkunst & stedenbouw geraadpleegd. Uitsnedes van deze kaarten zijn navolgend opgenomen.
Uit de bouwkunstkaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen waardevolle bebouwing aanwezig is. Tevens heeft het initiatief, gelet op de aard ervan, geen invloed op in de omgeving gelegen bebouwing. Uit de landschapskaart blijkt dat het plangebied gelegen is in een cultuurlandschap met een hoge waardering. Het verplaatsen van een woning op een bestaande woonlocatie heeft hier echter geen noemenswaardig effect op. Negatieve effecten met betrekking tot cultuurhistorie kunnen worden uitgesloten.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
33
Uitsnedes waarderigngskaarten landschap, bouwkunst en stedenbouw (bron: gemeente Neder-Betuwe)
Archeologie Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is voor het gehele plangebied van de gemeente Neder-Betuwe de archeologische verwachtingswaarde geregeld. Het plangebied heeft geen archeologische verwachtingswaarde, waardoor geen archeologisch onderzoek nodig is. Een uitsnede van de vigerende planologische situatie met betrekking tot archeologie is in onderstaande afbeelding weergegeven. Dit komt overeen met de archeologische verwachtingskaart, zie navolgende afbeelding.
Uitsnede archeologische waarderingskaart (bron: gemeente Neder-Betuwe)
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
34
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
5.3
Ecologie
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit plan rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl en Bal. Verder moet een plan zich houden aan provinciale instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening als het gaat om planologisch beschermde (natuur)gebieden zoals Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied. Voor een plan moet ten aanzien van natuurwetgeving worden bepaald of er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hiervan is ten eerste sprake als gevolgen voor natuur voldoende in beeld zijn gebracht zodat er kan worden afgewogen hoe rekening te houden met natuur. Ten tweede is hiervan sprake als kan worden aangenomen dat soortenbescherming en bescherming van houtopstanden niet voor onoverkomelijke problemen zorgt in de uitvoering (geen evidente onuitvoerbaarheid) en verder in lijn is met de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening ten aanzien van provinciale planologisch beschermde (natuur)gebieden.
Als er omgevingsvergunningen flora- en fauna-activiteit nodig zijn en/of maatregelen en vervolglocaties ten aanzien van beschermde soorten, houtopstanden en provinciale planologisch beschermde (natuur)gebieden, dan dient onderbouwd te worden dat het verkrijgen van omgevingsvergunningen flora- en fauna-activiteit en/of het uitvoeren van maatregelen en vervolglocaties haalbaar is. Ten aanzien van Natura 2000-bescherming geldt er een afzonderlijk kader, te weten dat een plan moet voldoen aan artikel 10.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit houdt in dat het plan pas kan worden vastgesteld wanneer de zekerheid is verkregen dat er geen significant negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebied. Als voor het verkrijgen van deze zekerheid een passende beoordeling nodig is, dan betekent dat dat er tevens op zijn minst een plan-mer-beoordeling moet worden uitgevoerd. Indien de passende beoordeling deze zekerheid niet verschaft, kan een plan pas worden vastgesteld, indien de ADC-toets met succes wordt doorlopen. Planspecifiek Soortenbescherming Ten aanzien van de ontwikkeling is een Quickscan Natuur uitgevoerd (zie bijlage 3). Uit het onderzoek komt naar voren dat mogelijke effecten ten aanzien van huismussen niet uitgesloten kunnen worden en dat om deze reden vervolgonderzoek nodig is. Dit onderzoek is uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 4.
Uit het vervolgonderzoek blijkt dat voor de uitvoering van het plan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, op voorwaarde dat er rekening wordt gehouden met het broedseizoen van huismussen doordat er in de naastgelegen woning een huismussennest aanwezig is. Verder zijn er kauwennesten aangetroffen in bestaande bebouwing en bestaat de mogelijkheid dat vogels alsnog kunnen gaan broeden in de bestaande bebouwing. Nesten van de kauw en algemene broedvogels zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedseizoen. Wanneer er dus gesloopt en gebouwd gaat worden in het broedseizoen van huismus, kauw en andere algemene broedvogels, vinden er overtredingen plaats. De volgende maatregelen zullen getroffen moeten worden om overtredingen te voorkomen: Voor aanvang van het broedseizoen, te weten 1 maart, de bestaande bebouwing te hebben gesloopt of ongeschikt te hebben gemaakt voor vogelnesten; Wanneer de bestaande woning voor 1 maart is gesloopt, vervolgens pas in september te beginnen met de bouw van de nieuwe woning; Wanneer de bestaande woning voor 1 maart alleen ongeschikt is gemaakt, vervolgens pas in september te beginnen met de sloop en de bouw van de nieuwe woning. Verder zijn er maatregelen om rekening te houden met de (specifieke) zorgplicht. Deze staan opgesomd in paragraaf 4.4 van de quickscan natuur.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
35
Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in planologisch beschermde (natuur)gebieden vanuit de provinciale omgevingsverordening (Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied). Verdere acties ten aanzien van deze gebieden zijn daarom niet aan de orde. Op circa 200 m van het plangebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken gelegen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is er geen sprake van negatieve effecten vanwege aspecten zoals geluid, optische verstoring, licht, trillingen, enzovoort. Wel zou stikstofdepositie relevant kunnen zijn. Om te beoordelen wat de effecten met betrekking tot stikstofdepositie zijn, is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit het onderzoek komt naar voren dat in zowel de gebruiks- als aanlegfase geen sprake is van een (significante) bijdrage van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Samengenomen kan daarom worden geconcludeerd dat er geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Hiermee wordt er, zonder dat een passende beoordeling benodigd is, voldaan aan artikel 10.24 van het Bkl.
Houtopstanden Zoals tevens is onderbouwd in de quickscan flora en fauna worden/zijn er met deze ontwikkeling geen houtopstanden gekapt die vallen onder de door de Rijksregels beschermde houtopstanden. Verdere acties ten aanzien hiervan zijn dus niet aan de orde. Conclusie Met het uitvoeren van een quickscan natuur, nader onderzoek naar de huismus en een voortoets stikstofdepositie zijn de gevolgen voor natuur voldoende in kaart gebracht om een afweging te kunnen maken. Ten aanzien van beschermde houtopstanden is gebleken dat er geen vervolgstappen nodig zijn en daarmee dat er wordt voldaan aan een ETFAL. Ten aanzien van soortenbescherming is gebleken dat er geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, op voorwaarde dat er maatregelen worden getroffen. Verder zijn er maatregelen nodig om overtredingen te voorkomen en rekening te houden met de zorgplicht. Deze maatregelen zijn haalbaar. Aangezien er ten aanzien van beschermde soorten geen natuurvergunning nodig is en benodigde maatregelen haalbaar zijn, kan er worden geconcludeerd dat soortenbescherming de uitvoerbaarheid van dit plan (niet evident) in de weg staat. Hiermee voldoet het plan met betrekking tot soortenbescherming aan een ETFAL. Ten aanzien van gebiedsbescherming is ten eerste duidelijk dat er geen vervolgstappen nodig zijn ten aanzien van provinciale planologisch beschermde (natuur)gebieden.
Verder is gebleken dat het plan met betrekking tot Natura 2000-bescherming voldoet aan artikel 10.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op basis van een voortoets is namelijk de zekerheid verkregen dat dit plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet aantast. Natura 2000-bescherming staat daarmee het vaststellen van het plan niet in de weg. Samengenomen kan op basis van het voorgaande worden gesteld dat ook met betrekking tot gebiedsbescherming wordt voldaan een een ETFAL. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
36
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
5.4
Verkeer en parkeren
De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Verkeersgeneratie en ontsluiting Het aantal verkeersbewegingen zal in de toekomstige situatie gelijk blijven, omdat er nu sprake is van 1 woning in het plangebied en er sprake blijft van 1 woning in het plangebied. Voor de ontwikkeling worden enkel aanpassingen aan de inrit gedaan. Een verplaatsing daarvan levert geen noemenswaardige verschillen op voor de wijze van ontsluiting, die nog steeds zal plaatsvinden via de Tielsestraat. Parkeren Uitgangspunt van het plan is dat geparkeerd wordt op eigen terrein. Hiertoe is op eigen terrein meer dan voldoende ruimte.
De parkeerbehoefte neemt als gevolg van de ontwikkeling niet toe. Negatieve effecten met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren kunnen worden uitgesloten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
37
Wateroverlast Als een gevolg van klimaatverandering kan ter plaatse van het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht worden. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe, maar de hoeveelheid neerslag neemt in de zomer naar verwachting af. Ten aanzien van de waterhuishouding treden geen noemenswaardige veranderingen op ten aanzien van de bestaande situatie. Hittestress Klimaatverandering kan leiden tot een toename van het aantal tropische dagen en langere hitte. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoet de toekomstige woning aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Bij de inrichting van de tuin kan, middels het toevoegen van groen en zo min mogelijk verharding, kan rekening gehouden worden met het voorkomen van hittestress. Droogte Wat betreft droogte kan in het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. Overstroming De klimaateffectatlas laat zien dat het plangebied op enige afstand tot de grote wateren van de Waal en de Nederrijn ligt. Voor de nieuwe woning zal de overstromingskans niet groter zijn dan voor de bestaande woning.
Ter plaatse van het plangebied bestaan voldoende mogelijkheden tot schuilen. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
38
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 6
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 7. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 8. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.
Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een plan te kunnen vergunnen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en weging – van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit.
Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
39
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
7.2
Juridische systematiek
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: Preambule; Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Functieregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 3: Overgangsregels.
7.3
Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22ab] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22ab] van het omgevingsplan Neder-Betuwe. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. De regels van de geldende bestemmingsplannen vervallen op de locatie van voorliggend plan bij vaststelling van voorliggend plan
7.4
Beschrijving per functie
Onderhavig initiatief kent de volgende functie: 'Wonen': De woonfunctie blijft behouden. Om de situering van de woning vast te leggen is een bouwvlak opgenomen; 'Agrarisch': Ten behoeve van het behoud van de agrarische functie, waarbinnen een spuitverbod voor gewasbeschermingsmiddelen is opgenomen.
40
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 8
Overige aspecten
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
8.1
Participatie
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden. Planspecifiek Voor participatie heeft de gemeente een handreiking opgesteld. Daarin staat wat de bedoeling van participatie is en wanneer bijvoorbeeld participatie verplicht is. Met voorliggend plan wordt enkel de bestaande woning gesloopt en een nieuwe woning teruggebouwd verder naar achter op het perceel waardoor de afstand met de buren ten westen groter wordt. Er bij voorliggend plan geen sprake van een grote impact op de omgeving. Om die reden is voor dit plan geen groots participatieproces doorlopen. Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht.
8.2
Kostenverhaal
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen.
De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
41
42
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlagen bij de motivering
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
43
44
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 1
Digitale watertoets
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
45
46
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 2
Onderzoek wegverkeerslawaai
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
47
48
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 3
Quickscan flora en fauna
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
49
50
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 4
Vervolgonderzoek soortenbescherming
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
51
52
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Bijlage 5
Voortoets stikstofdepositie
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
53
54
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Regels
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
55
56
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende bepalingen Toepassingsbereik
1.1 Omgevingsplan Neder-Betuwe Dit plan wijzigt het omgevingsplan Neder-Betuwe in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Neder-Betuwe een hoofdstuk 22ab wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22ab van het omgevingsplan Neder-Betuwe. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a.] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a.] gelezen worden. 1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4. 1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
1.4 Verwijzing naar verbeelding De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe), waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPtielsestr36-vst1.
Artikel 2
Begripsbepalingen
2.1 Vantoepassingverklaring Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan. 2.2 Aanvullende begrippen In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.43 gehanteerd. 2.3 Plan Het TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe) met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPtielsestr36-vst1 van de gemeente Neder-Betuwe bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPtielsestr36-vst1 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen. 2.4 Locatievlak een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel. 2.5 aanbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde zelfstandige ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap en die vanuit het hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk is;
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
57
2.6 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.7 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 2.9 bed & breakfast: een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, verblijfsvoorziening in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gericht op het aanbieden van logies en ontbijt. Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur; 2.10 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 2.11 bestaand: bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit hoofdstuk bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende bouw- of omgevingsvergunning; bij gebruik: gebruik dat op het tijdstip van het van kracht worden van dit hoofdstuk bestond; 2.12 bouwen: het
plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 2.13 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 2.14 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en zolder (ruimten onder de kap). De bouwhoogte van een bouwlaag bedraagt niet meer dan 4 m; 2.15 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.16 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 2.17 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 2.18 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 2.19 bouwwijze: de wijze van bouwen van een hoofdgebouw, waarbij wordt verstaan onder: a. aaneengebouwd: bebouwing die wordt gekenmerkt door een rij van minimaal drie aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen;
58
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
2.20 carport: een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door maximaal 3 wanden van gebouwen en/of ondersteuningen van het dak; 2.21 gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 2.22 huishouden: één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid; 2.23 internetverkoop detailhandel zonder showroom en verkoopruimte, waarvan de handel via internet en andere media loopt; 2.24 kantoor: een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie; 2.25 kamer: een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehoren bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte; 2.26 kamerbewoning; bewoning van een kamer; 2.27 kap: een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°; 2.28 luifel: afdak of
overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund; 2.29 maatschappelijk: voorzieningen en/of activiteiten ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, naschoolse opvang, opvoeding, bibliotheek, lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van mens en dier; 2.30 niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse; 2.31 ondergronds: onder peil; 2.32 ondergeschikte detailhandel: detailhandel die als activiteit in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt en gerelateerd is aan de hoofdfunctie en waarbij geen specifieke inrichting voor de detailhandelsfunctie is toegestaan; 2.33 ondersteunende horeca: een horecavoorziening behorende bij een functie anders dan horeca, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie en ondergeschikt en ondersteunend aan deze hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft
ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren; 2.34 overkapping: bouwwerken, geen gebouwen zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand; 2.35 plat dak: een dak met een dakhelling van minder dan 15º;
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
59
2.36 publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan; 2.37 seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 2.38 uitbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwde uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap; 2.39 voorgevel: de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied; 2.40 voorgevelrooilijn: de lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel); 2.41 voortuin: het bij de woning behorende perceelsgedeelte dat is gelegen vóór de voorgevelrooilijn(en); 2.42 wonen: het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning als bedoeld in 2.43; 2.43 woning: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
3.1 Meetbepalingen In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen: 3.2 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel, bouwvlak of aanduidingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. De oppervlakte van zwembaden wordt niet meegerekend bij het bepalen van het bebouwingspercentage. 3.3 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 3.4 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 3.5 Inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
60
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
3.6 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 3.7 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein; 3.8 peil de hoogte gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. 3.9 toepassing van maten Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m. bedraagt.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
61
Hoofdstuk 2 Artikel 4
Specifieke regels over functies Agrarisch
4.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPtielsestr36-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch. 4.2 Beschrijving gebruiksdoel Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch heeft de volgende functies: a. grondgebonden agrarische productie; b. teelt op folie, worteldoek of goten; c. het weiden van dieren; d. bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag; e. landschappelijke beplanting; f. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen; g. extensief dagrecreatief medegebruik. 4.3 Gebruiksactiviteit - verboden Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden. 4.4 Bouwactiviteit - algemeen Op de gronden met de functie Agrarisch mogen uitsluitend worden gebouwd: a. niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen zoals hagelnetten en b. kunststoftunnels en -overkappingen; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de functie. 4.5 Bouwactiviteit - bouwhoogte 4.5.1 Beoordelingsregels De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan: a. voor hagelnetten: 6 m; b. tunnels en overkappingen: 4m; c. voor erfafscheidingen: 2,5 m; d. voor vrijstaande antennemasten: 15 m; e.
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 9 m.
Artikel 5
Wonen
5.1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1740.tamOPtielsestr36-vst1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen. 5.2 Beschrijving gebruiksdoel Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies: a. wonen; b. niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten conform het bepaalde in 5.3.1; c. nutsvoorzieningen;
62
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
d. waterhuishoudkundige voorzieningen; een en ander met de daarbij behorende voorzieningen. 5.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels 5.3.1 Niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit Voor het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis gelden de volgende voorwaarden: a. een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken b. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van gerealiseerde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; c. degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning; d. activiteiten die vergunningplichtig zijn krachtens de Omgevingswet zijn niet toegestaan; e. detailhandel mag niet plaatsvinden. 5.4 Gebruiksactiviteit - verboden 5.4.1 Algemeen 1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden. 2. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in 5.3 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.
5.4.2 Kamerbewoning Het is in ieder geval verboden om een woning te gebruiken ten behoeve van kamerbewoning. 5.4.3 Zelfstandige bewoning bijbehorende bouwwerken Het is in ieder geval verboden om vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken ten behoeve van zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte. 5.4.4 Internetverkoop Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor internetverkoop, waarbij de te koop aangeboden goederen worden opgeslagen, tentoongesteld en/of kunnen worden afgehaald. 5.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit 5.5.1 Publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. 2. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien: a. een publieksgerichte aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit is alleen toegestaan in een woning en/of de bijbehorende aangebouwde bouwwerken b. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag worden gebruikt voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; c.
degene die de activiteiten in de woning of de aangebouwde bijbehorende bouwwerken zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; d. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse. e. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
63
f.
detailhandel mag niet plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en uitsluitend in verband met die activiteit.
5.5.2 Bed & Breakfast 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een bed & breakfast. 2. De omgevingsvergunning bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien a. de bed & breakfast wordt gerealiseerd in een woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken; b. het gebruik ten behoeve van de bed & breakfast is gekoppeld en ondergeschikt aan de woonfunctie van de woning; c. het vloeroppervlak van de bed & breakfast mag niet meer bedragen dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 80 m²; d. er mag tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal 4 kamers bed & breakfast worden geboden; e. de bed & breakfastvoorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kunnen functioneren als een zelfstandige woning. Dit betekent in ieder geval dat een aparte kookgelegenheid bij de voorziening niet is toegestaan; f. als gevolg van de bed & breakfast mogen geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 5.6 Bouwactiviteit - algemeen Op de gronden met de functie Wonen mogen uitsluitend worden gebouwd: a. één vrijstaande woning ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b.
bijgebouwen ten behoeve van de woning, waarbij het totale aantal vrijstaande bijgebouwen per woning niet meer mag bedragen dan 2; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de functie. 5.7 Bouwactiviteit - woningen 5.7.1 Beoordelingsregels Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. de totale inhoud van de woning niet meer mag bedragen dan 750 m 3; b. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 9 m; c. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 4 m. 5.8 Bouwactiviteit - bijbehorende bouwwerken 5.8.1 Beoordelingsregels Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. per woning mag het totale oppervlak van de bijgebouwen niet meer bedragen dan 120 m 2; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. 5.9 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde 5.9.1 Beoordelingsregels Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
64
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
5.10 Bouwactiviteit - voorwaardelijke verplichting 5.10.1 Parkeren 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26 wordt alleen verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en veilig gesteld is dat deze parkeergelegenheid in stand wordt gehouden. 2. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26. 5.11 Bouwactiviteit - geluid a. Ter plaatse van de gevel(s) waarvoor conform het akoestisch onderzoek in bijlage 2 bij de toelichting een gezamenlijke geluidbelasting van 55,9 dB is berekend, geldt deze waarde als vastgestelde waarde; b. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dient door middel van een gevelweringsonderzoek te worden aangetoond dat een maximale binnenwaarde van 33 dB wordt gerealiseerd.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
65
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels over functies Algemene functieregel
6.1 Milieuzone - spuitzonering Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.
Artikel 7 1.
2.
Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat: a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een aanlegactiviteit in dit plan; en b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.