AB - Toelichting en regels
Tekst van het document
NL.IMRO.1740.tamOPtielsestr36-vst1
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe) Vastgesteld
3 maart 2026
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe) NL.IMRO.1740.tamOPtielsestr36-vst1 Vastgesteld 3 maart 2026 16.90.96
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Bureau Huibers
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Mevr. M. Schuijl Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit
5
Motivering
7
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4 Hoofdstuk 8 8.1 8.2
Inleiding Aanleiding voor het initiatief Ligging plangebied Leeswijzer Voorgenomen ontwikkeling Huidige situatie Toekomstige situatie Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Veilige en gezonde fysieke leefomgeving Weging van het waterbelang Activiteiten en milieuzonering Bodem Luchtkwaliteit Geur Geluid Omgevingsveiligheid Trilling Explosieven Spuitzonering Goede omgevingskwaliteit Zorgvuldig ruimtegebruik Archeologie, cultuurhistorie en landschap Ecologie Verkeer en parkeren Duurzaamheid en klimaatadaptatie Conclusie Juridische planbeschrijving Inleiding Juridische systematiek Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan Beschrijving per functie Overige aspecten Participatie Kostenverhaal
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
9 9 9 9 10 10 11 12 12 13 14 15 21 21 23 23 24 25 27 28 30 31 31 32 32 32 35 37 37 39 40 40 40 40 40 41 41 41
3
Bijlagen bij de motivering
43
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
45 47 49 51 53
Digitale watertoets Onderzoek wegverkeerslawaai Quickscan flora en fauna Vervolgonderzoek soortenbescherming Voortoets stikstofdepositie
Regels
55
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Hoofdstuk 4 Artikel 11 Hoofdstuk 5 Artikel 12
Inleidende bepalingen Toepassingsbereik Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Specifieke regels over functies Agrarisch Wonen Algemene regels over functies Algemene functieregel Aanvraagvereisten Algemene aanduidingsregels Anti-dubbeltelregel Bestaande maatvoering Regels ter bescherming van waarden en objecten Waarde - Archeologie 4 Overgangsregels Overgangsrecht
4
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
57 57 57 60 62 62 62 66 66 66 66 67 67 68 68 71 71
Vaststellingsbesluit
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
5
6
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Motivering
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
7
8
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het initiatief
De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de Tielsestraat 36 te Opheusden de bouwmogelijkheden voor een woning met bijgebouwen te verplaatsen naar een andere locatie op hetzelfde perceel. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Neder-Betuwe, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Tielsestraat 36 te Opheusden en bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)
1.3
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk getoetst in het kader van een veilige en gezonde leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 de omgevingskwaliteit aan bod komt. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 8 behandelt de aspecten participatie en kostenverhaal.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
9
Hoofdstuk 2
Voorgenomen ontwikkeling
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen aan de Tielsestraat 36 te Opheusden in het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe. De Tielsestraat betreft een bebouwingslint aan de noordkant van Opheusden, waaraan zich voornamelijk woningen en enkele bedrijven bevinden. De bebouwing aan deze straat is voornamelijk vrijstaand. Ten noorden van het plangebied stroomt de Neder-Rijn. In de huidige situatie is binnen het plangebied een woning inclusief bijgebouwen aanwezig. Deze woning wordt middels een inrit ontsloten door de Tielsestraat. De gronden rondom de woning zijn in gebruik als tuin. Verder maken enkele gronden van de tuin van de Tielsestraat 32 onderdeel uit van het plangebied. Ter plaatse van deze gronden bevindt zich een gezamenlijke inrit voor de adressen aan de Tielsestraat 36 en 32. Ook een gedeelte agrarische grond ten noorden van het woonperceel behoort tot het plangebied. Navolgende afbeelding geeft dit weer.
Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)
10
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
2.2
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing in het plangebied te slopen en een nieuwe woning inclusief bijgebouwen meer naar achteren op het perceel mogelijk te maken. Tevens wordt een nieuwe inrit bij deze woning mogelijk gemaakt, welke aangesloten is op de Tielsestraat. Op de percelen ten noorden van de woning vinden geen ruimtelijke veranderingen plaats. Deze zijn in het plan opgenomen vanwege planologische wijzigingen ten aanzien van spuitzonering. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige inrichting.
Impressie toekomstige situatie, bron: Huibers bureau voor architectuur
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
11
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang.
Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. 3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden. Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op: 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed; 3. Natuurbescherming. Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden 4. Veiligheid primaire waterkeringen; 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk; 6. Kwaliteit van de buitenlucht; 7. Waterkwaliteit; 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.
12
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Omgevingsvisie Gaaf Gelderland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
13
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl. Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering. 3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid Voorliggend plan betreft de ontwikkeling van één woning.
Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende relevante artikelen uit de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van toepassing: Het plangebied is gelegen in de Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard. Er moet daarom met voorliggende ontwikkeling rekening worden gehouden met de vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. In de streek is het belangrijk vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug te behouden. Daarnaast is het belangrijk om bebouwing langs bestaande bebouwingslinten te plaatsen en niet in het open landschap. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats op een locatie in een bestaand bebouwingslint, waar in de huidige situatie ook al bebouwing aanwezig is. Daarmee is de ruimtelijke impact van het initiatief zeer beperkt. Geconcludeerd kan worden dat voldoende rekening is gehouden met de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionale woonagenda 2020-2030 In het najaar van 2020 is de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030 vastgesteld. Neder-Betuwe heeft samen met de andere regiogemeenten vijf thema's gekozen waarin we samenwerking zoeken: Continuïteit in productie waarbij we de bestaande woningbouwplannen versneld uitvoeren en waar gaan proberen om adaptief (flexibeler) te programmeren. Betaalbaarheid waarbij we ons extra inzetten voor huishoudens met een laag- of middeninkomen. Flexibiliteit op de woningmarkt: er is een toenemend aantal inwoners dat behoefte heeft aan betaalbare en snel beschikbare woonruimte. Wonen en zorg waarbij er voldoende passende en betaalbare woonruimte beschikbaar moet zijn in een breed scala aan woonvormen. Duurzame woningvoorraad waarbij we kijken naar de Regionale Energie Strategie (RES) die invulling moet geven aan de ambities uit het Klimaatakkoord en het Gelders Energie Akkoord. 3.3.2 Regionaal woningbouwprogramma Rivierenland Het Woningbouwprogramma voor de periode 2020-2030 is vastgesteld door de Provincie Gelderland. Voor de gemeente Neder-Betuwe gaat het om minimaal 950 en maximaal 1.400 woningen tot 2030.
14
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
De Omgevingsverordening stelt ten aanzien van nieuwe woonlocaties (artikel 3.2.2) dat “in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.” De gemeenten in de regio Rivierenland werken al jarenlang samen op het gebied van wonen. De regio heeft een methodiek van kwalitatief programmeren ontwikkeld, die de instemming van de provincie heeft. Om de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte inzichtelijk te krijgen hebben de gemeenten van de regio Rivierenland afspraken gemaakt voor het opstellen en monitoren - actueel houden - van een regionaal woningbouwprogramma. Het regionale woningbouwprogramma is een dynamische lijst en wordt jaarlijks geactualiseerd. Alle projecten worden getoetst op vier punten: 1. Woonmilieu, prijs en woningtype 2. Hardheid 3. Ruimtelijke kwaliteit en meerwaarde voor de omgeving 4. Prioritering 3.3.3 Toetsing van initiatief aan regionaal beleid Als gevolg van de ontwikkeling blijft het aantal woningen ter plaatse van het plangebied gelijk. Er treden geen wezenlijke veranderingen op met betrekking tot het woonaanbod.
Het opschuiven van een bestaande woning kent geen beleidsmatige raakvlakken met de Woonagenda en het Woningbouwprogramma. Er treden geen wezenlijke veranderingen op met betrekking tot het woonaanbod. De activiteit past binnen het beleid en regels van het regionale beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe De raad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 24 februari 2022 de 'Omgevingsvisie Neder-Betuwe' vastgesteld. De Omgevingsvisie schetst een toekomstbeeld met belangrijke waarden, die Neder-Betuwe kenmerken en wil behouden en versterken voor toekomstige ontwikkelingen. Daarnaast schetst de Omgevingsvisie ook een beeld waar de gemeente de komende jaren aan wil werken. De Omgevingsvisie bestaat uit tien speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. De speerpunten Een omgeving waarin inwoners een leven lang gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken. Een goed ondernemers- en vestigingsklimaat, diversiteit in werk voor onze inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Wonen voor iedereen. Een goede bereikbaarheid voor gebruikers van het OV, de auto, de fiets en voor de wandelaar. Doorontwikkelen en beleefbaar maken van onze identiteit. Doorontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren. Opwekking en gebruik van energie op een duurzame manier. Voorbereid zijn op de veranderingen in klimaat. Een gezonde, groene en biodiverse omgeving. Behoud en ontwikkeling van sterke dorpen in een nieuwe en nauwe samenwerking met de gemeente.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
15
Richtinggevende kaart: Vanuit de speerpunten en de bijbehorende opgaven is een richtinggevende kaart opgesteld. Op deze kaart staat aangegeven in welk gebied een bepaalde ontwikkeling wenselijk is. Voor een aantal speerpunten zijn zoekgebieden en mogelijke ontwikkelrichting opgenomen. De zoekgebieden zijn wel specifiek aangegeven, voor de overige ontwikkelingen zijn ze richtinggevend en indicatief op de kaart aangegeven.
Richtinggevende kaart Omgevingsvisie Neder-Betuwe (bron: omgevingsvisienederbetuwe.nl)
Waardenkaart Op de waardenkaart staan gebieden aangegeven waarin de specifiek waarden van de gekozen locatie op aan staan gegeven. Bij een ontwikkeling moet rekening gehouden worden met de waarden van het gebied waarin de locatie ligt. In de Omgevingsvisie worden op de waardenkaart voor het buitengebied de volgende waarden benoemd: Landelijk, groen, agrarisch gebied Kleinschalige recreatieve voorzieningen Laanbomenteelt Fruitteelt Linge en oude dijken Eldikse en Dodewaardse Veld (nat, open en rijk aan weidevogels) Fiets- en wandelmogelijkheden Bij ontwikkelingen in het buitengebied wil de gemeente rekening houden met: Het landelijke en groene karakter De toegankelijkheid en het comfort voor rustige vormen van recreatie De zichtbaarheid en toegankelijkheid van waardevolle gebieden en elementen op het gebied van landschap, cultuurhistorie en cultuur Het open, natte en weidevogelrijke karakter van het Eldikse en Dodewaardse Veld. Planspecifiek Het plangebied maakt onderdeel uit van het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe. De te verplaatsen woning wordt gerealiseerd binnen het bestaande bebouwingslint aan de Tielsestraat te Opheusden. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is de ruimtelijke impact op de omgevingswaarden nihil. Er treden geen noemenswaardige veranderingen op in vergelijking met de bestaande situatie.
Het initiatief past binnen de omgevingsvisie Neder-Betuwe.
16
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
3.4.2 Intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt In juli 2015 is door de Gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe en Buren een intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt in de Betuwe opgesteld. Het integrale karakter van de visie wordt primair gezocht in een samenhangende benadering van de aspecten laanboomteelt, infrastructuur, landschap, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen en werken. De visie dient als input voor de structuurvisie van de deelnemende gemeenten en voor activiteiten gericht op de versterking van de laanboomteelt. De visie doet een uitspraak over waar de sector op ruimtelijke aspecten gefaciliteerd dient te worden en op welke wijze. Daarnaast gaat de visie in op hoe de sector een bijdrage kan leveren aan landschappelijke, ruimtelijke en milieukwaliteiten. De laanboomteeltsector is een belangrijk fundament voor de economie van het gebied en heeft een intensieve samenwerking op regionaal en landelijk niveau. Het Laanboomcentrum Betuwe is een groen, gezond en gerespecteerd cluster. Hierbij heeft het Laanboomcentrum Betuwe een sterke internationale marktpositie en een ketenregiefunctie in de laanboomteelt gekregen. Het gebied herbergt diverse gecertificeerde laanboomteeltbedrijven van de toekomst aangevuld met ondersteunende bedrijven, waardoor een optimalisatie van de hele keten van bedrijven plaatsvindt.
Tevens heeft het Laanboomcentrum Betuwe een toonaangevende positie in kennis, innovatie en hoogwaardige arbeid. De gemeente wil dat de sector zich verder kan ontplooien en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het gehele buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogel- en ganzengebied, kan worden ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken en heeft het de prioriteit ten opzichte van andere functies, zoals recreatie en toerisme en wonen. Als vanzelfsprekend zal rekening moeten worden gehouden met landschappelijke inpassing van de laanboomteeltbedrijven en de groene dooradering met boomteeltproducten. Indien dit vanuit de kwaliteiten van het landschap nodig en mogelijk is, zullen randvoorwaarden worden gesteld aan de inpassing van nieuwe agrarische bouwpercelen, niet grondgebonden teelten (containerteelt) en teeltondersteunende voorzieningen. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van de aard en de locatie van de voorzieningen. Planspecifiek Bij de ontwikkeling is rekening gehouden met spuitzones van aangrenzende agrarische gronden. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.10. Hieruit komt naar voren dat de situatie met betrekking tot spuitzones een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet in de weg staat.
3.4.3 Programma Wonen 2022-2030 Op 27 januari 2022 is het Programma Wonen 2022-2030: wonen voor iedereen, vastgesteld door de raad van de gemeente Neder-Betuwe. Dit is een verdiepend programma van de Omgevingsvisie Neder-Betuwe. In het Programma wonen is het beleid met betrekking tot de woningmarkt, het aanbod en de behoefte opgenomen. Om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente, biedt het Programma Wonen belangrijke handvatten voor de gemeente zelf, maar ook de partners met wie zij op het brede speelveld van het wonen samenwerkt. Het geeft een kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van zowel nieuwbouw als bestaande bouw en alle facetten die hiermee samenhangen. Dit borgt de gemeente door randvoorwaarden te stellen voor de realisatie van sociale huur en sociale koop. Om wonen voor iedereen te realiseren ziet de gemeente de volgende aandachtspunten die gebaseerd zijn op onderzoek, bestaande beleidskaders en discussie met inwoners, professionals en de raad:
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
17
1. Betaalbaar voor iedereen Momenteel staat de woningmarkt in heel Nederland onder spanning, ook in Neder-Betuwe. In de koopsector is dit bijvoorbeeld te zien aan de steeds hoger wordende prijzen van koopwoningen en een afname van het aantal beschikbare woningen. In de huursector is de spanning te zien aan de lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen. Door het grote tekort aan woningen en de groei van huishoudens wordt het steeds moeilijker om aan een woning te komen. Vooral voor de lagere inkomens, starters en kwetsbare groepen is de situatie nijpend. Maar ook spoedzoekers en middeninkomens hebben moeite met het vinden van een betaalbare woning. Dit geldt voor zowel de koop- als de huursector. 2. Beschikbaar voor iedereen We zetten in op gevarieerde woningbouw in elke kern, zowel qua woningtype als prijsklasse. Dit doen we voor onze lokale inwoners en om aan de autonome inwonersgroei van de gemeente te voldoen. Uit onderzoek van de verhuisstromen blijkt dat we, ondanks gunstige ligging aan de A15, geen grote toestroom hebben vanuit de Randstad. De woningbouwprogrammering is afhankelijk van de bestaande woningen, de behoefte en nieuwbouwmogelijkheden per kern. 3. Vindbaar voor iedereen Het vinden van een woning is op dit moment geen vanzelfsprekendheid. Het is fijn om te weten welk actueel aanbod er is in de gemeente is.
Ook is het handig om te weten bij wie u moet zijn of hoe u kunt reageren om een woning te huren of kopen. Elke verhuurder en verkoper mag zelf bepalen hoe zij dit doen. De gemeente aan de slag om dit voor inwoners beter inzichtelijk te maken. 4. Lagere inkomens In de dorpen van Neder-Betuwe wordt al jaren gemixt gebouwd. Daarmee bedoelen we dat er verschillende woningtypen en prijsklassen gerealiseerd worden: van sociale huur tot luxe villa's. De keuze wat er gebouwd wordt moet aansluiten bij wat nodig is. De bevolking verandert en dat betekent ook dat het bouwprogramma moet veranderen: meer eenpersoonshuishoudens en zorg aan huis, waarbij het merendeel van deze inwoners een inkomen heeft waarmee ze alleen kans maken op een woning in de sociale huur of lage koop. 5. Starters Het begrip starter wordt vaak gebruikt, maar wie is nou die starter? De groep starters wordt door iedereen op een andere manier gedefinieerd. Toch worden starters op de woningmarkt vaak wel gezien als 'jonge mensen'. Hierbij denkt men al snel aan de groep 25-35 jaar, vooral bij koopstarters. De groep tot 25 jaar wordt vaak niet meegenomen als starter op de woningmarkt. Je kan huurstarters en koopstarters onderscheiden. Huurstarters starten óf in de sociale huur óf in de particuliere huur.
Voor koopstarters gaat het veelal om het bemachtigen van een sociale of goedkope koopwoning, waarbij ze zelf geen zelfstandige koopwoning achter laten. Het kan daarbij wel zijn dat deze koopstarter al een stukje wooncarrière in de (sociale) huur heeft doorlopen en daardoor een huurwoning achterlaat. 6. Senioren Vanaf 65 jaar val je onder de noemer senior. Neder-Betuwe telt 2.500 inwoners van 65 tot 75 jaar (ruim 10% van de bevolking) en 1.650 inwoners van 75 jaar of ouder (bijna 7% van de bevolking). Onze gemeente is daarmee iets minder vergrijsd dan het landelijk gemiddelde. De komende jaren zal de vergrijzing in Neder-Betuwe verder toenemen. Dat betekent ook een toenemende zorgvraag en een toenemende vraag naar passend wonen. Het belangrijkste is dat 55-plussers, die nog geen senior zijn, zich ervan bewust moeten worden dat ze tijdig kiezen voor een passende woning. Nadenken over verhuizen of verbouwen als de zorgvraag er is, betekent dat er weinig keuze en/of tijd is voor het vinden van een gewenste woning of verbouwen van de bestaande woning. Als er niet op tijd verhuisd is, moet de huidige woning via de WMO aangepast worden op de hulpvraag.
18
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Planspecifiek Het Programma Wonen geeft richtlijnen hoe om te gaan met de woningvoorraad bij nieuwe ontwikkelingen. Omdat met onderhavig initiatief enkel een bestaande woning wordt verplaatst, waarbij het aantal woningen ter plaatse van het plangebied derhalve gelijk blijft, is het Programma niet relevant voor onderhavige ontwikkeling. Wel kan in algemene zin gesteld worden dat in kwalitatieve zin een bijdrage geleverd wordt aan de woningvoorraad door de nieuwbouw, waarbij de nieuwe woning zal voldoen aan de actuele eisen op het gebied van duurzaamheid. Het initiatief is passend binnen het Programma Wonen. 3.4.4 Omgevingsplan Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden.
Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt, op grond van het in het Omgevingsplan opgenomen bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren' (vastgesteld op 8 april 2024), de functies 'Wonen' en 'Agrarisch'. Ter plaatse van het agrarische deel van het plangebied is een gedeelte van een bouwvlak gelegen van naastgelegen buren. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Aan de zuidkant van het plangebied is een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg' opgenomen.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
19
Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan De nieuwe woning komt voor een klein gedeelte te liggen op gronden die in de huidige planologische situatie een agrarische functie hebben. Binnen de agrarische functie zijn geen bouw- en gebruiksmogelijkheden opgenomen voor een burgerwoning. Daarmee is het initiatief strijdig met het Omgevingsplan. Met onderhavig initiatief wordt het bouw- en gebruiksrecht middels een wijziging van het Omgevingsplan mogelijk gemaakt. 3.4.5 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige motivering is opgesteld.
20
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Hoofdstuk 4
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.
4.1
Weging van het waterbelang
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld: Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow); Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow); Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen.
Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder. Beleid Waterschap Rivierenland Met ingang van 22 december 2021 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken. Verbinden. Vergroenen.' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een Waterschapsverordening. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
21
Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% (en rekenregel 664 m3/ ha toename verharding) het systeem tot aan het maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen rekening houdend met de landelijke afvoernorm van 1,5 l/s/ha. De knijpconstructie moet hierop worden gedimensioneerd. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren. Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak in open water nodig is.
Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening: Benodigde compensatie bij een berging met open water = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436 Òf Benodigde compensatie bij een berging met technische voorzieningen = Toename verhard oppervlak (in m2) * 0,0664 Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het beheergebied van waterschap Rivierenland. Ten aanzien van de ontwikkeling is advies opgevraagd middels hetwateradvies.nl. Hieruit blijkt dat het plangebied gelegen is binnen een buitenbeschermingszone van een waterkering. Voor het initiatief is het doorlopen van een normale procedure bij het waterschap voldoende. De reactie van het waterschap is in voorliggende paragraaf verwerkt. Hemelwater/afvalwater Voor plannen waarbij minder dan 500 m2 aan verharding wordt toegevoegd, geldt een vrijstelling. Aan deze vrijstelling is eerder al invulling gegeven. Daarmee is voor het plan sprake van een compensatieplicht bij een toename van de hoeveelheid verharding. De exacte hoeveelheid nieuwe verharding is echter pas bekend op het moment dat de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd. Indien er ten opzichte van de bestaande situatie sprake is van een toename van verharding, zal in de vergunningsfase een aanvullende uitwerking worden gegeven met betrekking tot hemelwater.
Dit kan omvatten om water te compenseren nabij het lozingspunt, indien er sprake is van een aansluiting op een hemelwaterafvoer. Ook kan dit door het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Er kan gesteld worden dat op het terrein meer dan voldoende ruimte beschikbaar is om te voorzien in een voorziening met een capaciteit van circa (500 * 0,0436 =) 21,8 m 3. Ook dit wordt indien nodig uitgewerkt in de vergunningsfase. Het hemelwater wordt daarnaast gescheiden van het afvalwater. Voor de afvoer van afvalwater wordt een aansluiting op het bestaande rioleringsnetwerk gemaakt. Waterkering Een gedeelte van het plangebied ligt binnen de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Hierbinnen is geen bebouwing beoogd. Het plan heeft daarmee geen invloed op deze zone. Ter bescherming van de zone zijn regels opgenomen in dit plan voor de zone 'Vrijwaringszone - dijk 2'. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
22
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
4.2
Activiteiten en milieuzonering
Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden. Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen.
In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Planspecifiek De nieuwe woning wordt gerealiseerd op een bestaand woonperceel waar al de functie Wonen op rust, waarmee in beginsel geen veranderingen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De omliggende bedrijvigheid dient in de huidige situatie al rekening te houden met deze woonfunctie in het plangebied, als ook andere dichterbij de bedrijven gelegen woningen. Daarmee kan hinder in het kader van milieuzonering uitgesloten worden. Ook levert het plan daarmee geen belemmeringen op voor de bedrijfsvoering en ontwikkelmogelijkheden van deze bedrijven. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.3
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
23
Planspecifiek De woning wordt mogelijk gemaakt op gronden die in de huidige situatie reeds een woonfunctie hebben. Als gevolg van de ontwikkeling komt er geen gevoeligere functie te liggen op voor de woning relevante gronden. Het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader de etfal is daarmee niet nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.4
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting; het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10).
De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
24
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 27364178_40696 aan de A15 ten zuiden van het plangebied. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2023 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) 21,4 µg/m3
PM10 (fijnstof) 15,8 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 9,1 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief aanwezig. Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.5
Geur
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS). Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
25
typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. Geurgevoelig gebouw Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
Standaardwaarde 2,0 ouE/m3
Grenswaarde 8,0 ouE/m3
3,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
20,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
35,0 ouE/m3
Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).
(Afwijkende) omgevingswaarde – geurverordening De gemeente Neder-Betuwe ligt niet in een concentratiegebied. Een regel over geurbelasting door veehouderij in een gemeentelijke verordening (artikel 6, Wgv) wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (artikel 4.6, lid 1 Invoeringswet Omgevingswet) Geurgebiedsvisie gemeente Neder-Betuwe Op 15 september 2011 heeft de gemeenteraad de geurverordening en bijbehorende geurgebiedsvisie vastgesteld. Doelstelling van deze visie is het opstellen van een gemeentedekkend gebiedsgericht geurbeleid voor de gemeente Neder-Betuwe gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij, waarin een afweging is gemaakt tussen geurbelasting en geurbeleving. De gebiedsvisie brengt de geurknelpunten in beeld en geeft de mogelijkheid om maatwerk te leveren in de (nog te bepalen) deelgebieden. Met geurknelpunten worden situaties bedoeld waarbij de geurcontouren van agrarische bedrijven rond een bouwblok over geurgevoelige objecten reiken als zijnde voor grondwaarde, of een situatie waarbij verschillende agrarische bedrijven gezamenlijk een niet acceptabel hinderpercentage leveren als zijnde achtergrondwaarde. Planspecifiek De te bouwen woning kan formeel gezien worden als een nieuw geurgevoelig object. In de huidige situatie is wonen ter plaatse van het plangebied echter al mogelijk.
De woning komt niet dichterbij intensieve
26
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
veehouderijen te liggen waar geur een rol speelt. Daarmee treden er geen negatieve effecten op met betrekking tot het woon- en leefklimaat. Daarnaast kunnen ook belemmeringen ten aanzien van de bedrijfsvoering/-mogelijkheden van in de omgeving gelegen intensieve veehouderijen worden uitgesloten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.6
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort Standaardwaarde, in dB. Grenswaarde, in dB. Rijks- en provinciale wegen. In Lden 50 60 Gemeente- en waterschapswegen. In Lden 53 70 Hoofd- en lokale spoorwegen.
In Lden 55 65 Industrieterrein Lden 50 55 Lnight 40 45 Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2.
de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
TAM-omgevingsplan Opheusden, Tielsestraat 36 (hoofdstuk 22ab omgevingsplan Neder-Betuwe)
27
3.
4.
5. 6.
bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).
De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Geluidsaandachtsgebied Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen
Breedte (m) 100 200 350 200 350
Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling
Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek De te verplaatsen woning kan als geluidgevoelige bebouwing worden beschouwd. Om inzicht te krijgen in de geluidssituatie ter plaatse van het plangebied, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Uit het onderzoek volgt dat de standaardwaarde overschreden wordt, maar dat het initiatief voldoet aan de wettelijke eisen van de Omgevingswet onder de voorwaarde dat het binnenniveau van 33 dB gehaald wordt. Middels gevelwering is dit mogelijk. Dat wordt getoetst bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. Er is gekeken naar het nemen van specifieke maatregelen, maar die zijn omwille van financiële en ruimtelijke overwegingen niet mogelijk. Het plan voldoet aan het gemeentelijke beleid. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.7
Omgevingsveiligheid