A - Toelichting
Tekst van het document
Verder blijkt uit het onderzoek dat, rekening houdend met alle geluidbronsoorten: · Bijna alle grondgebonden woningen een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte hebben; · alleen de acht bovenwoningen en twee grondgebonden woningen niet beschikken over een geluidluwe gevel en/of een geluidluwe buitenruimte. Dit wordt veroorzaakt door de provinciale weg. Als wordt uitgegaan van een minimaal 3 dB soepelere definitie, of van een definitie gebaseerd op gecumuleerd geluid vanaf 53 dB of hoger, dan beschikken ook alle bovenwoningen over een geluidluwe gevel.
Pagina 28
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Gezien de situatie en het berekende geluid, zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om het geluid vanwege de geluidbronsoorten provinciale weg en rijksweg bij de nieuwe woningen te reduceren tot de standaardwaarde. Wel kunnen er maatregelen getroffen worden om geluidluwe gevels te realiseren ter plaatse van de acht bovenwoningen en de twee meest zuidwestelijke grondgebonden woningen. Hierbij kan gedacht word aan plaatselijke schermen en/of maatregelen aan balkons en /of een akoestisch gunstige bouwvorm. Ter beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid is het gecumuleerde geluid bepaald. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 59 dB. Omdat na het treffen van geluidreducerende voorzieningen bij de bovenwoningen alle nieuwe woningen beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte, wordt gesteld dat het geluid aanvaardbaar is.Om een goed leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 59 dB. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er, met inachtneming van het bovenstaande, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.8
Omgevingsveiligheid Het beleid voor omgevingsveiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid, zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is.
Pagina 29
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Groepsrisico De benadering van het groepsrisico met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur omgevingsveiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Planspecifiek Aan de hand van de PAV-kaart is gebleken, dat in de omgeving van het plangebied zich enkele risicobronnen bevinden. De risicobronnen, weergeven in de volgende afbeelding, liggen op dermate grote afstand van het plangebied, dat geen van de aandachtsgebieden over het plangebied reiken. Afbeelding 10: Risicobronnen omgeving plangebied
Betuweroute
LPG-tankstation Aardgasbuisleiding
Plangebied
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 30
SPA WNP ingenieurs
4.9
2500210.3100.r01
Explosieven In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn. Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek wijst uit dat het plangebied een verdachte locatie betreft. Planspecifiek Voor het bouwplan is er gestart met een historisch vooronderzoek, de rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. In een historisch vooronderzoek wordt vastgesteld of er in (delen van) het onderzoeksgebied sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op het aantreffen van OO. Met deze kennis kan worden bepaald of nader (opsporings)onderzoek raadzaam is opdat bodemroerende werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. Aan de hand van het raadplegen van historisch bronnenmateriaal is vastgesteld dat: · Er in de directe omgeving van onderzoeksgebied doelen hebben gelegen waarop door Geallieerde eenheden artilleriebeschietingen zijn uitgevoerd. · De beschietingen op minimaal 35 verschillende dagen hebben plaatsgevonden en op een aantal dagen met een hoge vuurfrequentie zijn uitgevoerd.
· Er schade meldingen zijn achterhaald waarin er sprake is van schade als gevolg van granaatinslagen aan de Ooisestraat. Waarbij onder meer het pand Ommerstein (gelegen naast het onderzoeksgebied) getroffen is. · Er op luchtfotomateriaal uit de Conflictperiode in de directe omgeving van het onderzoeksgebied inslag kraters van geschutmunitie zijn waargenomen. · Er na de oorlog granaten zijn geruimd in en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. De meest evidente ruiming betreft een staartstuk en restant ontsteker van een 4.2 mortiergranaat welke in mei 2007 tijdens archeologisch onderzoek in het onderzoeksgebied is aangetroffen. Op basis van de onderzoeksbevindingen is de conclusie dat er voldoende feitelijke aanwijzingen zijn achterhaald om delen van het onderzoeksgebied als verdacht aan te merken. Voor deze delen wordt door middel van oppervlaktedetectie onderzocht of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt in ieder geval uitgevoerd voor het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggende wijziging van het omgevingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.
Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichte van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd. Conclusie Het aspect explosieven vormt, met inachtneming van het detectie-onderzoek, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 31
SPA WNP ingenieurs
4.10
2500210.3100.r01
Magneetvelden/hoogspanning Magneetvelden hebben effecten op het menselijk lichaam. Sommige effecten treden tijdens of kort na blootstelling op, die noemen we acuut. Mogelijk zijn er ook effecten die na langdurige blootstelling op de langere termijn optreden. Uit internationaal onderzoek komen aanwijzingen dat kinderen en volwassenen mogelijk meer kans hebben om leukemie te krijgen, als ze dicht bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen. Daar is het magneetveld sterker dan verder van de lijn. De magneetvelden van de hoogspanningslijnen zouden de oorzaak kunnen zijn, maar dat is niet bewezen. De Gezondheidsraad ziet aanwijzingen voor een verband tussen blootstelling aan magneetvelden in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen en volwassenen en hersentumoren bij kinderen. Onder magneetveldzones verstaan we ‘het gebied waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger kan zijn dan 0,4 microtesla’. Magneetveldzones bij bovengrondse hoogspanningslijnen spelen een belangrijke rol in het nieuwe beleid van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De Handreiking van het RIVM geeft aan welke informatie nodig is voor de berekening van de zone. De netbeheerder is verantwoordelijk voor het juist aanleveren van die gegevens. Verder leest u in de handreiking de keuzes die zijn gemaakt bij het berekenen van de breedte van de magneetveldzone.
Er staat ook in de handreiking hoe de resultaten opgeschreven kunnen worden. Planspecifiek Voor het bouwplan is een magneetveldzone berekening uitgevoerd vanwege de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding Dodewaard - Tiel 150 kV nabij het plangebied. Met het uitvoeren van de berekening is de specifieke magneetveldzone bepaald. De berekende breedte van de specifieke magneetveldzone is conform de RIVM Handreiking afgerond op het dichtst bijgelegen veelvoud van 5 meter. De uitkomsten zijn 55 meter en weergeven in de volgende afbeelding. Op basis van de berekening reikt de magneetveldzone niet over de kavels in het bouwplan en daarmee heeft de zone geen effect op het menselijk lichaam.
Pagina 32
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Afbeelding 11: Ligging hoogspanningsverbinding
Conclusie Het aspect magneetveldzondes vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De MER-beoordelingsprocedure dient gevolgd te worden wanneer sprake is van een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
Planspecifiek In het kader van het bouwplan is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 10 van de toelichting. De beoordeling gaat in op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn, vanwege de aard van het voornemen de kenmerken van de omgeving of de impact van het voornemen op de omgeving, die aanleiding geven om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor de ruimtelijke procedure voor realisatie van maximaal 43 woningen aan de Ooisestraat in Echteld. Het bevoegd gezag moet voor de beantwoording van deze vraag nagaan of er aanzienlijke milieueffecten zijn.
Pagina 33
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Bij een mer-beoordelingsplicht gaat het om een toetsing aan de voorkant van het planproces. Deze beoordeling richt zich primair op het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige kwaliteiten binnen het plangebied en de omgeving. Er is gekeken naar het effect van een activiteit op het milieu door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. Conform de Europese criteria voor m.e.r.-beoordeling is daarbij gekeken naar het effectgebied, waarschijnlijkheid en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. In de voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling zijn deze aspecten belicht. Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen, in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving, waarin deze optreden, zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat er sprake kan zijn van ‘aanzienlijke milieueffecten’. Ook zijn er geen significante effecten te verwachten op een Natura-2000 gebied, waardoor het opstellen van een passende beoordeling niet noodzakelijk is.
Conclusie Gelet op het voorgaande en de beoordeling beschouwende, is de conclusie gerechtvaardigd dat ‘aanzienlijke milieueffecten’ als gevolg van het voorgenomen project zijn uitgesloten en dat een m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER, niet nodig is. 4.12
Conclusie veilige en gezonde leefomgeving De Omgevingswet benoemt een gezonde en veilige leefomgeving nadrukkelijker in haar doelen. Omdat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en veiligheid tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit, (water)veiligheid en bodem. Eén omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en veiligheid bestaat niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Pagina 34
SPA WNP ingenieurs
5
GOEDE OMGEVINGSKWALITEIT
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
2500210.3100.r01
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. De essentie van de laddertoets is, dat bij een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling steeds sprake moet zijn van een aantoonbare actuele marktbehoefte en dat er uitdrukkelijk moet worden gekeken naar de ruimtelijke effecten. Toetsing aan de Ladder houdt in dat bij een ruimtelijke procedure, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving wordt bijgevoegd van de behoefte aan die ontwikkeling en een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het initiatief betreft de realisatie van maximaal 43 woningen. Voor wonen geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. De voorliggende ontwikkeling is dus ladderplichtig. Planspecifiek In de omgeving is de laatste jaren veelvuldig beleid gecreëerd met de focus op het versterken van de woningvoorraad. Eén van de regionale beleidsstukken welke hier onder valt, is de Woondeal Rivierenland. Deze woondeal wordt verder besproken en getoetst in paragraaf 3.3 ‘Regionaal beleid’.
Om de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte inzichtelijk te krijgen hebben de gemeenten van de regio Rivierenland afspraken gemaakt voor het opstellen en monitoren van een regionaal woningbouwprogramma. Uit de monitoring blijkt een woningbehoefte voor de gemeente Neder-Betuwe van 1.396 woningen tot en met het jaar 2030. Hiernaast wordt in de Woondeal Rivierenland benoemd dat minstens 61% van woningbouwplannen uit betaalbare woningen moet bestaan. Een deel van het project bestaat uit betaalbare woningen, in de vorm van de boven- en benedenwoningen. Met het initiatief wordt met de bouw van maximaal 43 woningen een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave van de gemeente. Conclusie Er is een duidelijke sprake van behoefte aan woningen in de regio. De laddertoets vormt geen belemmering voor het initiatief. 5.2
Archeologie en cultuurhistorie Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden, en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel
Pagina 35
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten, die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten, die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurland-schappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Planspecifiek Archeologie Voor het bouwplan is een archeologisch beheer en behoud plan opgesteld. Het plan is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. Conform huidige wet- en regelgeving is er een bureau- en karterend (inventariserend) booronderzoek uitgevoerd, gevolgd door een waarderend proefsleuvenonderzoek. Het eerste onderzoek is uitgevoerd door BAAC, het proefsleuvenonderzoek door het ACVU/HBS.
Het onderzoek heeft een behoudenswaardige vindplaats met sporen van de Romeinse Tijd tot en met de Vroege en Volle Middeleeuwen opgeleverd. ‘archeologisch behouds- of beheersplan’ dient, nadat het is goedgekeurd, te worden opgenomen in het omgevingsplan waarmee een correcte omgang met deze vindplaats wordt gewaarborgd. In 2016 is door A=M een archeologische behoud- en beheersplan opgesteld op basis van de toenmalige voorgenomen ontwikkelingen, deze zijn dusdanig veranderd in de tussentijd dat een aangepast behoud beheersplan is opgesteld. Met het archeologisch beheer en behoud plan is aangegeven op welke wijze de archeologische vindplaats tijdens de ontwikkeling beschermd kan worden (in- en ex-situ). Cultuurhistorie Op 27 januari 2022 stelde de gemeenteraad van Neder-Betuwe het nieuwe erfgoedbeleid van de gemeente Neder-Betuwe vast. Hierin zijn zogeheten integrale ensembles opgenomen, gebieden waar belangrijke landschaps-, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden bij elkaar komen. In de volgende afbeelding is het integrale ensemble voor de kern Echteld weergegeven. Voor het plangebied is een zichtlijn relevant, vanaf de boomgaarden richting de Sint Jan de Doper-kerk en het kasteel Wijenburg.
In het planontwerp is ruimte vrijgehouden waardoor de zichtlijnen naar deze objecten behouden blijven en beleefbaar worden gemaakt binnen deze nieuwe woonomgeving (zie afbeelding hierna). De woningen in het gebied bevatten kenmerken van de oorspronkelijke voorkomende agrarische architectuur, waarmee wordt aangesloten op de gebouwen in de bestaande omgeving. De groeninrichting van het gebied met hagen, gazon, solitaire bomen en groene speelelementen sluit aan op de karakteristieke bomenrij aan de Ooiestraat.. Hiermee sluit het planontwerp aan op de waarden van het Integrale Ensemble Echteld. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De ontwikkeling heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden van Echteld
Pagina 36
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Afbeelding 12: Zichtlijnen in planopzet
Afbeelding 13: Integrale ensemble Echteld (plangebied rood gearceerd)
Pagina 37
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Conclusie Het aspect archeologie- en cultuurhistorie vormt, met inachtneming van het archeologisch behoud en beheerplan, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.3
Ecologie Natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving en in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor natuur. Volgens nationale- en internationale regelgeving is het verplicht om voorafgaand aan ruimtelijke plannen onderzoek te doen naar de effecten op beschermde soorten. Bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden is in Nederland vanaf 1 januari 2024 geregeld via de Aanvullingswet natuur en het Aanvullingsbesluit natuur. Planspecifiek Voor het bouwplan is een quickscan ecologie uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in de bijlage van deze toelichting.. Soortenbescherming Op basis van de quickscan ecologie blijkt dat verdiepend onderzoek duidelijkheid kan geven of er wegens ingrepen in het plangebied geen schade zal worden verricht aan beschermde soorten. De uitkomsten van de quickscan geven aanleiding tot verdiepend onderzoek voor de soorten steenuil, kleine marterachtigen, de rugstreeppad en vleermuizen. Verder geldt de algemene zorgplicht. Ten tijde van de start van de ruimtelijke procedure is het vervolgonderzoek in uitvoering. Gebiedsbescherming Een toetsing in relatie tot het Gelders Natuurnetwerk hoeft niet plaats te vinden. Ten behoeve van stikstofdepositie is een onderzoek uitgevoerd dat is opgenomen in de bijlage van de toelichting.
Uit de stikstofberekening volgt dat er geen stikstofdepositie is te verwachten ter plaatse van de Natura 2000-gebieden. Conclusie Het aspect ecologie vormt, met inachtneming van het in uitvoering zijnde ecologisch vervolgonderzoek, eventuele mitigerende maatregelen en een eventuele ontheffing, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.4
Verkeer en parkeren De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen.
Pagina 38
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Verkeer Verkeersontsluiting Het plangebied wordt aan de westelijke hoek ontsloten op de Ooisestraat. De nieuw te realiseren weg door ‘Broedershof’ loopt langs de zijden van de woningen en beschikt over draaicirkels aan de uiteindes van de weg voor bewoners, bezoekers, hulpdiensten en afvalservice. Verkeersgeneratie. Voor het bepalen van eventuele hinder door de verkeersaantrekkende werking is een berekening uitgevoerd van de huidige en verwachte verkeersgeneratie. De berekening is uitgevoerd op basis van CROW kentallen. Voor de ligging binnen de gemeente is uitgegaan van een ligging rest bebouwde kom binnen een stedelijk gemeente. Tabel x:
Verkeersgeneratie referentiesituatie
Beoogde ontwikkeling Hoofdgroep
Wonen
Type
Vrijstaand, tweekapper, rijwoningen
Kengetal
8,2, 7,8 en 7,4
Motorvoertuigbewegingen per weekdag
35*7,4 + 6*7,8 + 2*8,2 = 322
Voor de toekomstige situatie is de verkeersgeneratie berekend op 322 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Er is sprake van een toename omdat de huidige agrarische functie geen verkeersbewegingen genereert. Deze toename wordt opgevangen in het heersende verkeersbeeld en draagt niet in betekend mate bij aan de luchtverontreiniging. Parkeren Parkeren in het plan is voorzien langs de zijkanten van de rijwoningen en beneden-bovenwoningen. Voor de levensloopbestendige woningen geldt dat deze een eigen oprit krijgen. Om de parkeerdruk in de omgeving te beoordelen is er een parkeerdrukonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in de bijlage van deze toelichting. Uit het de resultaten van het onderzoek blijkt dat er binnen de straal van 0 – 100 meter vanaf de projectlocatie 59 openbare parkeerplaatsen liggen. In de schil hieromheen binnen een straal van 100 - 200 meter zijn 33 openbare parkeerplaatsen aanwezig.
Pagina 39
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Afbeelding 14: Onderzoeksgebied parkeeronderzoek
Voor de secties binnen de straal van 0 tot 100 meter varieert de bezettingsgraad op de verschillende onderzoeksmomenten tussen de 27% en de 56%. Voor de secties in de schil daaromheen is de bezettingsgraad nog iets lager. Hier varieert de bezetting op de verschillende onderzoeksmomenten tussen de 24% en de 67%. Voor de openbare parkeerplaatsen is de restcapaciteit op de verschillende onderzoeksmomenten bepaald. Bij de berekening van de restcapaciteit is uitgegaan van een maximale gewenste parkeerbezetting van 85%. Op het maatgevende onderzoeksmoment (zaterdag, 15 uur) was een restcapaciteit van 17 parkeerplaatsen aanwezig, binnen een straal van circa 100 meter vanaf het bouwplan. Op de overige onderzoeksmomenten is binnen een straal van 100 meter nog een restcapaciteit van 18 tot 34 parkeerplaatsen aanwezig. In het schilgebied hieromheen is op de verschillende meetmomenten een restcapaciteit van 60 tot 20 parkeerplaatsen beschikbaar. Met de aanwezige restcapaciteit is er ook na realisatie van het plan voldoende ruimte voor parkeren in het plan en in de omgeving van het plan. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 40
SPA WNP ingenieurs
5.5
2500210.3100.r01
Duurzaamheid en klimaatadaptatie De landschappelijke zone in het plangebied biedt ruimte voor de benodigde hemelwaterberging en diverse landschapselementen, om zo een zachte overgang tussen de bebouwingskern en het omliggende landschap te creëren. Door natuurlijke laagtes te creëren met auwe, natuurvriendelijke oevers, ontstaat er een lichtglooiend landschap. In deze laagtes wordt het hemelwater wat in dit gebied valt opgevangen. Langs deze oevers worden bomen en struweel aangeplant die schuilplaatsen en voedselvoorziening bieden voor fauna. Naast de ecologische waarde, biedt dit struweel ook een groene, visuele afscherming van de parkeerplaats van de nieuwe woonomgeving. Daarnaast bestaat de landschappelijke zone uit bloem- en kruidenrijk grasland, diverse inheemse, solitaire bomen en een hoogstam fruitgaard.
6
MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
6.1
Participatie De locatie is al decennia lang in beeld als ontwikkellocatie voor woningbouw. Als onderdeel van de participatie is er een omgevingsdialoog georganiseerd in de vorm van een bewonersavond. Deze avond, met als doel het dorp te informeren en vragen te beantwoorden over het plan Broedershof, heeft plaatsgevonden op donderdag 19 juni 20258 in het Dorpshuis te Echteld. Om de bewoners en omwonenden goed te woord te kunnen staan waren er op de avond naast de gemeente, ook de stedenbouwkundige en adviseurs aanwezig. Middels informatiepanelen in de vorm van foamborden zijn door de circa 100 aanwezigen bijgepraat. Na de informatieavond is er een bedankmail gestuurd en hen de mogelijkheid geboden om vragen te stellen die tijdens de avond niet zijn beantwoord. Op basis van de input van de avond is besloten om meer flexibiliteit in het omgevingsplan in te bouwen. Concreet heeft dit ertoe geleidt dat er ruimere bouwvlakken en hoogtes zijn opgenomen in het de verbeelding van het omgevingsplan. Hiermee zijn er ook bij veranderende omstandigheden, maar wel binnen de eerder vastgestelde woningtypes, mogelijkheden om aan de specifieke woningbehoefte te voldoen.
6.2
Kostenverhaal Het is verboden bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.
Pagina 41