A - Toelichting
Tekst van het document
Omgevingsplan Broedershof Echteld Hoofdstuk 22r Toelichting TAM Omgevingsplan NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-ont1
www.SPAWNP.nl
Omgevingsplan Broedershof Echteld
BOUW - MILIEU - RUIMTE
Hoofdstuk 22r
Datum
:
DENKKRACHT
IN
Toelichting TAM Omgevingsplan NL.IMRO.1740.tamECbroedershof-ont1
11 december 2025
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Ceresstraat 13| 4811 CA BREDA | 076 303 00 17
| ISO 9001:2015 | kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01 | info@SPAWNP.nl | www.SPAWNP.nl
SPA WNP ingenieurs
INHOUD
2500210.3100.r01
PAGINA
1
INLEIDING 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Ligging plangebied 1.3 Leeswijzer
4 4 4 5
2
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
5 5 5
3
BELEID EN REGELGEVING 3.1 Rijksbeleid en rijksregels 3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
8 8 9 11 12
4
VEILIGE EN GEZONDE LEEFOMGEVING 4.1 Weging van het waterbelang 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.3 Spuitzone 4.4 Bodem 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur veehouderijen 4.7 Geluid 4.8 Omgevingsveiligheid 4.9 Explosieven 4.10 Magneetvelden/hoogspanning 4.11 M.e.r.-beoordeling 4.12 Conclusie veilige en gezonde leefomgeving
17 17 21 24 25 26 27 28 29 31 32 33 34
5
GOEDE OMGEVINGSKWALITEIT 5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik 5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Verkeer en parkeren 5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie
35 35 35 38 38 41
6
MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Participatie 6.2 Kostenverhaal
41 41 41
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.
Pagina 2
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
BIJLAGEN 1
Ontwerp initiatief
2
Watertoets
3
Akoestisch onderzoek industrielawaai sportvelden
4
Akoestisch onderzoek industrielawaai Wijenburgsestraat 6
5
Bodemonderzoek
6
Onderzoek geurhinder veehouderijen
7
Akoestisch onderzoek verkeerslawaai
8
Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten
9
Onderzoek magneetzones
10
Aanmeldnotitie m.e.r.
11
Archeologisch behouds/beheerplan
12
Ecologisch onderzoek
13
Onderzoek stikstofdepositie
14
Parkeeronderzoek
15
Verslag participatie
Pagina 3
SPA WNP ingenieurs
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding voor het plan
2500210.3100.r01
Aan de Ooisestraat in Echteld is het voornemen nieuwbouwplan ‘Broedershof’ te realiseren. Het initiatief zorgt voor de toevoeging van maximaal 43 woningen aan de zuidoostelijke zijde van de kern Echteld. De plannen passen niet binnen het van toepassing zijnde omgevingsplan. Om die reden wordt het omgevingsplan gewijzigd middels TAM-IMRO. De gemeente bereikt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) in het omgevingsplan door regels te stellen over activiteiten op locaties en deze onderling evenwichtig af te wegen. Evenwichtig afwegen van activiteiten betekent een locatiegerichte benadering waarbij de gemeente de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze verdeeld, inricht en benut. Alle regels in het omgevingsplan samen zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderliggende motivering behoort bij de omgevingsplanwijziging. In dit document is toegelicht op welke wijze het plan zich verhoudt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). 1.2
Ligging plangebied In afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het plan is gelegen aan de Ooisestraat in Echteld. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Echteld, sectie I, nummers 1027 en 1028. De omgeving betreft een landelijk gebied waar voornamelijk woningen en agrarische gronden aanwezig zijn. Afbeelding 1: Globale ligging van het plangebied (geel omlijnd)
Pagina 4
SPA WNP ingenieurs
1.3
2500210.3100.r01
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 en 5 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu) wetgeving. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van overleg en zienswijzen zijn opgenomen.
2
PLANBESCHRIJVING
2.1
Huidige situatie Het plangebied ligt aan de Ooisestraat aan de zuidoostzijde van de kern Echteld. Aan de overzijde van de Ooisestraat, ten noordwesten van het plangebied, zijn woningen en sportvelden gesitueerd. Ten noordoosten ligt een begraafplaats en verder is het plangebied omsloten door agrarische gronden. Het plangebied bestaat momenteel uit grasland. Om het gebied heen zijn diverse watergangen gesitueerd. Afbeelding 2 toont een foto van het plangebied, genomen vanaf de noodwestelijke zijde op de Ooisestraat. Afbeelding 2: Weergave plangebied vanaf Ooisestraat
2.2
Toekomstige situatie 2.2.1 Programma Met het voorliggende plan worden in totaal maximaal 43 woningen mogelijk gemaakt. Het initiatief bestaat uit een mix van woningtypen, te weten levensloopbestendige woningen, rijwoningen, beneden-bovenwoningen en vrijstaande woningen. · · · ·
6 levensloopbestendige woningen 19 rijwoningen 16 beneden-bovenwoningen 1 kavel met mogelijkheid tot maximaal twee woningen, vrijstaand of twee-aaneengebouwd.
Pagina 5
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
2.2.2 Ruimtelijke ontwikkeling Onderhavig initiatief betreft de ontwikkeling van de locatie Broedershof aan de zuidoostelijke rand van de kern Echteld. Stedenbouwkundige structuur De locatie Broedershof ligt op het snijvlak van het dorp Echteld en het omliggende landschap. Het plan bestaat uit een centrale, kleinschalige woonbuurt, die aansluit bij het agrarische karakter van zijn omgeving, en omringt wordt door een brede landschappelijke zone. De vrijstaande- en twee-onder-een-kapwoningen sluiten aan bij de bestaande woningen aan de Ooisestraat, met kenmerken van de oorspronkelijk voorkomende agrarische architectuur. Daarachter liggen rijwoningen met een knipoog naar de agrarische schuren, behorende bij de boerderijtypen aan de Ooisestraat. Deze schuurwoningen liggen aan een groen hofje, ingericht met speelelementen voor de kinderen uit de buurt. Binnen het erf wordt een groen karakter nagestreefd met hagen, gazon en solitaire bomen. De belangrijke zichtlijnen naar de Sint Jan de Doperkerk en kasteel Wijenburg vrijgehouden, waardoor de identiteit van Echteld behouden blijft en beleefbaar gemaakt wordt binnen deze nieuwe woonomgeving. In afbeelding 3 is de beoogde planinvulling weergegeven gevolgd door een impressie van de buitenruimte. Het volledige ontwerp met impressies en dwarsdoorsnedes is opgenomen als bijlage 1.
De in afbeelding 3 genoemde aantallen (41) zijn exclusief de twee mogelijk te maken woningen in de noordoosthoek van het plan. Afbeelding 3: Ontwerp toekomstige situatie
Kavel met maximaal twee woningen
Pagina 6
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Afbeelding 4: Impressie buitenruimte
Ontsluiting en parkeren Het plangebied wordt aan de westelijke hoek ontsloten op de Ooisestraat. De nieuw te realiseren weg door ‘Broedershof’ loopt langs de zijden van de woningen en beschikt over draaicirkels aan de uiteindes van de weg voor bewoners, bezoekers, hulpdiensten en afvalservice. Parkeren is geregeld langs de zijkanten van de rijwoningen en beneden-bovenwoningen. Voor de levensloopbestendige woningen geldt dat deze een eigen oprit krijgen. De ontsluiting en parkeermogelijkheden zijn zichtbaar in bijlage 1 van deze toelichting. Klimaatadaptatie De landschappelijke zone biedt ruimte voor hemelwaterberging en diverse landschapselementen, om zo een zachte overgang tussen de bebouwingskern en het omliggende landschap te creëren. Door natuurlijke laagtes te creëren met auwe, natuurvriendelijke oevers, ontstaat er een lichtglooiend landschap. In deze laagtes wordt het hemelwater wat in dit gebied valt, opgevangen en geïnltreerd. Langs deze oevers worden bomen en struweel aangeplant die schuilplaatsen en voedselvoorziening bieden voor fauna. Naast de beoogde ecologische waarde, biedt dit struweel ook een groene, visuele afscherming van de parkeerplaats van de nieuwe woonomgeving. Daarnaast bestaat de landschappelijke zone uit bloem- en kruidenrijk grasland, diverse inheemse, solitaire bomen en een hoogstam fruitgaard.
Pagina 7
SPA WNP ingenieurs
3
BELEID EN REGELGEVING
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
2500210.3100.r01
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. 3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels van het Rijk opgenomen voor het omgevingsplan.
De instructieregels gaan over: algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1); waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4); beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5); · behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6); · behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7); · bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). · · · · ·
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over: · het voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen; · lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; · lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool; · bebouwingscontour jacht; · bebouwingscontour houtkap.
Pagina 8
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
3.1.3 Toetsing rijksbeleid De NOVI is niet specifiek van toepassing op de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling moet echter wel in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking verantwoord worden. Deze verantwoording is opgenomen in hoofdstuk 5. Afdeling 5.3 van het Bkl bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. In hoofdstuk 4 en 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels. 3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” vastgesteld. In de Omgevingsvisie is als doel benoemd: gezond, veilig, schoon en welvarend. De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities: · · · · · ·
Energietransitie: van fossiel naar duurzaam Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer Circulaire economie: sluiten van kringlopen Biodiversiteit: werken met de natuur Vestigingsklimaat: een krachtige duurzame topregio! Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam
De Omgevingsvisie beschrijft hoe de provincie Gelderland in de komende jaren wil omgaan met ontwikkelingen en initiatieven. In de visie is onder meer aangegeven, dat de provincie streeft naar aanbod van woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag. Het streven is onder andere het benutten van bestaande bebouwde omgeving en het aardgasvrij aanleggen van alle nieuwbouw. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Naast de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening opgesteld, waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op gebieden in de provincie. Op basis van de themakaarten behorende bij de verordening, zijn de volgende regels van toepassing binnen het plangebied: · · · · ·
Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard Glastuinbouw Intrekgebied Peilbesluitgebied Werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland
Pagina 9
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
3.2.3 Toetsing provinciaal beleid De realisatie van het woningbouwplan vindt raakvlakken met veel ambities binnen de omgevingsvisie van de provincie. Zo wordt bij het plan onder andere gestreefd naar een gezond en veilig leefmilieu, wordt er duurzaam gebouwd met veel aandacht voor natuurinclusiviteit, wordt woningaanbod gecreëerd en wordt gebouwd in een bereikbare omgeving. De toevoeging van woningen versterkt de positie van Echteld als fijne woonplaats en draagt bij aan de woningopgave. Ten aanzien van de omgevingsverordening heeft het beoogde plan geen connectie met de realisatie van glastuinbouw of met de onderwerpen peilbesluitgebied of werkgebied Faunabeheereenheid. Op basis van de verordening ligt het plangebied binnen een intrekgebied (zie afbeelding hierna). De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen binnen dit gebnied. De provincie heeft vanuit de Drinkwaterwet een zorgplicht voor een duurzame Openbare drinkwatervoorziening. De provincie wil de beschikbaarheid van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening veiligstellen en daar bij besluiten rekening mee houden. Daarom zijn in intrekgebied geen bestemmingen mogelijk die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maken.
Met het voorliggende plan wordt geen winning van fossiele energie mogelijk gemaakt, waarmee het niet in strijd is met het beleid van de provincie ten aanzien van intrekgebieden. Afbeelding 5: Ligging binnen in intrekgebied
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard, wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de, voor die streek, vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in de bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard. Een belangrijke kernkwaliteit van het gebied Betuwe en Tielerwaard is het landelijke rivierengebied met voornamelijk agrarische cultuurlandschappen tussen de Nederrijn en de Waal, ten zuiden van de stuwwallen van Veluwe en Utrechtse Heuvelrug. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen rekening te houden met en dragen zo mogelijk bij aan deze kernkwaliteit. Het voorliggende plan vormt geen belemmering voor het behoud van het landelijke rivierengebied; het initiatief betreft een plan van relatief kleine schaal en is beoogd aan de rand van bebouwd gebied.
Pagina 10
SPA WNP ingenieurs
3.3
2500210.3100.r01
Regionaal beleid 3.3.1 Regionaal woonagenda 2020-2030 In het najaar van 2020 is de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030 vastgesteld. Neder-Betuwe heeft samen met de andere regiogemeenten vijf thema's gekozen waarin samen wordt gewerkt op de volgende punten: · Continuïteit in productie waarbij de bestaande woningbouwplannen versneld uitvoeren en waar gaan proberen om adaptief (flexibeler) te programmeren. · Betaalbaarheid waarbij extra wordt ingezet op huishoudens met een laag- of middeninkomen. · Flexibiliteit op de woningmarkt: er is een toenemend aantal inwoners dat behoefte heeft aan betaalbare en snel beschikbare woonruimte. · Wonen en zorg waarbij er voldoende passende en betaalbare woonruimte beschikbaar moet zijn in een breed scala aan woonvormen. · Duurzame woningvoorraad waarbij er gekeken wordt naar de Regionale Energie Strategie (RES) die invulling moet geven aan de ambities uit het Klimaatakkoord en het Gelders Energie Akkoord. 3.3.2 Regionale woonagenda Rivierenland De 'Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030' volgt de 'Woonagenda regio Rivierenland: Samen werken aan wonen' uit 2015 op en dient als kader voor samenwerking op het gebied van wonen in de regio Rivierenland. De Woonagenda 2020-2030 is de vertaling van de regionale visie en ambities naar kwalitatieve en kwantitatieve kaders voor de nieuwbouwprogrammering voor de periode 2020-2030.
Hiervoor zijn bevolkings- en huishoudensprognoses gebruikt. Voor de gemeente Neder-Betuwe wordt een woningbehoefte van minimaal 950 en maximaal 1.400 woningen tot 2030 voorspeld. Daarnaast zijn er regionale afspraken gemaakt voor het monitoren van een regionaal woningbouwprogramma, dat een dynamische lijst is en jaarlijks wordt geactualiseerd. 3.3.3 Woondeal Rivierenland De Woondeal Rivierenland is een samenwerking tussen de acht gemeenten in de regio, de provincie Gelderland en het Ministerie van Binnenlandse Zaken, en vormt de regionale uitwerking van de Nationale Woon- en Bouwagenda (voorjaar 2022). Deze regionale deal vloeit voort uit de Gelderse Woondeal, die als doel heeft 100.000 woningen in de hele provincie te bouwen, waarvan minimaal 60% betaalbaar en minimaal 28% sociale huur door corporaties. Specifiek voor de regio Rivierenland is afgesproken om tot 2030 ongeveer 12.940 nieuwe woningen te realiseren. Hierbij wordt gestreefd naar minimaal 61% betaalbare woningen, inclusief ten minste 28% sociale huurwoningen. Voor de gemeente Neder-Betuwe wordt verwacht dat zij 1.396 van deze woningen zal realiseren. 3.3.4 Toetsing regionaal beleid Met de beoogde ontwikkeling wordt een mix van woningtypen gerealiseerd. Een deel is hiervan voor de laag- en middeninkomen, maar bijvoorbeeld ook voor senioren.
De woningen zullen aan de gebruikelijke duurzaamheidseisen voldoen, met extra aandacht voor groen en water. De ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en de wens van de gemeente
Pagina 11
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Neder-Betuwe om maximaal 1.400 woningen te bouwen tot 2030. De beoogde ontwikkeling draagt kwantitatief bij aan de woningbouwopgave. In het plan wordt voorzien in 16 sociale huurwoningen. Het met de gemeente afgestemde woonprogramma gaat verder uit van 30% senioren woningen (woningen aan de Ooisestraat) en 20% sociale huurwoningen (betreffen de beneden-boven woningen). Hiermee sluit het plan aan op de behoefte aan dit type woningen en draagt het bij aan de invulling van de ambities uit de Woondeal. 3.4
Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Neder-Betuwe Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe de 'Omgevingsvisie NederBetuwe' vastgesteld. Deze visie schetst een toekomstbeeld voor de gemeente, met de nadruk op het behouden en versterken van belangrijke kenmerkende waarden voor toekomstige ontwikkelingen. Tevens geeft de Omgevingsvisie de werkprioriteiten van de gemeente voor de komende jaren aan. De omgevingsvisie is opgebouwd uit tien speerpunten, een richtinggevende kaart en een waardenkaart. De speerpunten zijn: · Gezond en veilig leven: Een omgeving waar inwoners hun hele leven gezond en veilig kunnen wonen, werken en leven. · Economisch klimaat: Een gunstig ondernemers- en vestigingsklimaat, diverse werkgelegenheid voor inwoners en een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. · Wonen voor iedereen: Betaalbare en passende woonmogelijkheden voor alle inwoners. · Bereikbaarheid: Goede toegankelijkheid voor openbaar vervoer, auto's, fietsers en wandelaars. · Identiteitsontwikkeling: Het verder ontwikkelen en beleefbaar maken van de lokale identiteit. · Agrarische sector: Verdere ontwikkeling van de gemeente als centrum voor laanboomteelt en andere agrarische sectoren. · Duurzame energie: Opwekking en gebruik van energie op een milieuvriendelijke manier. · Klimaatadaptatie: Voorbereid zijn op en anticiperen op klimaatveranderingen.
· Gezonde, groene en biodiverse omgeving: Het behouden en stimuleren van een gezonde, groene en diverse natuur. · Sterke dorpen: Behoud en ontwikkeling van levendige dorpen, in nauwe samenwerking met de gemeente. De richtinggevende kaart, voortkomend uit de speerpunten en bijbehorende opgaven, geeft aan waar specifieke ontwikkelingen wenselijk zijn. Voor enkele speerpunten zijn concrete zoekgebieden opgenomen, terwijl de overige ontwikkelingen op de kaart indicatief en richtinggevend zijn.
Pagina 12
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Afbeelding 6: Richtinggevende kaart van de Omgevingsvisie Neder-Betuwe
In de omgevingsvisie staat een waardenkaart waarop per gebied de specifieke kenmerken zijn aangegeven. Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met deze gebiedswaarden. Voor het dorp Echteld benoemt de waardenkaart de volgende kenmerken: · · · ·
Een karakteristiek dorp met een kasteel. Een goede woonplek. Een dorpshuis. Een hechte gemeenschap met een sterk verenigingsleven.
Bij ontwikkelingen in Echteld wil de gemeente specifiek letten op: · De zichtbaarheid en waarde van karakteristieke gebouwen en elementen, zoals het kasteel. · Het rustige en dorpse karakter. · De aanwezigheid en zichtbaarheid van groen. · De zichtbaarheid en toegankelijkheid van het omliggende landschap. · Het belang van saamhorigheid en betrokkenheid. Planspecifiek Het belang van het omliggende landschap is duidelijk te zien in de inrichting van het plan. Zo sluiten de ligging van de wadi’s met bomen en hagen aan op de omliggende boomgaarden en is rekening houden met zichtlijnen van karakteristieke gebouwen in de omgeving van hetplangebied, zoals de Sint Jan de Doper-kerk. Verder sluit het plan aan op de speerpunten uit de Omgevingsvisie door het realiseren van een mix van woningen en het opnemen van klimaat adaptieve elementen in de inrichting.
Pagina 13
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
3.4.2 Programma Wonen 2022-2030: wonen voor iedereen Op 27 januari 2022 heeft de gemeente Neder-Betuwe het Programma Wonen 2022-2030 vastgesteld. Dit programma, een uitwerking van de Omgevingsvisie, heeft als hoofddoel te zorgen voor voldoende, betaalbare en passende woonruimte voor alle inwoners van Neder-Betuwe. Het biedt kaders voor zowel de gemeente als haar partners om de woningbouwontwikkeling, inclusief nieuwbouw en bestaande bouw, kwalitatief in te vullen en randvoorwaarden te stellen voor sociale huur en koop. Het programma richt zich op zes kernpunten, gebaseerd op onderzoek, beleid en overleg met inwoners, professionals en de raad: 1. Betaalbaarheid De woningmarkt staat onder druk, met stijgende prijzen en lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen. Vooral lagere inkomens, starters, kwetsbare groepen, spoedzoekers en middeninkomens ondervinden problemen bij het vinden van betaalbare huisvesting. 2. Beschikbaarheid Er wordt ingezet op gevarieerde woningbouw in elke kern, zowel qua type als prijsklasse. Dit is gericht op lokale inwoners en de autonome bevolkingsgroei. De bouwplannen zijn afhankelijk van de bestaande woningvoorraad, de behoeften en nieuwbouwmogelijkheden per kern. 3. Vindbaarheid De gemeente werkt eraan om het actuele woningaanbod, contactpersonen en procedures voor huur en koop inzichtelijker te maken voor inwoners. 4.
Lagere Inkomens In Neder-Betuwe wordt al jaren gemixt gebouwd, van sociale huur tot luxe villa's. Vanwege demografische veranderingen (meer eenpersoonshuishoudens en zorgbehoeften) is een aanpassing van het bouwprogramma noodzakelijk om te voldoen aan de vraag naar sociale huur en goedkope koopwoningen. 5. Starters Starters, vaak jonge mensen tussen 25-35 jaar (koopstarters) of jonger (huurstarters), hebben moeite om een eerste woning te vinden. Het programma onderscheidt huur- en koopstarters en richt zich op het faciliteren van toegang tot sociale huur en betaalbare koopwoningen. 6. Senioren De vergrijzing in Neder-Betuwe zal toenemen, wat leidt tot een grotere vraag naar passende woningen en zorg. Het is cruciaal dat 55-plussers tijdig nadenken over een verhuizing of aanpassing van hun woning, om te voorkomen dat beslissingen onder tijdsdruk of door een acute zorgvraag genomen moeten worden. Planspecifiek De borging van betaalbare woningen heeft de gemeente geregeld door het vaststellen van de verordening doelgroepen woningbouw gemeente Neder-Betuwe 2023. Op basis van deze verordening is het uitgangspunt dat er 30% sociale huurwoningen worden gebouwd. In het voorliggende plan is gekozen voor een gevarieerd aanbod aan woningen en zijn er 16 sociale huurwoningen beoogd. Verder is voorzien in een aantal seniorenwoningen en in rij- en hoekwoningen.
Met dit gevarieerde aanbod wordt het plan toegankelijk voor verschillende doelgroepen. Met het aantal huurwoningen wordt er afgeweken van de doelgroepenverordening. Het aantal is wel in overeenstemming met de gemeente en komt voort uit eerder gemaakt afspraken in de exploitatieovereenkomst.
Pagina 14
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
3.4.3 Omgevingsplan Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Voor het plangebied en omgeving geldt sinds 1 januari 2024 het Omgevingsplan van de gemeente Neder-Betuwe. Dit omgevingsplan betreft een omgevingsplan van rechtswege. Een omgevingsplan van rechtswege bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, zoals alle op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen niet nog vastgestelde en in werking getreden bestemmingsplannen. Het nieuwe deel is ten tijde van het opstellen van deze toelichting nog leeg. Dit betekent dat er op grond van de Omgevingswet (nog) geen specifieke regels voor het plangebied en de omgeving zijn opgenomen in het omgevingsplan. Als gevolg hiervan geldt voor de relevante omgeving van het plangebied als planologisch kader het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dodewaard en Echteld’, vastgesteld op 30 mei 2013. In dit geldende bestemmingsplan zijn aan de gronden in het plangebied de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Water’ en de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’, ‘Waterstaat – Beheerszone watergang’, ‘Waarde – Archeologie 3, ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – Archeologie 5’ toegekend. Daarnaast liggen binnen het plangebied de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – spuitzone’ en ‘vrijwaringszone – weg’.
Op basis van Parapluregeling Archeologie (vastgesteld 27 september 2018) geldt voor het gebied dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Daarnaast geldt dubbelbestemming ‘Waarde – Integraal ensemble Echteld’ op basis van parapluplan 2023 (vastgesteld 4 juli 2024). Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Dodewaard en Echteld’
Pagina 15
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Strijdigheden initiatief in relatie tot planologische situatie Het initiatief voorziet in het mogelijk maken van maximaal 43 woningen en is daarmee strijdig met de huidige planologische situatie. Dit omdat binnen het plangebied de gronden hoofdzakelijk zijn bestemd als zijnde ‘Agrarisch en ‘Water’ en binnen deze bestemmingen de realisatie van woningen niet is toegestaan. 3.4 4 Toetsing gemeentelijk beleid De activiteit past binnen de doelstellingen en het overgrote deel van het beleid van de gemeente. Het aantal sociale huurwoningen is overeenkomst eerder gemaakte afspraken tussen de ontwikkelaar en de gemeente. De activiteit is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd op basis van TAM-IMRO waarvoor onderhavige motivering is opgesteld.
Pagina 16
SPA WNP ingenieurs
4
VEILIGE EN GEZONDE LEEFOMGEVING
4.1
Weging van het waterbelang
2500210.3100.r01
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld: · Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow); · Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow); · Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen.
Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder. Watervisie 2050 Haar visie op een toekomstbestendig rivierengebied en de bijdrage die het waterschap daar zelf aan wil leveren is verwoord in de Watervisie 2050. De Watervisie reikt met een horizon tot 2050 verder dan de planperiode van het WBP (2022-2027). De Watervisie is het strategisch kader voor de lange termijn en het WBP is een tactische vertaling voor de planperiode. In de Watervisie 2050 is het gewenste toekomstbeeld beschreven: een toekomstbestendig rivierengebied. Om dit toekomstbeeld te bereiken moeten in het WBP keuzes worden gemaakt. De principes uit de Watervisie helpen om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050.Deze principes zijn als volgt: · · · · ·
de natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt; water is bepalend voor de inrichting van het gebied; we zijn zuinig op water en grondstoffen; de focus ligt op de bescherming van het gebied tegen overstromingen; uitdagingen worden aangepakt binnen de huidige generatie en niet afgewenteld op volgende generaties;
Pagina 17
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
waterbeheer van de toekomst: er worden maatschappelijk verantwoorde keuzes gemaakt; · met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied. ·
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerplan ‘Versterken. Verbinden. Vergroenen.’ beschrijft de doelen van Waterschap Rivierenland voor de periode 2022-2027. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Regionaal Waterprogramma Gelderland en het Stroomgebiedsbeheerplan. De visie voor het waterbeheerprogramma is afgeleid van de langetermijnvisie die wordt gesteld in de Watervisie 2050. De kortetermijnvisie wordt in het waterbeheerprogramma uitgewerkt. Aan de volgende waterthema’s wordt in het waterbeheerprogramma van 2022-2027 extra aandacht besteed: · · · · · · ·
Beschermen tegen overstromingen; Water eerlijk verdelen; Voorbereiden op extreem weer; Werken aan schoon water; Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; Toewerken naar circulariteit.
Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen en het klimaat. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. Net als in voorgaand Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Waterschapsverordening In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar in het grondgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden: regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringtechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij Waterschap Rivierenland. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur en de algemene regels. Bovendien bevat de waterschapsverordening regels over lozingen. Lozingen waren eerst op het niveau van de centrale overheid geregeld.
Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: · Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. · Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van
Pagina 18
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). · Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een Omgevingsvergunning Wateractiviteit noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: · T=10+10%: 436 m3 waterberging per hectare toename verharding bij compensatie in openwater (maximaal 0,30 m peilstijging ten opzichte van het zomerpeil). · T=100+10%: 664 m3 waterberging per hectare toename verharding bij compensatie in technische voorziening (wadi's, kratten en dergelijke).
Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen. Programma Riolering en Water 2024-2028 Het Programma Riolering en Water (PRW) is een beleidsplan/uitvoeringsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken/zorgplichten weergeeft. Met de term programma wordt aangesloten op de Omgevingswet, waarbij uiteindelijk drie planvormen ontstaan, de omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan. In het programma geeft de gemeente aan wat zij wil bereiken, hoe daar beleidsmatig uitwerking aan wordt geven en wat gedaan wordt en hoe dit te bekostigen. Het PRW is een dynamisch document. Evaluatie van de voortgang en eventuele tussentijdse bijstelling van het programma vindt jaarlijks plaats. Waterplan Het waterbeleid maakt geïntegreerd onderdeel uit van het GRP 2019 - 2023. Gemeente en Waterschap streven voor stedelijk gebied naar een robuust watersysteem waardoor overstroming alleen optreedt bij extreme situaties. Dit betekent dat er watersysteemmaatregelen moeten worden getroffen.
Dit kan door extra ruimte voor oppervlaktewater in het bestaande watersysteem te creëren of door het realiseren van extra waterpartijen. Om de doelstellingen van het rijk (2050) te halen moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen die nu gerealiseerd worden klimaatbestendig en water robuust zijn. Als ze dat niet zijn komt de rekening voor aanpassingen bij toekomstige inwoners of de gemeente voor herinrichting van de openbare ruimte. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar worden afgestemd en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een omgevingsplan. Klimaatbestendig inrichten heeft niet enkel betrekking op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maar betreft ook de (herinrichting van) bestaande openbare ruimte.
Pagina 19
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Een klimaatbestendig oppervlaktewatersysteem betekent een robuust watersysteem van belang dat zowel extreme droge als natte situaties aan kan (regenwater-, droogte- en hittebestendig). In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn afspraken gemaakt over wateroverlast en watertekort. In het NBW zijn werknormen opgenomen ten aanzien van het noodzakelijke beschermingsniveau. Om nu en in de toekomst aan deze beschermingsniveaus te voldoen is de realisatie van aanvullende waterberging noodzakelijk. Deze opgave wordt bepaald aan de hand van modelleringen (hydrologische berekening van het oppervlaktewatersysteem). Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met 9.370 m2. Om wateroverlast te voorkomen, wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits ‘vasthouden - bergen - afvoeren’ behandeld. Binnen het plangebied is veel ruimte aanwezig voor oppervlakkige berging. In het stedenbouwkundig ontwerp zijn verschillende wadi’s met slokop opgenomen conform Richtlijn wadi’s (versie 2,0). In de wadi aan de zuidzijde van het plangebied is sprake van kwel. In de wadi is extra bergingscapaciteit opgenomen om 3 mm kwel over het ontgravingsvlak van de wadi te bergen.
Aan de westzijde van het plangebied zijn enkele duikers voorzien. Het waterschap heeft aangegeven dat de demping als gevolg van de nieuwe duikers gecompenseerd dient te worden. Het aantal te compenseren kubieke meters dient daarbij berekend te worden op basis van een peilstijging van 30 cm boven het zomerpeil. Het waterschap heeft aangegeven dat het de voorkeur geniet om het waterbergingsverlies zo veel mogelijk in open water te realiseren, omdat wadi’s niet direct in verbinding staan met het open water. Daarom is aan de zuidwestzijde extra berging (40 m3) voorzien in het bouwplan. Verder relevante conclusies uit de watertoets zijn: · Opstuwing van duikers dient gecompenseerd te worden in de secundaire watergang volgens de richtlijn van Waterschap Rivierenland. · Voor de behandeling van het afvalwater is het noodzakelijk om een waterhuishoudingsplan- en rioleringsplan op te stellen. Deze plannen worden in een later stadium uitgewerkt en vormen geen belemmering voor de aanvang van de ruimtelijke procedure.
Pagina 20
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
Afbeelding 8: Beoogde wadi’s waterberging (een grotere weergave is opgenomen in bijlage 2)
Conclusie Vanuit het aspect water is er, met inachtneming van een verdere technische uitwerking en een inrichtingsplan, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De borging van het inrichtingsplan is opgenomen in de regels van dit omgevingsplan. 4.2
Bedrijven en milieuzonering Bij het realiseren van milieugevoelige functies dient rekening gehouden te worden met (mogelijke) milieuaspecten vanuit de omgeving. Voor het waarborgen of realiseren van een goed woon- en leefklimaat wordt milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen een passende locatie in nabijheid van milieubelastende functies krijgen en dat deze op een verantwoorde manier van elkaar gescheiden worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen twee doelen te worden gerealiseerd: · Het voorkomen van of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor bewoners en inwoners. · Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven, dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Om gemeenten te ondersteunen met het vastleggen van milieunormen in het omgevingsplan, heeft de VNG in oktober 2024 de Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gepubliceerd.
Pagina 21
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
De handreiking kan gebruikt worden bij het omvormen van het omgevingsplan van rechtswege tot één omgevingsplan voor de gehele gemeente. De handreiking uit 2024 is niet geschikt voor een beoordeling of nieuwe milieubelastende functies en nieuwe milieugevoelige in nabijheid van elkaar mogelijk gemaakt kunnen worden. Om die reden gaat dit onderzoek uit van de systematiek uit de VNG-handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”, editie 2009. Deze handreiking geeft richtafstanden voor de milieuthema’s geur, stof, geluid en veiligheid naar omgevingstype. De hierin opgenomen richtafstanden gelden als een handreiking voor een verantwoorde inpassing van milieubelastende functies in haar fysieke omgeving en voor inpassing van gevoelige functies nabij milieubelastende functies. Afwijking hiervan is mogelijk, mits nader milieukundig onderzocht en gemotiveerd. Planspecifiek Het plangebied maakt gezien de omliggende functies deel uit van een ‘rustige woonwijk’, in de huidige situatie een ‘rustig buitengebied’. Binnen het plangebied worden geen milieubelastende functies gerealiseerd. De woningen zijn echter wel milieugevoelige functies, waardoor onderzocht moet worden of deze hinder kunnen ondervinden van milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. Dit betreft een inwaartse zonering. In afbeelding 7 zijn de milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Dit betreffen functies uit bestemmingsplannen ‘Buitengebied Dodewaard en Echteld’ en ‘Kernen Neder-Betuwe’. Afbeelding 9: Milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied
3
2
1
4
In tabel 1 staan de resultaten van de inwaartse milieuzonering, waarin de aanwezige milieubelastende functies zijn opgenomen die hinder kunnen geven aan de milieugevoelige nieuw
Pagina 22
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
te realiseren woningen in het plan. Deze zijn gemeten vanaf de grens van de milieubelastende bestemming tot de nieuwe woningen. Tabel 1: Resultaten van de inwaartse milieuzonering Nr.
Adres
Bestemming (functieaanduiding)
Omschrijving (Sbi)
Milieucategorie
VNG-richtafstand
Werkelijke afstand tot plangebied
1
Ooisestraat 14
Sport
Veldcomplex met verlichting (931)
3.1
Geur: 0 m
Ca. 23 m
Stof: 0 m Geluid: 50 m Gevaar: 0 m
2
3
ter hoogte van Ooisestraat 12
Ooisestraat 1
Bedrijf - Nutsvoorziening
Maatschappelijk
Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen <10 MVA (35)
2
Kerkgebouwen e.d. (9491)*
3.1
Geur: 0 m
Ca. 18 m
Stof: 0 m Geluid: 30 m Gevaar: 10 m Geur: 0 m
Ca. 104 m
Stof: 0 m Geluid: 30 m Gevaar: 0 m
4
Wijenburgsestraat 6
Bedrijf (machinebouw, handel en reparatie)
Machinefabriek incl. reparatie – p.o. >=2.000 m² (27, 28, 33)
4.1
Geur: 50 m
Ca. 102 m
Stof: 30 m Geluid: 200 m Gevaar: 30 m
*De dichterbijgelegen begraafplaats is niet milieubelastend.
Enkele geïnventariseerde milieubelastende functies beschikken over richtafstanden welke tot over de meest nabijgelegen woningen binnen het plangebied reiken. Deze functies zijn in de volgende alinea’s nader beschouwd. 1. Ooisestraat 14 – veldcomplex Ten westen van het plangebied bevindt zich het sportcomplex van VV Echteld. De plaatselijke situatie is afgestemd met de vereniging en de rapportage van het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. De sportvelden van Voetbalvereniging Echteld worden gebruikt voor trainingen en wedstrijden. Op dinsdag en donderdag wordt er in de avond getraind. Op zaterdag worden minimaal 1 en maximaal 2 wedstrijden gespeeld. De spelers en toeschouwers komen voornamelijk met de auto. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er voldaan word aan de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus. Daarmee wordt er in de representatieve situatie van Voetbalvereniging Echteld bij alle nieuwe woningen voldaan aan de toetswaarden uit het omgevingsplan van de gemeente Neder-Betuwe en de richtwaarde van de VNG-brochure. 2. Ter hoogte van Ooisestraat 12 – transformatorhuisje Ten zuiden van de woning aan de Ooisestraat 12 ligt een transformatorhuisje. Op basis van de VNG richtafstanden beschikt het huisje over een richtafstand voor het aspect geluid van 30 meter.
De afstand tussen het huisje en de rand van het plangebied bedraagt circa 18 meter. De werkelijke afstand tussen het transformatorhuisje en de dichtstbijzijnde gevel van een woning in het plangebied bedraagt circa 24 meter. In beide gevallen wordt niet voldaan aan de richtafstand. Direct ten noorden van het transformatorhuisje ligt op circa 6 meter afstand de gevel van de woning aan de Ooisestraat 12. Huisnummer 10 ligt op circa 13 meter en de woningen aan de Ooisestraat 6 en 8 en de Ommersteinsestraat 1 liggen allen binnen 30 meter
Pagina 23
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
van het transformatorhuisje. Wegens de aanwezigheid van deze woningen binnen de richtafstand van 30 meter, waarvan enkelen vele malen dichterbij gelegen zijn dan de woningen in het plangebied en waarvan geen klachten ten aanzien van het transformatorhuisje bekend zijn, wordt binnen het plangebied ook geen hinder verwacht. 4. Wijenburgsestraat 6 – machinebouw Ten oosten van het plangebied bevindt zich een machinebouwbedrijf. Het hiervoor uitgevoerd akoestisch onderzoek is gebaseerd op de vergunde situatie en daarnaast zijn mogelijke uitbreidingen beoordeeld. In de bestaande bedrijfssituatie wordt voldaan aan de gestelde eisen uit het omgevingsplan van de gemeente Neder-Betuwe. Uit de berekeningen blijkt dat er bij eventuele uitbreidingen van het bedrijf alleen nog geluidruimte beschikbaar is in de nachtperiode. Meer activiteiten in de dag- en avondperiode zullen leiden tot overschrijdingen van de toetswaarden. In de nachtperiode is ruimte voor een verdubbeling van het aantal activiteiten en rijbewegingen. Wanneer het bedrijf maximaal planologisch in bedrijf is, treden er overschrijdingen van maximaal 13 dB(A) op bij de bestaande woningen. Hieruit wordt geconcludeerd dat het bedrijf niet maximaal planologisch in bedrijf kan zijn zonder hoge overschrijdingen te veroorzaken.
Er kan daarom gesteld worden dat het niet te verwachten is dat de locatie volledig planologisch wordt benut. Wanneer dit wel gebeurt, blijven de overschrijdingen beperkt tot 2 dB(A).Bij de nieuwbouw woningen wordt er ruim voldaan aan de gestelde eisen voor de maximale geluidniveaus. De overschrijdingen bij de bestaande woningen treden op in de vergunde bedrijfssituatie. Tot slot wordt ook voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde van de equivalente geluidniveaus. Conclusie De richtafstanden, zoals opgenomen in de VNG-handreiking, van enkele milieubelastende functies in de omgeving reiken over de beoogde woningen. Om die reden zijn er akoestisch onderzoeken uitgevoerd. Op basis van de resultaten van de akoestische onderzoeken blijkt dat een sportvereniging en een bedrijf niet in haar bedrijfsvoering worden belemmerd. Ter plaatse van de nieuwe woningen is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit het bedrijven en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.3
Spuitzone Bij het mogelijk maken van een voor drift gevoelige functie in de nabijheid van functies, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Er is geen wettelijk kader waarin een afstand wordt gereguleerd tussen gevoelige functies ten behoeve van het verblijf van mensen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. De 50 meter
Pagina 24
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2 of 21 april 2021 in zaak nr. 201903692/1R4) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt. De 50 meter richtafstand heeft zijn oorsprong in het Streekplan 1996 van de Provincie Gelderland en is dus al meer dan 25 jaar oud. Uit een uitspraak van de Afdeling uit 20041 volgt dat de afstand van 50 meter bedacht is voor de toelating van nieuwe gevoelige functies, nabij boomgaarden en boomteeltpercelen. Ten tijde van het beleid dat is opgenomen in het Streekplan, gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde “Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” en de bijbehorende “Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Inmiddels geldt er op basis van het Bal de verplichting om bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen een techniek toe te passen, die een driftreductie bereikt van ten minste 75%.
Daarnaast moet hierbij de kanttekening worden gemaakt dat de richtafstand uitgaat van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zonder enige vorm van driftreducerende voorzieningen in het overdrachtsgebied, zoals een windhaag. Ook de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen was destijds minder streng en door minder regels omgeven dan anno 2025 het geval is. Planspecifiek Het plangebied is aan de noord- oost- en zuidzijde omsloten door agrarische percelen waar de toepassing van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet is uitgesloten. Voor de zuiden oostzijde geldt overigens dat er in de feitelijke situatie geen productieboomgaard aanwezig is. Op basis van de planologische mogelijkheden van de omliggende percelen zijn driftgevoelige functies (tuin en wonen) op minimaal 50 meter afstand van de agrarische percelen gesitueerd. In bijlage 1 is de ruimte tussen omliggende percelen en woningen in het plangebied goed zichtbaar. Voor de functies binnen de 50 meter zone is er met de bestemmingen Verkeer en Groen gekozen voor bestemming die niet aangemerkt worden als een voor driftgevoelige bestemming. Binnen deze bestemmingen is langdurig menselijk verblijf binnen niet aannemelijk. Daar waar in het gebied langdurig menselijk verblijf wel aannemelijk is, is een specifieke aanduiding opgenomen voor een speelvoorziening.
Conclusie Vanuit het aspect spuitzone is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.4
Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
1 ECLI:NL:RVS:2004:AP3436
Pagina 25
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
· de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; · evenwichtig functies toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; · de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Planspecifiek Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. Op basis van de onderzoeksresultaten is de conclusie dat er geen aanleiding is om een asbest in grondonderzoek nader bodemonderzoek uit te voeren. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit is voldoende voor het realiseren van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Omdat de landelijke interventiewaarden niet worden overschreden zijn geen risico’s te verwachten.
Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.5
Luchtkwaliteit Niet in betekende mate (NIBM) Conform artikel 5.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dragen activiteiten niet in betekenende mate bij aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) in de buitenlucht als de immissies maximaal 3% van de jaargemiddelde omgevingswaarde bedragen. Dit betekent dat voor zowel stikstofdioxide als fijnstof feitelijk een toename van 1,2 µg/m³ op de jaargemiddelde concentratie toelaatbaar wordt geacht. Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Daarom is het niet nodig deze 'standaardgevallen' te toetsen aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Planspecifiek Binnen het plangebied worden maximaal 43 woningen mogelijk gemaakt. Met dit aantal woningen valt het bouwplan binnen het criterium voor de categorie woningbouwlocaties (de grens ligt op 1.500 woningen, bij één ontsluitingsweg). Met andere woorden, de realisatie van de woningen draagt niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate. Daarom is een onderzoek naar de luchtkwaliteit en/of toetsing aan de grenswaarden niet nodig.
Pagina 26
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
In de navolgende tabel is een overzicht van de totale hoogste waarden en van de kalenderjaargemiddelde achtergrondconcentraties weergegeven van de componenten stikstofdioxide (N02), fijn stof (PM10), fijne fractie fijn stof (PM2,5) en elementair koolstof (EC). Dit geeft een goed beeld van de luchtkwaliteit ter plaatse, die hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de lokale wegen. De concentraties zijn bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland. Tabel 2: (Achtergrond)concentraties binnen het plangebied
*
Stof Jaar 2024 Jaar 2030 Grenswaarde NO2 10-15 ug/m³ 15-20 ug/m³ 40 PM10 14-16 ug/m³ 14-16 ug/m³ 40 PM2,5 8-10 ug/m³ 6-8 ug/m³ 25 EC 0,2-0,3 ug/m³ 0,2-0,3 ug/m³ -* Voor elementair koolstof (EC) is geen omgevingswaarde vastgesteld
Advieswaarde WHO** 40 20 10 -
De huidige en de voor 2030 bekende achtergrondconcentraties aan de luchtkwaliteit zijn lager dan de vastgestelde grenswaarden. De concentraties voldoen ook aan de advieswaarden van de WHO. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.6
Geur veehouderijen Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ziet op een toelaatbare geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw en locatie. In het Bkl staan instructieregels met landelijk geldende waarden en afstanden waaraan getoetst moet worden bij het houden van landbouwhuisdieren ten opzichte van een geurgevoelig gebouw (bijvoorbeeld woningen). Als er sprake is van nieuwbouwplannen en/of herbestemming van een perceel in de omgeving van een veehouderij, moet onderzocht worden of dit gerealiseerd kan worden. Dit opdat een goed woon- en verblijfklimaat wordt gerealiseerd zonder dat de rechten van de veehouder in kwestie worden aangetast. De belangenafweging voor de veehouder wordt gebaseerd op de voorgrondbelasting. Daarmee wordt de geurbelasting van die veehouderij bedoeld, welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt. De voorgrondbelasting wordt berekend met behulp van de vergunningsmodule. Als blijkt dat gebouwd wordt binnen de geurcontour waarop vergund is, dan is in het algemeen sprake van inbreuk op het vergunde recht. Planspecifiek Voor de realisatie van het plan is een geuronderzoek naar de geurbelasting vanwege diverse in de omgeving aanwezige veehouderijen uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. Wat betreft de voorgrondbelasting op het plangebied is de veehouderij aan de Ooisestraat 30 in Echteld maatgevend.
De geurconcentratie die veroorzaakt wordt door deze veehouderij voldoet aan de gemeentelijke waarde. Het woningbouwplan leidt om die reden niet tot een belemmering in de bedrijfsvoering van de veehouderij. Uit de berekening van de achtergrondbelasting volgt dat er een maximale achtergrondbelasting is te verwachten van 0,24 ouE/m3. De voorgrondbelasting is maatgevend ten opzichte
Pagina 27
SPA WNP ingenieurs
2500210.3100.r01
van de achtergrondbelasting. De bij het plangebied maximaal berekende achtergrondbelasting correspondeert met maximaal 5% gehinderden. Dit percentage wordt op basis van de wettelijke waarden als aanvaardbaar beschouwd. Op grond van het gemeentelijk beleid wordt de berekende achtergrondbelasting beschouwd als een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Daarnaast zijn er enkele veehouderijen rondom het plangebied aanwezig welke geiten houden. Vanuit de GGD is het advies gegeven om minimaal 2 kilometer van geitenhouderijen af te bouwen wegens gezondheidsrisico’s. Dit advies is gebaseerd op geitenhouderijen met 50 dierplaatsen of meer. Van het beperkte aantal dieren dat aanwezig is worden geen negatieve gezondheidseffecten verwacht. Deze veehouderijen vormen daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Vanuit het aspect geur van veehouderijen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.7
Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen de aandachtsgebieden van de geluidbronsoorten gemeentewegen, de provinciale weg N323 en de rijksweg A15. De overige geluidbronnen liggen op grotere afstand van het plangebied (o.a. spoorwegen) en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze geluidbronnen niet relevant zijn met betrekking tot het geluid. Ten behoeve van het initiatief is een onderzoek verkeerslawaai uitgevoerd welke deel uitmaakt van de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat het geluid vanwege de geluidbronsoort: · gemeentewegen, maximaal 40 dB-Lden bedraagt. Dit is ruim lager dan de standaardwaarde van 53 dB-Lden; · provinciale wegen, maximaal 59 dB-Lden bedraagt. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 50 dB-Lden, maar lager dan de grenswaarde van 60 dB-Lden; · rijkswegen, maximaal 52 dB-Lden bedraagt. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 50 dBLden maar lager dan de grenswaarde van 60 dB-Lden.