Verordening WMO en Jeugdhulp 2023 (bijlage 1)
Tekst van het document
23
Artikel 34. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling 1. De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen gepaard gaan met de inzet van privaatrechtelijke maatregelen op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder zijn gemaakt. 2. Indien een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de aanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen. 3. Indien de (contractuele) afspraken tussen het college en aanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden. 4. De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het pgb als bedoeld in artikel 2b lid 6 Uitvoeringsregeling Wmo 2015. 5. De door het college genomen maatregelen moeten in redelijke verhouding staan tot de aard van de overtreding of melding.
Paragraaf 5.6 Overige bepalingen Artikel 35. Register 1. Door en namens het college wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde aanbieders zijn opgenomen. 2. Indien op een aanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld.
Artikel 36. Meldingsplicht 1. Een aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) is verplicht het college onverwijld schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet, kan worden voldaan. 2. Het college treedt na deze melding in overleg met de aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan.
Hoofdstuk 7 Overig Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet en krachtens de Inspraakverordening van gemeente Mook en Middelaar gestelde regels met 24
betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend en de Inspraakverordening van de gemeente Mook en Middelaar. 2.
Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuningen jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
3.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
4.
Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.
De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020 wordt ingetrokken per 1 januari 2023.
2.
Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.
3.
Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager.
4.
Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020, wordt beslist met inachtneming van die betreffende verordening tenzij dit voor de bezwaarmaker nadelig uitpakt.
5.
Indien in andere verordeningen en beleidsstukken wordt verwezen naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020, mag men in plaats daarvan vanaf de inwerkingtreding een verwijzing naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2023 en de daarbij behorende bijlagen lezen.
Artikel 39. Nadere regels en hardheidsclausule 1.
In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
2.
Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen over de uitvoering van deze verordening.
3.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
25
Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel 1.
Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en werkt terug tot 1 januari 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020.
2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2023.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 2 februari 2023,
De griffier,
De voorzitter,
M. van Arensbergen
mr. drs. W. Gradisen
26
BIJLAGE 1 Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vormen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende voorzieningen worden verstrekt: -
Huishoudelijke hulp
-
Rolstoel
-
Woonvoorzieningen
-
Woningaanpassingen
-
Vervoersvoorzieningen
-
Vervoersregeling
-
Begeleiding
-
Persoonlijke verzorging
-
Dagbesteding
-
Kortdurend verblijf
-
Beschermd Wonen
-
Opvang
Middels huishoudelijke hulp dienen de volgende resultaten te worden bereikt:
in het kader van de leefbaarheid gerealiseerde hulp in het huishouden in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning;
adequaat gebruik kunnen maken van goederen voor primaire levensbehoeften;
adequaat gebruik kunnen maken van schone, draagbare en doelmatige kleding;
het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;
regie op het huishouden kunnen voeren.
Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: -
welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd
-
schoolmaatschappelijk werk
-
opvoedondersteuning en opvoedadvies
-
jeugdhulp op de Sint Maartenschool
-
praktijkondersteuner Jeugd
De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: Blok B -
reguliere begeleiding en verzorging
-
specialistische begeleiding
-
dagbesteding (intersectoraal)
-
dagbehandeling (intersectoraal)
-
vaktherapie
-
kortdurend verblijf 27
-
casemanagement
-
vervoersdiensten
-
GGZ
Blok C -
time out voorziening / tussenvoorziening
-
pleegzorg
-
gezinshuis
-
deeltijd wonen
-
Beschermd Wonen
-
behandelgroep 24-uurs op terrein
-
jeugdzorgPlus
-
klinische opname
-
spoedopvang i.h.k.v. spoedeisende hulp
-
ambulant in C
-
jeugdbescherming
-
jeugdreclassering
-
drang
Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen in blok B: 1.
Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional.
2.
Dagbesteding, dagbehandeling en kortdurend verblijf jeugd kunnen alleen geleverd worden indien de zorgaanbieder ook het noodzakelijk geachte vervoer kan regelen.
3.
Casemanagement Jeugd is een stapel-bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door de gemeentelijke toegangspoort of door een Gecertificeerde Instelling ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de artikelgemeente gecontracteerde zorgaanbieder.
4.
GGZ omvat:
-
behandeling basis Jeugd GGZ
-
specialistische Jeugd GGZ (incl. observatie en diagnostiek)
-
dyslexie
-
Jeugd GGZ beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg
Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen in blok C: 1.
ambulant in C omvat:
-
ambulante behandeling J&O LVG
-
ambulante groepsgerichte behandeling J&O J-LVG
-
multisysteemtherapie
-
MDFT, ACRA / Craft
-
Gezin Centraal / IOG
De volgende overige vormen van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: -
kinderopvang vanuit de sociaal medische indicatie (SMI) 28
BIJLAGE 2 Financiële bijlage HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze bijlage wordt verstaan onder:
1.
Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge de verordening Maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2023 een persoonsgebonden budget is toegekend.
2.
Zorgperiode: een periode van één maand gehanteerd door het Centraal Administratie Kantoor, verder te noemen het CAK, gehanteerd bij de berekening en inning van de eigen bijdrage / het abonnementstarief. Twaalf zorgperioden is één jaar.
3.
Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al dan niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.
4.
Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang : een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.
Paragraaf 2. Bijdrage in de kosten Artikel 2 2.1 Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate komt het meerdere voor rekening van de cliënt. 2.2 Voor maatwerkvoorzieningen die in natura of als persoonsgebonden budget worden verstrekt is een bijdrage in de kosten verschuldigd. 2.3 1.
In uitzondering op het onder 2.1 gestelde, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor: a.
rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning);
b.
collectief vervoer (behalve de reizigerstarieven die de vervoersorganisatie rekent) of het persoonsgebonden budget dat als alternatief wordt verstrekt;
c.
woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n);
d.
huurderving;
29
e.
maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt;
f.
arbeidsmatige dagbesteding;
g.
zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is;
h.
handbike;
i.
pendel;
j.
eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten;
k.
jeugdhulp;
l.
gezinsondersteuning;
m. Sociaal Medische Indicatie (SMI); n.
vanaf het overlijden van de cliënt;
o.
cliëntondersteuning op grond van artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
2.
In afwijking van in het vorige lid onder e gestelde is wel een bijdrage in de kosten verschuldigd als een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt. Deze bijdrage in de kosten is verschuldigd door: a.
de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene aan wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en
b. 3.
degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd als de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of uit de ouderlijke macht zijn ontzet.
2.4 Voor tijdelijk verblijf LVB 18+ Wmo geldt dezelfde eigen bijdrage-systematiek als voor Beschermd Wonen, omdat bij tijdelijk verblijf LVB eveneens sprake is van een combinatie van wonen en zorg.
Artikel 3 3.1 1.
Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK met de door de gemeente Mook en Middelaar vastgestelde regels.
2.
In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt.
3.
In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een algemene voorziening door de aanbieder van deze voorziening.
3.2 De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet begrensd door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald:
30
a.
Verstrekking (ook vervanging) in natura: - huurprijs per zorgperiode; - kostprijs (verstrekt bedrag) gedeeld door afschrijvingstermijn maatwerkvoorziening.
Indien de huurprijs lager is dan het geldende abonnementstarief dan wordt kostprijs (bewaking) gehanteerd. De kostprijs wordt als volgt vastgesteld: -
Volwassen (vanaf 18): 7 jaar x 12 maanden x (huurprijs per maand) = kostprijs
-
Kinderen (tot 18): 5 jaar x 12 maanden x (huurprijs per maand) = kostprijs
b.
Verstrekking als persoonsgebonden budget: verstrekt bedrag.
c.
Verstrekking als persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden en begeleiding/dagbesteding: verstrekt bedrag per zorgperiode.
3.3 De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door de duur van de verstrekking. 3.4 1.
Voor de duur van de verstrekking als bedoeld onder artikel 3.2 sub a en b wordt voor maatwerkvoorzieningen een economische afschrijvingstermijn gehanteerd van 7 jaar . Voor kinderhulpmiddelen is het afschrijvingstermijn 5 jaar en voor trapliften wordt het afschrijftermijn van 10 jaar gehanteerd.
De volgende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd voor hulpmiddelen:
2.
-
Afschrijvingstermijn van 5 jaar voor kinderhulpmiddelen
-
Afschrijvingstermijn van 7 jaar voor hulpmiddelen
-
Afschrijvingstermijn van 10 jaar voor trapliften
Als een minderjarige meerderjarig wordt dan wordt de afschrijvingstermijn verminderd met het aantal jaren dat de minderjarige de maatwerkvoorziening heeft toegekend gekregen.
3.
In afwijking van het eerste lid kan voor tweedehands maatwerkvoorzieningen de afschrijvingstermijn worden verminderd met de actuele leeftijd van de maatwerkvoorziening.
HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING Paragraaf 1. Activiteiten dagelijks leven Artikel 4 4.1 De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente middels een aanbesteding bedongen uurtarieven.
31
4.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van een bedrag per uur. 4.3 Bij overlijden van de cliënt die een inwonende partner heeft, worden de hulp bij het huishouden in natura en de woonvoorziening in natura na vier weken beëindigd. 4.4 Bij verhuizing van een cliënt naar een andere gemeente, kan cliënt gedurende maximaal drie maanden gebruik blijven maken van het hulpmiddel.
Paragraaf 2. Huisvesting Artikel 5 5.1 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huisvesting of een woonvoorziening die in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de goedkoopst aan het college overlegde offerte die voldoet aan het programma van eisen. 5.2 Kosten van een verhuizing worden vergoed als eenmalig persoonsgebonden budget. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de ouderdom van de te vervangen vloerbedekking en gordijnen in de vorige woning. Voor de afschrijving wordt een lineaire afschrijvingstermijn van 8 jaar gehanteerd. 5.3 Kosten van woningsanering worden in beginsel vergoed als eenmalig persoonsgebonden budget. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de ouderdom van de te vervangen vloerbedekking en gordijnen. Voor de afschrijving wordt een lineaire afschrijvingstermijn van 8 jaar gehanteerd. Als normbedragen voor een woningsanering gelden maximaal: a.
voor zeil of linoleum € 53,- per meter (kamerbreed) inclusief egalisatiekosten;
b.
voor gordijnen € 15,- per meter.
Voor rolstoelvast tapijt geldt als normbedrag maximaal € 53,-per meter (kamerbreed) inclusief egalisatiekosten. 5.4 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huurderving (in natura of als persoonsgebonden budget) wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of aan te passen valt voor een bedrag van meer dan € 4.628,56. De tegemoetkoming is gemaximeerd op zes maanden op basis van de netto (kale) huurprijs, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de Huurtoeslag. Betaling vindt plaats aan de eigenaar van de woning. 5.5
32
Kosten van tijdelijke huisvesting worden in beginsel vergoed als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de Huurtoeslag tot een periode van maximaal zes maanden. 5.6 De financiële tegemoetkoming voor het logeerbaar maken wordt als eenmalig persoonsgebonden budget verstrekt en bedraagt maximaal € 3.000,-.
Paragraaf 3. Verplaatsen en vervoer Artikel 6 Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. Dit budget wordt verhoogd met een vast bedrag voor onderhoud en reparatie dat het college afspreekt te betalen aan een gecontracteerde leverancier bij de aanschaf van dezelfde voorziening in natura.
Artikel 7 Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vermeerderd met de instandhoudingskosten (voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering) over een periode van 7 jaar.
Artikel 8 8.1 Bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een eigen auto of (rolstoel)taxi, wordt rekening gehouden met de individuele vervoersbehoefte en de mate waarin met een andere (vervoers)voorziening in die vervoersbehoefte kan worden voorzien. 8.2 Het bedrag dat per afgelegde kilometer wordt vergoed in het kader van de vervoersvoorziening is € 0,27. 8.3 De financiële tegemoetkoming die op jaarbasis verstrekt wordt als eenmalig persoonsgebonden budget voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt maximaal € 710,-. 8.4 De financiële tegemoetkoming die op jaarbasis verstrekt wordt als eenmalig persoonsgebonden budget voor gebruik van een taxi bedraagt maximaal € 1.110,-. 8.5 De financiële tegemoetkoming die op jaarbasis verstrekt wordt als eenmalig persoonsgebonden budget voor gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt maximaal € 1.650,-. 8.6 Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college aannemelijk kan maken, dat een financiële
33
tegemoetkoming als bedoeld in lid 2, 3 en 4 onvoldoende is, wordt de tegemoetkoming verhoogd tot maximaal het bedrag waarmee in de vervoersbehoefte kan worden voorzien.
Artikel 9 Indien geïndiceerd kan een cliënt van het vraagafhankelijk vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning gebruik maken voor maximaal 2.000 kilometer per jaar.
Paragraaf 4. Maatschappelijke participatie Artikel 10 10.1 De eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 2.520,-. 10.2 Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar.
Paragraaf 5. Geestelijke gezondheid Artikel 11 11.1 De tarieven voor Beschermd Wonen in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente middels een aanbesteding bedongen uurtarieven. 11.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van Beschermd Wonen of Beschermd Thuis vindt plaats op basis van vijf categorieën. De vorm van wonen (woongroep of individueel) en de intensiteit/kwaliteit van de benodigde (groeps-)begeleiding bepalen welke categorie Beschermd Wonen of Beschermd Thuis wordt toegekend. 11.3 Binnen Beschermd Wonen en Beschermd Thuis wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door professionals in dienst van een instelling en niet-professionals. Bij zorgverlening door professionals hanteren wij een standaardtarief per dag. Voor niet-professionals geldt dat er wordt gerekend met een uurtarief. Onder niet-professionals wordt het sociaal netwerk van een cliënt verstaan. Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociale netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is een relevant diploma. Deze persoon wordt dus niet aangemerkt als beroepskracht.
34
Categorie
Agogisch klimaat in
Begeleiding
Totaal aantal uren
uren per week
individueel uren per
begeleiding per
week
week
Beschermd Thuis: licht
0
2,5
2,5
Beschermd Thuis: groep
3,5
2,5
6
7
2,5
9,5
10
2,5
12,5
12,5
2,5
15
licht Beschermd Thuis: groep middelzwaar/Beschermd Wonen: licht Beschermd Wonen: middelzwaar Beschermd Wonen: intensief Vaststelling van het persoonsgebonden budget voor Beschermd Wonen of Beschermd Thuis is gebaseerd op het totaal aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben. De cliënt mag, binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen. 11.4 In bepaalde gevallen wordt het persoonsgebonden budget niet berekend op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het gaat hierbij om de volgende situaties:
1. 2.
De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van niet-professionele zorg. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet-professionele (informeel) en professionele zorg (formeel). Er zal een uitsplitsing worden gemaakt hoeveel uren informeel en hoeveel uren formeel de budgethouder nodig heeft en deze zullen worden toegekend conform de uurtarieven in onderstaande tabel.
3.
De indicatiesteller (GGD Gelderland Zuid, Toegang Beschermd Wonen/Maatschappelijke Opvang) constateert dat de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen zal de GGD een advies geven over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft.
Indien een cliënt met een persoonsbudget voor Beschermd Wonen zowel professionele zorg inkoopt bij een aanbieder als niet-professionele zorg uit zijn eigen netwerk leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg. Met andere woorden: het totale persoonsgebonden budget is gebaseerd op een totaal aantal uren dat de uren in bovenstaande tabel niet kan overschrijden.
35
Paragraaf 6. Begeleiding/dagbesteding Artikel 12 12.1 De tarieven voor begeleiding/dagbesteding in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. 12.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding/dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.
Paragraaf 7. Opvang Artikel 13 13.1 Er is een bijdrage in de kosten verschuldigd indien een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van opvang. 13.2 De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling. 13.3 De bijdrage in de kosten voor opvang bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten. 13.4 Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) aan de cliënt geen maaltijden verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor maaltijden. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het bedrag niet bekend is, bepaalt het college het bedrag dat hiervoor in de plaats komt. 13.5 Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten.
13.6 Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm.
36
HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP Artikel 14 14.1 De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. 14.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.
HOOFDSTUK 4 OVERIG Paragraaf 1. Sociaal Medische Indicatie Artikel 15 15.1 1.
Een tegemoetkoming wordt allen verstrekt indien de opvang waarvan het kind/de kinderen gebruik maken, geregistreerd staat in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK).
2.
De tegemoetkoming bedraagt maximaal de feitelijke kosten die het kindercentrum of de gastouder in rekening brengt, verminderd met het bedrag dat ouders aan Kinderopvangtoeslag ontvangen.
3.
De ouders dienen een opgave te verstrekken van de Kinderopvangtoeslag respectievelijk een verklaring te overleggen dat zij geen kinderopvangtoeslag ontvangen.
4.
De gemeente kan een lagere tegemoetkoming vaststellen indien er binnen een straal van 6 km van de woning van het kind/de kinderen een goedkopere opvangvoorziening voorhanden is.
15.2 Onverminderd het bepaalde in artikel 15.1, tweede lid, is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een sociaal medische indicatie als bedoeld in artikel 2. 15.3 De ouder(s) verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van belang zijn.
Paragraaf 2. Terugvordering Artikel 16 16.1
37
De meerwaarde van de woning die door het ontvangen van een woonvoorziening (compensatie op het leefgebied huisvesting) is ontstaan, dient gedeeltelijk aan de gemeente Mook en Middelaar te worden terugbetaald. 16.2 Voor het bepalen van het bedrag van meerwaarde wordt uitgegaan van: a.
het toegekende bedrag voor de woonvoorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de woonvoorziening is betaald;
b.
een afschrijving van 10% voor elk vol jaar dat de woonvoorziening was gerealiseerd.
Artikel 17 Bij een bedrag tot € 150,- wordt afgezien van terugvordering.
Paragraaf 3. Persoonsgebonden budget Artikel 18 De pgb-beheerder dient de pgb-administratie te bewaren gedurende een termijn van 7 jaar conform artikel 5.3.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 7.3.8 van de Jeugdwet.
Artikel 19 Bij overlijden van de pgb-houder wordt het persoonsgebonden budget na een dag beëindigd.
38
Bijlage 3 Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgb-zorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven.
Algemene criteria Geschiktheidseisen
Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en;
De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diplomaeisen, afhankelijk van de te leveren ondersteuning: een bewijs als geregistreerd professional jeugd of certificering Wmo;
Ervaring blijkend uit één relevante referentieopdracht3 uitgevoerd in de laatste drie jaar.4 Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer.
Uitsluitingsgronden Er is bij de zorgaanbieder geen sprake van: 1.
Het niet betalen van belasting en/of sociale premies
2.
Deelneming in een criminele organisatie
3.
Fraude
4.
Terroristische misdrijven
5.
Witwassen
6.
Kinderarbeid/mensenhandel
7.
Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht
8.
Faillissement
9.
Vervalsing van mededinging
10. Een belangenconflict 11. Valse verklaring(en) 12. Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie 13. Onrechtmatige beïnvloeding 14. Ernstige beroepsfouten: a.
doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst;
b.
verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens;
c.
handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht;
d.
begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes;
e. 3
het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde;
De vereiste capaciteit, kennis en ervaring moeten zijn opgedaan in en moeten blijken uit één relevante
referentieopdracht die in de afgelopen drie jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie: - ZIN referentie (één of meerdere referenties met minimaal vijf cliënten), of - PGB referentie geanonimiseerd (één of meerder referenties met minimaal vijf cliënten) 4 Deze eis geldt niet voor pgb-zorgaanbieders die behoren tot het sociaal netwerk.
39
f.
alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.
Screening kan bestaan uit: 1.
Het door een zorgaanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG);
2.
Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen;
3.
Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob.
Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de Cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming kan de hoofdaannemer garant staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) te kortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie onder kwaliteitseisen).
1. Het hulpverleningsplan en evaluatieverslag dienen aan de volgende eisen te voldoen5: De gemeente hecht (er) veel waarde aan: 1.
“één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en er samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning;
2.
dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid);
3.
dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden;
4.
methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties.
a. Er moet een check zijn gedaan van alle leefdomeinen. Leefdomeinen: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie. b. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Er zijn doelen geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Er zijn activiteiten geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieplan evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan. c. De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Er zijn afspraken gemaakt over hoe de afstemming tussen de betrokkenen eruit ziet. Er wordt beschreven wie de regie voert: Cliëntsysteem, casemanagement door de Zorgaanbieder, Gemeentelijke Toegangspoort, of Gecertificeerde Instelling.
5
Deze bepaling is vanzelfsprekend alleen van toepassing als voor het type zorg of ondersteuning een
hulpverleningsplan en evaluatieverslag is vereist.
40
d. Er is een goede balans tussen formele en informele zorg, er wordt goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en de informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties). Er wordt ook beschreven of individuele hulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten met motivatie waarom dit al dan niet mogelijk is. e. De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd. f. Er staat beschreven hoe er wordt gewerkt aan versteviging van de eigen regie van de cliënt en de versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (= leervermogen) wordt aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan.
2. Bereik en participatie specifieke doelgroepen De gemeente hecht veel waarde aan een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan meedoen. Dat vereist toegankelijkheid van de zorg voor alle burgers met een ondersteuningsvraag bijvoorbeeld vanwege lichamelijke, verstandelijke en /of psychische beperkingen. Daarbinnen zijn er kwetsbare doelgroepen met extra uitdagingen vanwege taal, etniciteit, culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/of seksuele geaardheid. Van de zorgaanbieder wordt verwacht dat hij deze specifieke doelgroepen kan bereiken, in hun kracht zet, hun sociaal netwerk versterkt en laat meedoen in de samenleving.
3. Betaalbaarheid De zorgaanbieder dient bij te dragen aan de doelstelling betaalbaarheid van zorg vanuit de doelstelling: licht waar kan, zwaar waar nodig.
4. Duurzaamheid De gemeente hecht belang aan duurzaamheid rondom de thema’s personeel en milieu. Een duurzaam personeelsbeleid is van cruciaal belang in de zorg: de kwaliteit van de zorg wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het personeel, de match van het personeel met de cliënt en de continuïteit van de professional voor de cliënt. Daar hoort bij dat het personeel vakbekwaam, vitaal en toekomstbestendig is en dat er geen hoog verloop van personeel is.
41
Kwaliteitseisen begeleiding, dagbesteding, Beschermd Wonen (Wmo) en Jeugdhulp wettelijke kwaliteitskaders Wet maatschappelijke ondersteuning 1
Maatschappelijke ondersteuning Gemeente verstaat onder maatschappelijke ondersteuning: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; bieden van Beschermd Wonen en opvang.
2
Maatwerkvoorziening Gemeente verstaat onder een maatwerkvoorziening een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van Beschermd Wonen en opvang.
3
Kwaliteitssysteem De Zorgaanbieder draagt zorg voor de goede kwaliteit van de voorziening. Een voorziening wordt in elk geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; afgestemd op de reële behoefte van de Cliënten op andere vormen van zorg of hulp die de Cliënt ontvangt; verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.
42
4
Klachtenregeling Zorgaanbieder hanteert een eenvoudige en transparante klachtenregeling die voldoet aan de uitgangspunten van de Wmo 2015 en voorziet in bemiddeling bij en afhandeling van klachten.
5
Medezeggenschapsregeling Zorgaanbieder hanteert een regeling voor medezeggenschap van Cliënten over voorgenomen besluiten van Zorgaanbieder die voor de Cliënten van belang zijn.
6
Meldcode huiselijk geweld een kindermishandeling
6.1
Zorgaanbieder voldoet aan de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiertoe moet zij in ieder geval een meldcode hanteren en het gebruik en de kennis van de meldcode onder degenen die voor hem werkzaam zijn bevorderen.
6.2
Bovenwettelijk; Zorgaanbieder heeft een aandachtsfunctionaris aangesteld.
7
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) Bovenwettelijk; Zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van personen die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met cliënten. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden bij aanvang van de werkzaamheden. De Zorgaanbieder verlangt van haar werknemers een nieuwe VOG op het moment dat redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat daar aanleiding toe is.
8
Verwijsindex risicojongeren Bovenwettelijk; Zorgaanbieder die werkt met jongvolwassenen voldoet aan de eisen van de in de Jeugdwet verplichte landelijke Verwijsindex risicojongeren *5). De verwijsindex is een vroegsignaleringsinstrument dat risicomeldingen van Professionals over jongeren tot 23 jaar bij elkaar brengt. Hierdoor weten betrokkenen sneller of een jongere ook bekend is bij een andere Professional. Het doel is vroege signalering van risico’s die een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid van een jongere bedreigen, zodat tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kan worden gegeven. Zorgaanbieder die werkt met jongvolwassenen wijst een instellingscoördinator VIR aan die de implementatie van VIR in de organisatie waarborgt. Zorgaanbieder implementeert toekomstige wijzigingen van de Verwijsindex.
*5) Zie http://www.handreikingmelden.nl/ voor de Handreiking. Jeugdwet 9
Jeugdhulp Gemeente verstaat onder jeugdhulp het volgende:
43
4
Klachtenregeling Ondersteuning, hulp en zorg, niet zijnde preventie, voor Jeugdigen en hun ouders *6) bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de Jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van Jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt; Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het op heffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij Jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.
*6) Hier kan ook gelezen worden verzorgers of wettelijk vertegenwoordiger(s) 10
Doelgroep Jeugdhulp Jeugdhulp is bedoeld voor de Jeugdige die: de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt of; de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt en jeugdhulp ontvangt in het kader van jeugdstrafrecht of; de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van de Jeugdwet: is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of; is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.
11
Verantwoorde hulp
11.1
De Zorgaanbieder verleent verantwoorde hulp. Dat is hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig is en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van Jeugdige of ouder.
11.2
De Zorgaanbieder organiseert zich op zodanige wijze, voorziet zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot
44
4
Klachtenregeling verantwoorde hulp. De jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instellingen betrekken hierbij de resultaten van overleg tussen jeugdhulpaanbieders, het college en cliëntenorganisaties.
12
Verantwoorde werktoedeling
12.1
De Zorgaanbieder voldoet aan de norm van verantwoorde werktoedeling.
12.2
De Zorgaanbieder zet Professionals in die over de juiste expertise beschikken en vakbekwaam zijn. Vakbekwaam zijn houdt in dat Professionals in staat zijn om een beroep uit te oefenen volgens de voor de beroepsgroep geldende professionele standaard. Dat betekent dat steeds die Professional moet worden ingezet die past bij de vraag van de cliënt, die beschikt over de noodzakelijke vakbekwaamheid en die handelt volgens de beroepsethische normen.
12.3
De Zorgaanbieder draagt er zorg voor dat Professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden (beroepscodes, vakinhoudelijke richtlijnen en veldnormen).
12.4
De Zorgaanbieder werkt met geregistreerde Professionals (SKJ of BIG).
12.5
De Zorgaanbieder deelt taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de Professional.
12.6
De Zorgaanbieder draagt er zorg voor dat taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde Professional, daar waar de norm van verantwoorde werktoedeling dat vereist.
12.7
De Zorgaanbieder belast niet-geregistreerde Professionals uitsluitend met de uitvoering van taken indien het aannemelijk is dat dat niet afdoet aan de kwaliteit, of zelfs noodzakelijk is voor de kwaliteit van de uit te voeren taak.
12.8
De Zorgaanbieder moet kunnen verantwoorden waarom een geregistreerde, dan wel een nietgeregistreerde Professional wordt ingezet voor een taak.
13
Kwaliteitssysteem Zorgaanbieder moet de kwaliteit van de geboden hulp systematisch bewaken, beheersen en verbeteren. Zorgaanbieder moet daarnaast gegevens over de kwaliteit van hulp systematisch verzamelen en registreren.
14
Hulpverleningsplan Zorgaanbieder werkt op basis van een hulpverleningsplan waarover is overlegd met de Jeugdige en de verzorgers en dat is afgestemd op de behoeften van de Jeugdige.
15
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)
45
4
Klachtenregeling
15.1
Zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van personen die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met Jeugdigen of verzorgers. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden bij aanvang van de werkzaamheden. Zorgaanbieder verlangt van haar werknemers een nieuwe VOG op het moment dat redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat daar aanleiding toe is. De VOG van een solistisch werkende jeugdhulpverlener mag tijdens de werkzaamheden niet ouder zijn dan drie jaar.
15.2
Bovenwettelijk; Zorgaanbieder raadpleegt het BIG/SKJ-register en het register met tuchtrechtuitspraken alvorens een Professional aan te nemen.
16
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
16.1
Zorgaanbieder voldoet aan de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiertoe moet zij in ieder geval een meldcode hanteren en het gebruik en de kennis van de meldcode onder degenen die voor hem werkzaam zijn bevorderen.
16.2
Bovenwettelijk; Zorgaanbieder heeft een aandachtsfunctionaris aangesteld.
17
Vertrouwenspersoon
17.1
Zorgaanbieder stelt de vertrouwenspersoon AKJ (Advies en Klachtenbureau Jeugdzorg) in staat werk te verrichten. Dit betekent dat de vertrouwenspersoon in ieder geval; vrije toegang heeft tot de gebouwen, terreinen en ruimten van jeugdhulpaanbieders waar Jeugdigen kunnen verblijven, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is. De vertrouwenspersoon behoefte geen toestemming van derden om met een Jeugdige te spreken Zorgaanbieder aan de vertrouwenspersoon alle inlichtingen verschaffen en alle bescheiden tonen die de vertrouwenspersoon voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft De vertrouwenspersoon de faciliteiten verschaffen die de vertrouwenspersoon voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft
17.2
Zorgaanbieder informeert Cliënten en hun verzorgers actief over het recht tot ondersteuning van een onafhankelijk vertrouwenspersoon.
18
Klachtenregeling Zorgaanbieder hanteert een klachtenregeling die voorziet in bemiddeling bij en afhandeling van klachten van Jeugdigen, verzorgers en (pleeg)ouders over de Zorgaanbieder of personen die voor hem werkzaam zijn. Zorgaanbieder heeft een klachtencommissie ingesteld. Zorgaanbieder informeert Cliënten en hun (pleeg)ouders actief over de klachtenregeling en toegang tot de klachtencommissie.
19
Cliëntenraad
46
4
Klachtenregeling De Zorgaanbieder stelt een cliëntenraad in en volgt daarbij de wettelijke bepalingen opgenomen in artikel 4.2 van de Jeugdwet.
20
Inzicht in kwaliteitsverslag Zorgaanbieder stelt jaarlijks een verslag op over de naleving van de regels omtrent de kwaliteit van de jeugdhulp, onderscheidenlijk de kwaliteit van de uitvoering van de taken, het klachtrecht en de medezeggenschap. De Zorgaanbieder verleent inzicht in dit verslag aan de Gemeente door het jaarlijks aan te leveren bij de Contractmanager. Zorgaanbieder maakt dit verslag openbaar.
21
Verwijsindex risicojongeren Zorgaanbieder voldoet aan de eisen van de wettelijk verplichte landelijke Verwijsindex risicojongeren, en wijst een instellingscoördinator VIR aan die de implementatie van VIR in de organisatie waarborgt. Zorgaanbieder implementeert toekomstige wijzigingen van de Verwijsindex.
22
Overige wet- en regelgeving In dit document staan slechts een aantal wettelijke eisen benoemd waaraan Zorgaanbieder moet voldoen. Gemeente verwacht dat Zorgaanbieder bekend is met, en voldoet aan, alle op de Zorgaanbieder van toepassing zijnde wet- en regelgeving, richtlijnen en verdragen zoals, maar niet beperkt tot; Geneesmiddelenwet Jeugdwet Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg (van de Gemeenten) VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Wet aanpak schijnconstructies Wet arbeid vreemdelingen Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie Wet gebruik Burgerservicenummer in de zorg Wet Ketenaansprakelijkheid Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag
47
4
Klachtenregeling Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
48
23
Doorstroom en afstemming Wmo, Jeugdwet, Zorgverzekerswet, Wet Langdurige Zorg en de Participatiewet Doorstroom Jeugdwet naar Zorgverzekeringswet (Zvw) Als een Jeugdige Zvw-zorg krijgt, bestaat er geen recht op een voorziening op grond van de Jeugdwet. Indien de behandeling van een Jeugdige nog niet afgesloten kan worden en continuering daarvan ná het 18e jaar noodzakelijk is vanuit de Zvw, zorgt Zorgaanbieder er in samenspraak met de Jeugdige voor dat er tijdig een verwijzing van de huisarts is. Daarnaast begeleidt Zorgaanbieder de Jeugdige bij het tijdig aanvragen van een zorgverzekering. Doorstroom Jeugdwet naar Wet Langdurige Zorg (Wlz) Jeugdigen met een blijvende beperking worden vaak in eerste instantie van hulp en begeleiding voorzien vanuit de jeugdhulp. Voor Jeugdigen tot 18 jaar is de Wlz van toepassing op de meeste kwetsbare Jeugdigen met 'een blijvende behoefte' aan 'permanent toezicht' of '24 uur per dag zorg in de nabijheid'. Het gaat dan om zorg vanwege een somatische aandoening of beperking, een verstandelijke beperking, een lichamelijke beperking, een zintuiglijke beperking of meervoudige beperkingen. Bij Jeugdigen met een perspectief of vermoeden van een Wlz traject (in de toekomst) is het van belang om op een zo vroeg mogelijk moment na te gaan of voortzetting van de hulp in het kader van de Wlz is aangewezen.
Bovenstaande verplicht Zorgaanbieders die met deze Jeugdigen werken tot een zorgvuldige diagnose, een zorgvuldige opbouw van het dossier en begeleiding bij de aanvraag Wlz bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Als een Jeugdige dus recht heeft op Wlz-zorg, bestaat geen recht op een voorziening op grond van de Jeugdwet. Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de Jeugdige een indicatie voor Wlz-zorg zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit. In dat geval meldt de Zorgaanbieder deze weigering bij de desbetreffende Gemeente. Uitzondering hierop is als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen van de Jeugdige. In dat geval kan het zijn dat de Jeugdige zowel op grond van de Wlz als op grond van de Jeugdwet een soortgelijke voorziening kan krijgen. De jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet gaat dan voor. Afstemming Wmo 2015, de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) Er wordt geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 verstrekt voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.
Dit betekent: Wlz Bij een verdere achteruitgang van de Cliënt met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem wordt indien noodzakelijk tijdig een Wlz-indicatie aangevraagd bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) door de Cliëntzelf of diens vertegenwoordiger met begeleiding van de aanvraag Wlz door Zorgaanbieder. Na de toekenning van de Wlz-indicatie vervalt de Wmo-indicatie, behoudens de door de wetgever benoemde uitzonderingssituaties. De Zorgaanbieder heeft de verplichting de desbetreffende Gemeente onverwijld te informeren over de toegekende Wlz-indicatie.
49
23
Doorstroom en afstemming Wmo, Jeugdwet, Zorgverzekerswet, Wet Langdurige Zorg en de Participatiewet De Wmo 2015 bepaalt dat de Gemeente een maatwerkvoorziening kan weigeren indien er redenen zijn om aan te nemen dat de Cliënt op de Wlz aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. In dat geval meldt de Zorgaanbieder deze weigering bij de desbetreffende Gemeente. Zvw Als de Zvw toegang biedt voor zorg die al vanuit de Wmo 2015 geleverd wordt, dan moet de Zorgaanbieder in die gevallen actie ondernemen om Zvw-indicatie te verkrijgen, de Wmoindicatie op dit onderdeel te stoppen en hiertoe contact op te nemen met de Gemeente. Overig Tenslotte kan het voorkomen dat een Cliënt niet alleen ondersteuning krijgt vanuit de Wmo 2015, maar ook uit de aanpalende wetten, waarin bijvoorbeeld leerlingenvervoer en jeugdzorg is geregeld. Waar die zorg geleverd wordt door andere zorgZorgaanbieder(s) dient Zorgaanbieder de dienstverlening af te stemmen met deze betrokken zorg Zorgaanbieder(s). Samenloop Wmo 2015 en Participatiewet De Participatiewet kan voor veel Cliënten mogelijkheden bieden in de verdere verbetering van de levenssituatie van de cliënt. De Zorgaanbieder denkt actief mee in de mogelijkheden die de Participatiewet in deze kan bieden voor de Cliënten ondersteunt de Cliëntbij de toeleiding naar (aangepast) werk.
24
Privacy en informatie uitwisseling
24.1
De Zorgaanbieder is verplicht zich te houden aan privacy wet en regelgeving (Wmo, Jeugdwet en Wet Bescherming Persoonsgegevens). Dit geldt ook voor de samenwerking met de Gemeentelijke Toegangs. Daar waar mogelijk en noodzakelijk willen we dat de Zorgaanbieder goede afspraken maakt over de uitwisseling van informatie in het belang van de cliënt. De Zorgaanbieder geeft zich er rekenschap van dat de Europese verordening (Algemene Verordening Gegevensbescherming) is aangenomen, die direct werking heeft. Alle organisaties in publieke en private sector moeten uiterlijk 25 mei 2018 aan deze nieuwe wetgeving voldoen.
24.2
Gemeente vindt het belangrijk dat uitwisseling van persoonsgegevens goed beveiligd plaatsvindt, onder andere door middel van beveiligd e-mailverkeer. Gemeente sluit daartoe de Gemeentelijke Toegangspoort aan op Zorgmail. Zorgaanbieder heeft de keuze van ditzelfde instrument gebruik te maken, of de beveiligde berichtenuitwisselingsomgeving van de Regio te gebruiken of op niet- elektronische wijze te communiceren. Ontwikkelingen op het vlak van beveiligde gegevensuitwisselingen staan niet stil. Gemeente zal tijdig communiceren wat de volgende stappen zijn. Prestatie-eisen
25
Cliëntondersteuning
50
23
Doorstroom en afstemming Wmo, Jeugdwet, Zorgverzekerswet, Wet Langdurige Zorg en de Participatiewet Elke Cliënt heeft recht op een onafhankelijke cliëntondersteuning. Zorgaanbieder informeert de Cliënt hierover en beperkt zich tot betrokkenheid bij de Cliënt op basis van de ondersteuningsen/of zorgbehoefte van desbetreffende cliënt.
26
Cliënt centraal
26.1
De regie op de hulpverlening ligt bij de cliënt, al dan niet samen met familieleden, buren of vrienden uit het eigen netwerk. Zorgaanbieder sluit aan bij de regiemogelijkheden die de Cliënten zijn sociaal netwerk hebben.
26.2
Zorgaanbieder betrekt de Cliënt bij beslissingen en behandelt de Cliënt als een gelijkwaardige gesprekspartner. Praten met de cliënt, en niet over de Cliënten naast de Cliëntstaan, en niet er tegenover staan, zijn de uitgangspunten.
26.3
Zorgaanbieder stemt de inzet van ondersteuning af op de agenda van de Cliënten/of zijn verzorgers/mantelzorgers.
26.4
Bij iedere situatie/aanvraag/casus waarbij er signalen, dan wel vermoedens zijn van een mogelijk onveilige situatie voor Jeugdige en/of volwassene wordt een veiligheidsinschatting gedaan en zo nodig wordt er een veiligheidsplan opgezet en uitgevoerd. Een veiligheidsinschatting omvat een beoordeling- en risicotaxatie van de veiligheid van de Jeugdige en/of volwassene. Het dient als een signaleringsmiddel voor onveilige situaties en als kapstok voor een open gesprek over een lastig thema. Risicofactoren die kunnen worden benoemd en ingeschat zijn bijvoorbeeld (echt)scheiding, ziekte, werkloosheid, huiselijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag, huisvesting en sociaal isolement. Op basis van een veiligheidsinschatting moet worden bepaald welke inzet en/of afspraken nodig zijn om de risico’s te minimaliseren en de veiligheid te verhogen. Gestandaardiseerde risicotaxatie instrumenten die bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt bij vermoedens van onveiligheid zijn het ‘Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid (LIRIK)’ of de ‘Checklist Veilig Thuis’. Risicotaxatie kan onderdeel uitmaken van de ‘Verplichte Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’.
27
Tolken Bij de toewijzing van Professionals aan cliënten, houdt de Zorgaanbieder rekening met de moedertaal van de cliënt. Waar mogelijk zet Zorgaanbieder een Professional in die de taal van de Cliënt spreekt. Indien dit niet mogelijk is, bekijkt Zorgaanbieder de mogelijkheid om een tolk vanuit het sociale netwerk van Cliënt of vanuit Vluchtelingenwerk in te zetten.
28
Verwijzers
28.1
Bij de Wmo en jeugdhulp is de Gemeentelijke Toegangspoort (het Sociaal Team) als Verwijzer aangewezen. Wat betreft Beschermd Wonen is de GGD aangewezen als Verwijzer.
51
23
Doorstroom en afstemming Wmo, Jeugdwet, Zorgverzekerswet, Wet Langdurige Zorg en de Participatiewet
28.2
Bij Jeugdhulp zijn naast de Gemeentelijke Toegangspoort als Verwijzer aangewezen: huisartsen, jeugdartsen, kinderartsen, medisch specialisten, voogden van gecertificeerde instellingen, rechter, raad van de kinderbescherming en de officier van justitie.
52
33
Hulpverleningsplan
33.1
Zorgaanbieder wijst Cliënt op de mogelijkheid om zijn/haar sociale netwerk, waaronder mantelzorger(s), te betrekken bij het opstellen van, en invulling geven aan, het hulpverleningsplan en geeft hier, indien gewenst, actief invulling aan.
33.2
Zorgaanbieder werkt op basis van een hulpverleningsplan waarover is overlegd met de Cliënten dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt.
33.3
Zorgaanbieder stelt altijd een hulpverleningsplan (begeleidings- herstel- of behandelplan) op met concrete doelen en daaraan gekoppelde activiteiten/acties om deze doelen te bereiken die overeengekomen zijn met de cliënten, verzorgers en andere betrokkenen uit het sociale netwerk, onderwijs, leerplicht, vrijwilligers, lokale zorgstructuur, (huis)artsen, jeugdgezondheidszorg, zorgaanbieders etc. Als er sprake is van doorverwijzing door een Gemeentelijke Toegangspoort, dan is het hulpverleningsplan gebaseerd op het onderzoeksverslag van de Gemeentelijke Toegangspoort. In het hulpverleningsplan benoemt Zorgaanbieder de doelen aan de hand van de leefgebieden uit de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) waarop de Cliëntproblemen ervaart. Gemeente ziet de ZRM niet als instrument voor bekostiging, maar als hulpmiddel voor integrale en resultaatgerichte ondersteuning. Tijdens het traject, zoekt de Zorgaanbieder met de Cliënt voortdurend naar mogelijkheden in het voorliggende veld (voorliggende voorzieningen) om aan de gestelde doelen te werken. Te denken valt aan het onder de aandacht brengen van wijkactiviteiten of het zoeken naar lotgenotencontact. Deze activiteiten moeten zichtbaar zijn in het hulpverleningsplan. Zorgaanbieder legt in het hulpverleningsplan vast wanneer en op welke wijze de doelen worden geëvalueerd. Evaluatie vindt minimaal één keer per jaar plaats.
Indien er meerdere Professionals zijn betrokken bij een cliënt, maakt een bespreking van de ervaringen van de Cliënt met het samenwerkingsverband integraal onderdeel uit van de evaluatie. Zorgaanbieder gebruikt deze informatie om de samenwerking tussen zijn Professionals onderling en tussen zijn Professionals en Professionals van andere organisaties te verbeteren. In het evaluatieverslag rapporteert Zorgaanbieder in ieder geval over de geboden activiteiten, de bereikte resultaten, de mate van doelrealisatie en een advies over het vervolg. Zorgaanbieder geeft in het evaluatieverslag aan welke gestelde doelen zijn behaald en aan welke doelen nog gewerkt moet worden, dit ook voor een eventuele overdracht naar een andere zorgaanbieder. In het hulpverleningsplan legt Zorgaanbieder vast op welke wijze de wijzigingen in doelen/acties die voortvloeien uit de evaluatie tussentijds worden teruggekoppeld naar de betrokkenen en de Verwijzer.
33.4
In het hulpverleningsplan staat hoe er wordt vormgegeven en gewerkt aan de kantelingsprincipes: Licht en dichtbij: de ondersteuning wordt zo dichtbij mogelijk geboden, bij mensen thuis of op vindplaatsen (zoals scholen en wijkcentra). De aanbieders zijn verplicht zich in te spannen om
53
33
Hulpverleningsplan de hulpverlening zoveel mogelijk lokaal en gebiedsgebonden, afgestemd op de lokale zorg- en welzijnsstructuur en vaste gezichten te leveren en te organiseren; Zelfregie en samenredzaamheid: welke methodieken wordt toegepast om eigen regie van de Cliënten en hun sociale netwerk te versterken en samen met het netwerk het plan op te stellen en uit te voeren (bij voorkeur Sociale Netwerkstrategieën of Persoonlijk Toekomst Plan), wordt er toegewerkt naar herstel van een zo normaal mogelijke situatie in het gezin?; Het principe ‘één gezin, één plan, één regisseur’: hoe wordt samengewerkt met onderwijs, het sociale netwerk en vrijwilligers (informele hulp), lokale zorgstructuur en andere zorgProfessionals (huisartsen, jeugdgezondheidszorg, leerplicht etc)? Wie voert indien nodig de casusregie?; Participatie en ‘gewoon meedoen’: stimuleert de Zorgaanbieder zoveel mogelijk de deelname aan gewone activiteiten op scholen, wijkactiviteiten of sportverenigingen? Wordt bij jongeren toegewerkt naar zelfstandigheid en participatie?; Collectief boven individueel: wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van het aanbod van vrijwilligersorganisaties, welzijnsvoorzieningen? en algemene voorzieningen? Er wordt ook aangeven of individuele jeugdhulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten met motivatie waarom dit al dan niet mogelijk is.