CConstaterende datMook en Middelaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. Bestemmingsplan “Cuijksesteeg Mook”– toelichting

Algemene commissie 29 mei 2024, gemeente Mook en MiddelaarBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Cuijksesteeg 2 Mook (Helder Wonen)18.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

26

Doorwerking plangebied Onderhavig planvoornemen, van 12 appartementen waarvan 6 voor begeleid wonen, zal worden gerealiseerd op het plangebied ter plaatse van de Cuijksesteeg te Mook. Hoewel de gemeente Mook en Middelaar zich ten aanzien van nieuwe woningbouwprojecten primair inzet op inbreiding in plaats van uitbreiding, is door de beperkte ruimte en de grote vraag vanuit de markt naar bepaalde woningen de Cuijksesteeg aangewezen als uitbreidingslocatie. Het onderhavige plangebied ligt in de genoemde uitbreidingslocatie (Cuijksesteeg) en daarnaast is het planvoornemen eveneens zorgvuldig is ingepast middels een landschappelijk inpassingsplan. Het onderhavige planvoornemen maakt tevens appartementen mogelijk die binnen de kwalitatieve behoefte vallen op basis van de structuurvisie. Vanuit de Structuurvisie Mookerplas e.o. zijn derhalve geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

27

4

Omgevingsaspecten

4.1

Verkeer en parkeren

Een toevoeging of wijziging van functies zorgt vaak voor een verandering van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van een gebied. Het is daarom in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de verkeersveiligheid, verkeersgeneratie en parkeerbehoefte. 4.1.1

Parkeren

De gemeente Mook en Middelaar gaat wat betreft parkeren uit van de parkeernormen volgens de CROWpublicatie ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381). Net als bij de bovenstaande berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van 6 wooneenheden in de categorie ‘Verpleeg- en verzorgingstehuis’ en 6 wooneenheden in de categorie ‘huur, appartement, midden/goedkoop’ in het buitengebied van de gemeente Mook en Middelaar (weinig tot niet stedelijke gemeente). De planlocatie ligt in niet stedelijke categorie 5 en in het buitengebied. Er is formeel geen CROW parkeernorm voor verpleeg- en verzorgingshuizen in het buitengebied maar om voldoende parkeergelegenheid te garanderen is de norm voor rest bebouwde kom aangehouden met 0.5 tot 0.7 parkeerplaatsen per wooneenheid. Voor huurappartementen in het midden-goedkoop segment (inclusief sociale huur) geldt een norm van minimaal 1.0 parkeerplaatsen per eenheid. Er is momenteel volgens de richtlijn ‘verkeersgeneratie en parkeren’ van het CROW dus een parkeerbehoefte van (6 x 0,5) + (6 x 1,0) = 9 parkeerplaatsen. Met het onderhavige initiatief worden in totaal 9 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. Ten behoeve van het hospice zijn conform de eerder verleende Omgevingsvergunning reeds genoeg parkeerplaatsen gerealiseerd. 4.1.2

Verkeer

Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisering van zes (zorg)appartementen. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is voor de zes appartementen voor begeleid wonen uitgegaan van CROW-categorie ‘Aanleunwoning/ serviceflat’ en voor de zes overige appartementen is uitgegaan van de CROW-categorie ‘Huur, appartement, midden/goedkoop (inclusief sociale huur). Vervolgens is het gebiedstype ‘buitengebied’ in de gemeente Mook en Middelaar (niet stedelijke gemeente). Aangezien voor de categorie ‘Verpleeg- en verzorgingstehuis’, die beter uitsluit bij de appartementen voor begeleid wonen, geen kencijfers bekend zijn is voor de verkeersgeneratie gekozen voor de categorie ‘serviceflat’. In totaal worden gemiddeld (6 x 3,0) + (6 x 6,4) = 56,4. Met het planvoornemen worden dus 57 motorvoertuigen per etmaal gegenereerd met de voorgenomen ontwikkeling (incl. bezoekers). Deze toename kan volledig worden opgevangen binnen de bestaande wegenstructuur rond de Cuijksesteeg en zal niet tot knelpunten leiden. 4.1.3

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren zorgt niet voor belemmeringen.

4.2

Bodem

4.2.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

28

4.2.2

Onderzoek

Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond (tot maximaal 1,0 m -mv) is bovendien zwak humeus. De ondergrond bestaat plaatselijk uit sterk zandig klei. De diepere ondergrond (vanaf 4,5 m -mv) bestaat uit zwak zandig, fijn grind. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In het grondwater zijn eveneens geen verontreinigingen aangetoond. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden ook geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/ puin conform de NEN 5707/5897 wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd.

Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het volledige onderzoek is als bijlage van onderhavig bestemmingsplan toegevoegd. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3

Geluid

4.3.1

Toetsingskader

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een planologische procedure een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: 

De toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;

De aanleg van een nieuwe weg;

De reconstructie van een bestaande weg.

Geluidbelastingen moeten worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder (Wgh): 

Voorkeursgrenswaarde: 48 dB (art. 82, lid 1 Wgh);

Maximale ontheffingswaarde stedelijke wegen: 63 dB (art. 83, lid 2 Wgh);

Maximale ontheffingswaarde autosnelweg: 53 dB (art. 83, lid 1Wgh).

Het onderzoek is uitgevoerd door Econsultancy. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn onderstaand weergeven. 4.3.2

Onderzoek

In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van het appartementencomplex. Voor elke zijde van het appartementencomplex zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 2 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Rekenen meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.1.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

29

Alleen ten gevolge van de Cuijksesteeg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Cuijksesteeg is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de Cuijksesteeg dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de appartementen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning voor bouwen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Het volledige onderzoek is als bijlage van onderhavig bestemmingsplan toegevoegd. 4.3.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1

Toetsingskader

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met agrarische en andere bedrijvigheid 4.4.2

Onderzoek

In de directe nabijheid van het besluitgebied zijn een beperkt aantal inrichtingen op een geruime afstand gelegen. Op 300 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een perceel met de bestemming ‘Bedrijf’,

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

30

waarop autobedrijf (Autobedrijf Thijssen) is gevestigd. Dit is een bedrijf met de milieucategorie 2. Voor bedrijven van milieucategorie 2 geldt in principe een richtafstand van 30 meter tot een gevoelige functie (woning). Ten opzichte van de ligging tot het autobedrijf wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. De dichtstbijzijnde bedrijfsmatige bestemming aan de zijde van het buitengebied is een grondgebonden agrarisch (neven)bedrijf. Ter plaatse staat in de huidige situatie een kleine schuur en vind beperkt buitenopslag plaats. Intensieve veehouderij is evenals een bedrijfswoning volgens de vigerende bestemming ter plaatse niet toegestaan. De afstand van het appartementengebouw tot deze schuur is circa 155 meter en de richtafstand vanaf het hospice is circa 75 meter. Dit is een instelling met milieucategorie 2 waar een richtafstand van 30 meter wordt gehanteerd. Voor het voorliggende bestemmingsplan wordt voldaan aan de richtafstand voor dit agrarisch bedrijf. Voor de bovengenoemde bedrijven geldt bovendien dat er zich op kortere afstand reeds enkele (burger)woningen die bepalend zijn voor de milieuruimte van de omliggende bedrijven. De bedrijven zullen derhalve niet worden gehinderd in hun bedrijfsactiviteiten en daarnaast zal een goed woon- en leefklimaat kunnen worden geborgd in de beoogde 12 appartementen en het reeds bestaande hospice.

Voor het overige zijn in de directe omgeving van het plangebied verder geen bedrijven gelegen die een belemmering zouden kunnen vormen voor onderhavig planvoornemen. Derhalve kan worden gewaarborgd dat er binnen het plangebied en de daarbinnen te realiseren woningen (en het bestaande hospice) sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 4.4.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Geur

4.5.1

Toetsingskader

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten, waaronder woningen. Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen. Aangezien in de directe nabijheid van het plangebied een veehouderij met schapen is gelegen, is door Econsultancy een onderzoek4 geurhinder veehouderijen uitgevoerd. Hieronder zullen beknopt de bevindingen worden besproken, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. 4.5.2

Onderzoek

Met behulp van het programma V-stacks vergunning is de voorgrondbelasting berekend op het plangebied. De voor het plan meest relevante veehouderijen met geuremissies ligt aan de Startsedijk 5 te Mook. In onderstaand overzicht zijn de invoergegevens en resultaten opgenomen.

4

Econsultancy, Onderzoek geurhinder veehouderijen Cuijksesteeg 2 te Mook. Rapportnummer 19013.004, d.d. 9 juni 2022

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

31

Geurbelasting (voorgrondbelasting) op rekenpunten binnen het plangebied

Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 6,5 ouE/m³ plaatsvinden ten gevolge van de separate veehouderijen. De maximale geurbelasting bedraagt 0,7 ouE/m³ voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden binnen een concentratiegebied II blijft hiermee beperkt tot 2,7%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de afzonderlijke veehouderijen zeer goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. Ter plaatse van de toekomstige geurgevoelige locaties wordt ruim voldaan aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderijen en de gemeentelijke verordening. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt en ter plaatse van de te realiseren appartementen heerst een goed woonen leefklimaat ten gevolge van de veehouderijen. 4.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur bestaan er geen belemmeringen in het kader van het voorliggende bestemmingsplan. Er zal sprake zijn van een goed verblijfsklimaat.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: 

het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;

het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

32

Luchtkwaliteit ter plaatse het plangebied (bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, RIVM)

ID

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

15989495

15,86

16,66

6

9,78

2022

15989299

15,85

16,66

6

9,78

2022

15989482

15,09

16,50

6

9,73

2022

15989914

15,15

16,51

6

9,74

2022

Norm

40

40

35

25

4.6.2

Onderzoek

Gezien de aard van onderhavige ontwikkeling kan vooraf worden geconcludeerd dat belasting op de luchtkwaliteit in niet betekende mate is. Volledigheidshalve is de NIBM tool ingevuld, zie navolgend figuur. Hierbij is uitgegaan van de verkeersgeneratie zoals berekend in hoofdstuk 4.1. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

57

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m

3

0,09

PM10 in μg/m

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Wel moet er aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In de navolgende tabel zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. 4.6.3

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling wat betreft het aspect luchtkwaliteit.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Toetsingskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

33

In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: 

activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;

transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een orientatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2

Onderzoek

Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, lpg-tankstations enzovoorts.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

34

Ligging plangebied ten opzichte van risicovolle inrichtingen (plangebied bij rode pijl)

Volgens de risicokaart van het plangebied zijn er geen risicovolle inrichtingen gelegen nabij het plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ligt op circa 950 meter ten westen van het plangebied en betreft een lpg-tankstation aan de Liefkeshoek 43 in Katwijk. De plaatsgebonden risicocontour 10 -6 voor het vulpunt bedraagt 25 meter. Daarnaast geldt een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied valt hier ruimschoots buiten. Ten oosten van het plangebied ligt de Rijksweg (N271), waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Daarnaast bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 10-8 van de N271, de contour waarbuiten geen rekenkundige invloed meer wordt uitgeoefend op de hoogte van het groepsrisico, 13 meter. De toekomstige appartementen vallen buiten contour, waarmee er vanuit de ligging ten opzichte van de N271 geen belemmeringen bestaan. Daarnaast vindt op circa 450 meter ten westen van het plangebied risicovol transport plaats over de Maas. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze vaarweg reikt niet tot buiten de oeverlijn. Omdat de personendichtheid in het plangebied slechts beperkt toeneemt, zal de ontwikkeling geen rekenkundige invloed uitoefenen op het groepsrisico.

De ligging ten opzichte van de Maas vormt kortom geen belemmering. Voor het overige zijn er geen risicovolle transportassen in de omgeving van het plangebied gelegen.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

35

4.7.3

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen in het kader van het voorliggende bestemmingsplan.

4.8

Water

4.8.1

Toetsingskader

Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie (POVI), Omgevingsverordening Limburg 2014 het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: 

Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);

Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. 4.8.2

Onderzoek

De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater Op basis van de Provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet binnen een grondwaterbeschermings- of waterwingebied is gelegen. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en in de directe omgeving is volgens de legger van het Waterschap Limburg geen primair oppervlaktewater gelegen. Middels het voorliggende plan zal hier ook niet in voorzien worden. Op circa 450 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt de Maas. Op basis van de Provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014 ligt het plangebied echter niet binnen de Maasvallei. Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater dient te worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

36

dakgoten wordt het hemelwater van de woningen naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Op de woonpercelen is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in een bergingsof infiltratievoorziening met voldoende capaciteit. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg dienen de, nog nader te bepalen, infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm in 24 uur. De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd, is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Overleg waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, moet worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Het planvoornemen zal derhalve worden voorgelegd aan het waterschap. 4.8.3

Conclusie

Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Ecologie en stikstof

4.9.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 4.9.2

Toetsing Wettelijke gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebieden. Gezien de locatie van het plangebied en de afstand tot het Natura 2000-gebied kunnen directe negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied worden uitgesloten. Ten aanzien van de bouw- en gebruiksfase en de daar bijhorende stikstofuitstoot is er een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie paragraaf 4.9.5).

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

37

4.9.3

Toetsing gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied bevindt zich buiten het Nationaal NatuurNetwerk. Gezien de locatie van het plangebied en de afstand tot NNN-gebieden kunnen de negatieve gevolgen op NNN-gebieden worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wnb ten aanzien van de bouwwerkzaamheden, gebruiksfase en NNN-gebieden is niet nodig.

Hierdoor is een vergunning van de Wnb en dus geen mitigatie en compensatie niet aan de orde. 4.9.4

Soortenbescherming

De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; 

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);

andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.5

Onderzoek

Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Sint Jansberg’, ‘De Bruuk’ en ‘Oeffelter Meent’ bevinden zicht op respectievelijk 1,5 kilometer ten oosten, 4,3 kilometer ten noordoosten en 4,6 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van vier Ruimte voor Ruimte woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom is een AERIUS-

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

38

berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage5. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft de bronsgroene landschapszone, die ligt ongeveer direct ten zuiden, zuidwesten en zuidoosten van het plangebied en op circa 100 meter van de beoogde 12 appartementen. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de bronsgroene landschapszone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Aangezien het te verwijderen groen tuin- en erfbeplanting betreft is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Het bestemmingsplan voorziet in de sloop van de aanwezige bebouwing en het verwijderen van beplanting. Zodoende dient in kaart gebracht te worden of er beschermde soorten aanwezig zijn binnen het plangebied. In het kader daarvan is een quickscan flora en fauna 6 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige quickscan. Vogels In de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ van de provincie Limburg (6 december 2017) is een aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten gepubliceerd. Hier wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten die beschermd zijn binnen de provincie Limburg. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-3 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermd.

Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 4-soorten’). Op het terrein is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw en gierzwaluw worden uitgesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als havik en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen.

5 6

BRO, AERIUS-berekening Cuijksesteeg 2 te Mook, projectnummer P5298, 10 oktober 2023 BRO, Quickscan flora en fauna Cuijksesteeg 2 te Mook, projectnr.: P05298, d.d. 30 januari 2024

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

39

Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis en franjestaart.

Er vinden geen werkzaamheden aan bebouwing plaats, waardoor de aanwezigheid van een rust- of verblijfplaats van een gebouwbewonende vleermuissoort kan worden uitgesloten. De bomen binnen het plangebied hebben geen holten, kieren of loshangede stukken schors, waardoor een rust- of verblijfplaats van een boombewonende vleermuissoort eveneens kan worden uitgesloten. De groenstrook langs de Cuijksesteeg kan potentieel als foerageergebied en/of vliegroute dienen. Toetsing Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaats voor een vleermuissoort. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen. De groenstrook langs de Cuijksesteeg kan potentieel als foerageergebied en/of vliegroutes van een of meerdere vleermuissoorten dienen. Deze zal bijna volledig behouden blijven op een opening voor een nieuwe toegangsweg na (circa 5-6 meter breed). Doordat de groenstrook achter de nieuwbouw door gelegd wordt zullen in de toekomstige situatie deze functies behouden blijven. Wel dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen.

Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten boommarter, steenmarter, eekhoorn, das en bever voor. Gezien de beperkte omvang en het relatief kale

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

40

habitat, betreft het hier geen essentieel habitat voor de boommarter of steenmarter. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze soorten. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. Daarnaast zorgt het hek rond het plangebied er voor dat de das geen toegang heeft. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis, zandhagedis, hazelworm, gladde slang en ringslang.

De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde poelkikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.

Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

41

Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos, grote weerschijnvlinder, sleedoornpage, teunisbloempijlstaart en rivierrombout. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als akkerogentroost, dreps, groot spiegelklokje en liggende ereprijs. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. 4.9.6

Conclusie

Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: 

Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/vernietigen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;

Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen en slopen van de gebouwen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Daarnaast kan uit de AERIUS-berekening worden geconcludeerd dat stikstofdepositie geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Daarnaast is het besluitgebied ook niet gelegen in gebieden die zijn aangewezen als beschermde natuur. Vanuit het aspect ecologie zijn derhalve geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen te verwachten.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

42

4.10

Archeologie

4.10.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.10.2

Onderzoek

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Mook en Middelaar ligt het plangebied binnen een categorie 4 gebied. Categorie 4 zijn gebieden met een hoge archeologische verwachting en een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van 250 m². Ten behoeve van het onderhavige planvoornemen is een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf zullen beknopt de resultaten worden besproken, voor de volledige rapportage 7 wordt verwezen naar de bijlagen.

7

Econsultancy, Archeologisch verkennend booronderzoek Cuijksesteeg 2 Mook, projectnummer: 19013.002 versie 2 d.d. 14 april 2023

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

43

Uitsnede Archeologische beleidskaart Mook en Middelaar (plangebied groen omlijnd)

Op basis van de resultaten van het in 2017 uitgevoerde bureauonderzoek is voor het gehele terrein gelegen aan de Cuijksesteeg 2 een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Midden-Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het LaatNeolithicum tot en met de Volle-Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Het terrein ligt namelijk binnen een zone met terraswelvingen, welke in het verleden een gunstige ligging heeft gehad voor het ontplooien van menselijke (bewonings-)activiteiten. Ook in de directe omgeving zijn al diverse de archeologische vondstlocaties bekend, vooral oppervlaktevondsten van keramiek en enkele fragmenten bewerkt vuursteen. Een lage verwachting is toegekend voor de perioden Late-Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en Nieuwe tijd, vanwege het ontbreken van bebouwing op het historisch kaartmateriaal. Het verkennend booronderzoek, dat alleen uitgevoerd is ter plaatse van het bouwvlak van de bestaande hospice, heeft geresulteerd in het aantreffen van veelal een verstoorde bodemopbouw. Daarnaast blijkt dat het terreindeel deel uitmaakt van een oorspronkelijk lager gelegen geulvormige laagte, welke gezien werd als een minder geschikte, zo niet een ongeschikt (tijdelijke) bewoningslocatie.

De verwachting is voor alle archeologische perioden bijgesteld naar laag of bleef laag en vervolgonderzoek is voor het bouwvlak van de bestaande hospice dan ook niet geadviseerd. Voor onderhavig plangebied is de uitvoering van een nieuw bureauonderzoek niet noodzakelijk en is verder geadviseerd om in de vooronderzoeksfase een archeologisch verkennend booronderzoek te laten uitvoeren. Uit de resultaten van het booronderzoek voor onderhavig plangebied blijkt juist dat er sprake is van een merendeels intacte bodemopbouw. Het plangebied ligt binnen een terrasrest van de Niersrijn, afgedekt met een

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

44

Wijchen Laag en een pakket rivierduinzand. De van nature gevormde vorstvaaggrond/ holtpodzolbodem (bruine bosgrond) is nog merendeels intact aanwezig. De oorspronkelijke minerale bovenlaag (en mogelijk een beperkt deel van de verwerings-/verbruinings-1Bws-horizont) zal vermengd zijn geraakt tijdens het aanbrengen van het bovenliggende plaggendek en navolgende agrarische bewerking (ploeg- en rooiwerkzaamheden). Het plaggendek is van voldoende dikte om te spreken van een hoge bruine enkeerdgrond. Recente bodemverstorende ingrepen beperken zich verder veelal tot het (bovenste deel van het) plaggendek. Op basis van deze bodemopbouw zal het archeologisch potentiële vondstniveau zijn aangetast, maar het potentiële sporenniveau is zeker nog intact aanwezig. Archeologische sporen, indien aanwezig kunnen direct onder het plaggendek worden aangetroffen en merendeels bewaard zijn gebleven in het resterende deel van de van nature gevormde vorstvaaggrond/holtpodzolbodem. Dit betekent dat eventuele vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars (Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) zullen zijn verstoord, maar dat sporen van permanente bewoning (landbouwers) nog wel intact kunnen worden aangetroffen. Archeologische sporen zullen meest zichtbaar zijn in de 1BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, op een diepte tussen circa 110 en 140 cm -mv (tussen circa 10,9 en 10,6 m +NAP).

Ondanks de verkennende fase van het booronderzoek is in top van het intacte deel van de vorstvaaggrond/ holtpodzolbodem al archeologisch vondstmateriaal aangetroffen. Dateerbare resten betreffen kleine fragmenten handgevormd, met potgruis en kwartsgruis gemagerd aardewerk dat meest waarschijnlijk uit de Vroege-IJzertijd dateert. Verder is ook natuursteen aangetroffen, wat van nature niet toebehoort tot het pakket rivierduinzand en door de mens zal zijn aangevoerd/achtergelaten. Het vondstmateriaal duidt op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Geconcludeerd wordt dat het plangebied in ieder geval zijn hoge verwachting behoudt op het voorkomen van nederzettingsresten van landbouwers. Daarnaast geven de reeds aangetroffen archeologische indicatoren aan dat er archeologische (bewonings)resten en -sporen kunnen worden verwacht uit meest waarschijnlijk de Vroege-IJzertijd. Dit sluit ook goed aan bij vondstmeldingen in de directe omgeving, waar ook veelal fragmenten aardewerk zijn aangetroffen uit de (Late-)IJzertijd. Vervolgonderzoek zal binnen het plangebied dan ook noodzakelijk zijn indien de bodemverstoring de grenswaarden overschrijdt. Initiatiefnemer is voornemens archeologisch besparend te gaan bouwen en gaat dit bespreken met de bevoegde overheid (gemeente Mook en Middelaar).

Indien de gemeente Mook en Middelaar hier akkoord op geeft zal archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk zijn. 4.10.3

Conclusie

Vanuit archeologisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

4.11

Cultuurhistorie

4.11.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

45

4.11.2

Onderzoek

De bestaande bebouwing in het plangebied heeft geen monumentale of beeldbepalende status. Er is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden, aangezien deze volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart niet aanwezig zijn. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor het beoogde planvoornemen. 4.11.3

Conclusie

Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

4.12

Duurzaamheid

Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: 

De energiebehoefte van het gebouw.

Het primair fossiele energiegebruik.

Het aandeel hernieuwbare energie.

Hieraan zullen ook de beoogde woningen binnen het plangebied moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren appartementen voor begeleid wonen niet aangesloten op het gasnet.

4.13

M.e.r. beoordeling

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling van woningen komt in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

46

Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van 12 appartementen ter plaatse van de Cuijksesteeg 2 in Mook. Blijkens jurisprudentie8 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een netto toename met 12 wooneenheden. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5).

Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. 4.13.1

Conclusie

De voorgenomen woningbouwontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, vanwege de aard en schaal van het project, het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

8

O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).

Bestemmingsplan 'Cuijksesteeg Mook'

47

5

PLANSTUKKEN

5.1

Planstukken

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en de voorliggende toelichting.

5.2

Toelichting op de analoge verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de kadastrale ondergrond geen juridische status heeft.

5.3

Toelichting op de regels

Voor de regels bij het bestemmingsplan is overwegend aangesloten bij de SVBP 2012 en het vigerende bestemmingsplan. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;

Hoofdstuk 2:

Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld.

Hoofdstuk 3:

Algemene regels, waaronder onder andere zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels.

Hoofdstuk 4:

Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen die in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2012. Wijze van meten (artikel 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MookenMiddelaar&id=653f6b64-6e2b-4214-b5d3-8226d2e3a9e5