Bijlage 3e bij de toelichting_Bijlage 5 Archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK EINDWEG 9, 11 EN 13 TE MIDDELAAR GEMEENTE MOOK EN MIDDELAAR
Archeologisch onderzoek Eindweg 9, 11 en 13 te Middelaar Opdrachtgever
V-snaar projecten Timmermannsweg 26a 5813 AN Ysselsteyn
Rapportnummer
13470.002
Versienummer1
1
Datum
5 november 2020
Vestiging
Boxmeer
Opsteller
L. Veenendaal
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. T.H.L. Hos
Paraaf
© Econsultancy bv, Boxmeer. Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
13470.002
Toponiem
Eindweg 9, 11 en 13
Opdrachtgever
V-snaar projecten
Gemeente
Mook en Middelaar
Plaats
Middelaar
Provincie
Limburg
Kadastrale gegevens
gemeente Mook Sectie C nummers 1834, 1835 en 2208
Omvang plangebied
Circa 16626 m2
Kaartblad
46B (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X:190.856/ Y:415.879
Bevoegde overheid
Gemeente Mook en Middelaar Postbus 200 6585 ZK Mook
T: 024 - 696 91 11 F: 024 - 696 19 39 E: gemeente@mookenmiddelaar.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
ArchAeO Archeologische Advisering en Ondersteuning Rapelenburglaan 9 5654 AP Eindhoven
drs. F.P. Kortlang 040-2519270 / 06-22505236 040-2571860 advies@archaeo.nl
ARCHIS3
Bureauonderzoek 4922479100
Booronderzoek 4922487100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA
Utrechts-Gelders rivierenlandschap
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Boxmeer/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg
Uitvoerders
Econsultancy, L. Veenendaal, T.H.L. Hos
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van V-snaar projecten in november 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende/karterende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Eindweg 9, 11 en 13 te Middelaar in de gemeente Mook en Middelaar. In het plangebied zullen nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het bureauonderzoek toont aan dat zich mogelijk nog archeologische waarden in situ in het plangebied zouden kunnen bevinden. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. De archeologische verwachting voor het plangebied is middelhoog voor de jagers en verzamelaars uit de perioden Laat-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. Daarnaast is er een hoge verwachting voor archeologische resten van landbouwers uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek.
Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek, is gebleken dat de verwachtte hoge zwarte enkeerdgrond in alle tien de boringen aanwezig is. De dikte van deze APhorizont varieert tussen de 40 en 140 centimeter onder maaiveld. Dit betreft één pakket waarbij geen onderscheid kon worden gemaakt tussen verschillende lagen. Onder het plaggendek bevindt zich in negen boringen een B-horizont. In acht boringen betreft het een BW-horizont en in één boring een BC-horizont. Onder deze laag is bij deze negen boringen een C-horizont aangetroffen. In boring 8 was geen B-horizont aanwezig en lag de C-horizont direct onder het plaggendek. De BW/BC-horizont ontbreekt en is vermoedelijk opgenomen in dit plaggendek. Verder was in boring 9 een geroerde laag aanwezig van 40 centimeter onder maaiveld. De middelhoge archeologische verwachting voor het Paleolithicum tot en met het Mesolithicum blijft staan. Ditzelfde geldt voor de hoge verwachting voor archeologische vondsten en structuren van het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd.
Rapport 13470.002 versie 1
Conclusie De bouwtekeningen van een deel van de huidige bebouwing geeft aan dat deze dermate diep onderkelderd zijn dat hier geen archeologische sporen meer verwacht mogen worden. Geadviseerd wordt om dit deel (circa 1/3 van het plangebied) vrij te geven voor ontwikkeling. Advies Econsultancy adviseert om de aanwezige sporen en vondsten te behouden in de ondergrond en de bouwplannen hierop aan te passen. De top van het oorspronkelijke bodemprofiel (onder het plaggendek) ligt op minimaal 40 cm. Als deze laag bij de bouw beschermd kan worden (bijvoorbeeld door ophogen), dan verdient dat de voorkeur. Op deze manier kan het archeologisch bodemarchief het best beschermd worden. Mocht behoud in situ niet mogelijk zijn dan adviseert Econsultancy een inventariserend proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Middels dit onderzoek kan vastgesteld worden of en waar er acrheologische sporen en vondsten in het plangebied aanwezig zijn. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin de eisen zijn vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Mook en Middelaar). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13470.002 versie 1
Figuur 1.
Rapport 13470.002 versie 1
Selectieadvies
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1 1.1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 13 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Resultaten vooronderzoek ................................................................................................ 1
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 13 Methoden ........................................................................................................................ 13 Resultaten ....................................................................................................................... 14 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 15
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 17 BRONNEN .......................................................................................................................................... 18
Rapport 13470.002 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel IV. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VII. Tabel VII. Tabel VII.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw boringen 2, 3, 4, 5, 6, 9 en 10 Hoofdlijn bodemopbouw boring 1 Hoofdlijn bodemopbouw boring 7 Hoofdlijn bodemopbouw boring 8
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1: Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12.
Selectieadvies Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart Verstoord en/of niet toegankelijk deel plangebied
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
Rapport 13470.002 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van V-snaar projecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Eindweg 9, 11 en 13 te Middelaar in de gemeente Mook en Middelaar (zie figuur 2). De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouwwoningen te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in november 2020 door L. Veenendaal (stagiaire). Het verkennende booronderzoek is uitgevoerd door dhr. T.H.L. Hos (senior KNA Archeoloog / Senior Prospector) en L. Veenendaal (stagiaire). Het rapport is gecontroleerd door T.H.L. Hos. 1.1
Resultaten vooronderzoek3
In december 2012 is door Econsultancy een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het plangebied besloeg een kleiner oppervlak dan het huidige plangebied, deze was toentertijd ongeveer 7.000 m2. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen in het gehele plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. In het bijzonder de ligging op een relatief hoge rug langs twee restgeulen en de aanwezigheid van veel archeologische vindplaatsen in zowel het plangebied als de directe omgeving verhoogt de kans daarop. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog voor resten van jagers en verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum en hoog voor resten van landbouwers uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze archeologische resten werden onder het esdek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont verwacht. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek bleef de bovengenoemde gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied staan. Onder de onderkelderde en verdiept aangelegde stallen zal de bodem relatief recent zijn verstoord. Uit de boringen bleek echter dat de verstoringen niet in het gehele plangebied aanwezig zullen zijn.
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseerde Econsultancy om de delen van het plangebied waar de geplande nieuwbouw wordt gerealiseerd nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Voordat er een proefsleuvenonderzoek kan worden uitgevoerd, moet er eerst in een deel van het plangebied de bestaande (deels) onderkelderde bebouwing gesloopt worden. Hierom adviseerde Econsultancy om na de sloop van deze bebouwing een archeologische inspectie uit te voeren van het nu nog bebouwde deel van het plangebied. Op deze manier kan mogelijke extra informatie worden verkregen over de bodemopbouw ter plaatse en de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten, zodat de onderzoekstactiek van een proefsleuvenonderzoek hierop kan worden aangepast.
3
Schutte 2012.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 1 van 18
Er is een nieuw bureauonderzoek nodig omdat het plangebied vergroot is. De omliggende terreinen waren nog niet onderzocht en het was overzichtelijker om de gegevens van het oude booronderzoek in het nieuwe mee te nemen.
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 4 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
4
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Mook en Middelaar; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
SIKB.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 2 van 18
2.3
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.5 Het plangebied, Circa 16626 m2, ligt aan de Eindweg 9, 11 en 13, ongeveer 0,4 kilometer ten noordwesten van de kern van Middelaar in de gemeente Mook en Middelaar (zie figuur 2 en figuur 3). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 12,4 m + NAP in het westen en 9.8 m + NAP in het oosten. Het gebied is kadastraal bekend als 1834, 1835 en 2208. Volgens de topografische kaart van Nederland, 46B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X:190856/ Y:415879. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.
Het plangebied is momenteel in gebruik als agrarisch bedrijf met drie woningen, diverse stallen en bijgebouwen/schuren. Delen van het plangebied zijn verder in gebruik als tuin en groenstroken. Verwacht wordt dat ter plaatse van de erfverhardingen, stallen en andere bouwsels alle ondergrond is geroerd (zie figuur 4). -
aan de noordzijde bevindt zich de Eindweg met daarachter wei- en akkerland; aan de oostzijde bevindt zich op ongeveer 150 meter van het plangebied bebouwing; aan de zuidzijde bevindt zich direct aan het plangebied vast bebouwing (perceel 1835) en grasland; aan de westkant bevindt zich weiland en op ongeveer 50 meter van het plangebied bebouwing.
Milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 13470.001). Uit de resultaten van dit onderzoek bleek dat er geen verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn die hoger zijn dan de interventiewaarde.6 Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. 5
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 6 Van de Weijer, 2020
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 3 van 18
Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied geen informatie opgeleverd.7 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in- en ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied zijn negen kavels gepland. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend (zie bijlage 7). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie8
Formatie van Kreftenheye: rivierzand en –grind (Kr1)
Geomorfologie9
Dalvlakteterras (4E9a)
Bodemkunde10
Hoge bruine enkeerdgronden, bestaande uit grof zand (bEZ30)
Geologie Ruwweg 200.000 jaar geleden lag een groot gedeelte van Nederland onder een vanuit Scandinavië naar het zuiden opgeschoven ijskap. De rand van het ijs bestond uit een aantal gletsjertongen. Aan weerszijden van deze ijsmassa's werden stuwwallen opgeduwd, waaronder de stuwwal van Groesbeek, ongeveer 1,5 kilometer ten noorden van het plangebied. De rivieren Rijn en Maas, die een stromingsrichting hadden van zuid naar noord, werden door deze ijskap gedwongen hun weg langs de zuidzijde van het ijs westwaarts naar de zee te zoeken. Daarbij werden enkele brede pradolina’s of oerstroomdalen gevormd. Het grootste oerstroomdal lag ongeveer ter plaatse van het huidige gebied van de Rijn-Maas delta. In dit dal werden overwegend grove, grindhoudende zanden afgezet, welke behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Het smeltwater van het landijs stroomde aan de buitenzijde van de stuwwallen af richting het stroomdal van de Rijn en de Maas in de vorm van een vlechtend riviersysteem, bestaande uit een verwilderde terrasvlakte met meerdere snel veranderende geulen. Het huidige stroomdal van de Niers ten noorden van Gennep (ten oosten van het plangebied) is in het Eemin (Midden-Pleistoceen) gevormd en in het Weichselien door de Rijn opgevuld met de grindhoudende zanden van de Formatie van Kreftenheye.
Aan het eind van het Laat-Glaciaal trekt de Rijn zich terug uit dit gebied en werd het huidige meanderende Niersdal verlaten. In het Vroege-Holoceen is de Niers door het destijds inmiddels verlaten dal van de Rijn gaan stromen en heeft in het Rijnterras haar eigen dal uitgesleten en sedimenten afgezet. 7
Bodemloket De Mulder et al., 2003. 9 Altera, 2003. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1976. 8
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 4 van 18
Gedurende de Jonge-Dryas, aan het einde van het Laat-Weichselien (11.000 - 10.000 BP) stond de droogvallende verwilderde terrasvlakte van de Maas en Rijn bloot aan winderosie. Hierdoor zijn er plaatselijk rivierduinen of een dekzanddek afgezet op de oudere, hoger gelegen terrassen ten oosten van de Maas, waaronder in het gebied ten oosten van het plangebied. In het Holoceen heeft de Maas zich ten zuiden van het plangebied ingesneden in het Pleistocene terras. Buiten de actieve rivier- en beekdalen vond in het Holoceen nauwelijks wijziging van het LaatPleistocene reliëf plaats. DINO11 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.12 Hieruit blijkt dat de bodemopbouw ten noorden en oosten van het plangebied veelal bestaat uit de fijne en midden categorie zand. Op ongeveer drie meter onder het huidige maaiveld is een leemlaag aanwezig en op ongeveer zeven meter diepte zit een laag grof zand.
De boormonsters ten zuiden van het plangebied laten een dikke kleilaag zien (één tot twee meter dik) met daaronder fijn zand. Geomorfologie De Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de Geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dalvlakteterras (4E9a), doorsneden door geulen van een vlechtend afwateringsstelsel (2R10) (zie figuur 8). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)13 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Volgens het AHN ligt het plangebied op een relatief hoge, smalle rug die onderdeel uitmaakt van een serie van ruggen ten noorden van de Maas. Volgens een AMK-terrein ten noordwesten van het plangebied (AMK-terrein 11180) zijn deze ruggen mogelijk (deels) opgebouwd uit rivierduinen. De laagtes tussen deze ruggen zijn oude vlechtende geulen in het Pleistocene Rijnterras. Direct ten zuiden van het plangebied ligt de geul die vroeger onderdeel uitmaakte van de stroomgeul waardoor tegenwoordig de Niers stroomt. Deze geul is in het Holoceen ter hoogte van Milsbeek door de Maas afgesneden van het huidige Niersdal.
Het laaggelegen gebied tussen de Maas en het plangebied is het Holocene Maasdal (zie figuur 9). Het plangebied zelf valt op doordat het grotendeels op een hoge rug ligt. Het oostelijk deel van het plangebied ligt echter ruim een meter lager dan de rest van het plangebied (zie ook figuur 11). Het is niet bekend of dit is veroorzaakt door (recente) vergravingen of doordat hier geen of een dunnere eerdgrond is gevormd. Op basis van de scherpe rand lijkt het hoogteverschil te zijn veroorzaakt of minstens versterkt door vergravingen door het agrarisch bedrijf (zie figuur 7).
11
Dinoloket. DINO boornummers B46B0681, B46B0467, B46B0447 en B46B0411. 13 AHN. 12
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 5 van 18
Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als een hoge bruine enkeerdgrond, bestaande uit grof zand (bEZ30) (zie figuur 10). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden, zoals heide, bossen en beekdalen. Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de perioden vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd.
Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.14 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling15
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VIII. Deze grondwatertrap maakt het plangebied een gunstige
14 15
Doesburg et al., 2007. Locher & De Bakker, 1990.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 6 van 18
vestigingslocatie voor landbouwsamenlevingen. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).16 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 9. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zogenoemde archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden.
Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over zestien verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied.17 Archeologische beleidskaart Gemeente Mook en Middelaar Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart.
De Archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de Archeologische beleidskaart van de gemeente Mook en Middelaar ligt het plangebied binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting (categorie 4, zie figuur 12). Binnen deze gebieden dient, bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen 16 17
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Provinciaal Omgevingsplan Limburg.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 7 van 18
dieper dan 40 cm -mv en een verstoringsoppervlak groter dan 250 m², vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied18 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. In totaal liggen er drie AMK-terreinen binnen 500 meter van het plangebied. In het westen binnen het plangebied is een AMK-terrein aanwezig. Dit terrein kent het nummer 11228 en heeft een hoge archeologische waarde. Op het terrein zijn vondsten en sporen van bewoning gevonden uit de Romeinse tijd, Vroege-Middeleeuwen en Late-Middeleeuwen gevonden. Verder naar het westen van het plangebied ligt AMK-terrein 11180, wederom met een hoge archeologische verwachting. Gedacht wordt dat het een nederzetting aan de rand van een rivierterras betreft. Materiaal uit de Romeinse tijd en de Vroege-Middeleeuwen zijn op het terrein aangetroffen. Deze resten zijn afgedekt en beschermd door een esdek van ongeveer 50 centimeter dik.
Het derde AMK-terrein (16232) heeft eveneens een hoge archeologische verwachting. Het betreft de oude dorpskern van Katerbosch en Heikant. Op deze locatie zijn bewoningssporen gevonden uit de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.19 In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 20 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vijfentachtig archeologische onderzoeken uitgevoerd. Vijf van deze onderzoeken, uitgevoerd door bedrijven, staan in een tabel in de bijlage (zie bijlage 3 en figuur 9). Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) en proefsleufonderzoeken. De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat er een hoge archeologische verwachting is voor elke onderzochtte locatie. Elzenstraat 16 en Ong. (onderzoeksmeldingsnummers 2301269100 en 2302687100) Het bureau- en booronderzoek is in 2010 uitgevoerd door Econsultancy. Na het uitvoeren van het booronderzoek is gebleken dat het grootste gedeelte van het bodemprofiel nog intact is. Om deze reden is er een hoge verwachting voor archeologische waarden uit het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De archeologische resten worden verwacht onder het esdek en tot ongeveer 25 centimeter in de top van de oorspronkelijke C-horizont.
Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd, dit geldt voor alle perioden. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied21 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn enkele vondstmeldingen geregistreerd (zie onderzoeksmeldingsnr. 3091992100 in bijlage 4). Het betreft aardewerk en verbrand (hutten)leem uit de IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Uit de Romeinse tijd zijn fragmenten van een glazen fles en dakpannen aangetroffen. Ten slotte zijn er Vroegmiddeleeuwse fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk en fragmenten van knikwandpotten gevonden. 18
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
19 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 20 21
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 8 van 18
Binnen het onderzoeksgebied (binnen een straal van 500 meter) staan drieëndertig vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 9). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Uit het Paleolithicum en Mesolithicum is afval van vuurstenen gevonden, daarnaast zijn kookstenen uit het Mesolithicum aan het licht gekomen. Van het Neolithicum tot en met de Bronstijd zijn onder andere fragmenten van een stenen bijl, vuursteen afval en handgevormd aardewerk ontdekt. Uit de IJzertijd is handgevormd aardewerk opgegraven. Uit de Romeinse periode zijn onder andere glas, dakpannen, tegels, gedraaid aardewerk en verbrand leem gevonden. Fragmenten van gedraaid aardewerk uit de Vroege- en Late-Middeleeuwen zijn ook in het onderzoeksgebied gevonden. Tenslotte zijn van de Nieuwe tijd onder andere gedraaid aardewerk, afval van glas, steengoed, een keramische kleipijp en een fragment van een bronzen gesp gevonden. De aanwezigheid van dermate veel vondstmateriaal geeft aan dat er in of in de nabijheid van het plangebied een of meerdere vindplaatsen uit de betreffende perioden verwacht mogen worden. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten, zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Tranchot und v. Müffling kaart22
1804
7 Cuijck
1:25.000
Huis en schuur (boerderij) met tuin en weiland, met erachter bouwland.
Boerderij staat bekend onder de naam Theeuwsen, Eindweg reeds onverhard aanwezig.
Kadastrale minuut23
1811-1832
Gemeente Mook en Middelaar, Sectie B, Blad 02
1:2.500
Huis en schuur (boerderij) met tuin en weiland, met erachter bouwland.
Boerderij staat bekend onder de naam Theeuwsen.
Militaire topografische kaart24 (nettekening)
1870
573
1:50.000
Huis en schuur (boerderij) op hoger gelegen akkerland.
Lager gelegen gebieden in gebruik als grasland.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1893
573
1:50.000
Huis en schuur (boerderij) op hoger gelegen akkerland.
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1910
573
1:50.000
Huis en schuur (boerderij) op hoger gelegen akkerland.
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1938
573
1:50.000
Huis en schuur (boerderij) op hoger gelegen akkerland.
Eindweg verhard.
22
Beeldbank Vrije Universiteit Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 24 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 23
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 9 van 18
Topografische kaart
1958
46B
1:25.000
Boerderij uitgebreid met diverse stallen, weiland.
-
Topografische kaart
1978
46B
1:25.000
Boerderij verder uitgebreid.
-
Op basis van het beschikbare historische kaartmateriaal is te zien dat het plangebied vanaf in ieder geval begin 19e eeuw deel uitmaakte van een agrarisch gebied ten westen van de kern van Middelaar (zie figuur 10). Begin 19e eeuw bevonden zich op de westelijke helft van het plangebied twee gebouwen: een woning met vermoedelijk een bijbehorende schuur of stal. De aangrenzende percelen waren in gebruik als akkerland en weiland, waarbij het plangebied zelf voornamelijk akkerland was en het lager gelegen gebied ten zuiden van het plangebied weiland. Op de kaart uit 1870 is te zien dat het plangebied op een hoger gelegen smalle rug ligt. In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere zuidoost-noordwestelijke georiënteerde ruggen die in de 19e eeuw allemaal als akkerland in gebruik waren. Alle aanwezige boerderijen en dorpskernen bevonden zich ook op deze ruggen. De lager gelegen geulen tussen de ruggen door waren uitsluitend als weiland in gebruik. Tot de jaren ’50 van de 20e eeuw blijft deze situatie vrij ongewijzigd. Eind jaren ’50 heeft de oorspronkelijke bebouwing plaats gemaakt voor de huidige boerderij die in de jaren ’70 nog wat is uitgebreid. Het huidige wegennet was begin 19e eeuw grotendeels aanwezig in de vorm van een net van onverharde wegen. De Eindweg is in de jaren ’30 van de 20e eeuw verhard.
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Contact is opgenomen met dhr. J. Michels van V-snaar projecten. Hij heeft een bouwtekening opgestuurd met de huidige bebouwing op het plangebied. Het plangebied is recent in gebruik geweest als agrarisch bedrijf. Door bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, verloren zijn gegaan. In totaal staan er acht gebouwen op het plangebied waarvan vier gebouwen een verdieping hebben van ongeveer 1 meter onder maaiveld. De andere vier gebouwen hebben diepere verstoringen tot ongeveer 3 meter onder maaiveld. De meeste verstoringen zijn ontstaan als gevolg van het bouwen van woningen, bijgebouwen en stallen, denk hierbij aan mestkelders en/of funderingen. Het is de verwachting dat ter plaatse van de erfverhardingen, stallen en andere bouwsels alle ondergrond is geroerd.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 10 van 18
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 11 van 18
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Mesolithicum
Middelhoog
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum – Vroege Middeleeuwen
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
In de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld
Nieuwe tijd
Onder maaiveld en in de top van de rivierafzettingen
De landschappelijke situatie in het onderzoeksgebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van enkele hoge ruggen, welke zijn doorsneden door geulen van een voormalige vlechtend riviersysteem. Het plangebied bevindt zich op een van deze hoge ruggen. De omgeving van het plangebied was mogelijk een gunstig leefgebied voor jagers en verzamelaars. Dit gebied ligt in de nabijheid van de Maas, wat een belangrijke voedselbron is voor visvangst. Kampjes van jagers verzamelaars vindt men vooral op de verhogingen in het landschap, dicht bij water. Aangezien het plangebied op een hoogte tussen twee oude geulen ligt, die echter in het VroegeHoloceen al niet meer waterhoudend waren, is de verwachting voor archeologische resten van jagers en verzamelaars middelhoog. In het onderzoeksgebied zijn archeologische resten van landbouwers uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd aangetroffen. Uit de landschappelijke spreiding valt op dat met name op de hoge ruggen zeer veel archeologische resten uit de Romeinse tijd, Vroege-Middeleeuwen en LateMiddeleeuwen zijn aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van meerdere nederzettingsterreinen op deze ruggen. Ook in het plangebied zelf en de weilanden ten westen van het plangebied zijn aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd, Vroege-Middeleeuwen en Late-Middeleeuwen.
De archeologische verwachting voor deze perioden is daarom hoog. Voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd worden de bewoningssporen van een boerenerf verwacht. Voor deze periode is een hoge archeologische verwachting opgesteld. In het gehele plangebied kunnen dus archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. Deze archeologische resten worden verwacht onder het plaggendek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het plaggendek, hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken. Dit is een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 centimeter in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 12 van 18
2.9
Conclusie bureauonderzoek
Het bureauonderzoek toont aan dat zich mogelijk nog archeologische waarden in situ in het plangebied zouden kunnen bevinden. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek. De archeologische verwachting voor het plangebied is middelhoog voor de jagers en verzamelaars uit de perioden Laat-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. Uit deze perioden kunnen archeologische resten worden verwacht als vuursteenverstrooiingen en vuurstenen voorwerpen. Daarnaast is er een hoge verwachting voor archeologische resten van landbouwers uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Archeologische vondsten en structuren die vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen onder andere kunnen worden verwacht zijn akkerlagen en/of nederzettingssporen. Voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd worden de bewoningssporen van een boerenerf verwacht. Voor deze periode is ook een hoge archeologische verwachting opgesteld. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek.
Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Daarnaast kan worden bekeken of in het plangebied verstoorde gebieden aanwezig zijn. Verwacht mag worden dat onder de onderkelderde en verdiept aangelegde stallen en bewoning de bodem in het plangebied relatief recent verstoord zal zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 20 november 2020 door dhr. Drs. T.H.L. Hos (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) tien boringen tot maximaal 180 m -mv gezet (Figuur 11). De boringen zijn lithologisch conform de Archeo-
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 13 van 18
logische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 25 Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. In te veld is vastgesteld dat achter de bebouwing van nummer 13 (ten oosten van boring 2 en 3) gierkelders aanwezig zijn. De grond zal hier tot grote diepte geroerd zijn.
3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen, deze worden in bijlage 8 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodem als volgt worden weergegeven. Tabel V.
Hoofdlijn bodemopbouw boringen 2, 3, 4, 5, 6, 9 en 10 Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0-40/140 cm
Zwak humeus, matig siltig, matig fijn grijsbruin zand
Plaggendek/AP-horizont
40/140-90/160
Zwak siltig, matig fijn grijsbruin grindig rivierzand
Grindig rivierzand/BW-horizont
90/160-120/180
Zwak siltig, matig fijn geelbruin grindig rivierzand
Grindig rivierzand/C-horizont
In zes boringen is een vergelijkbare bodemopbouw aanwezig, dit zijn boringen 2, 3, 4, 5, 6 en 10. De eerste laag is een plaggendek of Podzolbodem (AP-horizont) van ongeveer 40 tot 140 centimeter onder het huidige maaiveld. Het bestaat uit zwak humeus, matig siltig, matig fijn grijsbruin zand. Onder deze laag zit een BW-horizont. Deze laag kan worden beschreven als zwak siltig, matig fijn geelbruin grindig rivierzand. Tenslotte volgt de C-horizont op ongeveer 90/160 centimeter onder het maaiveld. Deze laag is zwak siltig, matig fijn geelbruin en kan worden beschreven als grindig rivierzand. Boring 9 heeft een vergelijkbare opbouw, alleen is hierbij de bovenste 40 centimeter van het plaggendek geroerd. Tabel VI. Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0-40/140 cm
Zwak humeus, matig siltig, matig fijn grijsbruin zand
Plaggendek/AP-horizont
40/140-90/160
Zwak siltig, matig fijn grijsbruin grindig rivierzand
Grindig rivierzand/BC-horizont
90/160-120/180
Zwak siltig, matig fijn geelbruin grindig rivierzand
Grindig rivierzand/C-horizont
Tabel VII. Diepte
25
Hoofdlijn bodemopbouw boring 1
Hoofdlijn bodemopbouw boring 7 Samenstelling
Interpretatie
0-40/140 cm
Zwak humeus, matig siltig, matig fijn grijsbruin zand
Plaggendek/AP-horizont
40/140-90/160
Zwak siltig, matig fijn grijsbruin grindig rivierzand
Grindig rivierzand/BW-horizont
Bosch, 2005.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 14 van 18
90/160-120/180
Zwak siltig, matig fijn geelbruin grindig rivierzand
Grindig rivierzand/C-horizont
Boringen 1 en 7 hebben beide als bovenste laag een AP-horizont (plaggendek). Deze laag varieert tussen de boringen in dikte, in boring 1 is deze laag 140 centimeter dik en in boring 7 is de dikte van de laag 40 centimeter. De laag kan worden beschreven als zwak humeus, matig siltig, matig fijn grijsbruin zand. Hieronder volgt in boring 1 een BC-horizont, welke kan worden beschreven als een zwak siltige, matig fijne grijsbruine laag van grindig rivierzand. In boring 7 is dit een BW-horizont van zwak siltig, matig fijn grijsbruin grindig rivierzand. Bij beide boringen volgt de C-horizont op de BC/BWhorizont. Deze C-horizont kan worden beschreven als zwak siltig, matig fijn geelbruin grindig rivierzand. Tabel VIII.
Hoofdlijn bodemopbouw boring 8
Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0-80 cm
Zwak humeus, matig siltig, matig fijn grijsbruin zand
Plaggendek/AP-horizont
80-120 cm
Zwak siltig, matig fijn geelbruin grindig rivierzand
Grindig rivierzand/C-horizont
In boring 8 bestaat de eerste 80 centimeter uit zwak, matig siltig, matig fijn grijsbruin zand. Dit kan worden beschreven als een plaggendek of AP-horizont. Hieronder zit direct de C-horizont, wat zwak siltig, matig fijn geelbruin grindig rivierzand is. De BW/BC-horizont ontbreekt en is vermoedelijk opgenomen in het plaggendek. In de zes boringen uit 2012 is een gelijke bodemopbouw aangetroffen. Het betreft een dik plaggendek, tot wel 120 cm dik, met daaronder een C-Horizont. Een Bw-Horizont is hier niet aangetroffen. De boringen die tussen de bebouwing gezet zijn laten een meer verstoord bodemprofiel zien. Dit geldt voor boring 2 en 3. De boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 8 en de boorpunten zijn toegevoegd aan figuur 10. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit het booronderzoek is gebleken dat de verwachtte hoge zwarte enkeerdgrond in alle tien de boringen aanwezig is. De dikte van deze AP-horizont varieert tussen de 40 en 140 centimeter onder maaiveld. Dit betreft één pakket waarbij geen onderscheid kon worden gemaakt tussen verschillende lagen. Onder het plaggendek bevindt zich in negen boringen een B-horizont. In acht boringen betreft het een BW-horizont en in één boring een BC-horizont. Onder deze laag is bij deze negen boringen een C-horizont aangetroffen. In boring 8 was geen B-horizont aanwezig en lag de C-horizont direct onder het plaggendek. De BW/BC-horizont ontbreekt en is vermoedelijk opgenomen in dit plaggendek. Verder was in boring 9 een geroerde laag aanwezig van 40 centimeter onder maaiveld.
Rapport 13470.002 versie 1
Pagina 15 van 18
Het plaggendek is een door de mens opgebrachte laag. Dit pakket heeft de onderliggende archeologische resten afgedekt en daardoor ook beschermd. Plaggendekken werden over het algemeen vanaf de Late-Middeleeuwen opgeworpen. De aanwezigheid van een plaggendek is een aanwijzing dat dit terrein (allereerst) als agrarische grond is gebruikt en niet voor bewoning. De middelhoge archeologische verwachting voor het Paleolithicum tot en met het Mesolithicum blijft staan. Ditzelfde geldt voor de hoge verwachting voor archeologische vondsten en structuren van het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. 4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een plaggendek (podzolbodem/AP-horizont) direct onder het maaiveld. Deze laag varieert tussen de 40 en 140 centimeter. Onder het plaggendek komt in acht van de tien boringen een BW-horizont voor en in één boring een BC-horizont. Direct onder deze laag zit bij deze negen boringen een C-horizont. In één boring komt direct onder het plaggendek al een Chorizont voor en in één andere boring is een geroerde laag van 40 centimeter aanwezig bovenop het plaggendek. Op basis van de bouwtekeningen van de stallen, die nu op het terrein staan, kan worden vastgesteld dat de bodem ter plekke tot grote diepte geroerd is. De boringen die in 2012 gezet zijn ondersteunen dit (boring 2 en 3). Voor dit deel wordt geadviseerd om de dubbelbestemming archeologie te laten vervallen. Voor het deel van het plangebied waar de bodemopbouw niet verstoord is adviseert Econsultancy om de aanwezige sporen en vondsten te behouden in de ondergrond en de bouwplannen hierop aan te passen. De top van het oorspronkelijke bodemprofiel (onder het plaggendek) ligt op minimaal 40 cm.