Bijlage 3. Welstandsnota Mook en Middelaar 2024, incl markering 090124
Tekst van het document
Welstandsnota Mook en Middelaar
1 januari 2024
2
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
INHOUD INLEIDING 1. BELEID EN PROCEDURES 1.1 Het wettelijk kader 1.2 Ruimte voor ruimtelijke kwaliteit: relatieve criteria 1.3 Per gebied verschillende criteria 1.4 Vergunningsplichtige bouwplannen getoetst 1.5 Bestaand beleid voor de ruimtelijke kwaliteit 1.6 Procedures 1.6.1 De gemeenteraad stelt het welstandsbeleid vast 1.6.2 De gemeenteraad ontvangt jaarlijks verslagen betreffende het welstandsbeleid 1.6.3 Het College van Burgemeester en Wethouders voert het welstandsbeleid uit 1.6.4 Adviescommissie Omgevingskwaliteit 1.6.5 Bouwaanvraag moet deugdelijk worden onderbouwd 1.6.6 De welstandsnota voor de aanvrager van een omgevingsvergunning 2. WELSTANDSCRITERIA 2.1 Algemene welstandscriteria 2.2 Hardheidsclausule 2.3 Welstandscriteria bij excessen 2.3.1 Handhaving 2.3.2 Excessenregeling bij vergunningsvrije bouwwerken 2.3.3 Criteria bij excessen 2.4 Welstandscriteria monumenten 2.5 Criteria voor reclame 2.6 Welstandscriteria en duurzaamheid 2.6.1 Dak- en gevelisolatie aan buitenzijde 2.6.2 Zonnepanelen en –collectoren 2.6.3 Warmtepompen, airco’s en andere technische installaties 2.7 Gebiedsgerichte welstandscriteria 2.7.1 De indeling in gebieden 2.7.2 Toelichting op de gebiedsbeschrijvingen 3.
GEBIEDEN GEBIED 1 – Linten GEBIED 2 – Bebouwing langs de Rijksweg GEBIED 3 – Planmatige uitbreidingen GEBIED 4 – Individuele woningbouw GEBIED 5 – Bedrijventerrein GEBIED 6 – Buitengebied GEBIED 7 – Rereatiegebieden BIJLAGEN Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
7 9 9 9 10 10 11 11 11 12 12 12 13 13 15 15 17 17 17 17 17 18 18 18 18 19 19 20 20 20 23 23 26 29 32 36 40 43 48 3
4
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
VOORWOORD Voor u ligt de Welstandsnota van de gemeente Mook en Middelaar. Deze nota is een actualisatie van de Welstandsnota Mook en Middelaar 2013. De actualisatie voorziet in technische aanpassingen naar aanleiding van de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. Ten tweede is de nota onder paraaf 2.3.3 “criteria bij excessen” aangevuld met een alinea om zichtbare verloedering en ernstige verwaarlozing tegen te gaan, de alinea van “armoedig materiaal” gebruik is verduidelijkt en de alinea “te opdringerige reclame” is aangevuld met schreeuwerige reclames. De nota is overzichtelijk, leesbaar en begrijpelijk. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het welstandsbeleid vergroot. Ten derde is de nota aangevuld met criteria voor “Duurzaamheid”. Dit algemeen setje van aanvullende criteria wordt in een aparte paragraaf toegevoegd die geldt voor elk deelgebied. En als vierde en laatste wijziging wordt deelgebied 7 “recreatiegebieden” aangevuld met een paragraaf Mookerplas. Hierin opgenomen zijn criteria voor bouwwerken op het water opgenomen. Insteek is om welstand zo vroeg mogelijk te betrekken bij de planvorming en zo min moge- lijk blokkades op te werpen voor de initiatiefnemer.
(niveau 3). Hiervoor geldt een soepele toets.
Sinds de invoering van de Wabo in 2010 is de categorie vergunningsvrije bouwwerken flink uitgebreid. De regels voor deze vergunningsvrije bouwwerken waren opgenomen in de artikelen 2 en 3 bijlage II Bor. Deze artikelen zijn via de bruidsschat opgenomen onder de Omgevingswet. Dit betekent dat alleen de grotere bouwplannen nog door de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (hierna: commissie) worden getoetst. Juist omdat nu veel vergunningsvrij kan worden gebouwd zijn er in het nieuwe welstandsbeleid geen welstandsvrije gebieden opgenomen. Ook niet voor het buitengebied. De gemeente erkent daarmee het belang voor recreatie en toerisme dat het buitengebied heeft en het daarin overheersende groene karakter. Daarmee wenst de gemeente een richtingssignaal af te geven aan initiatiefnemers voor niet vergunningplichtige aanpassingen aan bebouwing.
Namens het college van Burgemeester en Wethouders, Wethouder Ton Herings
De gemeente Mook en Middelaar is een groene gemeente. Dit betekent dat veel functies en gebouwen zijn gesitueerd in het groen. Dit ‘groene karakter’ wenst de gemeente zo veel mogelijk te behouden en waar mogelijk te versterken. De gemeente vindt het belangrijk dat de gebouwen goed in de omgeving worden ingepast met respect voor de reeds aanwezige bebouwing en het (gewenste) karakter van de gemeente. Met de welstandsnota wil de gemeente Mook en Middelaar de kwaliteit van de bebouwde omgeving in ieder geval handhaven en waar mogelijk gericht veranderen en versterken. De gemeente wil hiermee haar inwoners ook een ‘helpende hand’ bieden bij het uitwerken van initiatieven en inpassing in de bestaande bebouwing. De opzet van de nota is daarom zowel een handreiking voor initiatiefnemers, als een transparant en helder toetsingskader voor situaties waarin er twijfel bestaat over de ‘gepaste inpassingen’.
Voor vergunningplichtige gebouwen wordt er altijd een welstandstoets uitgevoerd. Wel wordt een duidelijk onderscheidt gemaakt tussen de verschillende gebieden. Ten aanzien van gebieden die een bijzondere, beeldbepalende betekenis hebben voor de gemeente geldt een hoog welstandsniveau (niveau 1 en 2). Gebieden met minder importantie krijgen een laag welstandsniveau Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
5
6
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
INLEIDING Welstand en Omgevingswet De actualisatie van de welstandsnota voorziet allereerst in een technische aanpassing naar aanleiding van de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. Met de Wabo is het aantal bouwwerken dat zonder vergunning kan worden gerealiseerd flink uitgebreid. Deze regelgeving heeft gevolgen voor de inhoud en doorwerking van bestemmingsplannen en het welstandsbeleid. Vergunningsvrije bouw wil echter niet zeggen regelvrij bouwen. De aanvrager blijft verantwoordelijk dat het bouwplan voldoet aan het bouwbesluit en aan de redelijke eisen van welstand. De regels voor deze vergunningsvrije bouwwerken waren opgenomen in de artikelen 2 en 3 bijlage II Bor. Deze artikelen zijn via de bruidsschat opgenomen onder de Omgevingswet. Welstand in beweging Niet alleen de veranderende wetgeving is van invloed op de welstandstoetsing. Deregulering en zelfs de afschaffing van welstand zijn aan de orde van de dag. In het kader van het actualisatieproces is onderzocht op welke wijze de nota kan worden aangevuld en of aangescherpt. De nota is op drie specifieke punten aangepast.
Welstand in Mook en Middelaar In de nieuwe nota is gekozen voor het motto ‘kort maar krachtig’. Door de nota overzichtelijk, leesbaar en begrijpelijk te houden wordt de toegankelijkheid van het welstandsbeleid vergroot. De aanvrager krijgt nu snel inzicht in de kwaliteiten en waarden van het gebied, het beleid en de toetsingscriteria. Op die manier wordt de drempel verlaagd en gaat van de nota een stimulans uit om voorafgaand aan het ontwerpproces meer te weten te komen over de omgeving waarin gebouwd wordt. Daar komt bij dat vrijwel alle toetsingscriteria alle ‘relatief’ zijn opgesteld. Relatieve criteria schrijven weliswaar dwingend voor op welke aspecten de welstandstoets van de bouwaanvraag plaatsvindt, maar laten initiatiefnemers de ruimte om zelf invulling te geven aan deze aspecten en stimuleren zo de creativiteit van de ontwerper. Om al in een vroeg stadium te kunnen bepalen of en in hoeverre een initiatief past in het welstandsbeleid bestaat voor de aanvrager van een omgevingsvergunning de gelegenheid zijn/haar schetsplan voor te bespreken met de commissie. De gemeente Mook en Middelaar nodigt initiatiefnemers daartoe van harte uit en adviseert de initiatiefnemer daarvoor een afspraak te maken met de secretaris van de commissie.
De volgende aanpassingen zijn doorgevoerd; • De nota is onder paraaf 2.3.3 “criteria bij excessen” aangevuld met een alinea om zichtbare verloedering en ernstige verwaarlozing tegen te gaan, de alinea van “armoedig materiaal” gebruik is verduidelijkt en de alinea “te opdringerige reclame” is aangevuld met schreeuwerige reclames. • De nota is aangevuld met criteria voor “Duurzaamheid”. Dit algemeen setje van aanvullende criteria wordt in een aparte paragraaf toegevoegd die geldt voor elk deelgebied. • In de nota is deelgebied 7 “recreatiegebieden” aangevuld met een paragraaf Mookerplas. Hierin zijn criteria voor bouwwerken op het water opgenomen.
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
7
8
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
1. BELEID EN PROCEDURES 1.1
HET WETTELIJK KADER
1.2
RUIMTE VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT: RELATIEVE CRITERIA
Het welstandstoezicht vindt (sinds 1961) zijn wettelijke grondslag in de Woningwet. Het per 1 oktober 2010 herziene artikel 12a van de Woningwet geeft aan dat de gemeenteraad een welstandsnota met beleidsregels vaststelt, waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij de beoordeling: • of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand; • of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.
In deze nota staat het duurzaam bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit centraal. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. De welstandstoets is een belangrijk instrument bij de instandhouding en bevordering van de belevingswaarde. In deze gemeentelijke welstandsnota is voor de welstandstoets een aantal criteria geformuleerd. Een zinvolle toets is onmogelijk door in absolute termen de criteria vast te leggen waaraan toekomstige ontwikkelingen moeten voldoen. Absolute criteria leveren slechts één mogelijk resultaat op, bijvoorbeeld de bepaling dat de kleur van bijgebouwen in een gebied RAL nummer 7021 moet zijn. Dergelijke absolute criteria zullen in de praktijk meestal minder goed bruikbaar zijn. Een absoluut criterium is weliswaar eenvoudig toetsbaar, maar is ook zeer dwingend.
Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, vervallen de artikelen over welstand in de Woningwet.
Ze laten geen enkele ruimte voor creativiteit of eigen inbreng bij initiatiefnemer of ontwerper, ze laten zelfs geen geringe afwijking toe. Het gebruik van absolute criteria leidt tot uniforme oplossingen en de voortdurende behoefte of noodzaak om van de voorschriften af te wijken. Daarvoor moeten dan weer formele raadsbesluiten worden genomen die tijdrovend en kostbaar zijn, terwijl het gevaar van (ver- meende) willekeur en ongelijkheid op de loer ligt. Daarom is besloten de welstandstoets zoveel mogelijk uit te voeren op basis van zogenaamde relatieve criteria.
De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat . Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daarnaast geldt specifiek voor de welstandsnota overgangsrecht. Dit staat in artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit artikel regelt dat als regels over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt. Dit betekent niet dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet de beleidsregels over de plaatsing van het bouwwerk in de welstandsnota vervallen. Ook deze onderdelen van de welstandsnota worden meegenomen bij de behandeling van de bouwaanvraag (artikel 22.29 van de bruidsschat).
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
Deze criteria schrijven dwingend voor op welke aspecten de welstandstoets van de bouwaanvraag plaatsvindt, maar laten initiatiefnemers de ruimte om zelf invulling te geven aan deze aspecten. Eigen aan het gebruik van dergelijke “relatieve” criteria is dat zij niet uitkomen op één resultaat, maar dat zij meerdere uitkomsten mogelijk maken. Relatieve criteria vragen dus om nadere oordeelsvorming, bijvoorbeeld de bepaling dat kleurgebruik van een bijgebouw hetzelfde karakter moet hebben als dat van het hoofdgebouw. Om een goede kwaliteit van de ontwerpresultaten te bevorderen, kunnen aanvullende richtlijnen worden geformuleerd.
9
1. BELEID EN PROCEDURES 1.3
PER GEBIED VERSCHILLENDE CRITERIA
De relatieve criteria zijn gebiedsgericht en direct gekoppeld aan de beschrijvingen van – en zijn dus ook verschillend voor – elk van de onderscheiden gebieden. Zij dagen de planindieners uit zich bij het ontwerpen te laten inspireren door de beschreven kenmerken van de omgeving. Het is aan de indieners van bouwplannen om hun aanvraag te laten vergezellen van deugdelijk materiaal waarmee zij op overtuigende wijze aantonen aan de criteria te hebben voldaan. Bij het beoordelen van de bouwaanvraag beschouwt het College van Burgemeester en Wet- houders of de planindieners de criteria in acht hebben genomen zoals die in deze nota zijn vastgelegd. Het College van Burgemeester en Wethouders vraagt daarbij advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit.
1.4
VERGUNNINGSPLICHTIGE BOUWPLANNEN GETOETST
Sinds 1 januari 2003 maakten de Woningwet en het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningsplichtige werken het mogelijk zonder preventieve beoordeling door de commissie kleine bouwwerken te bouwen. De invoering van de Wabo in 2010 heeft de categorie vergunningvrije bouwwerken flink uitgebreid en de categorie licht-bouwvergunningplichtige werken laten vervallen. Daarmee bestaat enkel nog het onderscheid tussen vergunningplichtig en -vrij. De Wabo verplicht het college van burgemeester en wethouders vergunningsplichtige aanvragen te toetsen aan redelijke eisen van welstand.
Bouwwerken waarvoor een tijdelijke vergunning zoals in bijlage I van artikel 1.1 van het Bbl, wordt verleend zijn daarentegen welstandsvrij. Voor monumenten en reclame bestaan algemeen geldende criteria die voor de gehele gemeente van toepassing zijn. (zie 2.4 en 2.5) Voor alle overige vergunningsplichtige bouwplannen geldt dat zij aan een gebiedsgerichte welstandstoets onderhevig zijn. In een aantal gevallen zal deze toets meer dan de gebruikelijke aandacht en zorg krijgen. Dit is het geval bij: • bouwwerken op het raakvlak van twee gebieden, of op het raakvlak met een hoofdroute; • bouwwerken aan of nabij bijzondere elementen; • bouwwerken naast of in de nabijheid van monumenten; • bouwwerken in overige gebieden met een hoog ambitieniveau die door de raad als zodanig zijn aangegeven.
De gemeente Mook en Middelaar heeft ervoor gekozen om alle vergunningsplichtige bouwwerken aan welstandseisen te toetsen. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit artikel regelt dat als regels over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt. Dit betekent niet dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet de beleidsregels over de plaatsing van het bouwwerk in de welstandsnota vervallen. Ook deze onderdelen van de welstandsnota worden meegenomen bij de behandeling van de bouwaanvraag (artikel 22.29 van de bruidsschat). 10
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
1. BELEID EN PROCEDURES 1.5
BESTAAND BELEID VOOR DE RUIMTELIJKE KWALITEIT
Het is van belang dat het welstandsbeleid een duidelijke relatie onderhoudt met de overige kaders van het ruimtelijke beleid. Hoewel een welstandsnota zich in principe dient te beperken tot de aanwezige en de eventueel toekomstige bebouwing binnen het gemeentelijk grondgebied, zullen naast de voor de hand liggende documenten zoals bijvoorbeeld de bestemmingsplannen (onder de Omgevingswet: omgevingsplan), ook beleid en visies met betrekking tot de inrichting van het landschap en de kernen hierin een rol kunnen spelen. Er zal immers een verband bestaan tussen de landschappelijke visie en het beleid voor een bepaald gebied, het omgevingsplan dat regelt wat, hoeveel en hoe groot er gebouwd mag worden en de welstandscriteria die kunnen worden beschouwd als een aantal spelregels met betrekking tot het exterieur van de toegestane bebouwing. De doelstellingen van de welstandsnota beantwoorden vanuit die optie ook goed aan de beleidsintenties, gericht op het bevorderen van ruimtelijke kwaliteit, die door de provincie zijn vastgelegd in het Limburgs Kwaliteitsmenu. Voor wat de bebouwing betreft, vormen de bepalingen in het omgevingsplan de kaders waarbinnen de gebiedsgerichte criteria moeten worden ingepast.
Voor een aantal herontwikkelingsgebieden of nieuwbouwlocaties zullen de reeds aanwezige of nog te maken beeldkwaliteitsplannen de kaders vormen waarbinnen de welstandsbeoordeling van bouwplannen zal geschieden.
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
1.6
PROCEDURES
1.6.1
De gemeenteraad stelt het welstandsbeleid vast
Het welstandstoezicht vindt plaats op basis van het door de gemeenteraad vastgestelde beleid dat in deze nota is verwoord en verbeeld. In ieder geval zijn hierin de criteria opgenomen die het College van Burgemeester en Wethouders toepast bij haar beoordeling: • of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand; • of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Indien gewijzigde criteria en richtlijnen worden ontwikkeld, bijvoorbeeld als onderdeel van nieuwe planvorming, zal deze nota worden gewijzigd of aangevuld.
1.6.2 De gemeenteraad ontvangt jaarlijks verslagen betreffende het welstandsbeleid Eenmaal per jaar legt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit de gemeenteraad een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden (artikel 12b, lid 3 van de Woningwet), waarin tenminste wordt uiteengezet op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de criteria. Eveneens eenmaal per jaar legt het College van Burgemeester en Wethouders de gemeenteraad een verslag voor (artikel 22.7 Bruidsschat Omgevingsplan), waarin zij tenminste uiteenzet: • op welke wijze zij is omgegaan met de adviezen van de commissie; • in welke categorie van gevallen zij tot aanschrijving is overgegaan en daarbij de keus heeft gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen de door hen te bepalen termijn en zij bij of na een aanschrijving is overgegaan tot toepassing van bestuursdwang.
1 1
1. BELEID EN PROCEDURES 1.6.3 Het College van Burgemeester en Wethouders voert het welstandsbeleid uit De werkwijze en samenstelling van de commissie, in casu de Adviescommissie Omgevingskwaliteit en de procedurele aspecten van welstandstoezicht zijn verankerd in artikel 22.7 Bruidsschat Omgevingsplan. Zonder vastgesteld welstandsbeleid kunnen bouwaanvragen niet op aspecten van welstand worden beoordeeld. Door het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning wordt door het College van Burgemeester en Wethouders uitvoering gegeven aan het welstandsbeleid. Een besluit wordt pas genomen nadat over de aanvraag advies is ingewonnen bij de Adviescommissie Omgevingskwaliteit. Bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning heeft het College van Burgemeester en Wethouders, binnen de kaders die het door de gemeenteraad vastgestelde beleid aan de kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving stelt, een eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid.
Afwijken van het advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Voor het bevorderen van de kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving in de gemeente is het van belang dat het gemeentebestuur eenduidig en helder is bij de uitvoering van zijn beleid. Daarom is het gebruikelijk dat het College van Burgemeester en Wethouders het advies van de commissie volgt. Burgemeester en wethouders kunnen, mits onderbouwd, afwijken van het welstandsadvies. Dat kan zijn omdat zij van oordeel zijn dat de commissie de van toepassing zijnde criteria onjuist interpreteert of toepast. Dat is dus een afwijking op welstandsgronden waarvoor burgemeester en wethouders de eigen commissie eerst de mogelijkheid bieden voor een heroverweging en daarna een ‘second opinion’ kunnen vragen aan een andere deskundige commissie. Afwijken om andere redenen is ook mogelijk. Burgemeester en wethouders hebben volgens Artikel 22.29 Bruidsschat Omgevingsplan de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met redelijke eisen van welstand toch de vergunning.
12
te verlenen indien zij menen dat daarvoor andere redenen zijn. Dit kan bijvoorbeeld gaan om prevalerende redenen van maatschappelijke of economische aard. Ook deze afwijking moet in de beslissing op de aanvraag deugdelijk worden gemotiveerd.
Afwijken van de welstandscriteria Burgemeester en wethouders kunnen, ook op advies van de commissie, eveneens afwijken van de welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria, maar toch niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. De commissie doet dit alleen wanneer naar haar mening overtuigend is aangetoond dat het betreffende plan een positieve impuls geeft aan de kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving. Zij doet dit op basis van de in paragraaf 2.1 beschreven algemene welstandscriteria voor een hoog ambitieniveau.
1.6.4
Adviescommissie Omgevingskwaliteit
Samenstelling en zittingsduur De gemeenteraad heeft op voordracht van het College van Burgemeester en Wethouders ‘Het Gelders Genootschap’ aangewezen als deskundig orgaan voor de welstandsadvisering. De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid. De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met ten hoogste drie jaar. De rayonarchitect van Het Gelders Genootschap fungeert als secretaris en als gemandateerde van de commissie. De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra deskundigen en/of burgerleden. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit adviseert het College van Burgemeester en Wethouders over de ruimtelijke kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving. De commissie toetst op verzoek van het College van Burgemeester en Wethouders of aanvragen om een omgevingsvergunning voldoen aan redelijke eisen van welstand en of bestaande bouwwerken niet in ernstige
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
1. BELEID EN PROCEDURES mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, conform het in deze nota omschreven beleid. Voorts stimuleert de commissie in een zogenoemd vooroverleg derden om bouwplannen te ontwikkelen die naar het oordeel van de commissie de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving bevorderen. Alle negatieve adviezen worden te allen tijde voorzien van een deugdelijke motivering in woord en (indien nodig ook in) beeld.
overtuigende wijze aantonen dat het plan voldoet aan de criteria en dat het een uitwerking is van het beleid dat in deze nota is vastgelegd. De indieningvereisten voor een aanvraag om omgevingsvergunning zijn vastgelegd in de Ministeriële regeling Omgevingsregeling hoofdstuk 7. Figuur 1
De vergaderingen van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit zijn openbaar. Data, tijdstippen en de locatie van iedere vergadering zijn/worden vastgelegd in een jaarrooster en door de gemeente op de gebruikelijke wijze tijdig openbaar ge- maakt. Daarbij wordt ook aangegeven dat voor inlichtingen over plannen die in de openbare commissievergadering zullen worden behandeld, op de dag voor de vergadering met Bouw- en woningtoezicht contact kan worden opgenomen. De aanvrager of diens gemachtigde heeft tijdens de openbare vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld spreekrecht.
1.6.5
Bouwaanvraag moet deugdelijk worden onderbouwd
In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning toetst de gemeente allereerst of de aanvraag past binnen het door de gemeente vastgestelde omgevingsplan. Wanneer het initiatief daar niet aan voldoet, maar de gemeente wel haar medewerking wil verlenen moet aan de hand van een ruimtelijke onderbouwing of wijziging van het omgevingsplan worden aangetoond dat het plan niet in strijd is met een ‘goede ruimtelijke ordening’. Op het moment dat het bouwplan wel voldoet aan het omgevingsplan legt de gemeente de aanvraag voor aan de commissie die het plan toetst aan de welstandsnota. In figuur 1 is bovengenoemde procedure schematisch weergegeven. De aanvraag voor een omgevingsvergunning dient vergezeld te gaan van deugdelijk ondersteunend materiaal, dat in woord en beeld voldoende inzicht geeft in de voorgenomen bouwwerkzaamheden en het daaraan ten grondslag liggende plan. Vanzelfsprekend is de diepgang van dit ondersteunende materiaal afhankelijk van het belang van de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Het materiaal moet – en dit is ter beoordeling van commissie c.q. rayonarchitect – op Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
1.6.6 De welstandsnota voor de aanvrager van een omgevingsvergunning Als iemand wil weten welke welstandscriteria voor zijn bouwplan gelden, kan hij allereerst via “Digitaal Stelsel Omgevingswet” (DSO) bepalen of het bouwplan vergunningplichtig is. Blijkt dat het geval, dan kan aanvrager in de welstandsnota nagaan welke welstandscriteria gelden. Vervolgens bestaat de mogelijkheid om in een vroeg stadium met de commissie te overleggen hoe in beginsel aan het welstandsbeleid voldaan kan worden. 13
1. BELEID EN PROCEDURES Het resultaat van dit overleg dient vervolgens als input voor het definitieve bouwplan. In onderstaand schema (figuur 2) is deze werkwijze weergegeven. Indien er redenen zijn voor de commissie om een bouwplan af te wijzen, zal deze commissie vanuit haar expertise deze redenen gefundeerd moeten aantonen aan de betrokkenen. Het alleen verwijzen naar criteria is daarbij niet voldoende. Figuur 2
12
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
14
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
2. WELSTANDSCRITERIA 2.1
ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA
Naast de gebiedsgerichte benadering met gerichte toetsingscriteria (zie paragraaf 1.3) zijn er algemeen geldende criteria waaraan bouwwerken kunnen worden getoetst voor situaties waar wordt gekozen voor een hoog ambitieniveau van de architectonische vormgeving. Deze criteria kunnen bijvoorbeeld ook worden toegepast wanneer het plan niet voldoet aan het gebiedsgerichte welstandsbeleid, maar het toch op overtuigende wijze een positieve bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (zie ook paragraaf 2.2). De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd, richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp, en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes.
A.
Relatie tussen vorm, gebruik en constructie
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie.
B.
Relatie tussen bouwwerk en omgeving
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
(stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.
C.
Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen, krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig 15
2. WELSTANDSCRITERIA gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd.
D.
Evenwicht tussen helderheid en complexiteit
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving heeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.
E.
Schaal en maatverhoudingen
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er 16
uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.
F.
Materiaal, textuur, kleur en licht
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggings- kracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of het gebruik hiervan een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
2. WELSTANDSCRITERIA 2.2
HARDHEIDSCLAUSULE
De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling, omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte welstandscriteria. In praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar een bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving, maar door bijzondere schoonheid wel aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit kunnen Burgemeester en Wethouders in zo een geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte welstandscriteria (zie ook paragraaf 1.6.3). In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond.
Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.
2.3
WELSTANDSCRITERIA BIJ EXCESSEN
2.3.1
Handhaving
De gemeente heeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht vastgesteld en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Het is ongewenst dat in gebieden met welstandstoezicht gebouwen ontstaan, welke in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand en door hun buitensporige uitstraling en verschijning hevige reacties oproepen.
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
2.3.2
Excessenregeling bij vergunningsvrije bouwwerken
Ook bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning hoeft te worden aangevraagd moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk dat in “ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand” aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Hiervoor moeten de criteria in de welstandsnota zijn opgenomen.
2.3.3
Criteria bij excessen
Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand indien sprake is van een exces. Hiervan is sprake indien flagrante strijdigheid bestaat met de in deze welstandsnota opgenomen criteria. De gemeente Mook en Middelaar hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft dit betrekking op: • het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving; • het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; • armoedig materiaalgebruik en/of materiaalgebruik dat sterk afwijkt van wat in de omgeving gebruikelijk is. Voorbeelden zijn oud en verweerd plaatmateriaal, zeildoek, golfplaat of het toepassen van industriële materialen in een woonomgeving; • toepassing van felle of contrasterende kleuren; • te opdringerige, schreeuwerige reclames; • een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria). Op de gebiedsgerichte criteria wil de gemeente aanvullende eisen stellen aan plannen binnen de invloedssfeer van monumenten om recht te doen aan de bijzondere waarde van deze objecten.
• Er is sprake van zichtbare verloedering en ernstige verwaarlozing van het uiterlijk van een bouwwerk of de omgeving door achterstallig onderhoud. Dit blijkt bijvoorbeeld uit gedeeltelijk instorting en afbraak, dichtgetimmerde ramen, kapotte ruiten, verrotte of aangetaste hout- en gootconstructies en loszittende en ontbrekende bakstenen en/of dakpannen. 17
2. WELSTANDSCRITERIA 2.4
WELSTANDSCRITERIA MONUMENTEN
Binnen de invloedssfeer van monumenten vraagt de gemeente extra aandacht voor de inpassing van een bouwplan. De gemeente beoogt hiermee de monumenten te beschermen tegen bouwactiviteiten met een negatieve invloed op de ruimtelijke structuur en karakteristiek van de bebouwing. De genoemde criteria gelden als het realiseren van het bouwplan een wijziging is van de structuur en karakteristiek van de directe omgeving van een monument. Voor monumenten geldt dat alle bouwactiviteiten vergunningplichtig zijn. Dit houdt in dat ook kleine bouwplannen vooraf getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. Aanvullende criteria Het bouwplan mag geen afbreuk doen aan het monument, waarbij de Adviescommissie Omgevingskwaliteit het bouwvoornemen in ieder geval zal toetsen aan de volgende criteria: • het bouwplan dient zich te voegen in zijn omgeving en de historische context zoveel mogelijk te respecteren; • het bouwplan mag het monument niet visueel of fysiek afsluiten van zijn omgeving; • het bouwplan mag geen afbreuk doen aan de omgeving door onzorgvuldige detaillering, armoedig materiaalgebruik of felle danwel contrasterende kleuren; • het bouwplan mag niet in tegenstrijd zijn met cultuurhistorische waarden, waaronder die genoemd in de redengevende beschrijving van het monument.
• •
reclame wordt bij voorkeur in het ontwerp van het gebouw meegenomen; reclame-uitingen staan in verhouding staan tot elkaar, de grootte en architectuur van het bedrijfspand. Het totaal aan reclameuitingen is in balans; reclame past in de omgeving en bij het gebouw. Hierbij wordt gekeken naar plaatsing, afmetingen, vormgeving, kleurstelling, materiaalgebruik en detail lering; op of bij een gebouw wordt alleen reclame gemaakt voor het bedrijf en de bedrijfsactiviteiten die ter plekke worden uitgeoefend; reclame op bedrijfsgebouwen wordt op elkaar afgestemd. Dit geldt ook als er meerdere ondernemingen in hetzelfde gebouw zijn gehuisvest. reclame is weerbestendig en wordt deugdelijk onderhouden (bijvoorbeeld: kapotte vlaggen worden vervangen en hetzelfde geldt voor verkleurde reclmeborden); bewegende reclame, daglichtreflecterende reclame, lichtcouranten, lichtreclame met veranderlijk of intermitterend (knipperend) licht en lichtprikkabels zijn niet toegestaan; reclame is geen belemmering voor de verkeersdeelnemers en heeft geen nadelige invloed op de verkeersveiligheid; voor de gevels die grenzen aan de randen van bedrijventerreinen geldt dat de luminescentie van lichtreclame en aangelichte reclame wordt beperkt. De lichtuitstraling mag niet als onevenredig storend worden aangemerkt.
•
• • •
•
• •
2.6
WELSTANDSCRITERIA EN DUURZAAMHEID
2.6.1 Dak- en gevelisolatie aan buitenzijde Het pand maakt deel uit van een bouwblok: • Ga zoveel mogelijk uit van de bestaande gevelindeling en gevelgeleding
2.5
CRITERIA VOOR RECLAME
Reclame laat zich omschrijven als een kortstondige, maar krachtige visuele prikkel. Als aanvulling op andere media versterkt reclame de publiciteit van een bedrijf, winkel of product. Reclame moet het karakter van de ruimte en het dorpsbeeld versterken of er minimaal een neutrale rol in spelen. Voor de plaatsing van reclame gelden in de gemeente Mook en Middelaar de volgende regels: 18
• De goot blijft op dezelfde hoogte als de bestaande goot en/of de goot van het buurpand. • De dakhelling behoud dezelfde hellingshoek. • Afwijking in materiaal, kleur en detaillering is mogelijk, mits de samenhang in het totale gevelbeeld van het bouwblok voldoende behouden blijft en de stedenbouwkundige waarde niet wordt aangetast. Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
2. WELSTANDSCRITERIA Het pand staat vrij:
•
De panelen zijn matzwart en hebben geen rasterpatroon, geen lichte
Verandering van bouwmassa, gevelindeling, gevelgeleding en uitstraling is
randen of lichte accenten en zijn gematteerd uitgevoerd (weinig tot geen
mogelijk, mits:
reflectie).
•
de bestaande stedenbouwkundige waarden niet worden aangetast;
•
•
het pand voldoende past in zijn omgeving en het straatbeeld;
collectoren uit het zicht onder de dakbedekking plaatsen zoals bijvoorbeeld
•
er is sprake van voldoende architectonische kwaliteit.
het Q-roof systeem. •
Wanneer PV-panelen en zonnecollectoren worden gecombineerd, dan
De installatie wordt zodanig gemonteerd dat zo min mogelijk niet-
2.6.2 Zonnepanelen en -collectoren
reversibele schade aan historisch materiaal ontstaat. De aanwezigheid van
Plaatsing van zonnepanelen en -collectoren is vergunningsvrij, behalve op
zonnepanelen in de levenscyclus van monumenten en beschermde
monumenten. Uitgangspunt bij de plaatsing van zonnepanelen op monumenten
gezichten is namelijk van tijdelijke aard. Als ingrepen reversibel zijn, worden
is dat deze niet of beperkt zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied en
de oorspronkelijke waarden weer zichtbaar als de panelen te zijner tijd
geen (wezenlijke) aantasting mogen betekenen van de waardevolle
worden verwijderd.
karakteristieken van het betreffende pand. Dit vraagt om maatwerk.
•
Uit cultuurhistorisch oogpunt waardevolle materialen en detailleringen
Beoordeling vindt plaats aan de hand van de volgende specifieke uitgangspunten
blijven behouden. (uitgaande van het gegeven dat zonnepanelen op termijn
bij monumenten:
worden verwijderd weegt behoud van historisch materiaal zwaarder dan de
•
esthetiek).
Per dakvlak één soort panelen toepassen en allemaal in dezelfde richting plaatsen.
•
Op daken met een bijzondere vorm of afwerking is het plaatsen van
•
De panelen clusteren tot één rechthoekig vlak of strook.
zonnepanelen in principe ongewenst. Dit betreft bijvoorbeeld ronde, spitse
•
Op zijdakvlakken enkele rijen met dakpannen in zicht houden vanaf de
of veelhoekige daken, daken met een bijzonder decoratief patroon of daken
voorgevelrooilijn (richtlijn minimaal 1 meter).
van bijzondere materialen, zoals zeldzame dakpannen, sommige leien
•
Bij schildkappen onder (de verticale projectie van) de nok plaatsen.
daken, de meeste daken van riet, koper, zink of lood.
•
Minimaal 1 pan van de dakrand plaatsen.
•
Minimaal 1 pan onder de nokpan plaatsen.
2.6.3 Warmtepompen, airco’s en andere technische installaties
•
Panelen worden geplaatst onder dezelfde hellingshoek als het dakvlak.
•
•
Op een plat dak, plaatsen op minimaal 50 centimeter vanaf de rand. De
van een omkleding, en past in de schaal en bij de architectuur van het pand
exacte afstand hangt van de hoogte en hellingshoek van de panelen en
en haar omgeving.
(indien van toepassing) de hoogte van de dakrand. •
Houd voldoende afstand (minimaal 0,5 meter) tot objecten in het dakvlak
•
de installatie heeft een onopvallende verschijningsvorm, eventueel voorzien
plaatsen aan de achterzijde of aan de zijkant die niet grenst aan openbaar gebied (achtererfgebied);
zoals schoorstenen, dakkapellen en dakramen. Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
19
2. WELSTANDSCRITERIA •
plaatsen op een onopvallende plek (niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte of door een haag aan het zicht onttrokken), bij voorkeur terugliggend op
Legenda: Welstandsniveau
een plat dak;
Gebied 1 - Linten
2
•
binnen het silhouet van het gebouw;
Gebied 2 - Bebouwing langs de rijksweg
1
•
pas gedekte kleuren toe, afgestemd op het gebouw of neutraal, waardoor
Gebied 3 - Planmatige uitbreidingen
3
de opbouw wegvalt tegen de achterliggende gevel of tegen de lucht;
Gebied 4 - Individuele woningbouw
3
•
bij nieuwbouw integreren in de bouwmassa, de architectuur of het
- Wonen aan de Maas
stedenbouwkundige ontwerp.
2.7
1
Gebied 5 - Bedrijventerrein
2
Gebied 6 - Buitengebied
3
GEBIEDSGERICHTE WELSTANDSCRITERIA
- Agrarisch buitengebied & Zevendal 2 Gebied 7 - Recreatiegebied
2.7.1
De indeling in gebieden
2
Maaslijn
Het gemeentelijk grondgebied is ten behoeve van deze welstandsnota opgedeeld in verschillende welstandsgebieden wat heeft geresulteerd in de welstandskaart (bijlage 1). Ingeval de tekst in de welstandsnota niet één op één overeenkomt met de welstandskaart zal de kaart voor de tekst gelden.
2.6.2
De gebieden zijn in grote lijnen bepaald op basis van een ruimtelijke/architectonische en soms ook functionele samenhang. Een waterdichte, dus exacte methodiek is hiervoor echter niet voorhanden. Voor het buitengebied is vooral een indeling op basis van landschapstypes gehanteerd.
Bij de beschrijvingen per gebied wordt onder het kopje ‘KENMERKEN’ eerst een korte weergave gegeven van de algemene kenmerken en wanneer van belang, de historie. Daarna wordt ingegaan op de voor het beeld bepalende architectonische kenmerken waarmee het zich als welstandsgebied onderscheidt van andere gebieden. De volgende aspecten komen daarbij aan de orde.
Voor de kernen is de indeling met name op basis van bouwperiodes (bijvoorbeeld historische linten en planmatige uitbreidingen) en soms functies (bedrijventerrein) tot stand gekomen. In de onderstaande tabel is de gebiedsindeling te zien en het daar aan toekende welstandsniveau (zie ook paragraaf 2.7.2). De kleuren en arceringen verwijzen naar de welstandskaart, die te zien is in bijlage 1.
20
Water
• •
•
Toelichting op de gebiedsbeschrijvingen
Ruimtelijke opbouw: hier wordt de ruimtelijke verhouding tussen bebouwing en zijn context beschreven. Situering: de positie die de bebouwingselementen op de kavel en ten opzichte van elkaar innemen. Hier komen onderdelen als rooilijnen en overheersende nokrichting aan de orde. Hoofdvorm/gevels/materiaal- en kleurgebruik/detaillering: de evidente architectonische kenmerken van de bebouwing in het betreffende welstandsgebied worden hier beschreven. Het gaat hierbij respectievelijk om de vormkenmerken van het bouwvolume, de architectonische kenmerken van de gevels en tot slot de kleur- en materiaaltoepassing en de rol van het detail in het beeld. Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
2. WELSTANDSCRITERIA In de gebiedsbeschrijving worden tevens de eventueel bijzondere elementen die er in voorkomen benoemd. Onder het kopje ‘WAARDERING’ wordt per gebied aangegeven op welke ruimtelijke en architectonische gronden het gebied wordt gewaardeerd en waarom. Het gaat hierbij om een inhoudelijke waardering, wat inhoudt dat ook eventuele negatieve elementen of invloeden worden gesignaleerd. Op basis van de gebiedsbeschrijving en de aangehangen waardering wordt in relatie met bestaande ruimtelijke beleidsvelden het welstandsbeleid (‘BELEID’) voor dit specifieke gebied geformuleerd in de vorm van de keuze voor een “welstandsniveau”. Dit geeft aan in welke mate de gemeente welstand inzet in een bepaald gebied. Ook kan een welstandsniveau gelden voor een bepaalde groep van bouwwerken of een ruimtelijke structuur. Het welstandsbeleid kent drie welstandsniveaus: •
Welstandsniveau 1: de zware toets
Over het algemeen wordt welstandsniveau 1 (de zware toets) toegekend aan structuren, gebieden en objecten, die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de kern en het buitengebied en aan de Rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Ook gebieden met bijzondere cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige karakteristieken kunnen niveau 1 krijgen. Dit welstandsniveau kan verder worden toegekend aan ontwikkelingsgebieden en reconstructiegebieden; daar waar nieuwe kwaliteit moet ontstaan. Beleid Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken en op de samenhang binnen het gebied of object. In beheersituaties gebeurt dit vooral via regels en toetsing, terwijl in ontwikkelingssituaties het accent ligt op het faciliteren en stimuleren van kwaliteit. Voor alle vergunningsplichtige plannen wordt advies gevraagd aan de commissie. Daarbij wordt zorgvuldig gekeken naar de inpassing in de omgeving, het bouwplan op zichzelf en de detaillering en materialisering ervan.
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
•
Welstandsniveau 2: de reguliere toets
Hieronder vallen gebieden, die vanuit het perspectief van de gehele gemeente geen topprioriteit hebben, maar waar wel aanleiding is om alert te blijven op de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Beleid De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. Daarbij wordt zorgvuldig gekeken naar de invloed op de omgeving en de architectonische uitwerking van het bouwplan. Detaillering en materialisering worden op hoofdlijnen bekeken. • Welstandsniveau 3: de soepele toets De gemeente kan besluiten in bepaalde gebieden bouwplannen alleen op hoofdlijnen te laten toetsen door de commissie en de verantwoordelijkheid voor kleinschalige invullingen en detailleringen hoofdzakelijk bij bewoners en eigenaren te leggen. Een stimuleringsbeleid kan dan gevoerd worden om burgers aan te sporen mee te bouwen aan de ruimtelijke kwaliteit van hun woonomgeving. Ook gebieden die beperkte afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen, kunnen onder niveau 3 vallen. Beleid Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied. De basiskwaliteiten worden per type gebied benoemd en vertaald in welstandscriteria. Bij de welstandstoets wordt vooral gekeken of het bouwplan zijn omgeving niet verstoort.
De welstandscriteria waaraan de bouwplannen worden getoetst, zijn een resultante van de gebiedsbeschrijving, de waardering en het geformuleerde welstandsbeleid. Voor deze criteria wordt aangesloten bij de indeling die is gebruikt voor de beschrijving van de bebouwing, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen situering, hoofdvorm, gevels, materiaal- en kleurgebruik en detaillering. Op deze wijze staan de criteria niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de karakteristiek van het gebied. 21
2. WELSTANDSCRITERIA Situering Hiermee wordt de ligging van de gebouwen ten opzichte van de weg en de omliggende bebouwing bedoeld. Het gaat hier dus om stedenbouwkundige aspecten.
Hoofdvorm Hieronder vallen de criteria die betrekking hebben op de vorm die het gebouw in grote lijnen heeft, zoals het soort dak en de vorm van de plattegrond. Soms is een gebouw samengesteld uit meerdere volumes die ten opzichte van elkaar verspringen. In andere gevallen is sprake van een enkelvoudige massa.
Gevels Het derde niveau behandelt de gevelaanzichten. Hierbij gaat het om de compositie van de gevels. Deze wordt vooral bepaald door de positie van de ramen en grootte ervan.
Materiaal- en kleurgebruik en detaillering Onder opmaak wordt het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering verstaan. Soms gelden voor bijgebouwen ook specifieke gebiedsgerichte criteria ten aanzien van het materiaal- en kleurgebruik. In dat geval wordt dit apart genoemd. De detaillering vertelt iets over de uitwerking van bouwkundige oplossingen.
22
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
3. DE GEBIEDEN
LINTEN GEBIED 1 - LINTEN ALGEMEEN De bebouwingslinten zijn van oudsher belangrijke en karakteristieke ruimtelijke structuren voor de gemeente Mook en Middelaar. De linten kenmerken zich door een open, perceelsgewijze bebouwing die een divers karakter heeft, dat bepaald wordt door de bouwperiode, de architectuur, de situering tot de weg, de massa en het gebruik. De samenhang wordt voornamelijk bepaald door het straatgericht bouwen, de rooilijnen en het kleinschalige karakter, waarbij met name de woonfunctie overheerst.
KENMERKEN 1. Ruimtelijke opbouw De bebouwing heeft een divers karakter, dat bepaald wordt door de bouwperiode, de architectuur, de situering tot de weg, de massa en het gebruik. Voor de vier kernen in de gemeente geldt specifiek: Molenhoek Het belangrijkste knooppunt is de kruising van de Rijksweg en Stationsstraat. Langs het spoor (Lindenlaan) staan enkele karakteristieke gebouwen en bedrijfsgebouwen van net na de Tweede Wereldoorlog. Mook Langs de Kerkstraat / Mortel is sprake van een relatief dicht bebouwingslint dat opener wordt verder van de kerk af. De kerk is het centrale punt in Mook en schakel tussen Rijksweg en de Maas. Langs de wegen staat vrijstaande, individuele bebouwing met een dorpse schaal. Het aanzicht van Mook vanaf de Maas is behoudenswaardig. Dit aanzicht wordt voor een groot deel door de kerk en de bebouwing langs de Kerkstraat en De Hove gevormd. Langs de Groesbeekseweg in Mook is sprake van een afwisseling van kleinschalige oude bebouwing en recentere bebouwing.
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
23
3. DE GEBIEDEN
BEBOUWING LANGS DE RIJKSWEG Plasmolen De bebouwing ligt voornamelijk ten zuiden van de Rijksweg. De Witteweg is de belangrijkste haakse ontsluiting van Plasmolen richting de Rijksweg. Rondom de kruising Witteweg - Rijksweg is de bebouwing divers qua bouwperiode, beeldkwaliteit, grootte, situering en gebruik. Er zijn veel horecagelegenheden en er is bebouwing gerelateerd aan de jachthaven (loodsen). Parallel langs de Rijksweg zijn de Riethorsterweg en de Schildersweg de belangrijkste bebouwingslinten met een open, landelijk karakter. De Muldershofweg maakt onderdeel uit van de villabebouwing. De Zevendalseweg, Sint Maartensweg en Kiekbergsebaan verbinden Plasmolen met het stuwwallencomplex. De bebouwing langs de historische bebouwingslinten is divers met een overwegend agrarische- of woonfunctie. De bebouwing is overwegend vrijstaand en wordt gekenmerkt door een traditionele architectuurstijl. Bijzondere aandacht verdient het voormalige “Mookse Paviljoen”, de voormalige expositieruimte op het eind van de Zevenbergseweg in Plasmolen. Het is een belangrijk gebouw van de architect Dick van Woerkom. Middelaar Het huidige Middelaar heeft de karakteristieken van een esdorp en is opgesplitst door de Tochtgraaf. De kruising Heikantseweg - Witteweg is een markant punt, geaccentueerd door de ligging vanwaar diverse wegen uitwaaieren.
In de overige delen van de linten is de karakteristieke opbouw van wegen met boerderijen en doorkijkjes nog op veel plekken aanwezig. Alleen in Katerbosch en aan de oostzijde van Heikant hebben uit- of inbreidingen plaatsgevonden. Het bebouwingslint heeft een open, landelijk karakter waarbij nog een sterke relatie met het landschap aanwezig is. De bebouwingslinten liggen op de hogere delen. Rondom de kerk van Middelaar is het bebouwingslint onderbroken. De bebouwing staat hier nadrukkelijker gegroepeerd rondom de kerk. In Middelaar staat de bebouwing vrij dicht op de weg en zijn de percelen smaller. De afstand tot de weg en de perceelsgrootte nemen toe verder van het dorp af. Heikant wijkt licht af van dit beeld door het vele groen, bredere percelen en op bepaalde punten grotere afstand tot de weg. Het oostelijke deel van Heikant bestaat uit villabebouwing van recentere datum.
Welstandsnota 2024 - gemeente Mook en Middelaar
3. DE GEBIEDEN
LINTEN
2. Situering De ruimtelijke karakteristiek komt vooral tot uitdrukking in de zelfstandige situering van de bebouwing en het individuele karakter van de panden, die in een lange periode tot stand zijn gekomen.
3. Hoofdvorm/gevel/materiaal en kleurgebruik/detaillering Individuele woningbouw heeft voornamelijk een enkelvoudige bouwmassa met een zadeldak. Op sommige plekken komen ook mansardekappen en in een enkel geval platte daken voor. De architectuur van de bebouwing wordt gekenmerkt door een sterke mate van individualiteit en is overwegend traditioneel van aard en opgebouwd uit dito materialen zoals baksteen in verschillende tinten, (keramische) rode en grijze pannen. Daarnaast komen ook stuc- en sauswerk in (gebroken) witte tinten voor. De detaillering is hoofdzakelijk traditioneel en sober.
Situering (omgevingsplan is maatgevend) • •
Bestaande rooilijn respecteren. Gepaste afstand tussen gebouwen.
•
De massa en vorm van nieuwbouw moeten ingepast worden tussen de bestaande bebouwing. Aan- en uitbouwen, opbouwen, bijgebouwen en overkappingen moeten architectonisch onderdeel zijn van de bestaande compositie.
Hoofdvorm
WAARDERING
•
De linten worden gewaardeerd door de aanwezigheid van de oorspronkelijke bebouwing waarbij de solitaire plaatsing van gebouwen op de kavel, hun individualiteit en de sobere materialisering belangrijk zijn.
Gevel
BELEID Welstandsniveau 2 reguliere toets. Het afwisselende beeld van de linten, de gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken en de samenhang binnen het gebied of object moeten gehandhaafd, gericht veranderd en versterkt worden. Daarbij wordt zorgvuldig gekeken naar de invloed op de omgeving en de architectonische uitwerking van het bouwplan. Detaillering en materialisering worden op hoofdlijnen bekeken. In beheerssituaties gebeurt dit vooral via de welstandscriteria en toetsing, terwijl in ontwikkelingssituaties meer het accent op stimuleren van ruimtelijke kwaliteit moet liggen. Dit kan door de welstandscommissie in een vroeg stadium bij de planvorming te betrekken, maar dit kan ook door het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Een beeldkwaliteitsplan zal alleen bij grotere projecten worden ingezet. Dit zal per project beoordeeld worden.