Bijlage 1j bp Reconstructie N271 Mook - Milsbeek - stikstof.pdf
Tekst van het document
Voortoets en passende beoordeling voor project Reconstructie N271, Plasmolen De Asselen Kuil 10, 6161 RD Geleen EA200061.R02 14 augustus 2020
Voortoets en passende beoordeling voor project Reconstructie N271, Plasmolen De Asselen Kuil 10, 6161 RD Geleen Documentnummer EA200061.R02 14 augustus 2020
Provincie Limburg
Ir. F. Fahner Senior ecoloog
Functie
EA200061.R02
Naam
Paraaf
2 van 35
Inhoud 1
Inleiding ......................................................................... 4
2
Toelichting op het voornemen ............................... 7
3
Relatie tot Natura 2000-gebieden ......................... 10
4
Gevolgen voor habitattypen ................................... 14
4.1
Toetsingskader voor de effectenanalyse
14
4.2
Afbakening verstoringsaspecten en gebieden
14
4.3
Effecten van verstoring: verzuring en vermesting
17
4.4
Effecten van verstoring: geluid
18
4.5
Effecten van verstoring: licht
19
4.6
Effecten van verstoring: trilling
20
4.7
Effecten van verstoring: optische verstoring
20
5
Nadere toetsing verstoring door
stikstofdepositie ................................................................... 21 5.1
Huidige toestand habitattypen
21
5.2
Effectenanalyse: totaalbeeld
22
5.3
Nadere beoordeling habitattypen, algemeen
24
5.4
Nadere beoordeling habitattype Sint Jansberg
25
5.5
Nadere beoordeling habitattypen De Bruuk
27
5.6
Nadere beoordeling habitattypen Oeffelter Meent
29
5.7
Nadere beoordeling habitattype Maasduinen
32
6
Conclusies en vervolgstappen .............................. 34
7
Gebruikte literatuur .................................................. 35
Bijlagen Bijlage 1 Doorloopschema bepaling significantie Bijlage 2 AERIUS berekeningen Bijlage 3 Ligging betrokken habitattypen en ADW Bijlage 4 Instandhoudingsdoelstellingen
EA200061.R02
3 van 35
1 Inleiding Achtergrond, aanleiding en doel
De regionaal verbindende weg N271 loopt van Venlo naar Nijmegen en is een belangrijke verkeersader voor de gemeenten in de kop van Noord-Limburg ten oosten van de Maas, waaronder Mook en Middelaar en Gennep. Vóór de aanleg van de A73 vormde de N271 de belangrijkste verbinding tussen Venlo en Nijmegen, maar sinds de openstelling van deze autosnelweg in zijn geheel, is dat niet meer het geval. De weg vervult op dit moment alleen nog een regionale gebiedsontsluitende functie. De huidige intensiteit op de N271 tussen Milsbeek en Mook, van hmp 117,6 tot 122,0 (zie figuur 1), bedraagt ongeveer 8.000 motorvoertuigen voor een gemiddelde werkdag per etmaal. Aan beide zijden van dit gedeelte van de N271 zijn (brom)fietsvoorzieningen aanwezig in de vorm van éénrichtingsfietspaden. Daarnaast zijn er diverse recreatieve voorzieningen (restaurants, natuur- en recreatiegebieden, midgetgolf, camping etc.) en een tankstation aangelegen. Op het weggedeelte van de N271 tussen Milsbeek en Mook is onderhoud nodig. Tegelijkertijd wordt de weg gedeeltelijk gereconstrueerd om de verkeersveiligheid van de weg in algemene zin te verbeteren conform de principes van Duurzaam Veilig.
Ter hoogte van de pleisterplaats in Plasmolen (tussen km 119,1 en km 120,5) wordt de weg opnieuw ingericht volgens een ‘shared space’ principe, waarbij een verkeersveilige inpassing van fiets- en voetgangersroutes en parkeerplaatsen uitgangspunt is. In deze verkeersruimte komen verschillende verkeerssoorten samen. Tussen Plasmolen en Mook komt aan de zuidzijde een tweerichtingen fietspad, waarbij het huidige fietspad aan de noordzijde van de weg komt te vallen. Daarnaast worden kabels en leidingen verlegd, deze komen zoveel mogelijk in de bermen of gedeeltelijk onder het fietspad. De kabels en leidingen mogen bij voorkeur niet onder asfalt liggen in verband met onderhoud en oplossen problemen. In voorliggend rapport vindt toetsing van het voornemen tot reconstructie ter hoogte van Plasmolen plaats aan de Wet natuurbescherming (Wnb), in het bijzonder de bescherming van Natura 2000-gebieden. De toets wordt uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan. Voor wat betreft de toetsing aan het hoofdstuk betreffende soorten van de Wnb zij verwezen naar het rapport Actualisatie onderzoek natuurwaarden N271 (nr. EA200061.R01), waarin verder ook nog getoetst wordt aan de beleidsdoelstellingen voor het Natuurnetwerk Nederland en de provinciaal beschermde natuurgebieden. In onderstaande figuur is het projectgebied van de reconstructie weergegeven.
EA200061.R02
4 van 35
Figuur 1: Overzichtskaartje met ligging projectgebied voor de reconstructie
Achtergrond voortoets en procedure In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor wat betreft gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Elk Natura 2000-gebied wordt aangewezen door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit wordt, behalve onder andere de ligging van het gebied, vastgesteld welke natuurwaarden in dat gebied beschermd zijn, de zogeheten instandhoudingsdoelen. Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de instandhoudingsdoelen die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. Instandhoudingsdoelen betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. De beoordeling start met een zogeheten ecologische voortoets. Als de AERIUS-berekening aantoont dat een project leidt tot tijdelijke en/of zeer geringe stikstofdepositie op een door stikstof overbelast Natura 2000-gebied, kan het soms toch zo zijn dat significante effecten via een ecologische voortoets kunnen worden uitgesloten. Hierbij wordt rekening gehouden met de staat van instandhouding van de betrokken habitattypen.
Hieronder wordt de inhoud van een dergelijke toets nader toegelicht. Als significant negatieve effecten door stikstofdepositie niet kunnen worden uitgesloten, moet er getoetst worden of de kans bestaat op aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000gebieden. Hierbij moet beoordeeld worden of de stikstofdeposities een risico vormen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Een dergelijke analyse is onderwerp van een ecologische ‘passende beoordeling’. Als de conclusie van de passende beoordeling is dat er geen risico bestaat op aantasting van natuurwaarden, kan de natuurvergunning door het bevoegd gezag worden verleend.
EA200061.R02
5 van 35
De laatst mogelijke stap is de zogenaamde ADC-toets, wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat er toch nog risico bestaat op schade aan Natura 2000-gebieden. Er moet dan wel sprake zijn van: •
het ontbreken van alternatieven;
•
het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang om het project doorgang te verlenen (werkgelegenheid,
volkshuisvesting,
volksgezondheid,
nationale
economische
belangen,
verkeersveiligheid, duurzaamheid); •
de schade aan kwetsbare habitattypen moet gecompenseerd worden door de aanleg van nieuwe natuur binnen of buiten de huidige Natura 2000-gebieden.
Bij het succesvol doorlopen van de ADC-toets kan de natuurvergunning worden verleend. Inhoud Ecologische voortoets In een ecologische voortoets wordt een specifieke onderbouwing gegeven waarin staat aangegeven waarom stikstofdepositie geen significante gevolgen heeft op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Er zijn geen algemene richtlijnen te geven wanneer dat het geval is, omdat het verschillend kan zijn per habitattype, per situatie, de omstandigheden van het geval, de periode waarin het project wordt uitgevoerd en andere omstandigheden. Per situatie moet onderbouwd worden waarom al dan niet sprake is van significante gevolgen. Daarbij moet ook aandacht worden besteed aan mogelijke cumulatie. 1
De doelstelling van de voorliggende voortoets is dat antwoord gegeven wordt op de volgende vragen : •
Wat zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten/habitattypen in de Natura 2000-gebieden?
•
Worden deze doelstellingen gehaald of moet er nog veel gebeuren?
•
Welk effect heeft het initiatief op de soorten en habitattypen? Een activiteit die buiten een Natura 2000gebied plaatsvindt, kan door ‘externe werking’ toch gevolgen hebben voor dat Natura 2000-gebied.
•
Zijn er andere activiteiten die gevolgen hebben voor de soorten en habitats? Het gaat om de optelsom (cumulatie) van de gevolgen van andere initiatieven op een Natura 2000-gebied.
•
Is er sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied (gelet op de doelstellingen en de staat van instandhouding)?
Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de Natura 2000-gebieden benoemd waar negatieve effecten van het projectvoornemen plaatsvinden. Van deze gebieden worden de instandhoudingsdoelstellingen beschreven. Er vindt een analyse plaats van relevante verstoringsaspecten. In hoodstuk2 wordt het voornemen nader toegelicht en in hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden en worden tevens de relevante verstoringsaspecten afgebakend. Hoofdstuk 4 vormt de kern van het rapport, hierin worden de effecten beschreven en wordt voor ieder beïnvloed habitattype nagegaan of er sprake is van een significant (verstorings)effect. Hoofdstuk 5 geeft een beknopte samenvatting van de toets en eventueel te doorlopen vervolgstappen. Bijlage 1 bevat een stappenplan dat doorlopen moet worden om te kunnen bepalen of er sprake is van een significant effect en dat ook als leidraad heeft gefungeerd voor de aanpak beschreven in voorliggend rapport. Bijlage 2 bevat een beschrijving van de in AERIUS Calculator ingevoerde gegevens en worden de resultaten toegelicht. De door AERIUS Calculator gegenereerde rapporten zijn ook als bij;lagen toegevoegd. De systeembestanden (*.gml) zijn beschikbaar. Bijlage 3 bevat verspreidingskaarten van de habitattypen
die
in
de
voorliggende
toets
worden
behandeld
en
in
bijlage
4
zijn
instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken Natura 2000-gebieden weergegeven.
1
deze vragen zijn ontleend aan Factsheet Natura 2000, significantie en Passende beoordeling
(www.commissiemer.nl/docs/mer/diversen/factsheet_05.pdf) al gaat het dan in voorliggend rapport procedureel gezien (nog) niet om een passende beoordeling, zie bovenstaande tekst
EA200061.R02
6 van 35
de
2 Toelichting op het voornemen Gebruiksfase
Er vindt een reconstructie van de N271 plaats in combinatie met groot onderhoud op het traject Milsbeek – Mook, zoals in hoofdstuk 1 aangegeven. Deze werkzaamheden betekenen evenwel niet dat er wijzigingen optreden in de verkeersstromen en de verkeersintensiteit. Alleen in de aanlegfase zijn wijzigingen daarin aan de orde. Omdat er in de gebruiksfase geen wijzigingen zijn, treden er ook geen effecten op. Voor het vervolg van de rapportage is dan ook alleen de aanlegfase relevant. Aanlegfase Uit de AERIUS-berekeningen (zie bijlage 2) blijkt dat de stikstofdemissies met name worden veroorzaakt door het verkeer, aangezien dit wordt omgeleid gedurende de voorgenomen werkzaamheden van de reconstructie van de N271 in kom Plasmolen. De reconstructiewerkzaamheden, waarvoor in hoofdstuk 1 de aanleiding en achtergrond zijn beschreven,
zullen een periode van ongeveer 8 maanden beslaan. Gedurende circa 6
maanden zullen de omleidingsroutes in gebruik zijn. De werkzaamheden zullen naar verwachting vanaf januari 2021 worden uitgevoerd. In voorliggend hoofdstuk volgt een nadere toelichting op het gebruik van de omleidingsroutes. De uitvoering van de werkzaamheden heeft consequenties voor de bereikbaarheid in de regio, aangezien tijdens de reconstructie de weg geheel of gedeeltelijk afgesloten wordt. Op 6.5.2019 is in een overleg tussen de 2
provincie, diverse stakeholders en de verkeersadviseur nagegaan welke mogelijk tijdelijke omleidingsroutes voor autoverkeer beschikbaar zijn. Ook is geïnventariseerd aan welke eisen ten aanzien van de tijdelijke bereikbaarheid voor OV, fiets en hulpdiensten moet worden voldaan. Hieronder worden de resultaten van dit overleg weergegeven. Kijkend naar het verkeersnetwerk rond het werkvak N271, is de A73 de aangewezen hoofdomleidingsstructuur. Ten westen ligt een lokale omleidingsroute via Zwarteweg-Holleweg-Grafwegen-Bredeweg-HerwendaalsewegMooksebaan. In figuur 2 zijn beide routes schematisch ingetekend op een luchtfoto. In rood de omleidingsroute over de A73 (vanaf de N271, via de N264 via Oeffelt over de A73 tot aan Malden). In blauw de omleidingsroute
via
de
Zwarteweg-Holleweg_Grafwegen-Bredeweg-Herwendaalseweg-Mookseweg-
Groesbeekseweg vanaf Gennep via de gemeente Berg en Dal naar Mook. Beide routes zijn ook qua reistijd weergegeven,
2
Besprekingsverslag d.d. 06.05.2019, nummer RM005867 door N. Braan (17.06.2019); aanwezig: Movares adviseurs &
ingenieurs, Gemeente Mook en Middelaar, Gemeente Gennep, Veiligheidsregio Limburg Noord, Provincie Limburg, Rijkswaterstaat, Geonius
EA200061.R02
7 van 35
Figuur 2: Omleidingen, reistijden en omrijdafstanden
In bijlage 2 zijn de (geschatte) verkeersintensiteiten op de omleidingsroutes weergegeven. Voor 2019 gelden de volgende verkeersintensiteiten op de N271 (in motorvoertuigen/etmaal): •
werkdag:
8.185 mvt/etm
•
zaterdag:
6.904 mvt/etm
•
zondag:
6.515 mvt/etm.
Dit betekent dat de gemiddelde verkeersintensiteit 7.763 mvt/etm bedraagt. Hierbij is de verdeling over de te onderscheiden voertuigcategorieën als volgt: •
personenauto’s:
89,8%
•
licht en middelzwaar vrachtverkeer:
7,8%
•
zwaar vrachtverkeer:
2,4%.
EA200061.R02
8 van 35
Materieel en aanvoer materialen Naast verstoring door omgeleid verkeer, vindt ook verstoring plaats door materieel dat wordt ingezet tijdens de reconstructie, die naar verwachting circa 8 maanden zal duren. In bijlage 2 wordt aangegeven om welk type materieel het gaat, waarbij tevens het aantal geschatte draaiuren is gegeven: •
kraan:
2.586 uur (ca. 323 dagen),
•
vrachtauto:
585 uur (73 d),
•
trilplaat:
503 uur (63 d),
•
wals:
312 uur 39 d),
•
asfaltzaag:
276 uur (35 d),
•
asfaltafwerkinstallatie:
104 uur (13 d),
•
asfaltfrees:
47 uur (6 d),
•
tractor:
32 uur (4d).
Tenslotte zijn er transportbewegingen van vrachtauto’s en voor vervoer van het personeel. Deze zijn begroot op respectievelijk 14,3 en 2,8 motorvoertuigen per etmaal. Zie verder bijlage 2.
EA200061.R02
9 van 35
3 Relatie tot Natura 2000gebieden
Het te reconstrueren traject grenst aan Natura 2000-gebied Sint Jansberg (Limburg; zie figuur 3). Op respectievelijk 2,2 km en 3,1 km liggen de Natura 2000-gebieden: Oeffeltermeent (Noord-Brabant) en De Bruuk (Gelderland). Laatstgenoemd gebied ligt tegen de in hoofdstuk 2 beschreven lokale omleidingsroute aan, zie ook bijlage 2. Op grotere afstand liggen, naar het zuiden, de Limburgse Natura 2000-gebieden Zeldersche Driessen en Maasduinen. Behalve de Zeldersche Driessen zijn dit de Natura 2000-gebieden waarvoor een stikstofdepositie >0,00 mol N/ha/jaar berekend is (zie bijlage 2).
Figuur 3: Relatie van het projectgebied tot dichtst bij gelegen Natura 2000-gebieden
Instandhoudingsdoelstellingen In onderstaande tabel 1 zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de vijf genoemde gebieden beknopt weergegeven (zie ook bijlage 4). Het betreft zowel habitattypen als soorten van de Habitatrichtlijn. Voor het gebied Sint Jansberg gelden de Galigaanmoerassen, Hoogveenbossen en Vochtige alluviale bossen als prioritaire typen. Voor De Bruuk gaat het om de Heischrale graslanden en de Vochtige alluviale bossen. Voor de Oeffeltermeent en de Zeldersche Driessen zijn de stroomdalgraslanden en voor de Maasduinen de Stroomdalgraslanden, de Actieve hoogeven, de Hoogveenbossen en de Vochtige alluviale bossen de prioritaire typen.
EA200061.R02
10 van 35
Veegbesluit In verschillende Natura 2000-gebieden blijken habitattypen en habitatrichtlijnsoorten voor te komen die (nog) niet waren opgenomen in de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden. Daardoor waren deze habitattypen en -soorten ook niet opgenomen in de PAS gebiedsanalyses. In een kamerbrief heeft de minister aangegeven dat aan de betreffende habitattypen en –soorten niet hoeft te worden getoetst. Deze worden in 3
de voorliggende toets verder buiten beschouwing gelaten . Tabel 1: Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied Toelichting: •
*= prioritair habitattype
•
oppervlakte: 0 = behoud oppervlakte, + = uitbreiding oppervlakte
•
kwaliteit: 0 = behoud kwaliteit, + = verbetering kwaliteit
•
leefgebied: 0 = behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie, + = uitbreiding verspreiding, omvang en verbetering van het leefgebied, n = behoud populatie is niet van toepassing
•
aantal bp = aantal broedparen (bij vogels)
Sint-Jansberg Code Omschrijving
Instandhoudingsdoelstelling oppervlakte
kwaliteit
omvang en kwaliteit leefgebied
H7210
*Galigaanmoerassen
0
0
n
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
0
+
n
H91E0C
*Vochtige alluviale bossen
0
+
n
H1016
Zeggekorfslak
0
+
0
H1083
Vliegend hert
+
+
+
0
+
n
Veegbesluit (zie tekst): H91D0
Hoogveenbossen
De Bruuk Code
Omschrijving
H6410
Blauwgraslanden
Instandhoudingsdoelstelling oppervlakte
kwaliteit
omvang en kwaliteit leefgebied
+
+
n
Veegbesluit (zie tekst): H6230
*Heischrale graslanden
0
0
n
H6430A
Ruigten en zomen (moerasspirea)
0
0
n
H7140A
Overgangs- en trilvenen
0
0
n
H7230
Kalkmoerassen
0
0
n
H91E0C
*Vochtige alluviale bossen
0
+
n
3
Voor de betreffende habitattypen moet nog een definitief besluit (het zogenaamde ‘veegbesluit’ of ‘Wijzigingsbesluit
Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden’) worden genomen door het kabinet. De minister heeft november 2019 aangegeven dat het kabinet daarvoor een zorgvuldige afweging wil maken en dat dit besluit het komende jaar zal worden genomen.
EA200061.R02
11 van 35
Oeffelter Meent Code Omschrijving
Instandhoudingsdoelstelling oppervlakte
kwaliteit
omvang en kwaliteit leefgebied
H6120
*Stroomdalgraslanden
+
+
n
H6510
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
+
+
n
H1149
Kleine modderkruiper
0
0
0
H1166
Kamsalamander
0
0
0
H1337
Bever
0
0
0
Zeldersche Driessen
Code
Omschrijving
Instandhoudingsdoelstelling oppervlakte
kwaliteit
omvang en kwaliteit leefgebied
H6120
*Stroomdalgraslanden
+
+
n
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
=
=
n
H91F0
Droge hardhoutooibossen
=
=
n
H6430C
Ruigten en zomen - droge bosranden
+
=
n
Maasduinen Code Omschrijving
Instandhoudingsdoelstelling oppervlakte
kwaliteit
populatie/aantal bp
H2310
Stuifzanden met struikhei
+
+
n
H2330
Zandverstuivingen
+
+
n
H3130
Zwakgebufferde vennen
+
+
n
H3160
Zure vennen
+
+
n
H4030
Droge heiden
+
+
n
H6120
*Stroomdalgraslanden
=
=
n
H7150
Pioniervegetaties met snavelbiezen
=
=
n
H91D0
*Hoogveenbossen
=
+
n
H4010A
Vochtige heiden
+
+
n
H7110B
*Actieve hoogvenen
+
+
n
H91E0C
*Vochtige alluviale bossen
=
=
n
H1042
Gevlekte witsnuitlibel
+
+
>
H1149
Kleine modderkruiper
=
=
=
H1163
Rivierdonderpad
=
=
=
H1166
Kamsalamander
+
+
>
H1337
Bever
=
=
>
H1831
Drijvende waterweegbree
=
=
=
A004
Dodaars
=
=
50
A008
Geoorde fuut
=
=
7
A224
Nachtzwaluw
=
=
30
A236
Zwarte specht
=
=
35
A246
Boomleeuwerik
=
=
100
A249
Oeverzwaluw
=
=
120
A276
Roodborsttapuit
=
=
85
A338
Grauwe klauwier
+
+
3
EA200061.R02
12 van 35
Veegbesluit (zie tekst) H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
=
=
n
H9190
Oude eikenbossen
=
=
n
H91F0
Droge hardhoutooibossen
=
=
n
H6430A
Ruigten en zomen - moerasspirea
=
=
n
H6430C
Ruigten en zomen - droge bosranden
=
=
n
EA200061.R02
13 van 35
4 Gevolgen voor habitattypen 4.1 Toetsingskader voor de effectenanalyse Het toetsingskader wordt kortweg gevormd door de Wet natuurbescherming, in het bijzonder de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9. In de onderhavige voortoets wordt de ingreep getoetst aan de instandhoudingsdoelen voor habitattypen en –soorten, zoals vermeld in de aanwijzingsbesluiten. Uitgangspunt is dat de natuurlijke kenmerken worden aangetast, als de ingreep leidt tot het (mogelijk) niet kunnen behalen van de instandhoudingsdoelen, althans niet zonder nadere instandhoudingsmaatregelen. Er is in dat geval sprake van significante effecten. In beginsel wordt uitgegaan van de definitie van significantie, zoals die door het Steunpunt Natura 2000 is geformuleerd:“Een significant negatief effect is een wezenlijke verslechtering van de kwaliteit en/of vermindering van de omvang van een habitattype zoals bedoeld in het instandhoudingsdoel ten gevolge van menselijk handelen, afhankelijk van de staat van instandhouding en de trends en natuurlijke fluctuaties in omvang/kwaliteit van habitattypen dan wel populatie-omvang van soorten”.
4.2 Afbakening verstoringsaspecten en gebieden Het voornemen behelst de reconstructie van een bestaande weg om een voor het verkeer veiliger situatie te creëren. Afgezien van een gering verlies aan groen (wegbermen en kappen van bomen), zijn er geen structurele effecten, aangezien de verkeersintensiteiten door het voornemen in principe niet wijzigen en ook de toegestane maximum snelheid niet zal veranderen. Wel zullen er in de aanlegfase effecten zijn die te maken hebben met verstoring (met name geluid) en extra uitstoot van stikstof, in verband met vervoersbewegingen door vrachtauto’s voor aanvoer van materiaal en de inzet van allerlei materieel. Om inzicht te krijgen in de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, is de zogenaamde Effectenindicator 4
opgesteld . Bij dit instrument worden een achttiental verstoringsaspecten onderscheiden. Ook kunnen activiteiten gekozen worden, waarbij dan door de Effectenindicator de relevante verstoringsaspecten vermeld worden met de gevoeligheid van de habitattypen en soorten voor het betreffende aspect. Bij de activiteit ‘weg’ worden de volgende verstoringsaspecten relevant geacht: oppervlakteverlies (1), versnippering (2), verzuring door N-depositie uit de lucht (3), vermesting idem (4), verontreiniging (7), verdroging (8), verstoring door geluid (13), verstoring door licht (14), verstoring door trilling (15), optische verstoring (16) en verandering in populatiedynamiek (18). In onderstaande tabel 2 wordt de relevantie van de hier genoemde verstoringsaspecten nader toegelicht.
4
https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicator.aspx. N.B. (Disclaimer) De effectenindicator geeft géén informatie over de daadwerkelijke schadelijke effecten van een activiteit noch over de significantie hiervan. Hiervoor is maatwerk vereist. De effectenindicator geeft alleen generieke informatie over mogelijke effecten van de activiteit. Uit de effectenindicator kan dus niet op voorhand worden afgeleid of een activiteit schadelijk is.
EA200061.R02
14 van 35
Tabel 2: Afbakening verstoringsaspecten Verstoringaspecten Relevant aspect? oppervlakteverlies (1) nee versnippering (2)
nee
verzuring (3) en vermesting (4) verontreiniging (7)
mogelijk
verdroging (8)
nee
verstoring door geluid (13)
mogelijk
verstoring door licht (14)
mogelijk
verstoring door trilling (15)
mogelijk
optische verstoring (16)
mogelijk
verandering in populatiedynamiek (18)
nee
nee
Argumentatie/toelichting werkzaamheden vinden buiten Natura 2000-gebieden plaats er wordt geen extra infrastructuur aangelegd en de werkzaamheden vinden ook buiten Natura 2000-gebieden plaats, hierdoor is er geen sprake van nieuwe doorsnijdingen en toename van versnippering toename in stikstofdepositie is niet uit te sluiten werkzaamheden vinden buiten Natura 2000-gebieden plaats, geen sprake van toename van zware metalen, organische stoffen of strooizout als gevolg van voornemen geen sprake van bemaling ten behoeve van voornemen werkzaamheden vinden langs Natura 2000-gebieden plaats, reikwijdte geluid moet uitwijzen of er een significant effect is werkzaamheden vinden langs Natura 2000-gebieden plaats, reikwijdte licht moet uitwijzen of er een significant effect is werkzaamheden vinden langs Natura 2000-gebieden plaats, reikwijdte trilling moet uitwijzen of er een significant effect is werkzaamheden vinden langs Natura 2000-gebieden plaats, reikwijdte optische verstoring moet uitwijzen of er een significant effect is geen sprake van verandering in populatiedynamiek als gevolg van werkzaamheden
Uit deze tabel blijkt dat de aspecten oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging en verandering in populatiedynamiek buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Voor de overblijvende, relevante aspecten is de gevoeligheid weergegeven in tabel 3. Verder kan nog worden opgemerkt dat de verstoringsaspecten 13, 14, 15 en 16 alleen relevant kunnen zijn, voor wat betreft eventuele negatieve gevolgen, voor Natura 2000-gebied Sint-Jansberg, aangezien de overige gebieden dusdanig ver weg liggen, dat er redelijkerwijs geen sprake kan zijn van verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring en verandering in populatiedynamiek. Tabel 3: Gevoeligheid habitattypen en –soorten voor verstoring Toelichting: •
(3) = verzuring, (4) = vermesting, (13) = verstoring door geluid, (14) = verstoring door licht, (15) verstoring door trilling, (16) = optische verstoring
•
G = gevoelig, ZG = zeer gevoelig, NG = niet gevoelig, O = onbekend, blanco = n.v.t.
Sint-Jansberg Code Type/soort
(3)
(4)
H7210
Galigaanmoerassen
G
G
G
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
NG
G
G
H91E0C Vochtige alluviale bossen
G
G
G
H1016
Zeggekorfslak
G
G
0
0
0
G
H1083
Vliegend hert
NG
G
NG
NG
G
G
(13)
(14)
(15)
De Bruuk Code Type/soort
(3)
(4)
H6410
G
ZG
Blauwgraslanden
EA200061.R02
15 van 35
(13)
(14)
(15)
(16)
(16) G
Oeffelter Meent Code Type/soort
(3)
(4)
H6120
Stroomdalgraslanden
ZG
ZG
G
H6510
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
G
G
G
H1149
Kleine modderkruiper
G
G
ZG
G
ZG
G
H1166
Kamsalamander
ZG
ZG
0
0
0
0
H1337
Bever
NG
NG
G
NG
ZG
G
Zeldersche Driessen Code Type/soort
(3)
(4)
(13)
(14)
(15)
(16)
H6120
*Stroomdalgraslanden
ZG
ZG
G
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
NG
G
G
H91F0
Droge hardhoutooibossen
G
G
G
H6430C
Ruigten en zomen - droge bosranden G
G
G
(13)
(14)
(15)
(16)
Maasduinen Code Type/soort
(3)
(4)
H2310
Stuifzanden met struikhei
NG
ZG
G
H2330
Zandverstuivingen
G
ZG
G
H3130
Zwakgebufferde vennen
ZG
ZG
G
H3160
Zure vennen
ZG
ZG
G
H4010A
Vochtige heiden
ZG
ZG
G
H4030
Droge heiden
ZG
ZG
G
H6120
*Stroomdalgraslanden
ZG
ZG
G
H7110B
*Actieve hoogvenen
NG
ZG
G
H7150
Pioniervegetaties met snavelbiezen
G
G
G
H91D0
*Hoogveenbossen
NG
G
G
H91E0C
Vochtige alluviale bossen
G
G
G
H1042
Gevlekte witsnuitlibel
NG
ZG
O
O
O
G
H1149
Kleine modderkruiper
G
G
ZG
G
ZG
G
H1163
Rivierdonderpad
NG
NG
G
O
G
O
H1166
Kamsalamander
ZG
ZG
O
O
O
O
H1337
Bever
NG
NG
G
NG
G
ZG
H1831
Drijvende waterweegbree
ZG
ZG
A004
Dodaars
ZG
ZG
NG
G
NG
NG
A008
Geoorde fuut
ZG
ZG
NG
G
NG
NG
A224
Nachtzwaluw
ZG
ZG
G
G
NG
NG
A236
Zwarte specht
ZG
ZG
G
G
NG
NG
A246
Boomleeuwerik
ZG
ZG
NG
G
NG
NG
A249
Oeverzwaluw
ZG
ZG
NG
G
ZG
NG
A276
Roodborsttapuit
ZG
ZG
G
G
G
NG
A338
Grauwe klauwier
ZG
ZG
G
G
NG
NG
EA200061.R02
16 van 35
(13)
(14)
(15)
(16)
4.3 Effecten van verstoring: verzuring en vermesting De habitattypen die in de omgeving van het projectgebied liggen, worden allen als “gevoelig” respectievelijk “zeer gevoelig” voor stikstofdepositie beschouwd. De kritische depositiewaarde ligt lager dan respectievelijk 2.400 en 1.400 mol/ha/jaar. Er zijn berekeningen uitgevoerd met AERIUS Calculator (zie bijlage 2). In deze AERIUS berekening zijn stikstofdeposities berekend op habitat- en leefgebiedtypen van vijf omliggende Natura 2000-gebieden, zoals in hoofdstuk 1 vermeld. Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de resultaten (zie bijlage 2, tabel b4). Met een kleurarcering is de mate van gevoeligheid van de betreffende habitattypen voor stikstofdepositie weergegeven (rood = zeer gevoelig, geel = gevoelig). In bijlage 3 zijn verspreidingskaartjes opgenomen van de ligging van de betrokken habitat- en leefgebiedtypen, deze kaartjes zijn ontleend aan AERIUS Calculator. In tabel 4 zijn alleen de habitat- en leefgebiedtypen vermeld waarvoor een stikstofdepositie >0,00 mol N/ha/jaar is berekend. Verder zijn de kritische depositiewaarden (KDW) en achtergronddepositiewaarden (ADW) weergegeven. De ADW is ontleend aan AERIUS Calculator door per habitattype na te gaan wat de range is. In de meeste gevallen liggen de habitattypen verspreid over meerdere hexagonen (zie bijlage 3).
Tabel 4: Berekende stikstofdeposities in mol N/ha per Natura 2000-gebied en per habitattype Toelichting: •
KDW = kritische depositiewaarde in mol N/ha/jaar (naar: Van Dobben et al. 2012)
•
ADW = achtergronddepositiewaarde in mol N/ha/jaar (range)
•
%KDW = verandering in de maximale depositie gedeeld door de Kritische Depositie Waarde van dit type habitat
•
max = de hoogste depositie in één van de hexagonen (piekwaarde) binnen dit habitat in mol/ha/jaar
•
gem = de totale depositie (som van de depositiebijdrage van de ingevoerde emissiebronnen en de
achtergronddepositie) van het habitat gedeeld door het aantal hexagonen in mol/ha/jaar Habitattype KDW ADW %KDW
Max
Gem
range (min – max)
Sint-Jansberg H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
1429
1780
2650
-0,1
3,60
-1,86
1071
1450
2096
0,0
0,06
0,00
H6120 Stroomdalgraslanden
1286
1400
1520
0,0
0,15
0,10
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
1429
1360
1650
0,0
0,18
-0,04
1071
1350
2020
0,0
0,01
0,01
De Bruuk H6410 Blauwgraslanden
Oeffelter Meent
Maasduinen H4030 Droge heiden
Uit deze tabel blijkt dat er overschrijdingen zijn berekend voor in totaal 5 habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld in de aanwijzingsbesluiten. De hoogste depositie (> 1mol) wordt berekend voor het habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst (Sint Jansberg). De deposities op de habitattypen van de Oeffelter Meent zijn een factor 10 à 20 lager en die op de habitattypen van De Bruuk en Maasduinen een factor 100 à 200 en deze laatste zijn te typeren als ‘zeer gering’. Wordt de ADW vergeleken met de KDW (zie tabel 4), dan blijkt er sprake te zijn van een matig tot sterk overbelaste situatie, tot wel 100% overschrijding, met name voor de habitattypen van Maasduinen.
EA200061.R02
17 van 35
Aangenomen wordt dat een ‘niet-verwaarloosbare toename’ van de stikstofdepositie zal bijdragen aan een verdere verslechtering van de kwaliteit en kan leiden tot een afname van het aanwezige areaal. Deze‘nietverwaarloosbare toename’ is dan strijdig met instandhoudingsdoelen gericht op verbetering kwaliteit en/of uitbreiding oppervlak en leidt in beginsel tot een significant negatiefeffect. Onduidelijk is wanneer gesproken kan worden van een ‘niet-verwaarloosbare toename’. In het algemeen kan gesteld worden dat vegetaties vooral gevoelig zijn voor veranderingen in stikstofdepositie in situaties rond de kritische depositiewaarde. Het bufferend vermogen van de bodem speelt hierbij mede een rol. In gebieden met zwak gebufferde bodems kan stikstofdepositie bijdragen aan verzuring en daarmee een sterker effect hebben op de kwaliteit van habitats dan in gebieden met sterk gebufferde bodems. In de gebieden Sint-Jansberg en Oeffelter Meent is over het algemeen sprake van laatstgenoemde situatie. In gebieden of locaties waarin de kritische depositiewaarde ver wordt overschreden, is er in feite sprake van een sterk verstoorde situatie. In dergelijke sterk verstoorde situaties zullen effecten als gevolg van een (beperkte) verandering in depositie relatief gering zijn. Een eenduidige ondergrens voor alle habitattypen is echter niet te geven.
Voor de bepaling van de significantie van een effect is door Steunpunt Natura 2000 een generiek stappenplan opgesteld. Dit is vooralsnog het enige beschikbare toetsingskader en wordt, voor zover mogelijk en voor zover van toepassing doorlopen. De te volgen stappen zijn in bijlage 1 weergegeven. Ten aanzien van de actuele situatie kan verwezen worden naar bovenstaande tabel 4. In hoofdstuk 5 zal verder worden ingegaan op de vraag of er een mogelijk significant effect is door de toename van stikstofdepositie op de betrokken habitattypen.
4.4 Effecten van verstoring: geluid Er is in de aanlegfase sprake van een mogelijke verstoring door geluid, zie hoofdstuk 2 om welke bronnen het gaat. Het aspect verstoring door geluid is niet relevant ten aanzien van habitattypen. Tijdens de aanleg is het geluidsniveau niet wezenlijk hoger dan het huidige niveau. Er is weliswaar sprake van inzet van machines (rijdend materieel), maar anderzijds zal door de omleiding van het verkeer een substantieel deel van de reguliere geluidsproductie wegvallen. Uit tabel 3 (par. 4.2) blijkt dat het vliegend hert als ‘niet gevoelig’ wordt aangemerkt, terwijl van de zeggekorfslak de gevoeligheid onbekend is. Het typische habitat van de zeggekorfslak, Grote-zeggenmoeras, is vermoedelijk
niet
aanwezig
binnen
het
gebied
Sint
Jansberg
(behoort
niet
tot
de
instandhoudingsdoelstellingen), het enigszins vergelijkbare type H7210 Galigaanmoerassen ligt op enige afstand (minimaal 100 meter, de Geuldert, zie onderstaande figuur 4) van het te reconstrueren traject. De geluidsbelasting is op de kortste afstand van 100 m zeer tijdelijk, terwijl het betreffende moerasgebied verdiept ligt (zie foto 1) en er tussen De Geuldert en de weg huizen staan, zodat er sprake is van enige demping. Of de zeggekorfslak gevoelig is voor geluid is dus niet bekend, maar gezien het tijdelijke karakter en de hiervoor genoemde factoren, kunnen negatieve gevolgen voor de zeggekorfslak redelijkerwijs worden uitgesloten.
EA200061.R02
18 van 35
Figuur 4: Ligging habitattype Galigaanmoerassen in Natura 2000-gebied Sint-Jansberg (gele vlak; bron: AERIUS Calculator)
Foto 1: Zicht op het moerasgebied Geuldert vanaf de Schildersweg
4.5 Effecten van verstoring: licht Tijdens de aanlegfase is er sprake van mogelijke verstoring door licht, zie hier boven om welke bronnen het gaat. Men mag overigens aannemen dat werkzaamheden bij daglicht plaatsvinden en bij hoge uitzondering in de avond en nacht, bijvoorbeeld indien de weg volledig moet worden afgesloten. In dat geval zullen tijdelijk bouwlampen worden ingezet. Ook het aspect verstoring door licht is niet relevant ten aanzien van habitattypen. Uit tabel 3 (hoofdstuk 3) blijkt dat het vliegend hert als ‘niet gevoelig’ wordt aangemerkt, terwijl van de zeggekorfslak de gevoeligheid onbekend is. Het typische habitat van de zeggekorfslak, Grote-zeggenmoeras, is vermoedelijk
niet
aanwezig
binnen
het
gebied
Sint
Jansberg
(behoort
niet
tot
de
instandhoudingsdoelstellingen), het enigszins vergelijkbare type H7210 Galigaanmoerassen ligt op enige afstand (circa 130 meter) van het te reconstrueren traject. Gezien deze afstand en de bufferende werking van het tussenliggende bosgebied – de weg ligt hier langs de bosrand – en ook het tijdelijke karakter van de verstoring,
EA200061.R02
19 van 35
waarbij bovendien slechts zeer incidenteel verlichting wordt toegepast, kunnen negatieve gevolgen voor de zeggekorfslak redelijkerwijs worden uitgesloten, mocht deze soort bij nader inzien gevoelig blijken te zijn voor licht.
4.6 Effecten van verstoring: trilling Het gaat bij trillingen alleen om een tijdelijk effect, namelijk bij de aanleg, bijvoorbeeld door de toepassing van een trilwals (zie hoofdstuk 2). Ook het aspect verstoring door trilling is niet relevant ten aanzien van habitattypen. Uit tabel 3 (hoofdstuk 3) blijkt dat het vliegend hert gevoelig is en van zeggekorfslak is de gevoeligheid onbekend. Het is onbekend of het vliegend hert in de directe nabijheid van de weg voorkomt, vooralsnog zijn hiervoor geen aanwijzingen omdat direct langs de weg geen oude eiken in de bosrand staan. Gegevens over het voorkomen van het vliegend hert zijn niet beschikbaar in de database van NDFF. Gelet op de aard van de ondergrond (zandbodems), waardoor trillingen op korte afstand uitgedoofd zijn, de vermoedelijk grote afstand tot geschikte bomen voor het vliegend hert en het tussengelegen bosgebied dat als absorberende buffer voor trillingen fungeert, is het zeer aannemelijk dat negatieve gevolgen voor het vliegend hert niet aan de orde zijn.
4.7 Effecten van verstoring: optische verstoring Het gaat bij optische verstoring alleen om een tijdelijk effect, namelijk bij de aanleg (zie boven). Uit tabel 3 (hoofdstuk 3) blijkt dat alle habitattypen en –soorten gevoelig zijn voor deze vorm van verstoring. Voor de meeste typen en soorten kan echter worden gesteld dat verstoring is uit te sluiten, aangezien de habitattypen c.q. leefgebieden niet direct langs de weg voorkomen. Voor dichterbij gelegen typen en soorten geldt dat, vanwege de tussenliggende bosstrook (wat betreft de Sint-Jansberg), negatieve effecten redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet aan de orde.
EA200061.R02
20 van 35
5 Nadere toetsing verstoring door stikstofdepositie
In de hierna volgende paragraaf wordt eerst een totaalbeeld geschetst van de betrokken habitattypen. De projectbijdrage wordt daarbij tegen het licht gehouden van de actuele situatie met betrekking tot de achtergronddepositie, de te verwachten trend daarin en wordt ingegaan op het mogelijk effect van een zeer lage, tijdelijke depositie (zie met name het tekstkader). In de daarna volgende paragrafen volgt dan een beoordeling per habitattype (en per Natura 2000-gebied).
5.1 Huidige toestand habitattypen In onderstaande tabel 5 is de huidige situatie van de betrokken 5 habitat- en leefgebiedtypen van tabel 4 (par. 4.3) weergegeven. In de laatste drie kolommen is informatie opgenomen over het instandhoudingsdoel en de 5
staat van instandhouding. De informatie is ontleend aan de PAS-gebiedsanalyses , Natura 2000-beheerplannen en aan de website www.natura2000.nl (zie ook de bronnenlijst in het laatste hoofdstuk). Tabel 5: Huidige toestand van de habitattypen die beïnvloed worden Toelichting •
afkortingen: kwal = kwaliteit, Lsvi = landelijke staat van instandhouding, onbek = onbekend, opp = oppervlakte (ha in huidige situatie); %overb = percentage van het areaal dat is overbelast door stikstofdepositie in 2020
•
symbolen: Doel: = behoud, > uitbreiding oppervlakte resp. verbetering kwaliteit; Lsvi: -- zeer ongunstig, - matig
ongunstig, + matig gunstig Habitattype
Huidige situatie
Doel
Lsvi
code
omschrijving
Natura 2000-gebied
opp
%overb
opp
kwal
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
Sint Jansberg*)
127,6
100%
=
>
+
H6410
Blauwgraslanden
De Bruuk
10
100%
>
>
--
H6120
Stroomdalgraslanden
Oeffelter Meent
3,3
32%
>
>
--
H6510A
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden Droge heiden
Oeffelter Meent
3,7
5%
>
>
-
Maasduinen*)
475
100%
>
>
--
H4030 *)
voor gebieden Sint-Jansberg en Maasduinen is nog geen beheerplan beschikbaar
Uit tabel 5 blijkt dat het type waarop de hoogste stikstofdepositie berekend wordt, te weten H9120 (zie tabel 4) met een relatief grote oppervlakte vertegenwoordigd is in Natura 2000-gebied Sint-Jansberg. De landelijke staat van instandhouding van dit type wordt als ‘matig gunstig’ gekwalificeerd en de trend in de kwaliteit ervan 5
Hoewel de houdbaarheid van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) door de uitspraak van de Raad van State op 17 mei
2017 onderuit is gehaald, aangezien de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt strijdig is verklaard met artikel 6 van de Habitatrichtlijn, zijn de onderzoeken die aan de PAS gebiedsanalyses ten grondslag liggen nog wel bruikbaar.
EA200061.R02
21 van 35
wordt als stabiel beoordeeld. Voor drie van de in tabel 4 genoemde typen is de landelijke staat van instandhouding zeer ongunstig (H4030, H6120 en H6410).
5.2 Effectenanalyse: totaalbeeld Algemeen Stikstofdepositie vormt een knelpunt voor habitattypen en leefgebieden van Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten indien de kritische depositiewaarde (KDW) van deze stikstofgevoelige typen en soorten wordt overschreden. Verzuring en/of vermesting kunnen hiervan het gevolg zijn. De omvang van dit knelpunt is landelijk berekend met behulp van het programma AERIUS. Projectbijdrage stikstofdepositie ten opzichte van actuele belasting In tabel 6 zijn nogmaals de KDW’s van de betrokken habitattypen weergegeven, tezamen met de overschrijding in de huidige situatie en de bijdrage van het project. Tabel 6: Depositiebijdrage van het project afgezet tegen de overschrijding KDW in de actuele situatie Toelichting afkortingen: dep = depositie in mol N/ha/jaar (= KDW * %KDW/100), over = overschrijding (= dep minus KDW), max dep = de hoogste depositie in één van de hexagonen (piekwaarde) binnen dit habitat in mol/ha/jaar (zie tabel 1); zie voor beide laatste kolommen de tekst Habitattype
Actuele situatie
Bijdrage project
code
omschrijving
Natura 2000-geb
KDW
%KDW
dep
over
max dep
%
%opp
H9120
Sint Jansberg
1429
188,0
2692
1263
3,60
0,285
3
H6410
Beuken-eikenbossen met hulst Blauwgraslanden
De Bruuk
1071
195,7
2096
1025
0,06
0,006
25
H6120
Stroomdalgraslanden
Oeffelter Meent
1286
118,1
1519
233
0,15
0,064
100
H6510A
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden Droge heiden
Oeffelter Meent
1429
118,8
1698
269
0,18
0,067
50
Maasduinen
1071
225,2
2412
1341
0,01
0,001
0,4
H4030
In de laatste kolom van tabel 6 is het oppervlakteaandeel van het habitattype dat door het project (negatief) beïnvloed wordt weergegeven, in procenten. Dit berust op een schatting, namelijk door het aantal hexagonen (hectares) te tellen met een depositie >0,00 mol N/ha, geprojecteerd op de kaart van de habitattypen. Zie ook figuur 5 met de berekende deposities voor gebied Sint-Jansberg (als illustratie). Uit deze figuur blijkt overigens dat voor verreweg het grootste deel van dit gebied geldt dat er sprake is van een afname van de depositie door het project (dit is een gevolg van de omleidingsroute). Ook voor andere habitattypen worden afnamen berekend, zie de resultaten in bijlage 2 en de betreffende figuren in de volgende paragrafen.
EA200061.R02
22 van 35
Figuur 5: Stikstofdepositie voor Natura 2000-gebied Sint-Jansberg (bron: AERIUS Calculator)
In de een na laatste kolom van tabel 6 is de bijdrage van het project weergeven in een percentage van de overschrijding van de KDW in de actuele situatie. Uit de waarden in deze kolom mag worden geconcludeerd dat de bijdrage van het onderhavige project aan de overschrijding van de KDW verwaarloosbaar klein is (0,001 – 0,3 % van de overschrijding). Hierbij is ook te bedenken dat de achtergrondwaarde verwacht wordt geleidelijk te zullen dalen in de komende jaren. De bijdrage van het project is bovendien niet structureel, maar heeft een eenmalig karakter. Veerkracht Ten aanzien van de veerkracht (zie stap 8, bijlage 1) zij nog het volgende opgemerkt. De habitattypen kunnen in kwaliteit en omvang fluctueren als gevolg van natuurlijke successie en beheer. De huidige hoge overschrijding van de KDW van een aantal habitattypen versnelt de achteruitgang als gevolg van successie of degeneratie. De instandhouding van de (half-natuurlijke) habitattypen is sterk afhankelijk van het beheer. Een eventueel verhoogde afname als gevolg van successie of degeneratie kan in principe door beheersingrepen worden opgevangen. Er zijn geen reden om aan te nemen dat het project de effectiviteit van beheersmaatregelen beperkt of teniet doet. Het langjarig gemiddelde zal niet als gevolg van het project onder de instandhoudingsdoelstelling komen.
Cumulatie Cumulatie van stikstofdepositie hoeft uitsluitend beschouwd te worden voor projecten waar wel een vergunning voor is verleend, maar die nog niet of slechts ten dele zijn uitgevoerd ten tijde van het nemen van het besluit. Als effecten geheel kunnen worden uitgesloten is cumulatie niet aan de orde. Gelet op de geringe depositie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat het onderhavig initiatief in combinatie met andere initiatieven wel tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen leidt.
EA200061.R02
23 van 35
Gevolgen van een geringe stikstofdepositie voor de biomassa (naar: Koolstra 2019) Een (eenmalige) depositie van 0,01 mol N/ha komt overeen met een stikstofgift van 0,14 gram N/ha. Er van uitgaande dat de helft hiervan daadwerkelijk wordt benut (en de andere helft uitspoelt), leidt deze stikstofgift tot een aanwas van de vegetatie van 0,07 / 0,2 = 0,35 gram biomassa/ha (voor de aangroei van 1 gram heeft een plant ongeveer 0,2 gram stikstof nodig). Geringe stikstofdepositie in relatie tot jaarlijkse fluctuaties in de achtergronddepositie (idem) Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken depositie van stikstofdepositie plaats. Deze achtergronddepositie varieert tussen ca. 700 en 4000 mol/ha/jaar, afhankelijk van de locatie. Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn. Naast deze langjarige trend, waarbij de emissies en achtergronddepositie dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie ook van jaar tot jaar, als gevolg van jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Deze verschillen kunnen leiden tot jaarlijkse variaties in de depositie in de orde van grootte van 10%, dus 70 tot 400 mol/ha/jaar.
Een geringe depositie van bijvoorbeeld 0,1 mol N/ha is tegen de achtergrond van deze fluctuaties in feite verwaarloosbaar en niet relevant. Significantie In de genoemde leidraad (Steunpunt Natura2000) wordt gesteld dat een effect pas significant kan zijn als het meetbaar is. En om meetbaar te zijn, dient het effect van verstoring groter te zijn dan de precisie van de meeteenheid waarmee het kenmerk dat wordt verstoord wordt gemeten, zo stelt de leidraad. De meeteenheid van de kritische depositiewaarde is kg N/ha/jaar en de meeteenheid van de KDW is daarmee 1 kilogram (=71,34 mol). Een kleine toename van de depositie zoals berekend in het onderhavige geval zal conform de leidraad geen significant effect kunnen hebben. Ecologische effecten van NHx en NOx (naar: Van den Burg et al. 2019) De ecologische effecten van gereduceerde stikstof (NHx), oftewel ammoniak, zijn veel groter dan die van geoxideerde stikstof (NOx). Dit geldt voor de direct toxische effecten, verzuring en vermesting en is ook te zien in de effecten op vegetaties. De uitstoot van NOx is van minder belang voor de ecologische instandhoudingsdoelen uit de habitatrichtlijn. Al decennia maakt gereduceerde stikstof meer dan 70 procent uit van de totale stikstofdepositie in de natuur. Het onderhavige project leidt tot depositie van NOx, maar nauwelijks tot toename van NHx.
5.3 Nadere beoordeling habitattypen, algemeen Bij deze beoordeling wordt ingegaan op drie aspecten: •
een beschrijving van de effecten van stikstofdepositie op het habitattype;
•
een beschrijving van andere knelpunten die de gunstige staat van instandhouding negatief beïnvloeden;
•
een beschrijving van de bijdrage van het project aan de stikstofdepositie en een conclusie over de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling.
Het laatstgenoemde aspect bevat de belangrijkste conclusies van de voorliggende toets. Voor wat betreft de drie eerste aspecten kan in feite verwezen worden naar de gebiedsanalyses die destijds in het kader van de PAS voor de Natura 2000-gebieden zijn opgesteld en waarin de betreffende informatie uitvoerig is beschreven. In de voorliggende ecologische voortoets is de voor het project meest relevante informatie daaruit overgenomen. Voor de leesbaarheid wordt bij ieder habitattype in een kort overzicht de kwantitatieve informatie in tabelvorm weergegeven, zijnde:
EA200061.R02
24 van 35
•
de gekarteerde oppervlakte van het onderhavige habitattype in het Natura 2000-gebied;
•
de bijdrage van het project, waarbij de range van stikstofdepositietoename is gegeven, met tussen haakjes het aantal hexagonen; de maximumwaarde komt overeen met die vermeld in tabel 4 (par. 4.1); 6
verder is de oppervlakte weergegeven die beïnvloed wordt (dus met een depositie >0,00 mol N/ha), zowel absoluut als relatief (procentueel ten opzichte van de totale gekarteerde oppervlakte).
5.4 Nadere beoordeling habitattype Sint Jansberg Algemeen De Sint Jansberg, oostelijk grenzend aan het Reichswald, is een relict uit de voorlaatste ijstijd. In dit stuwwallencomplex komen sprengen voor. Dit zijn gegraven beken voor het aftappen van grondwater ten behoeve van industrieel gebruik of de verfraaiing van landgoederen. De naam van de Molenbeek, de watermolen en molenvijvers bij Plasmolen en het opgestuwde karakter van de Helbeek herinneren aan de vroegere functie van de beekjes. De Sint Jansberg is een reliëfrijk boslandschap op de glaciale stuwwal van Nijmegen. De bodem in de hogere regionen bevat een holtpodzolprofiel en een lage grondwaterstand. Op die plekken is het habitattype Beukeneikenbossen met hulst (H9120) te vinden. De stuwwal bevat in het Natura 2000-gebied een drietal toppen, van oost naar west Kiekberg (77m), de Jansberg (59m), en de Maartensberg (66m). Binnen het Sint Jansbergcomplex zelf liggen van west naar oost een drietal brongebieden, het dal van de Molenbeek, de Helkuil met de Helbeek en de Drie vijvertjes. Het water uit de bronnen is afkomstig uit de eerste grondwaterspiegel die bovenop de ondoordringbare leemlaag ligt. Waar de leemlaag door de scheve afzettingen in de stuwwal aan de oppervlakte komt vloeit het water weg uit een bron of spreng. Langs de Molenbeek en de Helbeek bevindt zich het habitattype Vochtige alluviale bossen (H91E0C).
Naar het zuiden grenst de steile stuwwal aan het Maasdal. Aan de voet van de stuwwal ontstonden in de loop der tijd drassige heide, broekbos en (tril)veenmoerassen die onder invloed stonden van beekwater, grondwater in het Maasdal en kwel vanuit de stuwwal (ook de tweede, diepe grondwaterspiegel). In het moerasgebied, waaronder het oostelijk gelegen gebied de Diepen, trad plaatselijk vervening op die inmiddels is ontgonnen. Het habitattype Vochtige alluviale bossen komt nog steeds op plekken aan de voet van de stuwwal voor. De plas Geuldert (zie foto 1) is een uitgegraven veenrestant waar het habitattype Galigaanmoerassen (H7210) nog steeds stand houdt. De hellingen bestaan uit een lössbodem en zijn plaatselijk nat door de aanwezigheid van een schijngrondwaterspiegel. De hoger gelegen, drogere bosdelen bevatten minder löss en bestaan grotendeels uit lemige zandbodem. H9120 Beuken-eikenbossen met hulst Type code H9120
Projectbijdrage oppervlakte
stikstofdepositie mol N/ha
oppervlakte beïnvloed
ha
range (en aantal hexagonen)
ha
%
127,6
0,34 – 3,60 (5)
4
3
Beoordeling effecten stikstofdepositie Omdat het habitattype H9120 een voedselarme standplaats kent, is het extra gevoelig voor vermesting. Dit uit zich in een versnelde groei en dominantie van een of enkele boomsoorten. Door een toename van de groei van schaduwboomsoorten blijft er minder ruimte over voor open plekken en randen. Dit heeft negatief effect op de
6
Om deze oppervlakte te bepalen zijn de in AERIUS Calculator beschikbare kaart met de berekeningsresultaten (hexagonen,
1 hexagoon = 1 ha) en de habitattypenkaart op elkaar geprojecteerd, waarbij met het (visueel) tellen van de hexagonen een redelijke schatting is te krijgen.
EA200061.R02
25 van 35
mantel- en zoomvegetaties. Vermesting leidt eveneens tot een toename van grassen en verbraming op de plekken waar voldoende licht tot de bodem doordringt. Verzuring is een probleem op lemige gronden. Op deze bodems kan door een verzuring van de toplaag een versnelde terugloop van de basenbeschikbaarheid in het wortelmilieu optreden. De dominante boomsoorten, beuk en eik, hebben slecht verteerbaar blad, hetgeen vooral op arme bodems leidt tot een accumulatie van strooisel. Een te dikke strooisellaag verhindert de vestiging en ontwikkeling van de bij het habitattype behorende ondergroei. Voorts neemt door verzuring de dominantie van beuk toe die met z'n zure strooisel voor een verdere verzuring zorgt; er treedt een negatief zichzelf versterkend proces in werking. Kenmerkende epifytische korstmossen en mossen kunnen door vermesting verdwijnen, deels door toxiciteit en deels door concurrentie met snelgroeiende stikstofminnende bladmossen (klauwtjesmos soorten, Hypnum spp.). Daarnaast zijn veel kenmerkende mycorrhizapaddenstoelen zeer gevoelig voor vermesting. Bij een verhoogde beschikbaarheid van stikstof in de bodem nemen mycorrhizapaddenstoelen daardoor sterk in aandeel af en veel kenmerkende soorten verdwijnen. Het gaat hierbij onder andere om soortgroepen als stekelzwammen en gordijnzwammen.
Overige knelpunten Wanneer beukenbossen grenzen aan landbouwgebied vindt er veelal inwaai van meststoffen/ vermestende stoffen plaats. Deze zorgen in de van nature vrij voedselarme situatie voor een versnelde successie richting de climaxfase met dominantie van beuk. Veelal beperkt dit vermestende effect zich tot de rand van een bosperceel/bosje. Algemeen wordt het verloop van dit effect beschreven met een exponentieel afnemende curve. Met name aan de noordkant van de stuwwal zal sprake blijven van randeffecten als gevolg van stikstofdepositie. Het aanleggen van een bufferstrook langs de rand is nodig om de effecten van mestaanwending en inspoeling van mest te voorkomen. Hierbij wordt een breedte van 50 meter geadviseerd in de herstelstrategieën. Plaatselijk is verjonging van uitheemse soorten een knelpunt voor dit habitattype. Specifiek betreft dit overwoekering van de struiklaag door Amerikaanse vogelkers. Daarnaast vormt het strooisel van de Amerikaanse eik een knelpunt, omdat het strooisel van deze boomsoort zeer slecht verteerbaar is. In delen van het droge bosgebied van de Sint Jansberg vormt aanwezigheid van Amerikaanse eik een knelpunt. De beukenbossen op de Sint Jansberg zijn qua vegetatie en leeftijd vrij homogeen en hebben geen of weinig horizontale en verticale structuur.
Er is dus weinig sprake van aanwezigheid van alle verschillende ontwikkelingsstadia van dit habitattype. Ontwikkeling naar een heterogene leeftijdsopbouw is gewenst, waarbij grote bosoppervlakken wel de kans moeten krijgen om te ontwikkelen tot de aftakelingsfase van de bomen. Afwisseling met oude eiken, lindebomen en hier en daar een klein perceel met naaldbomen komt de kwaliteit van het bossysteem als geheel ten goede. Conclusie ten aanzien van projectbijdrage. De bijdrage van het project betreft een eenmalige toename van 0,34 tot maximaal 3,60 mol N/ha in 2021, overeenkomend met 4,8 à 50,4 g N/ha op een relatief gering oppervlakteaandeel (3%) van het habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst. Een dergelijke stikstofgift zal leiden tot een aanwas van de vegetatie van maximaal 0,13 kg biomassa per ha en kan daarmee niet leiden tot veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Toename van dominantie van snelgroeiende soorten is vanwege het project dan ook redelijkerwijs niet aan de orde. Naast een geringe toename van de stikstofdepositie op een gering deel van het habitattype, is er ook sprake van afname op een veel groter deel (zie figuur 4) en gaat het om een tijdelijke toename gedurende de zes maanden dat de omleidingsroutes actief zijn.
Er is al met al geen reden aan te nemen dat deze tijdelijke, ten opzichte van de ADW relatief geringe toename van stikstofdepositie door het project het behalen van de instandhoudingsdoelstelling in gevaar brengt.
EA200061.R02
26 van 35
5.5 Nadere beoordeling habitattypen De Bruuk Algemeen De Bruuk is vanouds bekend vanwege de basenminnende blauwgrasland- en kalkmoerasvegetaties. De bijzondere basenrijkdom wordt veroorzaakt door de combinatie van kwel van meer of minder basenrijk grondwater en de aanwezigheid van de ondiep gelegen calciumrijke lösslaag. Uit historische informatie blijkt dat in de eerste decennia van de vorige eeuw over grote oppervlakten en in een grote diversiteit vegetaties voorkwamen die we nu zouden toekennen aan vormen van Blauwgraslanden (H6410), Kalkmoerassen (H7230), Heischrale graslanden (H6230), Trilvenen (H7140A) en vermoedelijk ook Beekbegeleidende bossen (H91EOC). Daarnaast kwamen in De Bruuk ondermeer ook flinke arealen dotterbloemhooiland voor. Door onder andere ontwatering en intensivering van agrarisch gebruik zijn areaal en kwaliteit van deze vegetaties drastisch afgenomen met een dieptepunt in de jaren ‘50 toen in De Bruuk alleen nog zeer lokaal blauwgraslandvegetaties resteerden (Gagelveld). Vanaf 1960 en vooral in de 90-er jaren is een intern herstelbeheer gevoerd gericht op het verbeteren van de interne hydrologie, het beëindigen van agrarisch gebruik, een verschralend hooilandbeheer, plaggen van voedselrijke voormalige landbouwgronden en bosomvorming naar schraalland.
De maatregelen resulteerden in een herstel van Blauwgraslanden (H6410) en zeer lokaal ook van Kalkmoerassen (H7230), maar nog niet tot terugkeer van een groot aantal natte basenminnende schraallandsoorten. H6410 Blauwgraslanden Type code H6410
Projectbijdrage oppervlakte
stikstofdepositie mol N/ha
oppervlakte beïnvloed
ha
range (en aantal hexagonen)
ha
%
10
0,01 – 0,06 (17)
2,5
25
Foto 2: Zicht op een van de blauwgraslanden in het noorden van De Bruuk (langs de weg Lage Horst)
Beoordeling effecten stikstofdepositie Verzuring is het belangrijkste knelpunt voor het habitattype Blauwgraslanden (zie foto 2) in De Bruuk. Enerzijds wordt deze verzuring veroorzaakt door verdroging, anderzijds door de hoge stikstofdepositie. Zowel in 2014 als in 2030 kent het gehele oppervlak van dit habitattype overbelasting. Behalve verzuring heeft stikstofdepositie
EA200061.R02
27 van 35
ook een vermestend effect waardoor voedselminnende veenmossen in hun groei gestimuleerd worden, hetgeen lokaal een versterkend effect op de verzuring heeft. Er zijn geen aanwijzingen dat stikstofdepositie momenteel een knelpunt voor fauna vormt. Overige knelpunten Naast verzuring is verdroging een groot knelpunt in De Bruuk. Watergangen binnen en buiten het Natura 2000gebied die door de leemlaag snijden hebben een drainerend effect en vangen veel kwel weg. Drainage van aan het gebied grenzende landbouwpercelen versterkt dit effect nog verder. Herstelmaatregelen moeten resulteren in een grotere kweldruk onder de leemlaag en kwelflux door de leemlaag. Door aanleg van een vuilstort en rioolwaterzuivering vindt afname van belangrijk gebied plaats met zeer geschikte standplaatsfactoren voor kwelafhankelijke moerasvegetaties. Tenslottte kent De Bruuk een geïsoleerde ligging ten opzichte van andere gebieden met vergelijkbare vegetaties en habitattypen. Het meest dichtbij gelegen gebied is het Kranenburger Bruch in Duitsland. Dat ligt op een afstand van ca. 5 km. Het tussenliggende gebied bestaat voornamelijk uit landbouwkundig gebruikt grasland en akkers met sloten en watergangen en kleine wegen. Om uitwisseling van planten en dieren tussen deze gebieden mogelijk te maken, zijn functionerende verbindingzones noodzakelijk.
Uit figuur 6 blijkt dat er naast een verhoging van stikstofdepositie (zie paarse hexagonen in voornamelijk het westelijk deel) ook sprake is van een afname in het oostelijk en noordelijk deel (zie groene hexagonen; vergelijk figuur 5 voor Sint Jansberg). De toename op het 25% oppervlakteaandeel van het habitattype ligt in het gebiedsdeel waar geen uitbreiding van de oppervlakte van dit habitattype mogelijk is, omdat daar het gebied als het ware al ‘vol’ is met het habitattype, zie figuur 7. Het zoekgebied voor de omvorming van struweel naar schraalland ligt meer in het centrum van het natuurgebied, dus ter plaatse van de groene hexagonen (zie figuur 5.2 in het Beheerplan). De uitbreidingsdoelstelling wordt vanwege de stikstofdepositietoename van het project dus niet gedwarsboomd.
Figuur 6: Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied De Bruuk; zie voor legenda figuur 5 (bron: AERIUS Calculator)
EA200061.R02
28 van 35
Figuur 7: Ligging habitattype H6410 Blauwgraslanden binnen De Bruuk (bron: AERIUS Calculator)
Conclusie ten aanzien van projectbijdrage. De bijdrage van het project betreft een eenmalige toename van 0,01 à 0,06 mol N/ha in 2020, overeenkomend met 0,14 à 0,84 g N/ha. Een dergelijke stikstofgift zal leiden tot een aanwas van de vegetatie van maximaal ongeveer 2,1 g biomassa per ha en kan daarmee niet leiden tot veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen, bijvoorbeeld toename van voedselminnende veenmossen. Naast een geringe toename van de stikstofdepositie is er ook sprake van afname (zie figuur 6) en gaat het om een tijdelijke toename gedurende de zes maanden dat de omleidingsroutes actief zijn. Een eenmalige depositietoename van 0,01 à 0,06 mol N/ha in 2021 over een periode van 6 maanden is verwaarloosbaar klein. Er is geen reden aan te nemen dat hierdoor de instandhoudingsdoelstelling van habitattype H6410 Blauwgraslanden in De Bruuk in gevaar komt, temeer daar de (structurele) verdroging een minstens zo belangrijke factor is, waar het project geen bijdrage aan levert. Verder vindt de (tijdelijk geringe) toename plaats binnen een gebiedsdeel waar geen uitbreiding van het habitattype mogelijk is, zodat de uitbreidingsdoelstelling door het project niet in gevaar is.
5.6 Nadere beoordeling habitattypen Oeffelter Meent Algemeen In het Natura 2000-gebied de Oeffelter Meent zijn twee habitattypen van belang: stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden. Een aantal processen zijn essentieel voor de instandhouding en ontwikkeling van stroomdalgraslanden. Incidentele overstroming door de Maas zorgt voor basenaanvoer. Dit is nodig om verzuring tegen te gaan. Rivierdynamiek in de vorm van erosie en sedimentatie van zand is nodig om te voorkomen dat grassen en mossen gaan domineren. In de Oeffelter Meent is echter sprake van antropogene dynamiek: graafwerkzaamheden van de mens bootsen het proces van sedimentatie en erosie na. Het habitattype komt in goed ontwikkelde vorm voor op een zandig dijkje dat loodrecht is gelegen op de winterdijk, en in bepaalde mate ook in een gedeelte westwaarts van dit dijkje. Maar het merendeel van het voorkomend stroomdalgrasland is matig ontwikkeld. Sinds enige jaren is kamgras sterk uitgebreid, wat aangeeft aan dat de voedselrijkdom in het grasland groter is geworden. De kwaliteit van het stroomdalgrasland is dus niet optimaal. De sleutelfactoren voor verbetering zijn dynamiek en basenaanrijking van de wortelzone. De vegetatiestructuur