Bijlage 1i bp Reconstructie N271 Mook - Milsbeek - archeologie.pdf
Tekst van het document
16 Er is sprake van een veld wanneer aan de volgende drie essentiële kenmerken wordt voldaan: 1; er zijn verschillende eigenaren/of gebruikers, 2; visuele openheid en 3; het gebruik van bouwland met de nadruk op graanteelt. 17 Renes, 1999
MA170006.041 Concept
24 van 34
Afbeelding 7: Uitsnede topografische kaarten uit 1966 (links) en 1967 (rechts) waarbij is ingezoomd op de aanpassing van het tracé ter hoogte van de Riethorst in de jaren zestig van de vorige eeuw. De haakse bocht is vervangen door een flauwe bocht. Bron: Topotijdreis. Op de Tranchot kaart (afb. 8) staat de weg reeds gedeeltelijk opgenomen. Hierop is te zien dat er vanuit Mook twee wegen vertrekken. De noordelijke weg gaat door een akkergebied, aangeduid als het Starts veld en vervolgt zijn weg aan de voet van het hoogterras richting Plasmolen. De weg die vanuit Mook naar het zuidwesten gaat, loopt door een broekgebied, aangeduid als Mookse Broek, Mookse Dryssen en Mookse Kampen. De weg loopt pal langs de Maas richting Het Midlar Huis en van daaruit naar Midlar, nu Middelaar, destijds een klein gehucht. Vanuit Midlar gaat deze weg verder naar het Genneperhuis te Gennep. Ten noorden van deze weg lopen diverse kleine wegen, meestal gesitueerd in heide en broekgebied. Ook doorsnijden diverse waterlopen het gebied. Tussen de heide en broekgebieden liggen enkele akkerpercelen, waarbij aan de rand van deze percelen de boerderijen liggen, langs de door het veld lopende wegen. Ter hoogte van het huidige plasmolen ligt een grote plas aan de voet van de stuwwal waaraan twee watermolens liggen de Papier Muhle en de Plas Meule.
Ten zuiden van deze plas kunnen een viertal gebouwen worden onderscheiden. Deze concentratie van gebouwen betreft het gehucht Plasmolen, vernoemd naar de Plasmolen. Ten westen van Plasmolen, ten zuiden van de Heksenberg richting Gennep neemt het akkerareaal toe. Het betreffen zeer waarschijnlijk geen oude akkerarealen uitgaande van de toponiemen, An den Broich, Op de Hey, Op de Koot en An de Broek.
MA170006.041 Concept
25 van 34
Afbeelding 8: Uitsnede Tranchot kaart, opgenomen in 1805. De blauwe stippellijn geeft de ligging van het onderzoeksgebied weer. Bron: Tranchot und von Müffling. Op de kadastrale kaart uit 1845 (afb. 9 t/m 11) wordt vrijwel hetzelfde beeld weergegeven als op de Tranchot kaart. Deze kaart is echter veel nauwkeuriger. Weer uitgaande van Mook in zuidelijke richting wordt de noordelijke weg aangeduid als Chemin de Mook a Ottersum en doorkruist een gebied aangeduid als de Staart aan de voet van de stuwwal. De zuidelijke weg wordt aangeduid als Chemin de Mook a Middelaar. De aan te leggen Rijksweg is reeds op de kadastrale kaart ingetekend. Met uitzondering van het uiterst noordelijke tracé komt het huidige tracé vanaf Mook tot aan Plasmolen grotendeels overeen met de weg van Mook naar Ottersum tot aan Plasmolen. Ter plaatse van Plasmolen is de N271 geprojecteerd ten noorden van de plas en zelfs deels over de plas om vervolgens in zuidwestelijke richting af te buigen naar Gennep. Vanaf Plas molen in zuidelijke richting komt de weg nergens overeen met een reeds bestaande weg. Hij wordt dwars door de akkers en zelfs door huizen geprojecteerd.
MA170006.041 Concept
26 van 34
Afbeelding 9: Kadastrale kaart 1811‐1832: minuutplan Mook en Middelaar, Limburg, sectie A, blad 05 (MIN11068A05). Inzet uitsnede topografische kaart met daarop weergegeven de minuutplan.
Afbeelding 10: Kadastrale kaart 1811‐1832: minuutplan Mook en Middelaar, Limburg, sectie B, blad 02 (MIN11068B02). Inzet uitsnede topografische kaart met daarop weergegeven de minuutplan.
MA170006.041 Concept
27 van 34
Afbeelding 11: Kadastrale kaart 1811‐1832: minuutplan Ottersum, Limburg, Limburg, sectie A, blad 02 (MIN11081A02). Inzet uitsnede topografische kaart met daarop weergegeven de minuutplan.
Afbeelding 12: Uitsnede Bonneblad uit circa 1900. De ligging van het tracé is middels de paarse lijn weergegeven. Bron: ARCHIS3.
MA170006.041 Concept
28 van 34
Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg18 wordt het traject tussen Mook en Plasmolen aangeduid als oudere weg ouder dan 1806 en vanaf Plasmolen tot Milsbeek weg uit periode 1806‐189. Uit de hier boven beschreven historische ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat de Rijksweg aan het einde van de 19de eeuw als rijksweg van Maastricht naar Nijmegen in gebruik genomen, na de Franse periode. Het noordelijk deel vanaf Plasmolen richting Mook komt dus overeen met een in de 19de eeuw reeds bestaande weg die mogelijk in de Franse tijd is aangelegd. Het traject vanaf Plasmolen richting Gennep is dwars door velden aangelegd. Verder kan gesteld worden dat het tracé een vrij smalle vlakte tussen de Maas en de stuwwal doorsnijdt. Dat de weg van Mook naar Ottersum aan de voet van de stuwwal is aangelegd lijkt daarbij een voor de hand liggende keuze. Hiermee kan het zuidelijke gelegen broekgebied worden gemeden. Het is dan ook goed mogelijk dat in het gebied en dan met name aan de voet van de stuwwal wegen van oudere datering hebben gelegen, die mogelijk zelfs teruggaan tot in de Romeinse tijd. We weten bijvoorbeeld dat zowel aan de west‐ als aan de oostzijde van de Maas een Romeinse Heerbaan heeft gelegen. Aan de westzijde van de Maas lag de Romeinse Heerweg van Tongeren naar Nijmegen. Deze weg kruiste ter plaatse van de spoorbrug tussen Katwijk en Mook, de Maas.
De rivierovergang lijkt geen brug ingehouden te hebben, maar een veer. Op de westelijke oever werden bij Katwijk de resten van een Romeins wegdek vastgesteld, terwijl graven uit de midden‐Romeinse tijd waarschijnlijk langs deze weg hebben gelegen. Aan de overkant bij Mook kwamen in 1881 bij de aanleg van een spoorbrug verschillende eikenhouten palen tevoorschijn, waarvan vermoed wordt dat deze van een aanlegsteiger voor een veerovergang zijn geweest. Bij de bouw van de spoorbrug werden behalve houten palen ook urnen uit de Romeinse tijd aangetroffen. Ter plaatse van de rivierovergang tussen Katwijk en Mook en waarschijnlijk langs de Romeinse weg bevond zich dus een grafveld waarvan de grootte niet bekend is. Het wegtracé tussen Mook en Nijmegen is verder grotendeels onbekend, alleen hogerop de stuwwal, vlakbij de burgus van Malden‐Heumensoord, op 5 kilometer van de Hunnerberg (Augusteïsche legerkamp te Nijmegen), is de Romeinse weg daadwerkelijk aangetroffen. Het ging daarbij trouwens om een onverharde weg met bermgreppels aan beide zijden, die op slechts 6 m uit elkaar lagen. Te Molenhoek is op een terrein van archeologische waarde de Romeinse weg waargenomen (Monumentnummer 43; CMA code 46A‐A02). Het is onbekend waar deze waarneming op gebaseerd is. Pas in de 4de eeuw na Chr. werd ter hoogte van Cuijk, ten zuiden van Katwijk, een stenen brug gebouwd.
Vanaf de oostelijke zijde moet een nieuw tracé zijn aangelegd via Middelaar en Molenhoek dat vervolgens aansloot op de bestaande weg en tot langs de militaire wachtpost bij Malden (Gelderland) hebben gelopen. Een exacte route is dus niet bekend. De eerste bouwfase van de stenen brug kan tussen 347‐ 349 AD gedateerd worden. Een tweede fase waarbij onder andere een extra westelijke pijler werd aangelegd (vanwege de laterale verplaatsing van de Maas naar het westen) dateert in 369 n. Chr. Waarna in 393 n. Chr. nog laatste herstelwerkzaamheden plaatsvonden. Vanaf de oostelijke oever heeft behoudens de weg naar Nijmegen hoogstwaarschijnlijk ook een weg via Gennep, Asperden (D) naar Xanten gelopen. Een booronderzoek uitgevoerd op de oostelijke oever om de loop van wegen naar Nijmegen en Gennep op te sporen, heeft echter geen resultaat opgeleverd.
Aan de Oostzijde van de Maas lag de weg tussen Aken en Xanten. Deze loopt grotendeels over stukken hoogterras, maar ‘steekt’ ook enkele lagere rivier/beekdalen over. Na het bekken van Heerlen komt de weg eerst over het hoogterras van Duits grondgebied (Tüdderen), om dan een behoorlijk stuk over het hoogterras in de gemeente Echt‐Susteren te lopen. Vervolgens worden in de gemeentes Roerdalen en Roermond de Roer en de 18
https://portal.prvlimburg.nl/gisviewer.
MA170006.041 Concept
29 van 34
Swalm overgestoken, om direct na de Swalm weer (over Duits grondgebied) het hoogterras te volgen. De weg komt daarbij alleen nog binnen de gemeente Venlo voor een klein stukje op Nederlands grondgebied, alvorens naar het noordoosten wordt afgebogen richting Xanten. Resten van deze weg zijn aangetroffen op het middenterras, in het Roerdal en in het heuvelland. Vermoedt wordt dat nog een secundaire weg of diverticulum op de oostelijke oever van de Maas heeft gelopen die wel veel dichter bij de Maas lag en die Venlo met Nijmegen verbond. Van deze secundaire weg zijn echter (nog) nergens eenduidig sporen aangetroffen. Op basis van verschillende vindplaatsen die langs deze weg zouden kunnen liggen, is wel een route voorgesteld die ten zuiden van Venlo begint. De weg loopt volgens de auteurs langs verschillende nederzettingsresten, begravingen en dakpanindustrieën uit Belfeld en Tegelen en vervolgens door de noord‐zuid weg van de vicus van Venlo, hoogstwaarschijnlijk ter hoogte van de huidige Jodenstraat en Houtstraat. De weg zou vervolgens langs het dorpje Genooi hebben gelopen, iets ten noorden van de vicus, waar verschillende nederzettingsresten zijn aangetroffen en zich volgens Willems een statio bevond. Na Genooi zou de weg in noordelijke richting verder lopen langs Velden, Lomm en Arcen, waarbij een relatief korte afstand tot de Maas werd aangehouden.
Daadwerkelijke resten van de weg zijn echter ook hier nooit gevonden. Sinds de werkzaamheden binnen het kader van de Maaswerken (Lomm en Well‐Aijen) zijn wel meerdere Romeinse vindplaatsen aangetroffen, die mogelijk aan of dicht bij deze weg gelegen kunnen hebben. Naast de nederzettingsresten en twee kleine Romeinse grafvelden te Lomm zijn tussen Well en Aijen resten van minstens twee landelijke nederzettingen gevonden. In Lomm werden tijdens het onderzoek Lomm fase 1 verschillende parallel verlopende greppels uit de Romeinse tijd vastgesteld, die over een afstand van circa 80 m een afstand van 3 en 3,5 m uit elkaar lagen. Misschien gaat het hierbij om omheiningsgreppels van een nederzetting net ten oosten buiten het onderzoeksgebied, maar het is ook mogelijk dat de greppels bij een kleine (veld)weg hebben gehoord, die in dat geval parallel aan de Maas liep. Een combinatie van beide kan ook: een weggetje vlak langs de omheining van een nederzetting. De geringe breedte wijst eerder op een toegangsweg of verbindingsweggetje dan een doorgaande secundaire weg. 19 Geconcludeerd kan worden dat vanaf de brug bij Cuijk naar Mook een Romeinse weg aan de oostoever van de Maas heeft gelegen. Het is zeer goed mogelijk dat deze pal langs de Maas heeft gelegen en dus meteen bij het oostelijk bruggenhoofd afboog naar het noorden richting Mook.
Het is echter niet uitgesloten dat deze doorliep richting Plasmolen of Middelaar en dan pas afboog richting noorden. Mocht er inderdaad sprake zijn van meerdere wegen op de oostoever van de Maas zoals verondersteld, is het aannemelijk dat de veronderstelde wegen van Venlo naar Nijmegen en van Cuijk naar Xanten zich ergens hebben gekruist met die van Cuijk naar Nijmegen. Dit kan aan het oostelijk bruggenhoofd direct ten oosten van de Maas zijn, maar ook ergens tussen Plasmolen en Cuijk. Dit laatste lijkt aannemelijk, gezien de ligging van de Romeinse villa “de Plasmolen”. Dit is de grootse villa uit de Romeinse tijd die in Nederland bekend is en ligt recht tegenover Cuijk. Vanwege de ligging van de villa op de rand van de Stuwwal had deze een direct zicht op de brug van Cuijk en waarschijnlijk ook een directe verbinding met Cuijk. Mogelijk dat de wegen zich ergens ter hoogte van Plasmolen hebben gekruist. Het is derhalve niet uitgesloten dat de Romeinse weg richting Nijmegen langs de rand van de stuwwal is aangelegd ter hoogte van de N271 om hiermee het broekgebied te mijden.
Aangezien de Villa Plasmolen ten noordoosten van de N271 ligt is het aannemelijk dat de toegangsweg tot deze villa vanaf de Romeinse weg in ieder geval door de N271 zou moeten zijn doorsneden en is het dus evenmin uitgesloten dat de Romeinse weg van Cuijk naar Nijmegen ter hoogte van het tracé kan worden aangetroffen.
19
Tichelman 2014.
MA170006.041 Concept
30 van 34
Afbeelding 13: Topografische kaart met mogelijke ligging Romeinse wegen. De rode stippellijn betreft een mogelijke route vanuit de brug van Cuijk naar Nijmegen, de groene naar Venlo de blauwe naar de Villa Plasmolen en de paarse van Venlo naar Nijmegen. De enige plaats die het tracé doorsnijdt is Plasmolen. De oude dorpskern van Plasmolen is ontstaan op de overgang van de hooggelegen stuwwal naar de relatief natte gronden aan de voet ervan. De buurtschap ontleent zijn naam aan twee watermolens die zich, in ieder geval vanaf het begin van de achttiende eeuw, op de helling en aan de voet van de stuwwal bevonden, de bovenste Plasmolen en de onderste Plasmolen. De exacte ouderdom van de Bovenste Plasmolen is onbekend, maar mogelijk deed hij al in de 15de eeuw dienst. Het muurankerjaartal 1725 geeft aan dat er in dat jaar een verbouwing heeft plaatsgevonden. Oorspronkelijk was de molen ingericht voor het maken van papier, in 1846 werd hij echter omgebouwd tot het malen en pellen van graan. De aandrijving vindt plaats via een beek en een lange goot van het hoger gelegen Groene Water. Ook de exacte ouderdom van de Onderste Plasmolen kon niet worden achterhaald. Terwijl de Bovenste Plasmolen nog bestaat, is de Onderste Plasmolen verdwenen. De ontwikkeling tot ontspanningsoord heeft hiertoe onder meer bijgedragen.
De onderste Plasmolen werd opgeheven en de naastgelegen herberg groeide uit tot hotel‐café‐restaurant De Plasmolen. De daarbij gelegen vijver, die deel uitmaakt van een waterpartij is de oude molenvijver. In de jaren zestig van de twintigste eeuw ontstond ten zuiden van Plasmolen als gevolg van grindwinning de Mookerplas. Voorheen strekte het heidegebied Mookerhei zich uit van Plasmolen in het zuiden tot aan de stadswallen van Nijmegen in het noorden. Op deze heide vond in 1574 in de Tachtigjarige Oorlog de Slag op de Mookerheide plaats tussen het huurleger van de prins Lodewijk en prins Hendrik van Nassau en het Spaanse leger onder Sancho d'Avila en Bernardino de Mendoza. De veldslag vond echter niet plaats op de huidige Mookerheide maar in de riviervlakte aan de voet van de huidige Mookerheide, iets ten noorden van het huidige dorp Mook. Volgens Pastoor Muelleners20 had Lodewijk van Nassau volgenderwijs zijn leger opgesteld. “Ten
20
Meulleners 1893.
MA170006.041 Concept
31 van 34
westen, dwars voor Mook had hij, van het oud veerhuis af tot aan den tegenwoordigen grindweg, eene gracht gegraven. Links diende de dijk, rechts een aarden wal en van voren de opgeworpen aarde tot borstwering van de verdedigers en tot rustpunt van den loop der musketten. De verschansing, zoomede de aangrenzende huizen er achter, werd verdedigd door tien vendels, uitmakend vijftien honderd man voetgangers, meerendeels Franschen. Het overige gedeelte der infanterie bestond bijna geheel uit Duitschers. Vijf‐en‐twintig vendels infanterie, omstreeks vier duizend vijf honderd man, stonden schuin achter de vorige verdedigers, maar in het veld, ten noorden van de tuinen, met het doel, door het noord‐westelijk gedeelte van den tegenwoordigen tuin des kloosters, de bedreigde makkers bij te springen, voor het geval dat deze zich zouden genoodzaakt zien te wijken langs de rij huizen van den rivierdijk.” De staatse troepen werden verslagen en de overlevenden sloegen op de vlucht in de richting van Gennep, waar ze in het moerasgebied ten zuiden van Mook terechtkwamen en het leven lieten. Volgens Feith zouden bij de aanleg van de Rijksweg tussen Plasmolen en Mook (ter hoogte van kilometerpaal 121 en 122) in 1870 massagraven van soldaten zijn gevonden.
Mogelijk dat deze aangetroffen menselijke resten soldaten van het Staatse leger betroffen.21 Deze resten zouden dan in het uiterste noorden van het tracé zijn aangetroffen. Ook in de tweede wereld oorlog is er in het gebied gevochten. Bij de inval van de Duitsers in 1940 concentreerden de oorlogshandelingen zich overwegend rond de Maas, waarbij de Duitsers de Maas probeerden over te steken en daarbij gehinderd werden door het Nederlandse leger. Rond het plangebied zijn hierbij geen oorlogshandelingen verricht. Pas bij Operatie Market Garden in 1944 vonden in de omgeving van het plangebied de eerste gevechtshandelingen plaats. Als onderdeel van Operation Market Garden moet de strategische weg Mook‐ Gennep worden afgesloten om te voorkomen dat Duitse troepen vanuit het oosten naar Nijmegen kunnen optrekken. Om dit doet te bereiken lande rondom Groesbeek op 17 september 1944 het 505e Parachute Infantery Regiment (PIR) van de 82ste Airborne divisie. De heuvel aan die weg, tegenover Plasmolen wordt bezet en veranderd in een stelling. Een wegversperring wordt aangelegd. Op de 20ste wordt de wegversperring doorbroken door de Duitsers die Mook bezetten. De heuvel met de Ben C‐ Compagnie van het 505e PIR raken geïsoleerd.
Op die dag wordt de Plasmolen zwaar beschoten: “De molen, die in de eerste dagen nog als uitkijkpost diende voor de Amerikaanse artillerie, gaat als eerste in brand en het hotel volgt al gauw”. Op de 21ste is de Onderste Plasmolen verdwenen. Bij de bevrijding van Plasmolen begin 1945 ging het er nog heftiger aan toe. Op 8 februari 1945 begon Operatie Veritable. Dit was het grote offensief om het Rijnland te veroveren, waardoor de geallieerden een weg konden banen naar de laatste grote natuurlijke verdedigingslinie van Duitsland; de Rijn. De weg van Nijmegen naar Kleef was de belangrijkste weg op de linkerflank van de aanval. De Rijksweg van Mook naar Gennep was essentieel op de rechterflank van Operatie Veritable. De uitvoering van het veiligstellen van deze toevoerweg door Milsbeek was toebedeeld aan de 51ste Highland Divisie. Deze Schotse divisie had de opdracht zo snel mogelijk Milsbeek te bevrijden. Het plan was om een frontale aanval op de Duitse verdediging bij het front in Plasmolen te vermijden en met een omtrekkende beweging via Breedeweg aan te vallen. Op 8 februari, de eerste dag van de aanval veroverde de 5de Black Watch het kerkdorp Breedeweg.
In de nacht van 8 op 9 februari volgde het 1ste bataljon van de Gordon High‐landers, onder leiding van Luitenant‐kolonel Martin Lindsay, de Black Watch naar het punt ‘Pyramid Hill’ (de zuidwesthoek van het Reichswald nabij de Diepen). Vanuit dit punt trokken de 1ste Gordon Highlanders door de Kiekberger bossen en veroverden de Rijksweg tussen Milsbeek en Plasmolen. In de middag startte de 5de Black Watch vanaf ‘Pyramid Hill’ de aanval op Milsbeek via het Koningsven in de richting van de Kanonskamp en de Drie Kronen. De Duitsers lagen ingegraven aan de oostzijde van de Maas en de geallieerden aan de westzijde. Vanuit loopgraven, tankopstellingen en schuttersputten werd er gevochten, 21
Feith 1913.
MA170006.041 Concept
32 van 34
waarbij onder andere mortieren werden ingezet. Bekende stellingen zijn het kanonnenbos in Milsbeek en de Sint‐Jansberg in Plasmolen.22 Op afbeelding 14 zijn de loopgraven tankgrachten en mijnenvelden afgebeeld rondom Plasmolen. Uit het door C. van den Akker uitgevoerd onderzoek blijkt dat ter hoogte van het tracé Plasmolen Milsbeek geen gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden in tegenstelling tot het tracé Plasmolen Mook en Plasmolen / de St. Jansberg.
Afbeelding 14: Ter voorbereiding van Operation Veritable werden alle bekende Duitse stellingen in kaart gebracht. De posities zijn in deze kaart op een huidige topografische kaart gelegd. De rode boogjes (ʻnʼ) stellen de posities van mijnen voor, de blauwe de loopgraven en tankgrachten. Rond plasmolen zijn langs de N271 en zelfs dwars over de N271 loopgraven aangelegd. Bron: C. van den Akker, 2018. Een luchtopname uit 1945 (afb. 15) gemaakt van de N271 nabij Plasmolen geeft aan hoe heftig de strijd was. Gezien de vele granaatinslagen rondom de Molenvijver.
22
C. van den Akker, 2018
MA170006.041 Concept
33 van 34
Afbeelding 15: Luchtfoto 16‐3‐1945. De weg naar Gennep bij Plasmolen met colonne militaire voertuigen. Geel omcirkeld is de watertank op ʻthe Hillʼ. Goed te zien zijn de vele granaa nslagen in de akkers. Bron Cees van den Akker, 2018.
2.7.3 Mogelijke verstoringen Uit de hierboven vermelde bronnen zijn aanwijzingen voor verstoringen naar voren gekomen. De eerste verstoringen van het bodemprofiel zullen het gevolg zijn van het gebruik als weg. Dit geldt voor het tracé Mook tot en met Plasmolen. Oorspronkelijk zal deze weg hebben bestaan uit een veldweg. Karresporen en mogelijke graafwerkzaamheden ter egalisatie van de weg zullen hebben geleid tot verstoring van het bodemprofiel. Als gevolg van de aanleg van de Rijksweg zal aanvullende verstoring hebben plaatsgevonden. Hierbij zal grond zijn afgegraven om funderingsmateriaal aan te brengen. De verwachting is dat de bodem onder de huidige weg, bij de aanleg ervan, tot minimaal een meter onder maaiveld verstoord is ten behoeve van het aanbrengen van het benodigde fundatiemateriaal. Dit zal over het hele tracé van de Rijksweg hebben plaatsgevonden. Tijdens WO2 hebben, met name ter hoogte van Plasmolen, gevechtshandelingen plaatsgevonden. Hierbij hebben loopgraven, die naast de N271 waren aangelegd en granaatinslagen die naast, dan wel op, de N271 zijn ingeslagen, gezorgd voor verstoring van het bodemprofiel. Naar verwachting zal het bodemprofiel in het tracé tussen Mook‐Plasmolen plaatselijk verstoord zijn als gevolg van granaatinslagen. Ten behoeve van de reconstructie van de N271 Heeft Geonius Milieu een milieu hygiënisch onderzoek uitgevoerd.
23 De boorbeschrijvingen R001 tot en met R026 van het milieu hygiënische onderzoek zijn bestudeerd
23
Scheepers 2018.
MA170006.041 Concept
34 van 34
om bovenstaande aanname te staven (bijlage 2). De boringen worden consequent beschreven, waarbij de bovenste 50 centimeter als zijnde het asfalt en de fundering van de weg, kunnen worden beschouwd. Daaronder wordt vanaf een diepte van 50 cm –mv matig fijn, zwak siltig, geelbruin zand aangetroffen. In geen enkele boring is sprake van een deel zand wat er op duidt dat nergens de C‐horizont word aangetroffen. Een bezoek aan het veldwerk bevestigt deze aanname. Enkele boringen ter hoogte van Plasmolen (boringen 012 en 013) werden door een senior prospector mee bekeken. De onderste laag, welke wordt aangeduid met de kleur bruingeel, heeft een overwegend bruine kleur. Dit komt niet overeen met het ter plekke verwachte bodemprofiel namelijk een gooreerdgrond welke gekenmerkt wordt door een A‐C profiel. Mogelijk was er nog sprake van een hoge bruine enkeerdgrond en betreft onderste laag de onderkant van de Aan‐horizont of B‐horizont.24 Hieruit kan geconcludeerd worden dat de top van de C‐horizont niet bereikt is. Aangezien dit profielverloop in vrijwel alle boringen (R001 tot en met R026) werd vastgesteld.
Kan voorzichtig geconcludeerd worden dat er plaatselijk eventueel nog een B‐ dan wel Aan‐horizont onder het onderzochte wegtracé kan voorkomen, dan wel dat de verstoring dieper heeft plaatsgevonden namelijk tot in de C‐horizont, dan wel dat er sprake is van ophoging (al dan niet plaatselijk). Boringen die tijdens dit onderzoek in de berm van de weg uitgevoerd zijn (boringen G001 tot en met G028 en G101 tot en met G130) tonen aan dat op veel plaatsen een humeus opgebracht dek wordt aangetroffen van circa 50 cm dik. Dit kan mogelijk wijzen op een enkeerdgrond. In sommige boringen werd deze laag niet aangetroffen, of werden onder deze laag bijmenging, zoals baksteen aangetroffen. Wat er op kan duiden dat de bodem hier verstoord is. Op het AHN (afb. 16) tekent de weg zich af als verhoging in het landschap, wat erop lijkt te wijzen dat de weg opgehoogd is. Bij het bodemloket zijn geen aanwijzingen voor verstorende saneringen bekend, noch zijn er volgens de verstoringsbronnenkaart andere verstoringen bekend in de directe omgeving van het plangebied. 25, 26 Langs de weg worden diverse kabels en leidingen verwacht wat de nodige verstoring van het bodemprofiel teweeg heeft gebracht. 27
Afbeelding 16: Uitsnede AHN2 maaiveld – Shaded Reliëf (Dynamische opmaak). Bron: ahn.arcgisonline.nl. 24
Mondeling cit. Geraeds, d.d. 4-9-2018. http://www.bodemloket.nl 26 https://rce.webgispublisher.nl 27 KLIC 18G337986 25
MA170006.041 Concept
35 van 34
2.7.4 Ondergrondse bouwhistorische gegevens Voor de uitkomst van het bureauonderzoek en de bepaling van het (eventuele) vervolg van het voortraject (inventariserend veldonderzoek), is het van belang de bekende archeologische waarden en ondergrondse bouwhistorische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Hiertoe is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd.28 Hierbij zijn geen aanvullende gegevens met betrekking tot verstoringen verzameld.
2.8 Bekende archeologische waarden Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden te beschrijven. Kennis daaromtrent bepaalt mede de onderzoeksstrategie van vervolgactiviteiten.29
2.8.1 Archeologische monumentenkaart De AMK is een digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de RCE in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit ARCHIS. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde). In een straal van 400 m bevinden zich 5 AMK terreinen, waarvan twee historische dorpskernen, een Romeinse villa en een terrein met sporen uit de periode Neolithicum tot en met de Romeinse tijd (zie tabel 3).
AMK nr.
16222 16227 11182
Afstand in m. t.o.v. plangebied
Datering
Status monument en omschrijving
350 m Ten westen
Late Middeleeuwen‐
van het plangebied
Nieuwe Tijd
Terrein van hoge archeologische waarde; betreft de oude dorpskern van Mook.
Gedeeltelijk binnen
Late Middeleeuwen‐
Terrein van hoge archeologische waarde; betreft de oude
het plangebied
Nieuwe Tijd
dorpskern van Plasmolen.
Direct ten zuiden
Neolithicum‐
Terrein van hoge archeologische waarde met sporen van
van het plangebied
Romeinse tijd
bewoning uit de periodes Neolithicum tot en met de Romeinse Tijd. Veldcontrole Van der Gaauw 1994: door amateur‐archeologen zijn op dit gewelfde perceel vondsten gedaan uit het Neolithicum, de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd. Tijdens de veldcontrole werd op verscheidene plaatsen nog een B‐horizont onder de 30 centimeter dikke bouwvoor aangetroffen, hetgeen er op wijst dat het bodemprofiel matig verstoord is. Grondsporen uit de IJzertijd en de Romeinse Tijd zijn zeker bewaard gebleven. Voor grondsporen uit vroegere perioden is dit onzeker omdat door voortdurend gebruik als akker toch vervlakking van het oorspronkelijke duinreliëf moet zijn opgetreden. Op de licht hellende flanken van het perceel treedt enige erosie op.
28 29
https://rce.webgispublisher.nl KNA versie 4.0, Protocol 4002
MA170006.041 Concept
36 van 34
11181
Circa 200 m ten
Neolithicum‐Bronstijd
Terrein van hoge archeologische waarde, met sporen van begraving (grafheuvels) uit het Neolithicum en/of de
zuidwesten
Bronstijd. Veldcontrole Van der Gauw 1994: in een recreatiebos met veel relief ligt op een rivierduin een grafheuvel met een diameter van circa 15 m en een hoogte van circa 2 m. De heuvel bestaat voor een groot deel uit opgeworpen grond. Vroeger zijn hier (of in de naaste omgeving) enkele stenen bijlen en een urn gevonden. Dit maakt het waarschijnlijk dat het hier een grafheuvel betreft. Op de rivierduinen in dit kleine bosgebied liggen nog enkele verhogingen die echter niet zo'n duidelijke ronde vorm hebben, maar die wel gedeeltelijk uit opgeworpen grond bestaan. Mogelijk zijn dit ook grafheuvels. De grafheuvels zijn matig verstoord. Hier en daar is in de heuvels gegraven, misschien door schatgravers, maar waarschijnlijk uit onwetendheid dat het (een) grafheuvel(s) betreft. Ook door konijnen zijn flinke holen in de heuvels gegraven. De ligging in een dagrecreatiegebied is niet bevorderlijk voor bescherming van de grafheuvel(s). Op 1 september 2005 kreeg de ROB de melding dat op het monument grafroof wordt gepleegd. De gemeente is gevraagd de politie te verwittigen. Bij inspectie (ROB) bleek het te gaan om een recente ingraving die eerder de indruk gaf te zijn ontstaan door bijvoorbeeld het begraven van een huisdier. Aangetroffen werden enkele plankjes en een serie keitjes. 1034
50 m ten noorden van het plangebied
(romeinse) villa (Romeinse Tijd), grafheuvel (Laat Neolithicum‐ Romeinse Tijd)
Terrein van zeer hoge archeologische waarde met sporen van bewoning (villa‐complex) uit de Romeinse tijd. In 1863 werden door de toenmalige eigenaar van het terrein, baron Verschuer, ter plaatse bouwmateriaal en stukken vloer gevonden. Hermans is gaan kijken en vond naast muurfragmenten ook dakpannen en stukken van muur‐ en vloerverwarming. Het hoofdgebouw heeft een front van 84 m, een diepte van 22 m en is gelegen op een halvemaanvormig terras. Het heeft bestaan uit een centraal deel en 2 vleugels, waarvan er 1 een badgebouw was. Het betreft de resten van het grootste, uit steen opgetrokken burgerlijk gebouw uit de Romeinse tijd op Nederlands grondgebied. De villa werd bewoond van begin 2e tot circa de helft van de 3e eeuw. Deze 'villa urbana' lijkt al vrij snel na het vertrek van de bewoners te zijn gesloopt. In 1931 verrichtte W.C. Braat (RMO) hier opgravingen (de enige tot 1999), dat wil zeggen er werden proefsleuven aangelegd. De uitgeworpen grond is blijven liggen en was tot zeker in de jaren '70 nog zichtbaar. In 1998 vond een aanvullend onderzoek (ADC) plaats onder leiding van T. Hazenberg, met
MA170006.041 Concept
37 van 34
als doel het bepalen van de locatie en conservering van grondsporen over het hele terrein, als basis voor een beheers‐ en inrichtingsplan. Aangetroffen werden slechts uitbraaksleuven van muurwerk, waaronder een ten opzicht van het onderzoek van Braat 'nieuwe' muur en mogelijk een aangelegd terras. Delen van ondervloeren en enkele hypocaustpijlers waren nog intact. Ook werd in 1998 digitaal meetwerk verricht (ROB). Het terrein is in WO II aangetast door een ingegraven Duitse stelling en inslagkraters. In latere jaren is vooral schade toegebracht door schatgravers en de wortelwerking van bomen. Slechts diepere
sporen
zijn
behouden,
veel
delen
van
uitbraaksleuven zijn verdwenen. Bij een bezoek aan het monument in juni 2005 bleek het terrein te zijn overwoekerd met onder meer het opschot van berken. In een verhoging op de top van de berg was een behoorlijk gat gegraven; er lag een enkel stukje dakpan/baksteenpuin. Het monument
is
gesitueerd
in
een
natuurgebied.
Grondgebruik tot medio 1999: bos. Daarna zijn de bomen gekapt. Er was destijds sprake van een open ruigte. Tabel 2: Overzicht AMK terreinen
2.8.2 ARCHIS Waarnemingen ARCHIS is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe Tijd. In ARCHIS staat geen waarneming geregistreerd binnen de begrenzing van het plangebied. Uit de directe nabijheid van het plangebied (binnen een straal van 400 m) zijn 35 waarnemingen bekend (zie tabel 4).
Zaakidentificatienr.
Afstand in m. t.o.v. plangebied
Datering
Aard van melding
4040477100
350 m ten zuiden
onbekend
Vondst tijdens IVO‐O
3091879100
400 m ten zuiden
IJZV
Aardewerk vondsten tijdens niet‐ archeologische graafwerkzaamheden
3020613100
300 m ten zuiden
PALEO‐NT
Aardewerk en vuursteen vondsten tijdens niet‐archeologische graafwerkzaamheden
3022282100
430 m ten zuiden
PALEO‐NT
Verschillende vondsten uit verschillende periodes, waaronder klokbekeraardewerk (NEOLB), Romeins bouwmateriaal en vuursteen
2781462100
330 m ten zuiden
ROMM
Vooral keramische vondsten uit de Midden Romeinse tijd, die duiden op de aanwezigheid van een crematie grafveld
MA170006.041 Concept
38 van 34
3020646100
200 m ten zuiden
NEOLVB, ROM, IJZ,
Veldkartering waarbij verschillende
LME, NT
vondsten zijn gedaan, zoals: vuursteen, aardewerk en glas.
3020776100
300 m ten zuiden
PALEO‐BRONS
Vuursteen en aardewerkvondsten
NEOL, NT 3020727100
100 m ten zuiden
PALEO‐BRONS
Vuursteen en aardewerkvondsten
NEOL, NT 3020719100
50 m ten zuiden
PALEO, NEOM, IJZ, VME
2252426100
300 m ten zuiden
NEOL
Vuursteen en keramische vondsten Zes keramische vondsten
3267713100
200 m ten zuiden
ROMM‐LMEB
Glas en dierlijk bot
3183951100
50 m ten zuiden
BRONSL
Bot, ijzer en keramiek. Mogelijk grafveld.
2780182100
50 m ten zuiden
PALEOL
vuursteen
2781924100
100 m ten zuiden
IJZL‐ROM
keramiek
2780263100
100 m ten zuiden
MESO
Zeer veel vuursteen
3173137100
150 m ten zuiden
LME‐NT
Keramische vondsten
3167427100
250 ten zuiden
MESO, IJZ, ROM, LME,
Keramiek en steen
NT 3020808100
250 m ten zuiden
PALEO‐BRONS, ROM,
Vuursteen en keramiek
NT 3020573100
50 m ten zuiden
NT
Keramiek
3021512100
300 m ten noorden
BRONSL
Sikkelvormige vuursteen
3020792100
100 m ten noorden
PALEO‐BRONS, IJZ
Keramiek en vuursteen
2692540100
300 m ten noorden
PALEO, BRONS, VME
Keramiek en vuursteen
2780271100
350 m ten noorden
MESO
Zeer veel vuursteen
2781713100
400 m ten noorden
IJZL‐ROMV
Glas en keramiek
2777753100
200 m ten noorden
NEOLMA
Felsrechteckbeil
3154589100
100 m ten noorden
NEOL of ROM
Grafheuvel
3204240100
100 m ten noorden
NEOL‐ROM
Voormalig monument Kloosterberg. Romeins villacomplex en grafheuvel
2075417100
100 m ten noorden
ROMM
Bouwmateriaal
2781795100
150 m ten noorden
ROMMB
Opgraving Kloosterberg
2779219100
50 m ten noorden
ROM
Keramiek en ijzer vondsten
3022671100
100 m ten noorden
MESOL‐NEOLVB
Bijl (Fels‐Ovalbeil) en vuursteen
3091651100
50 m ten noorden
ROMMA
Koper
3020784100
100 m ten noorden
PALEO, NEO, IJZ en NT
Keramiek, glas en vuursteen
3212535100
150 m ten noorden
NEO, ROM
Keramiek en ijzer
3173283100
200 m ten noorden
PALEO‐BRONS
Vuursteen
Tabel 3: Overzicht ARCHIS‐waarnemingen
MA170006.041 Concept
39 van 34
2.8.3 Onderzoeksmeldingen In een straal van circa 400 m van het zoekgebied zijn 11 onderzoeksmeldingen bekend. Zaakidentificati Afstand Uitvoerder Aard en resultaten van het onderzoek* enr. in m. t.o.v. plange bied 4040771100
300 m
Archeodienst
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende
ten
Gelderland BV
fase: kruising Broekweg‐Startsedijk te Mook. In het plangebied is sprake van een geheel intact bodemprofiel dat bestaat uit een bouwvoor (ca.
zuiden
40 cm) met daaronder een bruine bodemhorizont. Deze bruine laag is geïnterpreteerd als een natuurlijke bodemhorizont (Bw‐horizont) en niet als een antropogene plaggenlaag (Aa‐horizont). Het onderscheid is echter moeilijk te maken omdat de kleurverschillen gering zijn. In het oostelijke deel van het plangebied bestaat het gehele bodemprofiel uit (kleiig) zand met daaronder vanaf 0,6 – 0,8 m beneden maaiveld grof beddingzand. In het westelijke deel ligt het grove beddingzand dieper en wordt afgedekt door een stugge oude kleilaag. Het gedeelte waar de rivierklei ontbreekt en sprake is van een zandige bodemprofiel, ligt vermoedelijk op een wat hogere zandbank/oever binnen de riviervlakte van de Maas. Op basis van deze landschappelijke ligging en het intacte bodemprofiel blijft de middelhoge tot hoge verwachting uit het bureauonderzoek gehandhaafd. Dit betreft specifiek een hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat‐Mesolithicum – Neolithicum en een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle‐Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht om de aan‐ of afwezigheid van een vindplaats binnen het plangebied vast te stellen. 2051692100
300 m
BAAC BV
Uit het onderzoek is gebleken dat in het onderzoeksgebied een tweetal
ten
locaties aangetroffen is, waar zich vermoedelijk een archeologische
zuidwes
vindplaats bevindt. Langs de Cuijksesteeg, ten oosten van Mook, loopt
ten
het tracé over een rivierterras uit het Bølling. In een tweetal boringen zijn fragmenten aardewerk aangetroffen uit de periode 4500 BC – 900 AD. Een fossiele bodem onder het esdek ontbreekt, maar het is mogelijk dat er zich toch nog oudere sporen onder het cultuurdek bevinden. Op het rivierduincomplex tussen Milsbeek en Middelaar is aardewerk aangetroffen uit de IJzertijd – Romeinse Tijd en vondsten uit de (vroege) Middeleeuwen. Deze vondsten zijn gedaan tijdens de oppervlaktekartering. Tijdens het booronderzoek is op deze locaties een intact esdek aangetroffen. Dit schept hoge verwachtingen voor wat betreft de conservering van archeologische sporen. Gezien de ouderdom van het rivierduincomplex zijn sporen te verwachten vanaf het Mesolithicum.
MA170006.041 Concept
40 van 34
4040477100
50 m
KSP‐
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende
ten
archeologie
fase Cuijksesteeg 2 te Mook. Gemeente Mook en Middelaar. Gegevens
zuiden 3974966100
zijn echter niet bekend.
350 m
Archeodienst
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende
ten
Gelderland BV
fase: kruising Broekweg‐Startsedijk te Mook. In het plangebied is sprake van een geheel intact bodemprofiel dat
zuiden
bestaat uit een bouwvoor (ca. 40 cm) met daaronder een bruine bodemhorizont. Deze bruine laag is geïnterpreteerd als een natuurlijke bodemhorizont (Bw‐horizont) en niet als een antropogene plaggenlaag (Aa‐horizont). Het onderscheid is echter moeilijk te maken omdat de kleurverschillen gering zijn. In het oostelijke deel van het plangebied bestaat het gehele bodemprofiel uit (kleiig) zand met daaronder vanaf 0,6 – 0,8 m beneden maaiveld grof beddingzand. In het westelijke deel ligt het grove beddingzand dieper en wordt afgedekt door een stugge oude kleilaag. Het gedeelte waar de rivierklei ontbreekt en sprake is van een zandige bodemprofiel, ligt vermoedelijk op een wat hogere zandbank/oever binnen de riviervlakte van de Maas. Op basis van deze landschappelijke ligging en het intacte bodemprofiel blijft de middelhoge tot hoge verwachting uit het bureauonderzoek gehandhaafd. Dit betreft specifiek een hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat‐Mesolithicum – Neolithicum en een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle‐ Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht om de aan‐ of afwezigheid van een vindplaats binnen het plangebied vast te stellen.
Omdat de ontgraving de aanleg van een poel betreft en een relatief klein oppervlak beslaat (ca. 645 m2) wordt geadviseerd om het archeologisch vervolgonderzoek gelijktijdig met de ontgraving van de poel uit te voeren. 2321316100
ADC
Op basis van dit bureauonderzoek werden in het hele plangebied
ArcheoProject
archeologische resten verwacht uit alle archeologische perioden. Het
en
vondstniveau wordt verwacht onderin het plaggendek en in de top van het dekzand. Teneinde deze verwachting te toetsen werd in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. In boring 1 en 2 is vanaf ca. 1,0 m –mv een onverstoord bodemprofiel aanwezig dat geïnterpreteerd wordt als Maasafzettingen behorende tot de Formatie van Kreftenheye. Deze afzettingen worden afgedekt door een pakket dat als enkeerdgrond wordt geïnterpreteerd dat recent verstoord is. In boring 3 en 4 is vanaf ca. 1,50 m –mv een onverstoord bodemprofiel aanwezig dat geïnterpreteerd wordt als Maasafzettingen behorende tot de Formatie van Kreftenheye. Dit pakket wordt afgedekt door een recente ophooglaag. ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog
MA170006.041 Concept
41 van 34
archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. 2252426100
350 m
BILAN
Uit het bureauonderzoek bleek dat het plangebied op basis van de
ten
ligging in een gebied met hoge bruine enkeerdgronden volgens de
zuiden
IKAW een hoge archeologische verwachting heeft. Uit het veldonderzoek bleek dat de bodem in het plangebied op basis van de dikte van de humeuze bovengrond bodemkundig kan worden geclassificeerd als een hoge bruine enkeerdgrond. In het uiterste zuidelijke deel van het plangebied werd een 40 cm dikke humeuze A‐ horizont aangetroffen die geïnterpreteerd kan worden als een akkereerdgrond. Het natuurlijke bodemprofiel, waarschijnlijk een moderpodzol, is bij de ontginning door verploeging in de A‐horizont opgenomen. In een boring werd in de top van de C‐horizont een aantal kleine fragmenten handgevormd aardewerk aangetroffen die in de periode Neolithicum tot ijzertijd te dateren zijn en duiden op een vindplaats. Op basis van deze gegevens behoudt het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting voor archeologische waarden vanaf de steentijd en wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
2367844100
300 m
Econsultancy
Econsultancy heeft in opdracht van Bungalowverhuur de Riethorst op 9
ten
en 10 mei 2012 een archeologisch bureauonderzoek op 14 mei 2012
zuiden
een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de bouw van een woning met bedrijfsruimte. Het plangebied is gelegen aan de Riethorsterweg (ong.) te Plasmolen in de gemeente Mook en Middelaar. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden, om daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek (IVO‐overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is erop gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten.
Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote
MA170006.041 Concept
42 van 34
diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische
waarden
vervolgonderzoek
en/of
aanwezig
(kunnen)
planaanpassing
en
of
noodzakelijk
zijn
is.
Gespecificeerde archeologische verwachting De archeologische verwachting
is
voor
alle
periodes
middelhoog.
Resultaten
inventariserend veldonderzoek De bodemopbouw in het plangebied is zeer verschillend. Het oostelijk deel van het plangebied is opgehoogd met een puinhoudende laag van 70 – 100 cm. Onder deze laag bevindt zich het oorspronkelijke bodemprofiel bestaande uit een bouwvoor van gemiddeld 30 cm met daaronder de C‐horizont bestaande uit lichtgrijs/geel grof zand. De bodem is in het oostelijke en centrale deel van het plangebied verstoord tot in de C‐horizont. In het uiterste westelijke deel van het plangebied reikt de verstoring tot in de B‐ horizont. Conclusie In het oostelijke en centrale deel van het plangebied wordt de archeologische verwachting voor alle periodes bijgesteld naar laag. Voor het uiterste westelijke deel van het plangebied blijft de archeologische verwachting gehandhaafd. 2180766100
50 m
BILAN
E. de Boer. Mook en Middelaar ‐ Plasmolen (L), Rijksweg.
tenzuide
Archeologische bureau‐ en inventariserend veldonderzoek (karterende
n
fase). BILAN‐rapport 2008/114. Gegevens uit dit rapport zijn niet bekend.
2075417100
50 m
ADC
Het onderhavige AAO had tot doel de mate van conservering en de
ten
ArcheoProject
kwaliteit van de archeologische informatie in de bodem van het
noorden
en
monument in Plasmolen te bepalen. Daarnaast werden de resultaten van de opgraving van Braat in 1934 gecontroleerd om ze in het moderne systeem van het Rijksdriehoeksnet te kunnen inmeten. De resultaten van het onderzoek dienen antwoord te geven op de vraag of het monument behoudenswaardig blijft en indien dit antwoord bevestigend zou zijn, hoe het terrein zo goed mogelijk beheerd zou kunnen worden. De opgravingsputten in 1999 hebben veel grondsporen op de van te voren verwachte plaats opgeleverd. Het betreft hier zowel door Braat reeds ontdekte uitbraaksleuven van muren van de villa als de door Braat aangelegde proefsleuven. Ook werden bevindingen van Braat aangaande enkele vertrekken van de villa bevestigd. Zo werden tijdens het AAO hypocaustpijlers op ondervloeren aangetroffen in ruimte 9, waar deze ook door Braat zijn opgetekend. Ook tekende de door Braat geïnterpreteerde kelder, ruimte 26, zich in put 2 af als een diep uitgegraven fundering. Maar enkele uitbraaksleuven, die tijdens het onderhavige AAO zeker hadden moeten worden aangesneden, lieten zich niet herkennen. De oorzaak hiervan ligt waarschijnlijk in het feit dat de uitbraaksleuven zich niet overal even duidelijk tonen maar ook in het verval van het monument. Over de wallen aan de noord‐ en westzijde van het monument kan op basis van het huidige AAO
MA170006.041 Concept
43 van 34
hetzelfde worden geconcludeerd als door Braat, namelijk dat deze wallen na de sloop van de villa zijn ontstaan. Een meer precieze datering is van de wal niet te geven. Daarentegen heeft het onderzoek een terras enkele meters onder het plateau aan het licht gebracht. Dit terras is verstevigd met losse brokken mortel en kiezel. Waarschijnlijk is dit gebeurd om erosie van het plateau tegen te gaan. Het villaterrein is in de loop der jaren in hevige mate aangetast door schadelijk vormen van bodemingrepen en grondgebruik. Allereerst is de villa na het verlaten van de bewoners dusdanig grondig afgebroken dat muurresten nauwelijks meer te verwachten zijn. Maar ook 'm recentere tijden heeft het monument veel te lijden gehad. Braat schrijft al over de vele bomen die met hun wortels de archeologische resten aantasten en het terrein ontoegankelijk maken. Na de jaren dertig hebben oorlogshandelingen, wortelwerking en schatgravers gezorgd voor de huidige staat van het monument. 2447929100
Direct
ADC
Herinrichting Tielebeek 'Maasmonding ‐ N271' te Milsbeek, gemeente
ten
ArcheoProject
Gennep. Een Bureauonderzoek.
zuiden
en
In opdracht van de firma Kragten heeft ADC ArcheoProjecten in juni 2014 in het kader van de voorgenomen herinrichting van de Tielebeek, gemeente Gennep, een bureauonderzoek uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek kan geconcludeerd worden dat binnen het plangebied rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van sporen en vondsten uit de periode van het Laat Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Op basis van het bekende historisch kaartmateriaal lijkt de kans op de aanwezigheid van bewoningssporen uit de Nieuwe tijd binnen het plangebied klein. Wel doorsnijdt de Tielebeek de oude circumvallatielinie uit 1641. Niet uitgesloten kan worden dat zich op deze locatie binnen het plangebied nog sporen van deze linie bevinden. Gezien de latere ontginning en gebruik van het gebied wordt de kans hierop evenwel klein geacht. Feit is verder dat de bodem binnen het plangebied reeds op diverse locaties verstoord is. Dit als gevolg van het feit dat de beek in het verleden op diverse plaatsen verlegd c.q. rechtgetrokken is. Verder geldt dat de voorgenomen werkzaamheden in veel gevallen geen verstoring van de bodem en dus archeologische waarden met zich mee zullen brengen. Dit betreft dan de locaties waar de voorgenomen werkzaamheden uit het versmallen van de huidige bedding bestaan of het verondiepen van de bodem.
Slechts op een beperkt aantal plaatsen vormen de voorgenomen werkzaamheden een bedreiging van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Het gaat daarbij dan om die delen binnen het plangebied waar de bedding van de beek verlegd wordt en daarbij tot op heden, voor zover bekend, onverstoorde terreindelen doorsnijdt. Dit betreft een circa 180 m lang traject binnen deellocatie B en een circa 150 m lang traject binnen deellocatie D. ADC ArcheoProjecten adviseert om die delen van het terrein waar de voorgenomen werkzaamheden geen verstoring van de bodem met zich meebrengen vrij te geven voor
MA170006.041 Concept
44 van 34
de voorgenomen ontwikkeling. Voor die delen binnen het plangebied waar de bedding van de beek verlegd wordt en daarbij tot op heden, voor zover bekend, onverstoorde terreindelen doorsnijdt geldt dit advies niet. Dit betreft een circa 180 m lang traject binnen deellocatie B en een circa 150 m lang traject binnen deellocatie D. Opgemerkt wordt dat de exacte lengte van deze trajecten echter nog afgestemd dient te worden op de definitieve technische invulling van de werkzaamheden. ADC ArcheoProjecten adviseert voor deze delen van het
plangebied
een
archeologische
begeleiding
(protocol
Proefsleuven). 3033947100
100 m ten zuiden
RAAP
Onderzoek RAAP‐rapport 85; cat.nr. 4 Inheemse nederzetting uit de Romeinse tijd. Tijdens de veldcontrole werd op verscheidene plaatsen nog een B‐horizont onder de 30 cm dikke bouwvoor aangetroffen, hetgeen er op wijst dat het bodemprofiel matig verstoord is. Grondsporen uit de IJzertijd en Romeinse tijd zijn zeker bewaard gebleven. Voor grondsporen uit vroegere perioden is dit onzeker, omdat door voortdurend gebruik als akker toch vervlakking van het oorspronkelijke duinrelief moet zijn opgetreden. De vindplaats is weinig verstoord. Voortdurend gebruik als akker zal de grondsporen langzaam maar zeker verder aantasten. Op de licht hellende flanken van het perceel treedt enige erosie op.
Tabel 4: Overzicht onderzoeksmeldingen
Afbeelding 17: Uitsnede Archis 3 met daarop afgebeeld het plangebied (rode lijn), AMK terreinen (paarse kaders), ARCHIS‐waarnemingen (groene cirkels) en onderzoeksmeldingen (gele kaders).
MA170006.041 Concept
45 van 34
2.8.4 Gemeentelijke verwachtingskaart Op de gemeentelijke verwachtingskaart van de gemeente Gennep staat het plangebied gekarteerd als gebied met een gedeeltelijke hoge, middelhoge en gedeeltelijk lage verwachting (zie afb. 18). In het zuiden van het plangebied, ter hoogte van Milsbeek, doorsnijdt het tracé een gebied met een hoge archeologische verwachting. Richting het noorden doorsnijdt het tracé een gebied met een middelhoge verwachting, vervolgens een gebied met een lage verwachting (afb. 19). Op de gemeentelijke verwachtingskaart van de gemeente Mook en Middelaar staat het plangebied gekarteerd als gebied met een gedeeltelijke middelhoge en gedeeltelijk lage verwachting (zie afb. 18). Geomorfologisch gezien is het tracé hier gelegen op een ondergraven stuwwalzijde, waarop volgens de bodemkaart een holtpozolgrond ontwikkeld is.
Afbeelding 18: Weergave van het plangebied (bij benadering met een blauwe lijn aangeven) op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Gennep.
MA170006.041 Concept
46 van 34
Afbeelding 19: Weergave van het plangebied (bij benadering met een blauwe lijn aangeven) op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Mook en Middelaar.
2.9 Gespecificeerde verwachting Op basis van de, in de vorige stappen, verworven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke en historische situatie en de bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden, vindt een proces plaats van analyse en interpretatie t.b.v. het opstellen van een gespecificeerde verwachting. Hiertoe is achtergrondkennis vereist van de landschapsontwikkeling en de geschiedenis van de archeo‐regio. Om tot een juiste keuze van de onderzoeksmethode van het inventariserend veldonderzoek te komen zijn, voor zover mogelijk, de volgende eigenschappen aangegeven: datering; minimaal in hoofdperioden (zoals Paleolithicum, Mesolithicum, etc.); complextype (zoals nederzetting, grafveld, akkerlaag etc.); omvang; diepteligging (ook zichtbaar/niet‐zichtbaar); locatie (met eventueel aanduiding in welk deelgebied); uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren); mogelijke verstoringen.30 Op basis van de hiervoor beschreven landschappelijk, archeologische en historische informatie is het mogelijk een archeologische verwachting op te stellen. Op grond van het gebruik van het landschap door de mens kan er een tweedeling worden gemaakt in jagers‐verzamelaars (Paleo‐ en Mesolithicum) enerzijds en landbouwers (Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd) anderzijds.
De gespecificeerde verwachting is hierop afgestemd.
30
KNA versie 4.0, Protocol 4002.
MA170006.041 Concept
47 van 34
Jager‐verzamelaars Jagers‐verzamelaars trokken door het landschap en verbleven tijdelijk op een verblijfplaats. Vanuit grotere basiskampen werden jacht expedities opgezet waarbij de jagers langere tijd onderweg waren en tijdelijke kleine kampen inrichten waar ze een beperkt aantal dagen verbleven, zogenaamde extractiekampen. De grootste kans voor het aantreffen van jachtbuit was in de buurt van water. Tevens konden hier veel vruchten worden aangetroffen. Zowel basiskampen als extractiekampen waren dan ook geconcentreerd in de buurt van water, op de overgang van hoog en droog naar laag en nat; de zogenaamde gradiëntzones. Het zuidelijke deel van het tracé doorsnijdt vanuit het zuiden uit, ter hoogte van Milsbeek, een dalvlakteterras en een terras met dekzandwelvingen. In het niet gekarteerde gebied, direct ten noorden van Milsbeek, doorsnijdt het tracé naar verwachting eveneens een dalvlakteterras en dekzandwelvingen, om vervolgens een uitgestoven laagte zonder randwal te doorsnijden, alvorens het tracé de ondergraven stuwwalzijde bereikt. Het dalvlakteterras is gevormd in het Laat‐Weichselien. Ter plaatse waar de dekzandwelvingen gekarteerd staan, zijn deze afzettingen in het Vroeg‐Holoceen overstoven geraakt met dekzand.
Op het dalvlakteterras kunnen dus vondsten daterend vanaf het Jong Paleolithicum B aangetroffen worden; op de dekzandwelvingen vondsten daterend vanaf het Mesolithicum. ARCHIS‐waarnemingen van vondsten daterend vanaf het Paleoliticum onderbouwen dit. In het Laat Weichselien is de Maas hier nog actief geweest en kan er dus mogelijk wel water aanwezig zijn geweest. Daarnaast blijkt uit de ARCHIS‐waarnemingen dat er op het dalvlakteterras en de dekzandwelvingen twee vondstmeldingen, die naar het schijnt, een Mesolithische nederzetting weerspiegelen, bekend zijn. Daarom geldt voor het aantreffen van nederzettingen van jagers en verzamelaars naar verwachting een middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen van jagers en verzamelaars vanaf het Jong Paleolithicum B. De uitgestoven laagte zonder randwal is gevormd in het Vroeg‐Holoceen. Door de vernatting in het Holoceen ontstond hier een moeras. Hier zouden dus vondsten daterend vanaf het Mesolithicum aangetroffen kunnen worden. Op de hogere delen in het moerasgebied kunnen vindplaatsen (extractiekampen) van jagers verzamelaars voorkomen. Langs de rand van de laagte, aan de voet van de stuwwal kunnen basiskampen voorkomen. Daarom heeft deze laagte een middelhoge verwachting op het voorkomen van nederzettingen van jagers en verzamelaars.
Het noordelijke deel van het tracé is gelegen op een ondergraven stuwwalzijde, die twee maal wordt doorsneden door een droogdal. Op deze stuwwal en bijbehorende sandr kunnen in principe vindplaatsen vanaf het Midden Paleolithicum voorkomen, aangezien de vorming plaatsvond in het Saalien. Bovendien kunnen oude vindplaatsen van voor het Saalien, verstoord, in de gestuwde lagen zijn opgenomen. De ondergraven stuwwalzijde kan echter, vanwege de steile helling (niet geschikt voor bewoning), beschouwd worden als een zone met een lage kans op het voorkomen van nederzettingen van jagers en verzamelaars. Het gehele tracé, dat gelegen is op de ondergraven stuwwalzijde kan derhalve worden beschouwd worden als een gebied met een lage archeologische verwachting voor het aantreffen van nederzettingen van jagers en verzamelaars. Complextype: Nederzettingsresten in de vorm van basiskampen en extractiekampen Omvang: De omvang van dit soort kampementen varieert van circa 10 m² voor een extractiekamp tot enkele tientallen m² voor een basiskamp. Diepteligging: In principe kunnen archeologische waarden vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Dit betreft in de regel verploegde archeologische resten. Afhankelijk van het voorkomende bodemtype worden intacte archeologische waarden (met name grondsporen) meteen onder de bouwvoor verwacht, met uitzondering van
MA170006.041 Concept
48 van 34
die gronden waar hoge bruine enkeerdgronden voorkomen. Hier worden intacte archeologische waarden onder de Aan‐horizont verwacht op circa 50 tot 80 cm –mv. 31 Locatie: Nederzettingen van jagers en verzamelaars kunnen in het hele plangebied voorkomen met uitzondering van de ondergraven stuwwalzijde (noordelijk gedeelte van het tracé). Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door een strooiing van vuursteen. Het is echter niet uitgesloten dat ook grondsporen kunnen worden aangetroffen. Mogelijke verstoringen: Om zoveel mogelijk informatie uit de vuursteenvindplaats te krijgen, is het van belang dat de interne structuur van de vindplaats (de verticale en horizontale spreiding) zo min mogelijk is verstoord. Volgens de verzamelde gegevens is het plangebied voor zover bekend in gebruik geweest als weg, wat betekent dat de bodemverstoring vermoedelijk tot in de top van de C‐horizont zal hebben plaats gevonden. Gegevens uit het booronderzoek, dat ten behoeve van het milieuonderzoek is uitgevoerd, lijken erop te wijzen dat nergens de C‐horizont werd aangeboord. Mogelijk dat er sprake is van een ophoogpakket waarbij fundatiemateriaal is aangebracht inde vorm van zand. Of hierbij de oorspronkelijke bodem is afgegraven is onduidelijk. Plaatselijk kan er ook sprake zijn van een Aan‐horizont.
De verwachting op het voorkomen van jagers verzamelaars blijft daarmee middelhoog tot hoog met uitzondering ter plaatse van de ondergraven stuwwalzijde (afb. 20).
Afbeelding 20: Gespecificeerde verwachting jagers en verzamelaars op de geomorfologische ondergrond (blauw = laag; rood =; geel = middelhoog). Landbouwers (Neolithicum tot en met Nieuwe tijd) Uitgangspunt voor het verwachtingsmodel voor landbouwers is de geschiktheid van de, in het onderzoeksgebied, aanwezige bodemeenheden voor (prehistorische) akkerbouw en de nabijheid van water. Hierbij zijn met name de ontwateringstoestand, het vochtregulerend vermogen, de bodemvruchtbaarheid en de bewerkbaarheid van de bodem bepalende factoren. De nabijheid van water lijkt daarnaast een andere belangrijke factor geweest te zijn. In het zuidelijke gedeelte van het tracé, vanaf de toe‐ en afrit Kortebaan in Milsbeek tot aan de toe‐ en afritten Schildersweg/Zevenbergseweg in Plasmolen, worden volgens de bodemkaart32 grotendeels hoge bruine enkeerdgronden aangetroffen. Dit zijn gronden die vanaf de Middeleeuwen of nog ouder opgehoogd zijn met (potstal)mest. Vanwege deze opgebrachte laag hebben dit soort gronden een beschermende werking. Vanwege
31 32
Stiboka 1976. Stiboka 1976.
MA170006.041 Concept
49 van 34
het voorkomen van de hoge bruine enkeerdgronden heeft dit deel van het tracé een middelhoge tot hoge verwachting. Ter hoogte van de, in het zuidelijke gedeelte van het tracé, gekarteerde woudeerdgronden, die op de gemeentelijke verwachtingskaart worden aangeduid als gebieden met lage verwachting, bevindt zich direct ten zuiden van het plangebied een AMK‐terrein met sporen uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Op grond van de aanwezigheid van dit AMK terrein is het niet uit te sluiten dat in het plangebied ook nog archeologische waarden kunnen voorkomen al dan niet gerelateerd aan dit AMK terrein. Daarom kan de verwachting voor de alhier aanwezige woudeerdgrond naar boven worden bijgesteld, naar een middelhoge tot hoge verwachting voor het aantreffen van nederzettingen uit de periode Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd Tussen de toe‐ en afritten Schildersweg/Zevenbergseweg en de toe‐ en afrit Kiekbergsebaan in Plasmolen doorsnijdt het tracé een gooreerdgrond. Dit zijn gronden die ontwikkeld zijn in nattere zandgronden. Omdat deze gronden geen gunstige waterhuishouding hebben zijn deze minder geschikt voor landbouw en kunnen daarom beschouwd kunnen worden als gronden waarop de kans op het aantreffen van archeologische waarden van landbouwers laag is.