Bijlage 1i bp Reconstructie N271 Mook - Milsbeek - archeologie.pdf
Tekst van het document
Archeologisch onderzoek in het tracé van de N271 Archeologisch bureauonderzoek en IVO‐O verkennende vorm door middel van boringen in het tracé van de N271 tussen Mook en Plasmolen in de gemeentes Gennep en Mook en Middelaar
Archeologische Rapporten Geonius 108 Augustus/september 2018
Luchtfoto plangebieden
Archeologisch onderzoek N271 Mook-Plasmolen Archeologisch bureauonderzoek en IVO‐O verkennende vorm door middel van boringen in het kader van de vernieuwing van de N271 tussen Mook, Milsbeek en Plasmolen Archeologische Rapporten Geonius 108 6 september 2018
Opdrachtgever Provincie Limburg
Documentnummer MA170006.041
Versie Concept
Auteur J.A.A. de Ridder & J.J.G.Geraeds
ISSN 2405‐5506
Functie
Naam
Controle senior KNA archeoloog
drs. J.J.G. Geraeds
MA170006.041 Concept
Paraaf
2 van 34
Administratieve gegevens Opdrachtgever: Contactpersoon: Uitvoerder:
Bevoegde overheid: Contactpersoon: Beheer en plaats van documentatie: Landelijk registratienummer: Locatie:
Eigenaar van de grond/contactpersoon: NOaA archeoregio: Onderzoekskader: Onderzoeksteam: Type onderzoek: Tijdstip onderzoek:
Provincie Limburg dhr. H.G. Keulen Geonius Archeologie De Asselen Kuil 10 6161 RD Geleen Contactpersoon: dhr. J. Geraeds. E: j.geraeds@geonius.nl T: 088‐1300600 Gemeente Mook en Middelaar en gemeente Gennep L. Potten (gemeente Gennep) en J. de Graaf Archief Geonius & Provinciaal depot te Heerlen 4629607100 Gemeente: Mook en Middelaar en Gennep Plaats: Mook, Plasmolen en Milsbeek Toponiem: N271 Mook ‐ Milsbeek Centrum coördinaat: X: 191.792,280 Y: 280..416,840 Kaartblad: 46W Omvang plangebied: weg tracé N271 tussen hm 117.600 en 122.000 Kadastrale gegevens: perceelsnummers 01969, 01844 en 02082 Provincie Limburg Limburgs zandgebied Omgevingsvergunning J.J.G. Geraeds (senior KNA archeoloog) en J.A.A. de Ridder (KNA archeoloog) Bureauonderzoek augustus/september 2018
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Geonius aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van onderhavig onderzoek. Geonius Archeologie is een onderdeel van Geonius Milieu B.V. Geonius is gecertificeerd voor de protocollen 4001 (Programma van Eisen), 4002 (Bureauonderzoek), 4003 (Inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven landbodem) van de SIKB BRL 4000
Bronzen riemverdeler uit circa 900 na Chr. De riemverdeler of driepas is het beeldmerk van Geonius Archeologie. Een riemverdeler verbindt verschillende riemen met elkaar en draagt zodoende zorg voor één geheel. De vorm komt overeen met het logo van Geonius dat staat voor de van oorsprong drie disciplines die één organisatie vormen en zorg dragen voor de uitvoering van integrale projecten..
MA170006.041 Concept
3 van 34
Samenvatting In opdracht van de Provincie Limburg heeft Geonius Archeologie in augustus 2018 voor de geplande reconstructie van de N271 tussen Milsbeek en Mook in de gemeentes Mook en Middelaar en Gennep een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Aanleiding voor het uitvoeren van het archeologisch bureauonderzoek is de geplande reconstructie van de N271 Milsbeek‐Plamolen‐Mook. Vanwege de ligging van het plangebied in een gebied dat volgens de vigerende bestemmingsplannen een dubbelbestemming waarde archeologie heeft, diende een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, alvorens de omgevingsvergunning kan worden verkregen. Uit dit bureauonderzoek blijkt dat in het noorden van het onderzoeksgebied zich een stuwwal bevind. Het noordelijk tracé vanaf Plasmolen tot Mook is gelegen op de ondergraven zijde van deze stuwwal. Op deze ondergraven zijde van de stuwwal staan holtpodzolen gekarteerd. In het zuiden van het plangebied, vanaf Plasmolen richting Milsbeek bevinden zich voornamelijk hoge bruine enkeerdgronden. Op de overgang van de hoge bruine enkeerdgronden naar de stuwwal, bevinden zich, ter hoogte van de uitgestoven laagte, gooreerdgronden. Het tracé vanaf Mook tot aan Plasmolen is in ieder geval vanaf de periode 1806‐1890 tot heden in gebruik geweest als weg. Het tracé vanaf Plasmolen richting Milsbeek is pas vanaf circa 1890 in gebruik als weg.
Voor die tijd was het in gebruik als akkerland. De verwachting dat bij de aanleg van de weg de bodem is verstoord. Uit bestudering van boringen uitgevoerd ten behoeve van een Milieu hygiënisch onderzoek welke tot een meter onder het maaiveld zijn uitgevoerd kon niet worden vastgesteld waar de onverstoorde ondergrond begon. Er werd geen C‐horizont aangeboord. Dit kan betekenen dat het zand onder het fundatiepakket is aangebracht ofwel de onderliggende grond bestaat uit een B‐horizont. Indien deze grond is aangebracht kan het betekenen dat het een aangebracht pakket betreft ter fundering van de weg (onduidelijk is echter of de oorspronkelijk bodem is afgegraven) maar kan plaatselijk ook het restant zijn van een Aan‐horizont. In beide gevallen kan het betekenen dat archeologische resten nog onder de rijbaan kunnen worden aangetroffen. In de omgeving van het plangebied zijn vondstwaarnemingen uit de periode Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd bekend. Daarnaast zijn in de directe omgeving twee AMK‐terreinen uit de periode Neolithicum tot en met de Romeinse tijd bekend en de historische kernen van Mook en Plasmolen; periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Geconcludeerd kan worden dat voor het tracé Riethorsterweg richting Milsbeek een middelhoge tot hoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit alle perioden.
Voor het tracé Riethosterweg richting Mook geldt een lage verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit alle perioden. Wel kunnen in dit tracé bijzondere vondsten worden aangetroffen zoals resten van de voorganger van de N271 en mogelijk Romeinse weg en in het uiterst noordelijk tracé deel mogelijk resten uit de 16de eeuw. De N271 tussen Milsbeek, Plasmolen en Mook zal gereconstrueerd worden, daarbij zal het bestaande wegcunet gedeeltelijk vervangen worden en de naastliggende voet‐ en fietspaden heringericht worden. In de 50 km/u zone ter hoogte van de kom van Plasmolen worden trottoirbanden gebruikt, waardoor het water niet op een natuurlijke manier kan wegvloeien. Mogelijk dienen daartoe grondwerkzaamheden plaats te vinden. De verwachting is echter dat onder en naast het huidige wegcunet van de rijbanen nog intacte of deels intacte archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Bij het verbreden van het wegcunet zal maximaal 80 cm verbreed worden, waarbij mogelijk aan beide zijden 40 cm extra wordt aangelegd. Dit is een smalle strook, die waarschijnlijk bij de aanleg van de huidige weg al vergraven is. Onderzoek hiervan wordt om deze reden niet zinvol geacht. Op enkele plaatsen zal echter het gehele wegcunet vervangen worden door een nieuwe fundering en asfalt laag.
De graafwerkzaamheden ten behoeve hiervan zullen naar verwachting tot in de top van de onverstoorde bodem reiken. Momenteel is het nog
MA170006.041 Concept
4 van 34
niet duidelijk waar deze aanpak gehanteerd zal worden, maar Geonius adviseert om deze gedeelten onder archeologische begeleiding (IVO‐P ‐ variant archeologische begeleiding) te laten uitvoeren. Bij de reconstructie van de naastliggende wandel‐ en fietspaden, shared space gebieden, parkeerplaatsen en busstations worden alleen die tracédelen, waarbij grootschalige bodemingrepen gaan plaatsvinden, zinvol geacht om verder te onderzoeken. Dit geldt niet alleen voor de gebieden met een middelhoge tot hoge verwachting, zoals beschreven in de gespecificeerde archeologische verwachting maar ook in die gebieden met lage verwachting maar met kans op bijzondere vondsten. Hetzelfde kan gesteld worden voor de aanleg van de afwatering ter plaatse van de 50 km/u zone ter hoogte van de kom van Plasmolen. Waar de ingrepen ten behoeve van de afwatering binnen een gebied vallen, dat volgens dit bureauonderzoek een middelhoge of hoge verwachting heeft, dient dit nader onderzocht te worden. Dit geldt overigens niet als er gewoon op het bestaande oppervlakte afgewaterd kan worden, waardoor dus niet gegraven hoeft te worden. Daarnaast zullen, met name in het zuiden van het plangebied tot aan de toe‐ en afrit Helleveeg en Vagevuur boomgaten aan weerszijden van de weg gegraven worden. Ook deze ingrepen dienen nader onderzocht te worden.
Geonius raadt aan om ter plaatse van de aan te leggen afwatering, indien hierbij graafwerkzaamheden zullen voorkomen, vervolgonderzoek uit te laten voeren. Evenals op plaatsen waar het aanleggen van de shared space gebieden, fiets‐ en voetpaden tot grootschalige bodemingrepen gaan leiden. Dit vervolgonderzoek zal in eerste instantie bestaan uit een IVO‐O verkennende fase door middel van boringen en zal tot doel hebben om de mate van intactheid van de bodem vast te stellen.
MA170006.041 Concept
5 van 34
Inhoud 1
Inleiding
7
1.1 1.2 1.3
Aanleiding en doelstelling Onderzoeksopzet en richtlijnen Beleidskader
7 7 8
2
Bureauonderzoek
11
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.5.1 2.5.2 2.6 2.7 2.7.1 2.7.2 2.7.3 2.7.4 2.8 2.8.1 2.8.2 2.8.3 2.8.4 2.9
Algemeen Situering onderzoeksgebied Huidig gebruik Toekomstige inrichting Aardkundige waarden Geologie & geomorfologie Bodem Actueel Hoogtebestand Beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen Bewoningsgeschiedenis Historische ontwikkeling plangebied Mogelijke verstoringen Ondergrondse bouwhistorische gegevens Bekende archeologische waarden Archeologische monumentenkaart ARCHIS Waarnemingen Onderzoeksmeldingen Gemeentelijke verwachtingskaart Gespecificeerde verwachting
11 11 12 13 16 16 19 22 22 23 24 34 36 36 36 38 40 46 47
3
Conclusies en aanbevelingen
3.1 Conclusies 3.2 Aanbevelingen Literatuurlijst Gebruikte bronnen Afbeeldingenlijst Tabellenlijst Verklarende woordenlijst Gebruikte afkortingen
53 54 56 57 58 58 59 61
Bijlagen
MA170006.041 Concept
53
62
6 van 34
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Op 9 augustus 2018 is door de Provincie Limburg aan Geonius Milieu BV te Geleen opdracht verleend voor het uitvoeren van een archeologisch voor het tracé van de N271 tussen Milsbeek en Mook in de gemeentes Gennep en Mook en Middelaar. Aanleiding voor het uitvoeren van het archeologisch bureauonderzoek is de geplande reconstructie van de N271 Milsbeek‐Plasmolen‐Mook. Vanwege de ligging van het plangebied in een gebied dat volgens de vigerende bestemmingsplannen dubbelbestemmingen waarde archeologie en waarde archeologie 4 heeft, dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, alvorens de omgevingsvergunning kan worden verkregen. Het archeologisch onderzoek heeft tot doel het opstellen van een gespecificeerde verwachting. Het resultaat is voorliggend rapport, op basis waarvan de bevoegde overheid een beslissing kan nemen over een eventuele vervolgstap in de AMZ (Archeologische Monumenten Zorg) cyclus.1
1.2 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek. Dit Bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002. Dit protocol maakt deel uit van de beoordelingsrichtlijn (BRL) 4000.2 De BRL 4000 is opgesteld op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.03 die beheerd wordt door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB).4 In navolging op hoofdstuk 1, het inleidend hoofdstuk, worden in hoofdstuk 2 de resultaten van het bureauonderzoek vermeld op basis waarvan de gespecificeerde verwachting is bepaald. In hoofdstuk 3 worden de conclusies en aanbevelingen geformuleerd.
1
Sterk vereenvoudigd kent de AMZ cyclus vier opeenvolgende en nauw samenhangende fasen. De eerste fase behelst de inventarisatie (bijv. kartering) en documentatie van archeologische waarden: waar in de bodem is wat aanwezig? In de tweede fase wordt aan de hand van een reeks heldere criteria vastgesteld welke waarde de gekarteerde resten hebben , zodat op basis van geëxpliciteerde normen vervolgens een selectie kan worden gemaakt: welke resten verdienen het behouden te worden (in of ex situ) en welke mogen ongezien verloren gaan? In de derde fase wordt het behoud vormgegeven van de gewaardeerde en geselecteerde resten: is het mogelijk om de archeologische resten in de bodem te behouden of moeten ze – bijvoorbeeld onder druk van ruimtelijke ontwikkelingen - opgegraven worden? In het eerste geval moet worden vastgesteld hoe bescherming in situ (instandhouding) wordt vormgegeven, in het tweede geval hoe de opgraving moet worden uitgevoerd en uitgewerkt. In de vierde en laatste fase van de AMZ-cyclus worden tenslotte de resultaten van het uitgevoerde onderzoek 'opgewerkt' tot nieuwe kennis over de Nederlandse geschiedenis. Deze kennis op haar beurt vormt weer de inbreng voor de eerste procesfase. 2 de BRL 4000 is op 7 juni 2016 vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en ondergebracht bij de SIKB te Gouda.
3 Deze versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0) is op 7 juni 2016 vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie, ondergebracht bij de SIKB te Gouda. 4 www.sikb.nl
MA170006.041 Concept
7 van 34
Het archeologisch onderzoek is er op gericht om de volgende onderzoeksvragen te beantwoorden: 1. Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? 2. Wat was het historisch landgebruik van het plangebied, wat is het huidig landgebruik en wat is de verwachte invloed daarvan op de (bodem)gaafheid en mogelijk aanwezige archeologische waarden? 3. Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn over het plangebied bekend? 4. Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? 5. Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventueel aanwezige archeologische waarden?
1.3 Beleidskader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet‐ en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Het verdrag van Valletta (Malta), beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Gemeenten hebben een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. In de vigerende bestemmingsplannen “Buitengebied Gennep” vastgesteld op 2012‐04‐03 en “Mokerplas e.o.” vastgesteld op 2012‐10‐25 heeft het plangebied respectievelijk een dubbelbestemming “waarde archeologie” en “waarde archeologie”.5 Volgens de het bestemmingsplan “Mokerplas e.o.” geldt ter plaatse van de voor “waarde ‐ archeologie” aangewezen gronden, dat het verboden is om op of in deze gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodem verlagen, egaliseren, afgraven, of ophogen; het rooien en/of aanbrengen van diep wortelende beplantingen en/of bomen; het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van drainage en ontginnen; het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand.
b. c. d. e.
Het verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die: a. b. c. d. e.
werken en/of werkzaamheden betreffen die niet dieper gaan dan ‐0,4 meter beneden maaiveld; behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming; betrekking hebben op een oppervlakte kleiner dan de oppervlakte in onderstaande tabel vermeld; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
5
www.ruimtelijkeplannen.nl
MA170006.041 Concept
8 van 34
Tabel 1: tabel met overzicht archeologische verwachtingen
Gebied*
Gebieden met een zeer
Gebieden met een hoge
Gebieden met een
hoge archeologische
archeologische waarde en hoge
middelhoge archeologische
waarde*
archeologische verwachting*
verwachting*
Diepte en
Dieper dan 40 cm en met
Dieper dan 40 cm en met een
Dieper dan 40 cm en met
oppervlakte
een oppervlakte groter dan
oppervlakte groter dan 250 m2
een oppervlakte groter dan
100 m
2.500 m2
2
(*) zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning dient een rapport te worden overlegd, waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Volgens het bestemmingsplan “Buitengebied Gennep” houdt “waarde archeologie 4” houdt dit in dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, dat het verboden is de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a.
het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt, of wanneer
dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt , of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt; d. het verlagen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport‐, energie‐, telecommunicatie‐ of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 meter bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als natuur zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt; g.
het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt; h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter , of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt; i. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 50 centimeter, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks
MA170006.041 Concept
9 van 34
indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt.
Het hier boven vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerk zijnde: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. het aanbrengen van sleufloze drainage; c. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan.
MA170006.041 Concept
10 van 34
2 Bureauonderzoek 2.1 Algemeen Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het bureau onderzoeksgebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde, archeologische verwachting van het plangebied.6 Met de afbakening van het bureau onderzoeksgebied wordt het gebied aangeduid, waarvan de gegevens over de historische situatie, bekende archeologische waarden en verwachtingen gebruikt gaan worden in het bureauonderzoek. Dit gebied kan groter zijn dan het plangebied. Voor onderhavig onderzoek is een straal van circa 400 m om het plangebied aangehouden als bureau onderzoeksgebied. Dit gebied sluit bodemkundig, geomorfologisch en cultuurhistorisch aan bij het plangebied zodat op een verantwoorde manier het verwachtingsmodel kan worden bepaald.
In het kader van het bureauonderzoek zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in onderstaande paragrafen: bepaling van het onderzoekskader (aanleiding onderzoek en begrenzing plangebied); vaststelling van het huidige en historische gebruik van het plangebied en naaste omgeving door het raadplegen van de door de opdrachtgever overgedragen gegevens; vaststelling van de toekomstige inrichting van het plangebied; bepaling van de landschappelijke (geologische en bodemkundige) kenmerken aan de hand van bestudering van de bodem‐, geologische en geomorfologische kaarten; bestudering van historische kaarten; raadpleging van literatuur en luchtfoto’s; inventarisatie van gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort; raadpleging van de gemeentelijke verwachtingskaart; vaststelling van de aan/afwezigheid van ondergrondse bouwhistorische waarden.
2.2 Situering onderzoeksgebied De provinciale weg 271 is een provinciale weg in de Nederlandse provincies Limburg en Gelderland. De weg loopt over een lengte van circa 60 kilometer vanaf de A73 ter hoogte van het Gelderse Heumen tot aan diezelfde A73 ten zuiden van Venlo en volgt over bijna het gehele traject de Duitse grens en de rivier de Maas. De huidige N271 is een gedeelte van de oude rijksweg Maastricht ‐ Nijmegen, aangelegd in de 19e eeuw, in de Wegnummering 1957 met het wegnummer N95 genoemd. Eind jaren 1970 kreeg het stuk Nijmegen ‐ Maasbracht, tot de aansluiting met de A2, het wegnummer N271. Door de aanleg van de A73 (voltooid begin 2008) en A77 (jaren 1980) heeft de weg nog slechts een regionale ontsluitingsfunctie, en is het beheer geleidelijk overgedragen aan de provincie en gemeenten. De naam Rijksweg is in veel gevallen bewaard gebleven als straatnaam. Het onderzoeksgebied betreft het een deel van de huidige provinciale weg de N271 tussen Nijmegen en Venlo. Het betreft het tracé tussen Mook en Milsbeek in de gemeenten Gennep en de gemeente Mook en Middelaar van de provincie Limburg en wordt begrensd door hectometerpaal 117.600 en 122.000. Het plangebied staat afgebeeld op kaartblad 46W van de topografische kaart van Nederland (afb. 1).
6
Met het plangebied wordt het gebied aangeduid waarbinnen de voorgenomen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd.
MA170006.041 Concept
11 van 34
Afbeelding 1: Situering plangebied op de topografische kaart met het noorden naar boven gericht. De oranje lijn geeft het plangebied aan. Inzet: Situering plangebied in Nederland.
2.3 Huidig gebruik Voor de uitkomst van het bureauonderzoek en de bepaling van het (eventuele) vervolg van het voortraject (inventariserend veldonderzoek) is het van belang de huidige situatie vast te stellen. Bodemverontreiniging, gebruik, bebouwing, maar ook de aanwezigheid van bijvoorbeeld een hoogspanningsleiding kunnen de onderzoeksstrategie van vervolg activiteiten (mede) bepalen. Daarnaast kan dit mede bepalend zijn voor de archeologische verwachting. Historisch waardevolle bouwwerken die binnen het plan‐ en onderzoeksgebied liggen worden vermeld.7 Het tracé is momenteel in gebruik als provinciale weg en daarom grotendeels verhard. Deze verharding bestaat uit rijbanen en fiets ‐ en voetpaden naast deze rijbanen. Naast de weg liggen kabels en leidingen, voor voornamelijk datatransport en laagspanning ingegraven.8 Ter hoogte van de woonkernen bevindt zich bebouwing en tevens de toe‐ en afritten naar de N271. Tussen de woonkernen in bestaat het aangrenzende terrein deels uit akkerland, bosgrond en recreatiegebied.
7 8
KNA versie 4.0, Protocol 4002 KLIC 18G337986
MA170006.041 Concept
12 van 34
Afbeelding 2: luchtfoto van het plangebied met het noorden naar boven gericht. Het plangebied is bij benadering aangegeven met een blauw kader.
Afbeelding 3: huidige situatie van de N271 ter hoogte van Plasmolen. Bron: fotoarchief Geonius.
2.4 Toekomstige inrichting Het mogelijk toekomstig gebruik van het onderzoeksgebied kan bepalend zijn voor het eventuele navolgende onderzoek (inventariserend veldonderzoek, fysiek beschermen of opgraven). De wijze waarop het gebied wordt ingericht, kan bijvoorbeeld betekenen dat bekende en/of verwachte archeologische waarden (deels of geheel)
MA170006.041 Concept
13 van 34
onaangetast (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting dusdanig aan te passen, dat de bekende en/of verwachte archeologische waarden alsnog (deels of geheel) onaangetast (kunnen) blijven. In het plangebied zal een de bestaande weg gereconstrueerd worden. De constructie van de weg stamt uit de jaren 80 van de vorige eeuw. Tegenwoordig worden er andere regels aan wegen gesteld. Momenteel zijn nog niet alle ingrepen bekend, maar de reconstructie omhelst meer dan alleen het vervangen van het asfalt. Ook zal de weg (gedeeltelijk) verbreed moeten worden. De weg wordt namelijk overal 7,5 m breed, terwijl deze nu plaatselijk 6,80 of 7,30 m breed is. Ook bestaande aansluitingen met andere wegen zullen op enkele plaatsen opnieuw aangelegd worden, zoals parkeervoorzieningen, bushaltes, shared space gebieden en afwatervoorzieningen. Ter hoogte van de bebouwde kern van Plasmolen wordt van het huidige tracé afgeweken. Daarnaast worden de fietspaden naast de rijbanen ook gereconstrueerd. Er kan daarbij ook afgeweken worden van het huidige tracé. Hieronder staan de werkzaamheden, zoals omschreven in de scope 9, weergegeven. Van deze scope is een ontwerpschets gemaakt die in de bijlagen is opgenomen (bijlage 1).
Het duurzaam inrichten van de provinciale weg N271 Venlo‐Nijmegen gelegen tussen km 117.600 en km 122.000 gelegen in de gemeenten Gennep en Mook en Middelaar, inclusief alle binnen dit wegvak gelegen aansluitingen en bijkomende werkzaamheden door: Hoofdrijbaan: ‐ De wegvakken blijven gesitueerd buiten de bebouwde kom met een bijbehorend snelheidsregime van V0 80 km/h en voor het wegvak ter hoogte van Plasmolen een bijbehorend snelheidregime van V0 50 km/h zone; ‐ Het wegvak vanaf de komingang Milsbeek (km 117.600 t/m km 119.125) tot aan de verkeersremmer zuidelijk van Plasmolen blijft het huidige wegprofiel (1x2 rijstroken) en de huidige verhardingsbreedte van de rijbaan (7,50m) gehandhaafd. Ter plaatse van de hoofdrijbaan vindt constructief onderhoud plaats waarbij de rijbaanindeling wordt aangepast. ‐ Het wegvak tussen de verkeersremmers zuidelijk en noordelijk van Plasmolen (km 119.125 t/m km 120.325) wordt het huidige wegprofiel (1x2 rijstroken) omgevormd tot een komprofiel met een verhardingsbreedte van 6,50 m. Ter plaatse van voetgangers‐ en fietsoversteken worden middengeleiders aangebracht; ‐ Het wegvak tussen de noordelijke verkeersremmer Plasmolen en de komingang van Mook (km 120.325 t/m km 122.000) blijft het huidige wegprofiel (1x2 rijstroken) en de huidige verhardingsbreedte van de rijbaan (7,50m) gehandhaafd.
Ter plaatse van de hoofdrijbaan vindt constructief onderhoud plaats waarbij de rijbaanindeling wordt aangepast. Parkeervoorzieningen: ‐ Het aanleggen van een parkeervoorziening met ontsluiting op de N271, westelijk van de N271 en ter hoogte van km 120.075; ‐ Het aanleggen van een parkeervoorziening met ontsluiting op de N271 via een twee‐richtingen parallelweg, westelijk van de N271 tussen km 119.725 en km 119.850; Shared space gebied: ‐ Ten oosten van de N271 tussen km 119.700 en km 120.025 zal tussen de Kiekbergsebaan en de Zevendalseweg een nieuwe paralelvoorziening worden aangebracht. Deze shared space voorziening is tussen de Kiekbergsebaan en de aansluiting van de Zevendalseweg op de N271 alleen bestemd voor fietsers en voetgangers en vanaf de aansluiting Zevendalseweg bestemd voor gemengd verkeer;+ 9
Zoals omschreven in Offerteaanvraag “Reconstructie N271 Milsbeek - Plasmolen - Mook”.
MA170006.041 Concept
14 van 34
‐ Ten westen van de N271 en zuidelijk van de aansluiting Witteweg en zuidelijk van de aansluiting ter hoogte van km 119.710 wordt een shared space voorziening aangebracht. Op beide locaties kruist deze voorziening de N271 en sluit aan op de oostelijk gelegen shared space voorziening; Landbouwverkeer: ‐ Ten behoeve van het landbouwverkeer worden op het gedeelte tussen de komingang Milsbeek en de aansluiting Pastoorsdijk, Vagevuurweg, Heiweg (km 117.600 en km 118.680) voor beide richtingen een passeerhaven aangelegd; ‐ Ten behoeve van het landbouwverkeer worden op het gedeelte tussen de noordelijke verkeersremmer Plasmolen en de komingang Mook (km 120.325 en km 122.000) voor beide richtingen een passeerhaven aangelegd; Bushalten: ‐ De bestaande 4 bushaltes gelegen aan de N271 ter hoogte km 117.700 en 118.700 oostelijk en km 117.600 en 118.600 westelijk worden vernieuwd en toegankelijk gemaakt; ‐ De bestaande 2 bushaltes gelegen aan de N271 ter hoogte km 119.800 oostelijk en westelijk worden verplaatst naar km 119,950 en toegankelijk gemaakt; ‐ De bestaande 2 bushaltes gelegen aan de N271 ter hoogte km 121.100 oostelijk en westelijk komen te vervallen; Afschermingsvoorzieningen: ‐ Het aanbrengen van afschermingsvoorzieningen ter plaatse van bestaande bomen in tussenbermen (berm tussen hoofdrijbaan en fietspad) en binnen de obstakelvrije ruimte op de wegvakken gelegen tussen de
komingang Milsbeek en de zuidelijke verkeersremmer Plasmolen (km 117.600 t/m km 119.150) en tussen de noordelijke verkeersremmer Plasmolen en de komingang Mook (km 120.300 t/m km 122.000); Faunavoorzieningen: ‐ Het vernieuwen en uitbreiden van faunarasters en faunapassages kruisend met de N271; ‐ Het aanpassen en ecologisch toegankelijk maken van de duiker in de Tielebeek; Groen: ‐ Het realiseren van nieuwe en herstellen van bestaande laanstructuren d.m.v. nieuw aan te planten bomen; Afwatering: ‐ Voor het hele werk worden de afwateringsvoorzieningen ontworpen en ingepast volgens de geldende richtlijnen; ‐ Ten behoeven van de veiligheid van het gebruik van de weg een scan maken van het omgevingswater afwaterend richting het projectgebied. Inclusief het ontwerpen en inpassen van voorzieningen voor de opvang van het omgevingswater dat het gebruik van de weg bedreigt. Raakvlak Maas; ‐ Het in beeld brengen van de impact van het aanbrengen van grond in het winterbed van de Maas. ‐ Het ontwerpen van een compensatie maatregel buiten het scopegebied. E.e.a. op basis van nader te maken afspraken met RWS en Waterschap Limburg. Overig: ‐ Het tankstation langs de N271 dient op een adequate wijze bereikbaar te zijn en te worden ontsloten;
MA170006.041 Concept
15 van 34
‐ Het aanleggen van noodzakelijke voorzieningen ter reductie van verkeersgeluid in het wegvak behoort eveneens tot de scope. ‐ De raakvlakken met ondergrondse infrastructuur dienen met de beheerders afgestemd te worden. ‐ Ten oosten van de N271 ter hoogte van de huisnummers 199 en 201 wordt ten behoeve van het inpassen van het shared space gebied een keermuur gerealiseerd. Bij de reconstructie van de rijbanen zal het asfalt vervangen worden. Plaatselijk zal niet alleen het asfalt, maar ook de fundering onder het asfalt worden aangepast, waarvan de onderkant zich naar verachting op circa 100 cm – mv bevindt. Of en waar de fundatie dient worden aangepast is op het moment van het schrijven van dit rapport nog niet duidelijk. Bij het vervangen van de wandel – en fietspaden is de verwachting dat de bodem tot circa 60 cm – mv verstoord zal worden. Eventuele kabels en leidingen worden naar verwachting minimaal op 80 cm –mv (vorstvrije diepte) aangelegd.
2.5 Aardkundige waarden Kennis van de geologie, bodem en hydrologie van het onderzoeksgebied is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de gebruiksmogelijkheden van het landschap voor de mens. Door inzicht te krijgen in deze gegevens kan het verwachtingsmodel nader worden bepaald.10
2.5.1 Geologie & geomorfologie11 Het landschap in de gemeenten Mook en Middelaar en Gennep heeft een lange geschiedenis waarin de Rijn, het landijs, de Maas, de wind en de Niers de vormende krachten zijn geweest. In samenhang hiermee zijn in het plangebied drie hoofdeenheden te onderscheiden, die zowel zijn gebaseerd op de ouderdom als op het geologisch proces dat er aan ten grondslag heeft gelegen. Deze eenheden worden hier kort beschreven en de chronologische ontwikkeling nader wordt toegelicht. In het zuidoosten van het plangebied bevindt zich een stroomdal dat de Rijn in het Eemien heeft gevormd en in het latere Weichselien met sedimenten heeft opgevuld. In het uiterste noorden bevindt zich de stuwwal van Nijmegen die in het Saalien door het landijs is opgestuwd. Midden Pleistoceen De basis van het landschap waartoe ook het plangebied behoort, is gevormd in het Pleistoceen (circa 2,4 miljoen‐ 10.000 jaar geleden), een periode waarin glacialen (ijstijden) en interglacialen (warmere perioden) elkaar afwisselden. Gedurende het Midden Pleistoceen (700.000‐130.000 jaar geleden) behoorde het plangebied en omgeving tot de brede stroomvlakte van de vlechtende Rijn en Maas.
Door de beide rivieren zijn dikke pakketten voornamelijk grove grindhoudende zanden afgezet, behorende tot de Formatie van Urk, laagpakket van Lingsfort.12 Tegen het eind van het Midden Pleistoceen (het Saalien: 370.000‐130.000 jaar geleden) werd de aard van het landschap, vooral in het noordelijk deel van het onderzoeksgebied, ingrijpend gewijzigd. In deze (voorlaatste) ijstijd kende het landijs vanuit Scandinavië haar maximale uitbreiding en reikte tot halverwege Nederland. Een ijstong reikte tot in het onderzoeksgebied. Door het ijs werden de eerder afgezette sedimenten weggedrukt naar de voorzijde en flanken van de gletsjer. Op deze wijze werden eind‐ en zijmorenes gevormd, die nu als stuwwallen (afb. 4; code B11) in het noordelijke deel van het onderzoeksgebied liggen. Tijdens het vormingsproces zijn oude afzettingen over elkaar heen gedrukt. Hierdoor ligt de oorspronkelijke horizontale 10
KNA versie 4.0, Protocol 4002. Verhoeven & Ellenkamp 2007. 12 Weerts e.a. 2006. 11
MA170006.041 Concept
16 van 34
gelaagdheid nu scheef gesteld aan het oppervlak en dagzomen oude afzettingen. Waar het landijs de oude sedimenten heeft weggesleten, bevindt zich nu het glaciaalbekken van Kranenburg, ten noordoosten van het onderzoeksgebied. Tegen het einde van het Saalien, op de overgang naar het Eemien (130.000‐110.000 jaar geleden), werd het geleidelijk warmer en begonnen de ijstongen te smelten en zich uit het onderzoeksgebied terug te trekken. Door het smeltwater van de gletsjer werden delen van de gevormde stuwwallen verspoeld. Het water heeft daarbij diepe erosiedalen in de stuwwal uitgesleten; de verplaatste sedimenten zijn aan de voet van de stuwwal weer afgezet. Dergelijke smeltwaterwaaiers of sandrs13 bevinden zich zowel ten westen van de stuwwal bij Molenhoek als ten oosten bij Bredeweg. De sandrs worden gerekend tot de glaciofluviale afzettingen van de Formatie van Drente, laagpakket van Schaarsbergen. In de loop van het Midden en Laat Pleistoceen zette een zijtak van de Rijn in de omgeving van het plangebied nieuwe sedimenten af, die worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. Restanten van deze afzettingen bevinden zich in de vorm van dalvlakteterrassen (afb. 4; code E44) in het plangebied. Door latere erosieprocessen, met name tijdens de laatste ijstijd, zijn in de terrassen echter geen fluviatiele terreinvormen meer te herkennen.
Laat Pleistoceen In het koude Weichselien (110.000‐10.000 jaar geleden) namen verschillende geologische processen weer de overhand. Het landijs reikte in deze laatste ijstijd niet tot in Nederland en er heerste een periglaciaal klimaat, hetgeen resulteerde in een toendralandschap met een schaarse vegetatie en een vrijwel permanent bevroren bodem (permafrost). Door het koude klimaat en de onregelmatige sedimentaanvoer hadden de rivieren een vlechtend karakter. In het dal dat tijdens het Eemien was ontstaan, vormde de vlechtende Rijn een brede dalbodem doorsneden met stroomgeulen waartussen zandbanken werden gevormd. Deze komen echter niet in het plangebied voor. Waar de afzonderlijke eenheden van het vlechtende stroomsysteem (de geulen en zandbanken) minder goed in het huidige landschap herkenbaar zijn, wordt gesproken van terraswelvingen (afb. 4; code L41). Deze komen in het uiterste noordwesten van het onderzoeksgebied voor. Op de stuwwal vond voornamelijk erosie plaats. De zuidelijke stuwwalzijde werd door de Rijn ondergraven, hetgeen resulteerde in de vorming van een steile helling (afb 4; code A42). Op de stuwwal zelf kon neerslag, als gevolg van de permafrost, niet in de bodem infiltreren en stroomde noodgedwongen oppervlakkig af. Hierdoor werd de bovenste opdooilaag van de bodem verspoeld en werden diepe erosiedalen uitgesleten.
Aangezien de dalen tegenwoordig niet meer watervoerend zijn omdat regenwater door het ontbreken van de permafrost nu kan infiltreren, worden ze aangeduid als zogenaamde droogdalen. De oriëntering van de droogdalen is mede bepaald door de scheef gestelde gelaagdheid van de stuwwal. Bij Plasmolen dagzoomt een laag die resistent is tegen erosie, waardoor een droogdal daar een gedwongen sterke knik maakt en evenwijdig aan die laag verder afloopt naar het Maasdal. De sedimenten die tijdens de vorming van de droogdalen zijn verspoeld, zijn aan de monding van de droogdalen afgezet in de vorm van daluitspoelingswaaiers en glooiingen van sneeuwsmeltwaterafzettingen. Tijdens het Laat Weichselien werd het klimaat droger. Hierdoor stagneerde de vorming van dalen door afstromende neerslag. Door de drogere omstandigheden in combinatie met een schrale vegetatie lag het oppervlak bloot aan winderosie. Op deze wijze werden grote hoeveelheden zand verplaatst en in glooiende pakketten afgezet. Met name ten westen van de Maas zijn hierdoor grote gebieden afgedekt met dekzand. In het onderzoeksgebied verwaaiden vooral de fijnere sedimenten (leem) op de hogere delen van de stuwwal, die in de luwte van de stuwwal weer werden afgezet. Hierdoor werden de delen van de gestuwde afzettingen,
13
Weerts e.a. 2006.
MA170006.041 Concept
17 van 34
droogdalen en de smeltwaterafzettingen bedekt met een laag leem of löss. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Schimmert. 14 Kenmerkend voor het Laat Weichselien of Laat Glaciaal is een afwisseling van koude en minder koude perioden (resp. stadialen en interstadialen). Gedurende de minder koude perioden, de Bølling en Allerød interstadialen, kregen de rivieren meer een meanderend karakter. Met name de Rijn trok zich vanaf deze tijd uit het gebied terug. De voormalige stroomgeulen van het vlechtende systeem werden verlaten en alleen bij hoogwater waren ze nog watervoerend. In het rustige milieu van de overstromingsvlakte werden voornamelijk kleien afgezet, die worden gerekend tot de oude rivierklei. De Rijnafzettingen in het oosten van het onderzoeksgebied kenmerken zich dan ook door een kleiig oppervlak dat op geringe diepte overgaat in de grove zanden en grinden die onder vlechtende omstandigheden eerder tijdens het Weichselien zijn afgezet. Door het geleidelijk terugtrekken van de Rijn kreeg de Maas meer de overhand in het gebied. De rivier had in de interstadialen met name in het vlakke noordelijke deel van het plangebied een meanderend karakter met één hoofdgeul. De rivieren sneden zich in de oudere Rijnafzettingen in (afb. 4; code E44). Holoceen De overgang van het Weichselien naar het Holoceen (ca.
10.000 jaar geleden) kenmerkte zich door een sterke klimaatsverbetering. Door een constantere wateraanvoer en verminderde sedimentlast veranderden de rivieren van een vlechtend in een meanderend systeem met één hoofdgeul. De Maas trok zich terug tot het huidige holocene Maasdal, waardoor het laat‐glaciale dal droog kwam te liggen. De eerste fase van het Holoceen (het (Pre‐)Boreaal) was droog en koel, waardoor het droogvallende laat‐glaciale stroompatroon bloot kwam te staan aan winderosie. Zo vond in het onderzoeksgebied gedurende het Vroeg Holoceen op grote schaal verstuiving van zand plaats, dat ten oosten van de Maas weer werd afgezet. Afhankelijk van de intensiteit van de verstuiving werden hoge landduinen, lage landduinen (afb. 4; code L54) of zandwelvingen (afb. 4; code L54). Deze zogenaamde rivierduinen worden gerekend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen. Door de verdere klimaatsverbetering na het Boreaal breidde het vegetatiedek zich uit en stopte de verstuiving. Bovendien zijn door de vernatting in veel van de uitblazingsbekkens en andere laagtes moerassen ontstaan (afb. 4; code N51). Als gevolg van de verstuiving zijn grote delen van het laat‐glaciale Maasdal, maar ook delen van de oudere Rijn afzettingen in het oosten met een pakket dekzand bedekt geraakt. In het rivierduinengebied heeft plaatselijk later opnieuw verstuiving plaatsgevonden.
Dit blijkt uit het feit dat op de desbetreffende plaatsen geen duidelijk bodemprofiel is ontwikkeld omdat de oorspronkelijke bodem is verstoven. Waarschijnlijk is deze verstuiving het gevolg van menselijke invloed. Verder vond vanaf de Late Middeleeuwen versterking van het reliëf plaats op de akkers waar potstalbemesting plaatsvond. Het mengsel van mest en plaggen dat vanuit de stal op de akkers werd gebracht, zorgde voor een geleidelijke ophoging van het maaiveld. Volgens de geomorfologische kaart doorsnijdt het tracé, van zuid naar noord, de volgende afzettingen: Dekzandwelvingen (code L51, afb. 4), dalvlakteterras, (code E44; afb. 4), laagte zonder randwal (code N51; afb. 4), ondergraven stuwwalzijde (code A42, afb. 4) en droogdalen (code R21, afb. 4). In het onderzoeksgebied staan er tevens landduinen met bijbehorende vlakten en laagten (code L54, afb. 4) en terrasafzettingswelvingen (code L41; afb. 4). Ter hoogte van de niet geclassificeerde afzettingen, kan op basis van extrapolatie, aangenomen worden dat er zich hier dekzandwelvingen en een dalvlakteterras bevindt. In het noorden worden deze afzettingen waarschijnlijk begrensd door een laagte zonder randwal.
14
Weerts e.a. 2006.
MA170006.041 Concept
18 van 34
B11 L41
A42 E44
R21 N51 niet geclassificeerd
E44
L51
L54 Afbeelding 4: Uitsnede geomorfologische kaart. Het oranje kader geeft bij benadering de ligging van het plangebied weer. Bron: ARCHIS 3
2.5.2 Bodem Volgens de bodemkaart (afb. 5) doorsnijdt het tracé van zuid naar noord de volgende bodemkundige eenheden: Hoge bruine enkeerdgronden gevormd in grof zand (code bEZ30 met Gt VII). Deze gronden worden gerekend tot de dikke eerdgronden. Dit zijn gronden waarvan de humushoudende bovengrond opgebracht is en deze laag minimaal 50 cm dik is. Deze gronden zijn ontstaan door eeuwenlange bemesting met materiaal uit de potstal. Dit bestond uit een mengsel van stalmest, huisafval, bosstrooisel en heideplaggen, aangevuld met humushoudend zand van het bouwland of humusarm zand, dat dan vaak op een gedeelte van het huisperceel werd afgegraven. Afhankelijk van de aard en de hoeveelheid van de gebruikte mest en de duur van de ophoging vertoont het dek grote verschillen in dikte kleur, humusgehalte en textuur. Sommige enkeerdgronden zijn reeds meer dan duizend jaar in cultuur. De gronden zijn vaak ontstaan op gronden die reeds eerder bewoond zijn of reeds in cultuur waren gebracht. Naar de diepte waarop het grondwater voorkomt zijn de gronden verdeeld in lage (Gt III) en hoge enkeerdgronden (Gt V, VI, VII en VII). De hoge enkeerdgronden worden verder verdeeld in zwarte en bruine enkeerdgronden. Dit kleurverschil is waarschijnlijk veroorzaakt door de aard van het gebruikte materiaal in de potstal.
De zwarte enkeerdgronden zouden zijn ontstaan door het gebruik van heideplaggen en de bruine door het gebruik van bosstrooisel. De verdere verdeling van de enkeerdgronden berust op verschillen in textuur. De in het plangebied voorkomende hoge bruine enkeerdgronden liggen voor het overgrote deel op verstoven Holoceen rivierstuifzand. Het 50 tot 80 cm dikke humushoudende dek bestaat uit donkerbruin zwak humeus tot matig humusarm, leemarm, matig grof zand. Dit dek rust meestal direct op leemarm, matig grof zand, waarin een bruine of bruin okerkleurige moderpodzol‐B is ontwikkeld. Een profiel ten westen van Milsbeek met Gt VII ziet er als volgt uit: 0‐25 cm: Aanp horizont donkerbruin, matig humeus, zwak lemig, matig grof zand, scherp overgaand in; 25‐65 cm Aan2 horizont, bruin tot donkerbruin, matig humeus, zwak lemig, matig grof zand, scherp doch onregelmatig overgaand in; MA170006.041 Concept
19 van 34
65‐85 cm B2b horizont, bruin okerkleurig, zeer humusarm, leemarm, matig grof zand, zwak verkit, scherp overgaand in; 85‐100 cm C1b horizont, geel okerkleurig, uiterst humusarm, leemarm, matig grof zand, zeer los, scherp overgaand in; 100‐120 cm D1g‐horizont, lichtgrijs, uiterst humusarme, lichte zavel, zwak roestig (oude rivierklei). Leek‐woudeerdgronden gevormd in zware zavel (code pKRn2 met Gt IV), zijn gronden die worden gerekend tot de oude rivierkleigronden, waarvan het moedermateriaal bestaat uit zogenaamde oude rivierklei. En die tevens tussen 0 en 80 cm voor meer dan de helft uit zavel of klei bestaat. Oude rivierkleigronden kunnen worden geïnterpreteerd als laat glaciale afzettingen (de laatste fase in een terrasvorming), of afzettingen als afsluiting van een vlechtend riviersysteem, of bovenstrooms geërodeerd en vervolgens stroomafwaarts opnieuw gesedimenteerd materiaal. Naar de verschillen in bodemvorming is onderscheid gemaakt in leek‐ /woudeerdgronden, poldervaaggronden en ooivaaggronden. De leek‐/woudeerdgronden zijn oude rivierkleigronden met een duidelijk, donkere bovengrond en met roest en grijze vlekken die binnen 50 cm diepte beginnen. Er zijn twee eenheden te onderscheiden naar verschil in bouwvoorzwaarte.
De Leek‐ en woudeerdgronden in het onderzoeksgebied worden gekenmerkt door een 10 tot 15 cm dikke, zeer donker grijze, matig humeuze bovengrond van kalkloze, grofzandige, zware zavel. Hier onder volgt zeer licht grijze, uiterst humusarme, kalkloze, zware zavel, die 20 tot 25% lutum bevat. In de ondergrond wordt, beginnend tussen 60 en 100 cm – mv, grof, grindhoudend zand aangetroffen. Gooreerdgronden gevormd in grof zand (code pZn30 met Gt VI). Deze gronden worden gerekend tot de kalkloze zandgronden. Dit zijn minerale gronden die binnen 80 cm diepte voor meer dan de helft bestaan uit kalkloos zand, echter met uitzondering van zandgronden waarin een moerige laag voorkomt (dit zijn moerige gronden), zandgronden met een duidelijke podzol‐B (dit zijn podzolgronden) en zandgronden met een humushoudende bovengrond die dikker is dan 50 cm (dit zijn de dikke eerdgronden). Naar de aard van de bovengrond, het al dan niet voorkomen van hydromorfe kenmerken en de textuur zijn de kalkloze zandgronden onderverdeeld. Gronden met een minerale eerdlaag heten eerdgronden. Ontbreekt de minerale laag, dan is sprake van vaaggronden. De hoofindeling van de eerdgronden en de vaaggronden berust op het al dan niet voorkomen van hydromorfe kenmerken. Tot de eerdgronden met hydromorfe kenmerken behoren de beekeerdgronden en de gooreerdgronden.
Tot de eerdgronden zonder hydromorfe kenmerken worden de akkereerdgronden gerekend. Bij de vaaggronden worden de duinvaaggronden en de vorstvaaggronden gerekend tot de gronden met hydromorfe kenmerken en de vlakvaaggronden zonder. Gooreerdgronden zijn gronden met een duidelijk ontwikkelde donkere bovengrond (minerale eerdlaag) en zonder ijzerhuidjes rondom de zandkorrels, direct onder de A1‐horizont. Ze hebben geen roest of de roest begint dieper dan 35 cm; indien de roest ondieper dan 35 cm begint is deze tenminste over 30 cm ononderbroken. Meestal worden deze gronden aangetroffen in de bovenloop van beekdalen en in gebieden waar de B‐horizont zwak is ontwikkeld of door ploegen in de bouwvoor is opgenomen. Op verschillen in leemgehalte en grofheid van het zand zijn de gronden verder onderverdeeld. De in het plangebied voorkomende gooreerdgronden zijn waarschijnlijk ontstaan in erosiemateriaal van de stuwwal maar in de regel zijn deze gevormd in fluviatiele grindhoudende grove zanden. De circa 25 cm dikke bovengrond is matig tot zeer humeus en zwak lemig of sterk lemig matig grofzandig. De C‐horizont is uiterst humusarm en grijsbruin (zwakke humuspodzol‐B) van kleur. Tot circa 70 cm bestaat deze laag uit zwak lemig, matig grof zand en daarna uit leemarm matig grof zand. Bij deze gronden is dus sprake van een A‐C profiel waarbij de A‐horizont meteen op de C‐horizont ligt.
MA170006.041 Concept
20 van 34
Holtpodzolgronden gevormd in grof zand (Y30 met Gt VI). Deze gronden worden gerekend tot de podzolgronden en zijn minerale gronden die binnen 80 cm diepte voor meer dan de helft bestaan uit kalkloos zand waarin een inspoelingshorizont (B‐horizont) voorkomt, die ontstaan is door inspoeling van organische stof, al dan niet tezamen met ijzer en aluminium. Podzolgronden worden onderverdeeld naar de aard van de organische stof in de B‐horizont. In het algemeen kan men daarbij twee humusvormen onderscheiden: moder en amorfe humus. Boven de inspoelingshorizont (B) bevindt zich overwegend een uitspoelingshorizont (E‐horizont)meestal grijswit gekleurd. Moderpozolgronden zijn gronden waarin de humus van de B‐horizont overwegend de modervorm heeft. Ze zijn onderverdeeld naar de dikte van de humushoudende bovengrond. Moderpodzolen met een humushoudende bovengrond die dunner is dan 30 cm worden gerekend tot de holtpodzolgronden. De in het plangebied voorkomende holtpodzolgronden bestaan origineel uit een circa 5 tot 15 cm dikke donker grijze A1 horizont, met daaronder een E‐horizont en vervolgens de B‐horizont. Door verspitten dan wel bodembewerking is de onderliggende E alsmede een deel van de B vaak opgenomen in de A‐horizont. De B‐horizont is in de regel 30 tot 50 cm dik en donker bruin tot geelbruin van kleur die naar beneden toe geelbruin tot grijsgeel wordt en bevat 1 tot 2 % humus.
De onderliggende C‐horizont bestaat uit grijs of grijsgeel uiterst humusarm zand waarin plaatselijk ijzerhoudende bandjes kunnen voorkomen.
bEZ30 VIII
Y30 VI KRn2 VI pZn30 VI pKRn2 IV cHn30 VI
bEZ30 VIII Afbeelding 5: Uitsnede bodemkaart. Het oranje/rode kader geeft bij benadering de ligging van het plangebied weer. Bron ARCHIS3. Grondwater Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII (van respectievelijk extreem nat tot extreem droog). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In droge bodems wordt onverbrand organisch materiaal slecht bewaard gebleven als gevolg van oxidatie. Anorganische resten en verbrande organische resten kunnen wel goed geconserveerd zijn gebleven. In gebieden met een hoge
MA170006.041 Concept
21 van 34
grondwaterstand kunnen daarentegen organische archeologische resten wel goed geconserveerd worden aangetroffen. Voor het plangebied zijn op de bodemkaart van Nederland verschillende grondwatertrappen aangegeven, omdat het tracé verschillende bodemkundige eenheden doorsnijdt (afb.5). Grondwatertrap: GHG in cm beneden maaiveld
I (<20)
II (<40)
III <40
IV >40
V <40
VI 40‐80
VII >80
GLG in cm beneden maaiveld
<50
50‐80
80‐120
80‐120
>120
>120
(>160)
Tabel.1: Grondwatertrappenindeling
2.6 Actueel Hoogtebestand Op afbeelding 6 is het AHN afgebeeld in zogenaamd maaiveld perspectief (Dynamische opmaak). Het plangebied ligt tussen de 16 en 14 m + NAP en op de uitsnede is te zien dat het plangebied in een relatief laaggelegen gebied ligt (blauw). Direct ten noordwesten bevindt zich een hoger gelegen gebied (groen/geel/rood). Deze overgang hangt samen met de geomorfolgie van het onderzoeksgebied. In het zuidoosten wordt de ondergrond gevormd door rivierafzettingen (blauw) in het noorden bevinden zich stuwwalafzettingen (oranje/rood), die doorsneden worden door droogdalen (groen). Het noordelijke gedeelte van het plangebied is gelegen op de overgang van het laag gelegen naar het hoog gelegen gedeelte.
Afbeelding 6: Uitsnede AHN2 maaiveld – Blauw/Groen/Oranje (Dynamische opmaak). De rode stippellijn geeft bij benadering de ligging van het plangebied weer. Bron: ahn.arcgisonline.nl.
2.7 Beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke vaarwegen en/of subrecent gebruik, waarbij
MA170006.041 Concept
22 van 34
vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen).15
2.7.1 Bewoningsgeschiedenis De oudste menselijke activiteiten in Nederland dateren uit het Paleolithicum. In het laat Paleolithicum, Mesolithicum en deels het Neolithicum leefden de bewoners van jagen verzamelen en visvangst. De jagers verzamelaars trokken door het landschap met name achter het wild aan. Vanuit grotere basiskampen werden jacht expedities opgezet waarbij de jagers langere tijd onderweg waren en tijdelijke kleine kampen inrichten waar ze een beperkt aantal dagen verbleven, zogenaamde extractiekampen. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat deze kampen voornamelijk worden aangetroffen in de omgeving van water op overgang van hoog en droog naar laag en nat, de zogenaamde gradiënt situatie. In de omgeving van water was namelijk de grootste kans op het aantreffen van wild, kon eventueel worden gevist en konden vruchten worden verzameld (met name hazelaars gedijen goed in deze omgeving). Tevens voorzag het water aan de drinkwater behoefte. De meeste kans op het aantreffen van nederzettingen uit de steentijd is dan ook in de buurt van water. Landbouw en daarmee het Neolithicum begon in Nederland ongeveer 5300 v. Chr. op de zuid‐Limburgse löss gronden. De mensen waren gebonden aan vaste woonplaatsen met als gevolg dat ze het landschap gingen inrichten. Uit het Neolithicum stammen ook de oudste zichtbare landschapselementen namelijk de Neolithische grafheuvels.
De boeren bewerkten kleine akkers te midden van uitgestrekte bossen waarbij het vee in een stal of binnen een omheining werd gehouden, een systeem dat tot in de Bronstijd werd toegepast. Neolitische vondsten zijn geconcentreerd in de omgeving van de Maas en de belangrijkste waterlopen. Deze gebieden hebben nadien hun favoriete positie door de prehistorie en de geschiedenis heen behouden. In de IJzertijd werd een ander akkersysteem gehanteerd dat wordt aangeduid als het zogenaamde celtic fields systeem: kleine ongeveer vierkante percelen die door wallen waren omgeven. In deze periode bereikte dit systeem tevens zijn hoogtepunt, maar de bodem raakte hierdoor wel uitgeput en was men gedwongen om deze uitgeputte gronden te verlaten en zich te vestigen op de betere (lemigere) landbouwgronden. Met de komst van de romeinen vond een ingrijpende verandering in de samenleving plaats. De belangrijkste economische ontwikkeling was de introductie van villa’s, grote agrarische bedrijven (50‐100 ha). Sommige villa’s ontwikkelden zich uit omheinde inheemse nederzettingen. Het grootste deel van de bevolking bleef wonen in traditionele boerderijen en was meer gericht op zelfvoorziening. De omvang van nederzettingen zal net als later hebben gevarieerd van een enkele boerderij tot een dorp. Vanaf de eerste eeuw n.Chr.
lijkt zich echter een concentratie van de bevolking in grotere nederzettingen te hebben voorgedaan. Buiten de woonkernen, vaak aan wegen, lagen de begraafplaatsen. De grotere nederzettingen waren met elkaar verbonden door brede rechte wegen van waaruit lokale wegen richting de villa’s leiden. Het vertrek van de Romeinen in het begin van de 5e eeuw leidde tot een economische instorting die een eind maakte aan de villa’s. Met het vertrek van de legioenen lijkt ook een belangrijk deel van de inheemse bevolking naar zuidelijker streken te zijn geëmigreerd waarmee de bevolkingsomvang in het huidige Nederland rond de 5e en 6e eeuw een dieptepunt bereikte. Pollenanalytische gegevens wijzen op verlaten cultuurlandschap en uitbreiding van bossen. Uit deze periode zijn maar weinig nederzettingen en grafvelden ontdekt. Aanwijzingen voor bewoningscontinuïteit tussen de Romeinse periode en de vroege Middeleeuwen concentreren zich langs de randen van het Maasdal. In de Merovingische tijd begon een langzaam herstel. De bevolking groeide weer, nederzettingen en cultuurland werden uitgebreid. Kenmerkend voor de Vroege Middeleeuwen is de grote dynamiek van het nederzettingspatroon, met nederzettingen die regelmatig werden verplaatst. Net als in de Romeinse tijd waren nederzettingen en begraafplaatsen ruimtelijk gescheiden. Vanaf de Karolingische periode lijkt de grootste 15
KNA versie 4.0, Protocol 2004
MA170006.041 Concept
23 van 34
dynamiek voorbij en kregen nederzettingen een vaste locatie. Van de vroeg middeleeuwse landbouw in midden en Noord Limburg is vrijwel niets bekend. Verondersteld wordt dat er net als in Zuid Limburg in Midden en Noord Limburg sprake was van het dominale stelsel: een bedrijfstype waarbij het land van grootgrondbezitters werd bewerkt door onvrijen (horigen) die in ruil voor hun arbeid een stuk land kregen waarmee ze in hun onderhoud konden voorzien. Het stelsel was gebaseerd op betaling in natura. Met name door het grootgrondbezit wordt het ontstaan van de dorpen verklaard, die ontstonden in de directe omgeving van grondheerlijke centra. Ook kerkstichtingen zullen stimulerend hebben gewerkt op de dorpsvorming. In de 8e tot de 10e eeuw lijken de nederzettingen een vaste locatie te hebben gekregen en ontstonden mogelijk ook de eerste grotere agrarische dorpen en de velden16. De grondslagen voor het huidige cultuurlandschap zijn dan ook in de vroege Middeleeuwen gelegd.17 De Hoge en Late Middeleeuwen (1000‐1500) zijn van groot belang geweest voor het cultuurlandschap. In de grote ontginningsperiode van de 10e tot het begin van de 14e eeuw, als gevolg van de toename van de bevolkingsomvang, werd de basis gelegd voor een belangrijk deel van het huidige cultuurlandschap. Tussen de 10de eeuw en het begin van de 14e eeuw groeide het aantal nederzettingen als ook het cultuurland.
Ook ontstonden in deze periode de meeste steden. De toenemende ontginningen leidden tot een sterke inkrimping van de weidegronden waardoor een tekort ontstond aan weidegronden. Als gevolg werden de moerasbossen in de beekdalen omgezet in graslanden. De moerasbossen werden gekapt en ontwateringssloten werden gegraven. In de tweede helft van de 14e eeuw namen de ontginningen af ten gevolge van een bevolkingsdaling. In de 15e eeuw volgen dan weer nieuwe, minder grootschalige ontginningen. De Nieuwe tijd (1500‐1795) was een dynamische periode waarin de bevolking groeide, het aantal nederzettingen als ook het cultuurlandschap werd uitgebreid en het bodemgebruik veranderde. Hierdoor heeft het cultuurlandschap op veel plaatsen een grote dynamiek gekend waarbij bijvoorbeeld nederzettingsvormen, kavelvormen en opgaande begroeiing in de loop der tijd ingrijpend kunnen zijn veranderd.
2.7.2 Historische ontwikkeling plangebied De N271 is één van de oudere wegen van Nederland en is deels in de tijd van Napoleon (19e eeuw) aangelegd. In 1957 werd deze weg tot provinciale omgedoopt en aangeduid met N95. Na de geleidelijke oplevering van de A73 vanaf de jaren zeventig verviel tussen Venlo en Nijmegen langzamerhand de doorgaande functie. Door de voltooiing van de A73 tussen Maasbracht en Venlo in 2007 heeft de N271 slechts nog een regionale ontsluitingsfunctie. Het tracé van de rijksweg is vanaf de aanleg tot op heden vrijwel ongewijzigd, behoudens een aanpassing ter hoogte van de aansluiting van de Riethorsterweg op de Rijksweg ten westen van Plasmolen. Hier is een haakse bocht vervangen door een flauwe bocht (afb. 7).