CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

TransitieVisieWarmte Montfoort

Raadsvergadering 22 april 2024, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Transitievisie Warmte15.359 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De energielasten kunnen fors naar beneden gebracht worden door zonnepanelen toe te voegen. Bij een standaard set (10 panelen) gaat de gemiddelde energierekening al naar 150 tot 1.350 euro per jaar en kunnen de totale jaarlijkse lasten verlaagd worden naar 330 Euro tot 1.520 Euro. Hiermee komt elke buurt lager uit in maandlasten dan de maandlasten die de woningen en gebouwen naar 22

alle waarschijnlijkheid in 2030 zullen hebben zónder investeringen in energiebesparing en duurzaamheid. Let wel, eventuele kosten (bijv. vastrecht) voor de verzwaring van het elektriciteitsnetwerk zijn hier nog niet in opgenomen. De strategie dat de zon de energierekening deels gaat betalen (dus het promoten van opwek op eigen dak) nemen we mee in de communicatie en in gesprekken met inwoners en ondernemers.

23

2050 lijkt nog ver weg, maar er moet ook veel gebeuren. Daarom is het van belang om op korte termijn te starten met de eerste stappen. Er kan direct gestart worden met een pilot voor een wijkuitvoeringsplan (WUP) voor een kansrijke buurt. We maken op basis van deze pilot samen met de buurten vervolgens de wijkuitvoeringsplannen voor de andere kansrijke buurten. In die plannen werken we verder uit hoe en waar de transitie daadwerkelijk gaat starten. Daarnaast kan voor de gehele gemeente een isolatieaanpak worden opgesteld. Immers: alle energie die niet gebruikt wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden.

Categorie 1 Aanpak

Vervolgacties a) Verkennen/starten mogelijke buurtaanpak (wijkuitvoeringsplan (WUP)), zie bijlage 6 voor een globaal stappenplan) met stakeholders in de kansrijke buurten; b) Opstellen generieke isolatieaanpak/programma/strategie voor de gemeente Montfoort en clusters; c) Onderzoeken van de mogelijkheden van de inzet van restwarmte uit de RWZI en aquathermie uit de Hollandsche IJssel; 2 Communicatie a) Versterken communicatie en participatie voortbordurend op proces van de Transitievisie & participatie Warmte met o.a. collectieve informatievoorziening en aansluitend op de acties van de aanpak (punt 1); b) Versterken van netwerk van inwoners en bedrijven die mee willen denken en werken aan de warmtetransitie. 3 Rol gemeente a) Financiën reserveren in begroting voor uitvoering warmtetransitie; a. Opstellen wijkuitvoeringsplan: €150.000 per plan; b. Uitvoeren wijkuitvoeringsplan: €300.000 per plan c. Uitvoering isolatieprogramma: €50.000 over een periode van 3 jaar; d. Onderzoek kansen warmtenet: €25.000 (eenmalig); e. Onderzoek kansen biogas: €25.000 (eenmalig); f.

Communicatie & participatie buiten een wijkuitvoeringsplan: €25.000 per jaar; b) Borgen van de Transitievisie Warmte in de nieuwe Omgevingsvisie (zie bijlage 1) en overig gemeentelijk beleid; c) Regie over opstellen van wijkuitvoeringsplannen en vaststellen ervan; d) Zoeken naar en stimuleren van lokale initiatieven die gekoppeld kunnen worden aan de warmtetransitie; e) Stakeholders informeren over wet- en regelgeving warmte11; f) Beschikbaar houden van de publieksversie van de Transitievisie Warmte; g) Actualiseren Transitievisie Warmte eenmaal per vijf jaar; h) Afstemmen lokale Transitievisie Warmte met de RES U16 en de Regionale Structuur Warmte. Tabel 1: Overzicht vervolgacties vanaf 2024

11 Om de warmtetransitie succesvol te kunnen doorlopen is het belangrijk dat in de wetgeving duidelijke spel-

regels worden vastgelegd over de deelname en het bepalen van de einddatum voor de levering van aardgas. Op dit moment wordt gewerkt aan de nieuwe warmtewet die hier duidelijkheid over moet geven. De nieuwe warmtewet zal naar verwachting juli 2024 in werking treden.

24

De planning tot 2050 ziet er grofweg als volgt uit:

Figuur 10: Overzicht planning warmtetransitie gemeente Montfoort

25

Op allerlei niveaus zijn er (beleids)doelstellingen opgesteld die raakvlakken hebben met de warmtetransitie of waar de warmtetransitie aan moet voldoen. In deze bijlage brengen we deze in beeld.

In 2015 ondertekende Nederland het Klimaatakkoord van Parijs. Daarmee beloofde Nederland zich in te zetten voor het beperken van de opwarming van de aarde tot maximaal twee graden met het streven om de opwarming te beperken tot anderhalve graad. De Nederlandse klimaatambities, gebaseerd op de internationale afspraken, zijn vastgelegd in de Klimaatwet. De afspraken die hieruit voortvloeien (met o.a. gemeenten, het bedrijfsleven, natuur- en milieuorganisaties en energiebedrijven) zijn verankerd in het landelijke Klimaatakkoord. Daarin is opgenomen dat vóór 2030 de uitstoot van broeikasgassen met 49% verminderd moet worden ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot met (minimaal) 95% zijn teruggebracht. Inmiddels is op Europees niveau besloten dat een versnelling van de reductie noodzakelijk is (naar 55% in 2030). Een belangrijke maatregel om de doelstellingen te behalen is het stoppen met het gebruik van aardgas in woningen en utiliteitsbouw. Het verminderen van de CO 2-uitstoot is niet de enige reden om dit te doen. Rondom de aardgaswinningsinstallaties ondervinden inwoners grote problemen door aardbevingen gerelateerd aan de gaswinning. Daarom wordt de gaswinning in Groningen zo snel mogelijk verminderd. In het verlengde hiervan heeft de Rijksoverheid het doel gesteld om minder afhankelijk te zijn van fossiele brandstoffen, waaronder aardgas.

Concreet is het sinds juli 2018 niet meer toegestaan om nieuwbouwwoningen op aardgas aan te sluiten, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit wel te doen.

Energie is een basisbehoefte. De regels voor energie zijn gebaseerd op Europese verordeningen en Nederlandse wetten. In de Nederlandse wetten hebben de Europese verordeningen een plaats gekregen.

Het wetsvoorstel Energiewet dat naar verwachting dit jaar van kracht wordt, beoogt de huidige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 te vervangen en een modern en geactualiseerd ordeningskader te bieden dat: 1) 2)

de energietransitie ondersteunt en stimuleert;, bijdraagt aan het doel een schone energievoorziening die veilig, betrouwbaar, betaalbaar en ruimtelijk inpasbaar is.

Op 1 januari 2024 is in Nederland de Warmtewet van kracht is geworden. De wet geeft regels omtrent stadsverwarming, blokverwarming en warmte-koude-opslag en is gericht op de levering aan kleinverbruikers zoals consumenten. De Warmtewet biedt bescherming aan consumenten en bedrijven die gebonden zijn aan lokale warmtenetten, met name tegen een te hoge prijs voor de warmte. Op dit moment wordt gewerkt aan een uitbreiding van de Warmtewet. Met de uitbreiding wil men de voorziene grotere rol van warmtenetten in de Nederlandse warmtevoorziening faciliteren. 26

Vanwege de complexiteit van de nieuwe wet is het echter zeer onzeker wanneer de uitbreiding van de Warmtewet daadwerkelijk tot stand komt. De Warmtewet is niet van invloed op deze visie. De invloed komt voornamelijk tot uiting in de uitvoering van de visie. Wel sorteren we alvast voor op de Warmtewet door bijvoorbeeld via de Warmtekoers een indicatie te geven waar de verschillende alternatieven voor aardgas waarschijnlijk gaan landen.

Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen, zodat het straks bijvoorbeeld gemakkelijker is om bouwprojecten te starten. Naar verwachting is de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingswet gaat veel betekenen voor de warmtetransitie. De interactie tussen de warmtevoorziening en de fysieke leefomgeving is namelijk groot. Het begin van een grootschalige warmte- en energietransitie is tot op heden veelal vormgegeven door middel van experimenten. Om te blijven leren zal de Omgevingswet handvatten bieden om te blijven experimenteren. Deze experimenten geven een mooi inkijkje in de Omgevingswet. Waar gemeenteraden nu worden beperkt door de wettelijke reikwijdte van een bestemmingsplan, waarin enkel regels over ‘een goede ruimtelijke ordening’ mogen worden opgenomen, kunnen zij straks regels stellen met betrekking tot de ‘gezonde en fysieke leefomgeving’. Onderdeel hiervan zijn ook regels met betrekking tot (niet-ruimtelijk relevante) duurzaamheidseisen, zoals de beperking van CO 2-emissie. De Omgevingswet is net als de Warmtewet niet van invloed op deze visie. De Omgevingswet wordt wel van toepassing op delen van de uitvoering van de visie (voornamelijk Wijkuitvoeringsplannen).

De uitwerking van het landelijke Klimaatakkoord vindt voor een groot deel op regionaal en lokaal niveau plaats. Om de regionale uitwerking vorm te geven, is Nederland opgedeeld in 30 energieregio’s waarin gemeenten, provincies en waterschappen samenwerken aan een Regionale Energie Strategie (RES). De gemeente Montfoort werkt samen met gemeenten van de RES-regio U16, de provincie en het Waterschap. De scope van de RES richt zich op grootschalige opwek van elektriciteit en de gebouwde omgeving (dus ook warmte).

Het onderdeel Warmte is binnen de RES uitgewerkt in de vorm van een Regionale Structuur Warmte (RSW). De RSW verschaft op regionaal niveau inzicht in de totale (toekomstige) warmtevraag binnen de regio, de beschikbare duurzame warmtebronnen en de bestaande en geplande infrastructuur. In de RSW is op hoofdlijnen en op regionaal vastgelegd hoe in de nabije toekomst wordt omgegaan met de beschikbare bronnen, ruimte en infrastructuur ten aanzien van warmte. De RSW wordt door gemeenten op lokaal en wijkniveau vertaald naar een Transitievisie Warmte. De relatie tussen de RES, de RSW en de TVW wordt geïllustreerd in onderstaande figuren.

27

Figuur 9: Relatie RES, RSW en TVW

De RSW brengt dus vraag en aanbod van warmte in beeld en geeft inzicht in de potentie van verschillende warmtebronnen in de regio. Deze informatie is echter nog weinig gedetailleerd en moet voor de Transitievisie Warmte worden aangevuld met lokale informatie. De RSW levert input voor de lokale TVW maar treedt hiervoor niet in de plaats. De RSW richt zich vooral op het gebruik van bronnen die bovengemeentelijke potentie hebben en helpt bij het leggen van verbindingen tussen sectoren en gemeenten. Afstemming binnen de regio moet voorkomen dat een bron ten onrechte meerdere malen in lokale TVW’s wordt opgenomen. Het regionale inzicht voorkomt bovendien dat interessante bronnen onbenut blijven. In de U16 regio liggen vooral kansen voor warmtenetten die lokaal worden ingezet, de regio kent weinig bovengemeentelijke warmtebronnen. Alleen geothermie en bio-warmtebronnen hebben mogelijk potentie als regionale bron. Ook aquathermie heeft een grote potentie in de regio. Hoewel aquathermie geen bovengemeentelijke bron is, omdat de lagetemperatuurwarmte van aquathermie lokaal wordt inzet, verdient het uitwisselen van kennis over aquathermie wel regionale aandacht.

28

Op 25 mei 2020 heeft de gemeenteraad de Regionale Omgevingsagenda Lopikerwaard vastgesteld. Met deze Omgevingsagenda wordt een gezamenlijk regionaal perspectief gegeven op de ruimtelijke ontwikkeling van de Lopikerwaard richting 2040. De Omgevingsagenda is gezamenlijk opgesteld door de gemeenten Lopik, Montfoort, Oudewater, IJsselstein en Woerden en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). In deze agenda zijn ook ontwikkelprincipes voor warmte opgenomen. Deze principes zijn: het inzetten op besparingsmaatregelen voor warmte in de bebouwde omgeving en het benutten van restwarmte en omgevingswarmte van waterrijke gebieden.

In 2015 heeft de gemeenteraad de Duurzaamheidsvisie ‘Montfoort duurzaam’ vastgesteld. Hierin is de ambitie vastgelegd om een energieneutrale gemeente te worden. Om hier invulling aan te geven is er in de periode 2015-2020 gewerkt aan vier thema’s: • • • •

Duurzaam ondernemen Gebouwenbeheer en energiegebruik (incl. gemeentelijke projecten) De afvalketen Beheer van de openbare ruimte; zwerfafval

De gemeente heeft een CO2-footprint laten opstellen waarmee de kansen voor besparing in beeld zijn gebracht. De grootste besparingspotentie lag bij gemeentelijke gebouwen, daarnaast bestaat er ook een enorme potentie voor energiebesparing bij de particuliere woningvoorraad. Om deze kansen te benutten heeft de gemeente zich aangesloten bij het regionale netwerk U-thuis, waarin 15 Utrechtse gemeenten samenwerken aan diverse thema’s op het gebied van duurzaamheid en energie. Daarnaast is de gemeente aan de slag gegaan met het inbedden van duurzaamheid binnen de organisatie, o.a. door duurzaamheid als onderwerp in de advisering en besluitvorming voor projecten mee te nemen.

Op 25 oktober 2021 heeft de gemeenteraad het Toets- en afwegingskader voor het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit vastgesteld. De gemeente Montfoort wil in 2030 50% van de eigen verwachte elektriciteitsbehoefte van 2040 duurzaam opwekken (43,8 GWh) Voor 2040 wil de gemeente vrijwel 100% van de eigen elektriciteitsbehoefte duurzaam opwekken (87,8 GWh). Met het toets- en afwegingskader wordt vastgelegd onder welke voorwaarden grootschalige opwek van duurzame elektriciteit met zonnevelden wordt toegestaan. Het toets- en afwegingskader wordt gebruikt om aanvragen van ontwikkelaars te beoordelen. Het kader biedt duidelijkheid over de ruimtelijke (on)mogelijkheden van voorzieningen van opwek van duurzame elektriciteit.

Op 13 december 2021 heeft de raad de Omgevingsvisie ‘Vitale kernen in een waardevol landschap’ vastgesteld. In deze Omgevingsvisie zijn de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van onze gemeente voor de lange termijn vastgelegd. De Omgevingsvisie is integraal en heeft daarmee betrekking op alle terreinen van de fysieke leefomgeving. Het gaat hierbij om thema’s zoals wonen, bedrijvigheid, recreatie en energie. De visie wordt verankerd in andere instrumenten zoals het Omgevingsplan en Omgevingsprogramma’s. 29

In de Omgevingsvisie zijn ook ambities en doelen opgenomen rondom het onderzoeken van mogelijkheden wat betreft (grootschalige) hernieuwbare warmtebronnen en het energieneutraal maken van de woningvoorraad in 2050. De uitwerking van dit laatst doel vindt plaats in de Transitievisie Warmte.

In de Woonvisie 2019-2040 legt de gemeente Montfoort de prioriteiten van het lokale woonbeleid voor de komende jaren vast. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen op de woningmarkt. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna richting 2040. Nieuwbouwwoningen moeten vanaf 1 januari 2021 voldoen aan de BENG-eisen (Bijna Energieneutrale Gebouwen). Landelijk moet de gehele gebouwde omgeving in 2050 energieneutraal zijn en van het aardgas af. In de bestaande gebouwen moet daarom veel aangepast worden. In de Woonvisie is opgenomen dat gemeente Montfoort ruimte biedt voor eigen initiatieven uit de kernen voor verbetering van de bestaande woningvoorraad, door bijvoorbeeld de oprichting van energiecoöperaties.

De gemeente maakt periodiek afspraken met de woningcorporaties die in de gemeente Montfoort actief zijn. Het gaat concreet om afspraken op de thema’s: 1. 2. 3. 4. 5.

Beschikbaarheid (groei voorraad sociale huurwoningen en doorstroming) Betaalbaarheid Leefbaarheid Wonen en zorg (aanpassingen en ondersteuning van zelfstandig wonen) Duurzaamheid

In het kader van Duurzaamheid zijn afspraken gemaakt over het treffen van energiebesparende maatregelen, samen optrekken bij communicatie over energiebesparend gedrag en het bespreken van het warmtetransitie plan dat de gemeente op stelt. Er zijn geen concrete doelstelling opgenomen voor het aantal te verduurzamen woningen per jaar.

Met de Welstandsnota wordt een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving gewaarborgd. De nota is geen toetsingskader, maar eerder een stimulerend kader. Er is ruimte voor dialoog en afwijking van de spelregels, indien blijkt dat er betere alternatieven zijn.In de nota zijn ook algemene uitgangspunten voor monumententoetsing opgenomen. Bouwdelen in monumentale panden mogen niet zomaar worden aangepast, er moet rekening worden gehouden met de monumentale waarden van het pand. Het plaatsen van zonnecollectoren is vaak niet mogelijk. De gemeente Montfoort is bereid om mee te denken over oplossingen op het gebied van verduurzaming van de woning.

30

Elke gemeente in Nederland moet voor 2021 een Transitievisie Warmte opstellen. Aan de hand van deze visie wordt duidelijk op welk moment een wijk, buurt of gebied aardgasloos wordt. Tevens wordt voor de eerste woningen (die tot 2030 aardgasloos worden) beschreven welke mogelijke alternatieve warmtevoorzieningen en -bronnen er zijn.

Om uitvoering te geven aan het Klimaatakkoord (gepubliceerd op 28 juni 2019), is Nederland opgedeeld in 30 energieregio’s. In de RES beschrijft elke regio hoe en waar het beste duurzame elektriciteit op land (wind en zon) opgewekt kan worden, welke bruikbare regionale warmtebronnen er zijn en of de voorstellen maatschappelijk gezien acceptabel en financieel haalbaar zijn. Het Nationaal Programma RES ondersteunt de regio’s bij het opstellen van de RES.

Het nationale Klimaatakkoord is op 28 juni 2019 gepubliceerd en is tot stand gekomen uit een samenwerking van de overheid met bedrijven en organisaties. In het akkoord zijn maatregelen afgesproken die ervoor moeten zorgen dat in Nederland in 2030 49% 12 minder CO2 wordt uitgestoten ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot met 95% gereduceerd zijn. Ook moet in 2030 70% van al het elektriciteitsgebruik opgewekt worden uit duurzame bronnen.

Energieneutraliteit beschrijft de balans tussen energieverbruik en de opwekking van energie. Een gemeente is energieneutraal wanneer er evenveel energie wordt gebruikt als er wordt opgewekt. In theorie hoeft de opgewekte energie niet per se duurzaam te zijn, zolang de opwekking en het verbruik maar in balans zijn. In de praktijk wordt met energieneutraliteit bedoeld dat het energieverbruik gelijk moet zijn aan de hoeveelheid duurzaam opgewerkte energie. Dit wordt ook wel CO 2-neutraal genoemd. CO2-neutraliteit kan ook bereikt worden door CO2 die toch wordt uitgestoten op te vangen of te binden (in bijvoorbeeld begroeiing). Opname van CO 2 is waarschijnlijk ook in de toekomst nog (in beperkte mate) nodig omdat bijvoorbeeld bepaalde vormen van industrie en mobiliteit mogelijk blijven draaien op energiebronnen die CO2 uitstoten.

Joule is de eenheid van energie die over de hele wereld wordt gebruikt. Aan de hand van deze eenheid kunnen verschillende vormen van energie bij elkaar opgeteld worden. Een kilowattuur elektriciteit kan niet opgeteld worden bij een kuub aardgas. Door beide vormen van energie om te zetten naar joule kan dat wel (1 kWh elektriciteit staat gelijk aan 3.600.000 joule en 1 m 3 aardgas staat gelijk aan 31.650.000 joule). Omdat het energieverbruik op gemeenteniveau erg hoog is, wordt er over het algemeen gesproken over megajoule (1 MJ is 1.000.000 joule), gigajoule (1 GJ is 1.000.000.000 joule) of terajoule (1 TJ is 1.000.000.000.000 joule).

12 Inmiddels is op Europees niveau besloten dat een versnelling van de reductie noodzakelijk is (naar 55% in

2030).

31

Warmte kan, afhankelijk van het verwarmingssysteem, geleverd worden in verschillende temperaturen. Over het algemeen worden 3 groepen onderscheiden: lage-temperatuur (LT), midden-temperatuur (MT) en hoge-temperatuur (HT). Lage-temperatuur voorzieningen vragen een goede tot zeer goede isolatie van woningen. Bij hoge-temperatuur systemen is de isolatie minder van belang. De huidige systemen op aardgas werken op een hoge temperatuur. Systemen op bijvoorbeeld een warmtepomp werken op een lage temperatuur. De volgende gradaties worden onderscheiden (deze gradaties kunnen in de praktijk afwijken): • • •

LT: <40 °C MT: 40-70°C HT: >70 °C

Aquathermie is het gebruiken van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater om gebouwen te verwarmen of te koelen. De verschillende vormen van aquathermie zijn thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) of uit drinkwater (TED). Die laatste is in de gemeente Montfoort niet kansrijk, dus worden onderstaand alleen TEO en TEA toegelicht. In het voorjaar van 2019 is er een Green Deal Aquathermie gesloten. Daarin hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt over benutting van aquathermie voor de gebouwde omgeving. Bij het Netwerk Aquathermie (dat de uitvoering doet van de Green Deal Aquathermie) zijn zo’n 80 gerealiseerde toepassingen van aquathermie in beeld (stand september 2022). Met het oog op de doelen uit het Klimaatakkoord moet de techniek rijp worden gemaakt voor opschaling. Zo zijn er nog weinig aquathermieprojecten die bestaande woningen via een warmtenet van warmte voorzien. Er zijn verder al zeker 2.000 WKO-systemen. Daarmee is met een belangrijk onderdeel van aquathermie al veel ervaring.

De warmtepomp kan nog verbeteren in prestatie. Ook warmteopslag bij hogere temperatuur dan nu in de bodem is toegestaan, kan het rendement verhogen. Integratie met andere warmtebronnen in grotere warmtenetten is in de onderzoeksfase. Datzelfde geldt voor grootschalige, kostenefficiënte aanleg van de benodigde warmtenetten. De WKO kan worden vervangen door een andere vorm van warmteopslag. In grote steden kunnen in de toekomst grotere geavanceerde warmtenetten liggen met voorzieningen voor warmte- en koudeopslag (zie ook de factsheet 5e generatie warmte- en koudenetten). Ze worden gevoed door meerdere warmtebronnen, waaronder aquathermie. In kleinere dorpen zijn eenvoudiger warmtenetten denkbaar, mogelijk met aquathermie als enige warmtebron.

32

TEO-systemen maken gebruik van temperatuurverschillen in het oppervlaktewater gedurende het jaar. In de zomer wordt warmte uit (relatief warm) oppervlaktewater opgeslagen in bijvoorbeeld een WKO (warmte-koude opslag) installatie. Deze warmte kan vervolgens in de winter gebruikt worden om gebouwen te verwarmen met een warmtepomp. In de winter kan ook koude worden opgeslagen die in de zomer gebruikt wordt om op een duurzame manier te koelen, iets wat in de toekomst waarschijnlijk steeds belangrijk wordt.

TEA-systemen halen warmte rechtstreeks uit het rioolstelsel of uit het gezuiverde afvalwater bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Om gebruik te kunnen maken van deze warmtebron is er een bepaalde hoeveelheid warmte in het stelsel nodig. Indien het riool zowel voor afvalwater als voor de afvoer van regenwater gebruikt wordt, is de kans aanwezig dat er niet voldoende warmte aanwezig is. Het regenwater zorgt voor een flinke afkoeling van het stelsel.

Een WKO-installatie wordt gebruikt om warmte of koude op te slaan die niet direct gebruikt kan of hoeft te worden. Een reden hiervoor kan zijn dat een bepaalde warmtebron alleen in de zomer beschikbaar is (bijvoorbeeld TEO) terwijl de warmte juist in de winter nodig is. In een WKO-installatie wordt grondwater in de bodem benut als energiebuffer. Dit kan via een open systeem (er is een open verbinding met het grondwater. Het grondwater wordt ook daadwerkelijk omhoog gepompt) of een gesloten systeem (de warmtewisselaars staan niet in direct contact met het grondwater maar gebruiken een energiedrager, veelal een glycoloplossing, die wordt rondgepompt. De energie in de bodem wordt overgedragen aan de energiedrager). Een installatie bestaat uit twee bronnen: een warme en een koude bron. Een warmtewisselaar zorgt ervoor dat energie in de bronnen opgeslagen wordt. Op het moment dat de energie nodig is, wordt deze uit de bron omhoog gepompt.

Restwarmte is energie die overblijft bij (industriële) processen. Voorheen ging deze energie via bijvoorbeeld de schoorsteen of het afvalwater verloren. Tegenwoordig kijkt men ook naar mogelijkheden om de restwarmte te benutten voor andere processen (bijvoorbeeld de verwarming van gebouwen). Veel bedrijven met restwarmte kijken eerst of de warmte in de eigen processen of gebouwen gebruikt kan worden. Wanneer er warmte over is, kan deze middels een warmtenet ingezet worden in de directe omgeving.

Waterstof kan door middel van een brandstofcel als vervanger van aardgas dienen en wordt daarom onder de noemer hernieuwbaar gas geschaard. Het is echter nog geen algemeen geaccepteerde techniek en wordt op dit moment alleen via pilots in woningen toegepast. Het is onzeker of waterstof in de toekomst grootschalig kan worden ingezet voor het verwarmen van woningen. De productie van waterstof kost erg veel elektrische energie. Tel daarbij de productie- en transportverliezen bij op en dan zijn er aanzienlijk meer zonnepanelen en windmolens nodig om van waterstof een duurzame brandstof te maken. Voorlopig blijft waterstof daarom in de pilotfase voor woningen. Mogelijk dat het op korte termijn wel als brandstof voor zwaar vervoer en industrie kan gaan dienen.

33

Groen gas is net als waterstof een hernieuwbaar gas. Groen gas wordt gemaakt van biogas door alle verontreinigingen en het overtollige CO2 eruit te filteren. Biogas ontstaat als gevolg van vergisting van organisch materiaal, zoals mest, slib of huisvuil. Door biogas op te waarderen tot groen gas krijgt het dezelfde energetische waarde als aardgas. Hierdoor kan groen gas ook worden ingezet in het normale gasnet. De toepassing van groen gas in de gebouwde omgeving is onzeker. Na 2030 wordt een groeiende vraag naar groen gas verwacht vanuit de industrie en mobiliteitssector (zwaar verkeer), omdat deze sectoren beperkte andere mogelijkheden hebben om te verduurzamen.

34

Draagvlak is een belangrijk aspect van de warmtetransitie. Wanneer bewoners niet mee willen doen dan wordt het lastig om de warmtetransitie in de betreffende gebieden uit te voeren. Vanwege gebrek aan andere informatie is het draagvlak beoordeeld op basis van het dominante bewonerssegment die in de Slimme Wijken tool van Enpuls is bepaald aan de hand van een aantal criteria 13.

Bronnen van duurzame warmte zijn beperkt aanwezig, niet alleen in de gemeente Montfoort maar in heel Nederland. Het is daarom verstandig om alle geschikte bronnen zo optimaal te benutten. Dit kunnen bronnen van restwarmte bij bedrijven zijn, maar ook oppervlaktewater voor aquathermie, grote wegen voor asfaltthermie14 en geschikte locaties voor zonnepanelen en wind.

Uit onderzoek blijkt dat huishoudens met een hoger inkomen relatief sneller duurzaamheidsmaatregelen willen en kunnen treffen dan huishoudens met een lager inkomen. Het inkomen kan dus iets zeggen over de kansen voor energiebesparing en het aardgasvrij maken van woningen en gebouwen. Gebieden met hogere inkomens hebben een grotere kans om aan de slag te gaan met de warmtetransitie dan gebieden met veel lagere inkomens.

Deze technische categorisering speelt ook een rol bij het selecteren van de meest kansrijke buurten. Per categorie is, op basis van bouwjaren, een inschatting gemaakt van de mogelijk te behalen energiebesparing met no-regret (geen spijt) maateregelen. Deze prioriteit geeft aan of het vanuit het oogpunt van energiebesparing slim is om snel te starten met de transitie in buurten.

Per categorie is, op basis van bouwjaren, een inschatting gemaakt van de mogelijk te behalen energiebesparing met ‘geen spijt maatregelen’. Deze prioriteit geeft aan of het vanuit het oogpunt van energiebesparing en daarmee dus reductie van CO 2-uitstoot slim is om snel te starten met de warmtetransitie in buurten. Des te meer energie en CO2 er bespaard kan worden, dus te hoger de score voor een gebied.

Bestaande planningen zoals de investeringsagenda voor infrastructuur kunnen van invloed zijn op de keuzes die gemaakt worden in buurten. Wanneer je aan kunt sluiten op natuurlijke investeringsmomenten of natuurlijke vervangingsmomenten (infrastructureel bijvoorbeeld), kan dit de kosten drukken en de overlast beperken (benutten van meekoppelkansen). Voor individuele woningeigenaren zijn natuurlijke investeringsmomenten zoals de vervanging van een cv-ketel of de aanschaf van een ander huis, belangrijke momenten om een extra stap te zetten. Hoewel dit niet kan worden meegenomen bij de prioritering van wijken en buurten, is het voor de totale warmtetransitie belangrijk dat deze momenten zoveel mogelijk worden benut.

13 Bijvoorbeeld leeftijd van bewoners, WOZ-waarde van woningen, inkomen van bewoners en eigendom van

woningen 14 In deze visie niet meegenomen omdat de kansen beperkt lijken en er praktische bezwaren bij de beheerder van wegen zijn. Het toevoegen van leidingen met een vloeistof in het asfalt maakt onderhoud lastiger en duurder.

35

De landelijke Handreiking spreekt over het criterium Contracteerbaarheid: in buurten waar een relatief beperkt aantal partijen een groot deel van het vastgoed bezit, wordt het contracteren van de warmtevraag eenvoudiger omdat er maar met een beperkt aantal partijen afspraken hoeven te worden gemaakt. Wanneer in een buurt veel corporatiewoningen aanwezig zijn, kan dit de transitie vergemakkelijken. Voor de corporatiewoningen hoeft de gemeente namelijk maar met één partij om tafel. Voor woningen in particulier eigendom is de eigenaar van elke afzonderlijke woning in principe één partij. Dit maakt het veel lastiger om een transitie in gang te zetten.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft de nationale kosten van de verschillende strategieën per buurt berekend. De nationale kosten zijn de totale financiële kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om in een CBS-buurt een strategie uit te voeren, ongeacht wie die kosten betaalt. Hoe hoger de nationale kosten, hoe lager een buurt scoort op dit onderdeel.

Naast de nationale kosten (totale kosten voor een warmtealternatief) zijn uit de berekeningen van het PBL ook de eindgebruikerskosten af te leiden. De eindgebruikerskosten zijn de kosten die daadwerkelijk in een woning of bedrijfsgebouw gemaakt moeten worden. Denk hierbij aan het isoleren, het vervangen van de CV-ketel en het aanbrengen van een ventilatiesysteem. De energiekosten (of besparing op deze kosten, de baten) vallen ook onder de eindgebruikerskosten. Des te lager deze kosten, des te beter scoort een CBS-buurt op dit criterium.

36

Elk criterium is voorzien van een waarde (punten)die in de MCA wordt opgenomen en vermenigvuldigd met de weging die we bij de stakeholders hebben opgehaald (zie bijlage 4). Onderstaand de puntenverdeling voor de verschillende criteria:

37

In overleg met de belanghebbenden zijn aan de verschillende criteria weegfactoren toegekend. In totaal konden 100 punten verdeeld worden over de zeven criteria. Figuur 9 laat zien wat de criteria zijn en wat de weegfactor is die de samenwerkingspartners hieraan hebben toegekend.

Criteria en weegfactor (belanghebbenden) Draagvlak Koppelkansen 5%

7%

Technische staat gebouwen

10%

17%

CO2 besparing 10%

Aandeel corporatiewoningen Inkomen

18%

Eindgebruikerskosten 23% 10% 0%

Maatschappelijke kosten en baten Aanwezigheid bronnen

Figuur 9. Prioriteringscriteria en de weegfactoren.

Met de prioriteringscriteria en de bijbehorende weegfactoren is een multicriteria-analyse (MCA) uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een ‘ranking’ van alle postcode-6 gebieden in de gemeente Montfoort (zie figuur 10).

38

Zuid-Oost Linschoten

Keizerrijk

Noord-West Hofland

Figuur 10. ‘Ranking’ van de buurten.

Deze ‘ranking’ geeft de mate van geschiktheid van het gebied aan voor de transitie naar aardgasvrij. Het lijkt het meest logisch om de transitie naar aardgasvrij te starten in de clusters met de hoogste scores. Soms zijn de verschillen tussen de verschillende gebieden echter klein. We hebben daarom een MCA-validatie (gevoeligheidsanalyse) uitgevoerd. Een methodiek waarmee we in het “mengpaneel” bewust elk criterium 1 keer belangrijker maken. We kijken daarmee hoe robuust de clusters in de top blijven.

Na de validatie zien we dat de volgende wijken het meest robuust in de top-2 staan: • •

Zuid-Oost Linschoten Keizerrijk

De buurt Noord-West Hofland komt minder robuust uit de gevoeligheidsanalyse wegens het minder hoge verwachte draagvlak, gebrek aan koppelkansen en meer middeninkomens dan hoge inkomens. De relatief lage eindgebruikers- en maatschappelijke kosten zijn een reden om NoordWest Hofland wel mee te nemen als kansrijke buurt. Het lijkt dan ook slim om in deze kansrijke buurten te starten met een collectieve aanpak en daarvoor een wijkuitvoeringsplan te maken. De clusters zijn geen exact afgebakende gebieden. In de toekomstige gesprekken met de buurt als onderdeel van de pilot voor een wijkuitvoeringsplan wordt de exacte afbakening van het gebied bepaald. Dit is nu dus nog niet exact bekend. Het betreft hier dus focusgebieden.

39

In het Zuid-Oosten van Linschoten is een cluster van eenduidige woningen gebouwd in de jaren 70. Hier is het nemen van ‘geen spijt’ maatregelen de beste optie. ‘Geen spijt’ maatregelen zijn maatregelen die je altijd kunt uitvoeren. In Zuid-Oost Linschoten zijn er mogelijkheden om in te zetten op een (of meerdere) collectieve isolatie aanpakken vanwege de eenduidigheid van de woningen en de potentie voor besparingen. Woningen en bedrijven kunnen starten met isoleren, kierdichten en ventileren. In het zuidwesten van de buurt staan een aantal corporatiewoningen. Voor deze buurt zien we geen kans voor collectieve warmteoplossingen, maar wel veel potentie in het collectief aardgasvrij-ready maken van de woningbouw. Woningeigenaren kunnen (collectief) starten met isoleren, kierdichten en ventileren. In de toekomst is het inrichten van een duurzame individuele warmteoplossing dan relatief eenvoudig. Een (vorm van) warmtepomp ligt daarbij het meest voor de hand. Een mogelijke tussenstap is een hybride warmtepomp waarmee 70-80% van het aardgasgebruik gereduceerd kan worden. De warmtekoers voor het Zuid-Oost Linschoten is dan ook: 1. Met de buurt in gesprek gaan en (samen) aan de slag gaan met individuele en collectieve kansen voor isolatie. Bij voldoende animo ambassadeurs werven en collectieve acties organiseren. 2.

Focus op individuele warmteoplossingen, ondersteunen bewoners die de woning aardgasvrij willen maken.

In de buurt Keizerrijk zijn clusters van eenduidige woningen gebouwd in de jaren 50 t/m 60. Daarnaast staan in het oosten van de buurt woningen gebouwd in de jaren 90 en enkele nieuwbouwwoningen. In de woningen uit de jaren 50 t/m 60 is het nemen van ‘geen spijt’ maatregelen ook de beste optie. In Keizerrijk zijn er mogelijkheden om in te zetten op een (of meerdere) collectieve isolatie aanpakken vanwege de eenduidigheid van de woningen en de potentie voor besparingen. Woningen en bedrijven kunnen starten met isoleren, kierdichten en ventileren. In de buurt staan ook corporatiewoningen die deels al verduurzaamd zijn. Wat betreft de warmtetechniek zijn er kansen voor een warmtenet. De bebouwingsdichtheid laat deze techniek toe. Uit onderzoek naar aquathermie en de potentie van de RWZI moet blijken of een warmtenet mogelijk is. Wanneer een warmtenet niet mogelijk is, dan kan gedacht worden aan individuele warmteoplossingen. Een (vorm van) warmtepomp ligt daarbij het meest voor de hand. Een mogelijke tussenstap is een hybride warmtepomp waarmee 70-80% van het aardgasgebruik gereduceerd kan worden. De warmtekoers voor Keizerrijk is dan ook: 1. Met de buurt in gesprek gaan en aan de slag gaan met individuele en collectieve kansen voor isolatie. 2. De mogelijke kansen van een warmtenet (aquathermie uit de Hollandsche IJssel of warmte vanuit de RWZI) onderzoeken. 3.

Als een warmtenet niet haalbaar is, de focus leggen op individuele warmteoplossingen in de buurt.

40

De buurt Noord-West Hofland bestaat voornamelijk uit woningen uit begin jaren 70. Ook in deze buurt is het nemen van ‘geen spijt’ maatregelen de beste optie. Voor deze cluster zien we geen kans voor collectieve warmteoplossingen, maar wel veel potentie in het collectief aardgasvrij-ready maken van de woningbouw. In de buurt staan ook corporatiewoningen die deels al verduurzaamd zijn. Woningeigenaren kunnen (collectief) starten met isoleren, kierdichten en ventileren. In de toekomst is het inrichten van een duurzame individuele warmteoplossing dan relatief eenvoudig. Een (vorm van) warmtepomp ligt daarbij het meest voor de hand. Een mogelijke tussenstap is een hybride warmtepomp waarmee 70-80% van het aardgasgebruik gereduceerd kan worden. De warmtekoers voor Noord-West Hofland is dan ook: 1. Met de buurt in gesprek gaan en (samen) aan de slag gaan met individuele en collectieve kansen voor isolatie. Bij voldoende animo ambassadeurs werven en collectieve acties organiseren. 2. Focus op individuele warmteoplossingen, ondersteunen bewoners die de woning aardgasvrij willen maken.

We blijven ook inzetten op een generieke collectieve aanpak voor heel Montfoort en Linschoten. Hierbij richten we ons op het zogenaamde ‘laaghangende fruit’. In eerste instantie concentreren we ons op het creëren van een handelingsperspectief voor alle inwoners en ondernemers van Montfoort. Via een digitale tool (storymaps) ontsluiten we eenvoudig en toegankelijk informatie over wat ieder individu morgen kan uitvoeren. Dit zal primair gaan over isoleren en de stappen die daarbij horen.

41

Een wijkuitvoeringsplan (WUP wordt opgedeeld in een aantal fases, zie de onderstaande figuur. Hierin is Fase 0 een op zichzelf staande fase en wordt de WUP na een Go uitgewerkt in Fase 1 tot en met Fase 3. Een deel van de fases hoeft niet na elkaar plaats te vinden, een aantal aspecten kunnen ook gelijktijdig uitgewerkt worden. Binnen het proces vindt in ieder geval altijd terugkoppeling plaats.

Doorlooptijd: +/- 6 maanden Doel: Verkenning met buurt. Willen zij samen met de gemeente aan de slag met het maken van een buurt- of wijkuitvoeringsplan? • • • •

Verkenning buurt, gesprekken met stakeholders en relevante beleidsstukken Eerste contactmomenten buurt, werkgroep(en) formeren, mobiliseren buurt (eerste acties) Inventarisatie van sociale structuren, initiatieven, randvoorwaarden en zorgen die meegenomen moeten worden in het opstellen van een WUP. Willen we samen starten? Startdocument met advies voor een GO of NO-GO.

Doorlooptijd: +/- 3 maanden Doel: Samenwerking vormgeven door te bepalen hoe we samen fase 2 en 3 willen doorlopen en hoe de buurt vertegenwoordigd wil zijn. • • • • • •

Werkgroep(en) eventueel uitbreiden Buurt informeren, vertegenwoordiging bepalen en organiseren Buurtanalyse toetsen en aanvullen Interne samenwerking met andere gemeentelijke afdelingen verder uitbouwen Samenwerking met technisch adviseurs opzetten of uitbreiden Procesaanpak fase 2 en 3 schrijven

42

Doorlooptijd: +/- 6 maanden Doel: Samen scenario’s opstellen en afspraken maken over de stappen die genomen moeten worden richting een aardgasvrij-ready buurt. • •

Scenario’s opstellen bijv. naar aanleiding van output energiescans of onderzoeken naar warmtenetten. In deze scenario’s staan: Welke warmtebron gekozen wordt en welke maatregelen hiervoor nodig zijn, welke stappen gaan we nemen, hoe gaan we deze stappen uitvoeren, wanneer gaan we welke stappen nemen en waar gaan we welke stappen nemen.

Doorlooptijd: +/- 3 maanden Doel: WUP opstellen, klaar voor vaststelling door College/ gemeente • • • •

Plan opstellen Het plan terug leggen aan de buurt om een akkoord te krijgen of het plan weer aan te passen Het plan voorleggen aan de relevante stakeholders Plan vaststellen

43

Veel modellen laten de toepassing van individuele warmteoplossingen zien als een belangrijke strategie voor Montfoort. Hier kleven echter ook een aantal belangrijke nadelen aan. Het voornaamste nadeel is dat het elektriciteitsnet in veel gebieden op dit moment maar beperkt toekomstbestendig is. Zelfs zonder de warmtetransitie moet geïnvesteerd worden in deze netten. Bij een overstap naar individuele warmteoplossingen, neemt de elektriciteitsvraag sterk toe. Warmtenetten vragen minder elektriciteit waardoor de netten ook minder verzwaard hoeven te worden. Mocht het niet lukken om collectieve oplossingen te vinden, dan zijn individuele warmteoplossingen altijd een alternatief. Dit is sowieso het geval in gebieden met een lage bebouwingsdichtheid zoals de buitengebieden en de lintbebouwing. In die gebieden gaan we in alle gevallen een individuele warmteoplossing terugvinden.

De ruimtelijke impact van een warmtenet in de openbare ruimte is in de meeste gevallen groter dan de impact van individuele oplossingen zoals een elektrische warmtepomp. Om de warmte bij de woningen en gebouwen te brengen moet een warmtenet in de grond worden gelegd. Elke straat die aangesloten wordt moet dus opgebroken worden om het warmtenet naast de bestaande infra (riool, water, elektra enz.) aan te brengen. Naast het warmtenet is seizoensopslag van de warmte uit het oppervlaktewater of vanuit de RWZI nodig: in de bodem moeten één of meerdere bronnen aangebracht worden. Ook moeten er één of meerdere grote warmtepompen in een gebied geplaatst worden om de temperatuur van het oppervlaktewater te verhogen naar de temperatuur waarmee woningen verwarmd worden. Hiervoor worden technische ruimten of zogenaamde clusterkelders gebruikt. Ter indicatie, per 500 woningen of woningequivalenten is een ruimte van 5-10 m2 nodig om de techniek te verwerken. Deze ruimte kan ondergronds liggen (bijv. onder een plantsoen) maar kan ook in de plint van een gebouw worden geplaatst. Wanneer een warmtenet niet mogelijk is, valt de keuze in de meeste gevallen op een individuele oplossing. Met de huidige stand van de techniek is dat over het algemeen een elektrische warmtepomp. Als hele gebieden overschakelen op een elektrische warmtepomp heeft dat invloed op het elektriciteitsnetwerk.

Wanneer hele gebieden op een warmtepomp overstappen (en de laadinfrastructuur voor elektrische vervoer een autonome groei doormaakt), moeten mogelijk in delen van de gemeente extra kabels gelegd worden samen met extra transformatorstations. Overigens zorgt een autonome ontwikkeling van de groei van laadinfrastructuur, zonnepanelen en warmtepompen ook al voor een flinke opgave. Hoe dan ook, er zal de komende jaren flink aan de elektra-infrastructuur gewerkt moeten worden. Stedin heeft een samenvatting gemaakt va de situatie op de verschillende deelnetten. De te verwachten vraag van elektriciteit (het gevraagde vermogen) kan mogelijk een beperking gaan zijn voor de uitvoering van de warmte- en energietransitie. De oplossing hiervoor is vanuit Stedin niet direct voorhanden. Vanuit de gebruiker kan het helpen om bijvoorbeeld zoveel als mogelijk opgewekte energie vanuit de zonnepanelen direct zelf te gebruiken. Dan hoeft deze elektriciteit niet terug het net op. Wat betreft de warmtetransitie is het goed om de woning eerst zoveel als mogelijk te isoleren. In dat geval is het benodigd vermogen voor een warmtepomp ook zo laag mogelijk. Ook voor het laden van auto’s helpt het om met een zo laag mogelijk vermogen te laden. Dan duurt het laden langer, maar is de belasting van het net lager.

44

Een warmtenet heeft in de openbare ruimte een grotere impact dan een warmtepomp. In de woningen en bedrijven is het tegengestelde het geval. Voor een warmtenet dient alleen een zogenaamde afleverset aangebracht te worden en deze past in de meterkast (zeker wanneer de huidige gasaansluiting wordt verwijderd) 15. Een warmtepomp en het benodigde buffervat hebben elk het formaat van een flinke koelkast en moet ergens in de woning geplaatst worden. Ook is in veel gevallen sprake van een buitenunit die ergens op of rondom de woning terecht moet komen. Hierbij spelen niet alleen ruimtelijke vraagstukken maar ook esthetische en geluidstechnische 16 vraagstukken. De ruimtelijke impact van een warmtepomp in de woning of het gebouw is geen onoverkomelijk probleem, maar zeker wel een belangrijk aandachtspunt.

15 Afhankelijk van de temperatuur van het water in het warmtenet moet er mogelijk ook een voorziening voor

warm tapwater in de woning aangebracht worden. De ruimtelijke impact hiervan is echter kleiner dan van een CV-ketel die verwijderd wordt. 16 Naast de ruimtelijke impact zijn er voor warmtepompen ook zorgen over de geluidsbelasting. In Europese regelgeving is een maximale geluidsbelasting van warmtepomp vastgelegd. Deze norm houdt in dat energie gerelateerde producten (Energy related Products - ErP) zoals warmtepompen tot 6 kW maximaal 65 dB(A) mogen produceren en warmtepompen van 6 kW tot 12kW 70 dB(A). De meeste luchtwarmtepompen veroorzaken tussen de 50 en 65 dB aan geluid. Ter vergelijking 50dB is het geluid van een koelkast. Daarbij is de locatie van de warmtepomp ook belangrijk, deze moet niet pal tegen de gevel van de buren komen te staan. Bij een grootschalige uitrol van (vooral lucht)warmtepompen is cumulatieve geluidsbelasting een aandachtspunt.

45

De kansrijke buurten sorteren voornamelijk voor op individuele technieken en in Keizerrijk zijn kansen voor een warmtenet. De kosten voor deze warmtescenario’s zijn tegen de huidige situatie afgezet. Hiervoor zijn uitgebreide berekeningen gemaakt die met name bij de wijkuitvoeringsplannen met de woningeigenaren besproken kunnen worden. Bondig samengevat kunnen we laten zien hoe de energielasten zich zullen ontwikkelen. De huidige woningen in de diverse wijken gaan (op basis van een extrapolatie naar 2030) 900 tot 2.050 euro per jaar aan gas en elektriciteit betalen. Met de nieuwe (alternatieve) energiesystemen waarbij de woningen van het gas af gaan, gaan de jaarlijkse lasten (incl. rente en aflossing voor een investering en de kosten voor elektriciteit) dan potentieel naar 850 tot 2.100 euro. Mochten de gasprijzen na 2030 blijven stijgen (en dat is waarschijnlijk) dan gaan de nieuwe energiesystemen goedkoper uitpakken dan de huidige systemen. De energielasten kunnen echter nog forser naar beneden gebracht worden door zonnepanelen toe te voegen. Bij een standaard set (10 panelen) gaat de gemiddelde energierekening al naar 150 tot 1.350 euro per jaar en kunnen de totale jaarlijkse lasten verlaagd worden tot 330 tot 1.520 euro.

Hiermee komt elke CBS-buurt qua maandlasten lager uit dan de maandlasten die de woningen en gebouwen naar alle waarschijnlijkheid in 2030 gaan krijgen, zonder investeringen in energiebesparing en duurzaamheid. Let wel, eventuele kosten (bijv. vastrecht) voor de verzwaring van het elektriciteitsnetwerk zijn hier nog niet in opgenomen. Zie voor de cijfers onderstaande tabel 1 17. Voor de communicatie rond de TVW en in de gesprekken met de inwoners moet duidelijk zijn dat we koersen op een eerlijk verhaal, de strategie dat de zon de energierekening deels gaat betalen (dus het promoten van opwek op eigen dak) en dat gedacht moet worden aan het aandeel in de totale woonlasten. Tabel 1: Inschatting jaarlijkse energielasten

Jaarlijkse lasten in 2030 zonder investeringen in duurzaamheid

Jaarlijkse lasten aardgasvrije woningen en gebouwen

Jaarlijkse lasten aardgasvrije woningen en gebouwen incl. zonnepanelen18

Montfoort Tabakshof en Heeswijk (gedeeltelijk)

€ 1.077

€ 1.176

€ 485

€ 906

€ 1.021

€ 329

Linschoten

€ 981 € 1.090 € 1.116 € 1.153 € 1.191 € 1.507 € 2.058 € 1.094 € 1.006 € 1.072

€ 1.092 € 1.419 € 1.450 € 1.205 € 1.538 € 1.778 € 2.214 € 1.514 € 1.296 € 1.411

€ 400 € 727 € 758 € 513 € 846 € 1.087 € 1.522 € 822 € 605 € 719

CBS-Buurtnaam

Polanen Cattenbroek Heeswijk Verspreide huizen Linschoten Verspreide huizen Mastwijk Willeskop19 Blokland Beneden Kerkweg Verspreide huizen

17 De kosten zijn berekend op basis van de Leidraad 2021 van het PBL, rentetarieven voor hypotheken zoals

die 2023 golden (gemiddeld 4,2%) en rekening houdend met de mogelijkheid tot (voorlopig) salderen van de elektriciteit die opgewekt wordt uit zonnepanelen. Dit is inclusief het werk aan energiebronnen en -infrastructuur. 18 Excl. eventuele verzwaring van het elektriciteitsnetwerk 19 De cijfers in deze buurt kunnen vertekend zijn door de aanwezigheid van bedrijven.

46

Om te komen tot de planning, warmtekoers en andere conclusies en uitkomsten, is er gebruikt gemaakt van data. Door hier te klikken kan de ruwe data ingezien worden.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=7cd822a5-898f-4146-86eb-32882a69d000