Toelichting- Bestemmingsplan Johan de Ridderlaan naast 1
Tekst van het document
24
De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart:
Figuur 8. Uitsnede risicokaart (globale ligging plangebied: zwarte omkaderd, bron: risicokaart.nl)
Het plangebied bevindt zich niet binnen de contouren van een bedrijf of object waar gevaarlijke stoffen opgeslagen of geproduceerd worden. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van een weg, spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Derhalve kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de externe veiligheid en dat het plan in dit kader uitvoerbaar is.
4.7 Water 4.7.1 Generiek beleid Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren. Dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren. Hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
25
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
4.7.2 Regionaal en lokaal waterbeleid Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerplan Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Voor de planperiode 2022-2027 is het nieuwe Waterbeheerplan, Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities van De Stichtse Rijnlanden voor schoon en gezond water, duurzaamheid en een waterveilig en klimaatbestendig gebied. In het Waterbeheerplan is Houten aangemerkt als Stedelijk middengebied. De inzet voor dit gebied is dat water een prominentere rol krijgt in gebiedsontwikkelingen en in de openbare ruimte. De inzet van water dient meerdere doelen, zoals de opvang van overtollige neerslag bij extreme buien en watervoorziening van stadswater met een goede waterkwaliteit en stedelijk groen.
Om dit te bewerkstelligen neemt het HDSR een actieve rol aan in deze planprocessen. Keur en uitvoeringsregels Per 7 mei 2021 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. Op grond van artikel 3.7 van de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is het verboden om zonder vergunning van het college hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen en te lozen. Onder verhard oppervlak wordt verstaan: het deel van het aardoppervlak dat is afgedekt met niet of nauwelijks waterdoorlatende materialen of werken. Voorbeelden van verhard oppervlak zijn daken en bestratingen. De voorwaarden om te werken zonder melding binnen de Algemene Regels zijn als volgt: • Binnen de bebouwde kom wordt minder dan 500 m² of in overig gebied wordt minder dan 1.000 m² onverharde grond bebouwd of verhard. Of: • Er is sprake van verscheidene te ontwikkelen min of meer aaneengesloten of samenhangende bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte van binnen de bebouwde kom minder dan 500 m² of in overig gebied minder dan 1.000 m². Of: • Indien een nieuw aan te leggen verhard oppervlak minder dan 10% van dat peilvak beslaat.
Binnen de bebouwde kom een peilvak kleiner dan 5.000 m² en in overig gebied een peilvak kleiner dan 10.000 m². Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij
26
de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2019-2023 Montfoort Dit plan vermeld op welke manier afvalwater en regenwater wordt verwerkt en gezuiverd. In het GRP geeft de gemeente aan hoe ze omgaan met de drie zorgplichten die we hebben voor water: stedelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater. De algemene doelstelling van riolering is bescherming van de volksgezondheid en het waarborgen van de leefomgeving van de inwoners. Uit deze algemene doelen zijn de volgende doelen ontleend, waaraan het systeem moet voldoen: 1. 2. 3. 4. 5.
Inzameling van stedelijk afvalwater (afvalwater). Transport van stedelijk afvalwater (afvalwater). Inzameling van hemelwater (hemelwater). Verwerking van ingezameld hemelwater (hemelwater). Zorgen dat (voor zover mogelijk) het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmeren.
4.7.3 Watertoets Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de watertoets worden de voor onderhavig plan relevante waterthema's beschouwd. In onderhavige situatie is sprake van herstructurering van bestaand stedelijk gebied. Waar mogelijk zal het hemelwater op een duurzame manier worden geborgd. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er wordt dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Watercompensatie Het hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden stelt een ondergrens aan de compensatieplicht. Deze grens is voor stedelijk gebied 500 m². Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 235 m². Derhalve zal er geen sprake zijn van een toename van verharding van meer dan 500 m² en is er dus geen watercompensatie vereist.
Waterkering Het plangebied ligt niet in of nabij een waterkering. Derhalve is dit onderdeel niet relevant voor het bestemmingsplan. Waterafvoer Naar verwachting wordt de riolering van het gebouw aangesloten op het gemeentelijk riool. Hemelwater zal zoveel mogelijk afgekoppeld worden om bodemverdroging tegen te gaan. Verder wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Waterwingebied Het plangebied ligt binnen de boringsvrije zone van het waterwingebied 'Linschoten'. Voor dergelijke gronden geldt een beperking met betrekking tot ondergrondse activiteiten. Hiervoor wordt de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan. Activiteiten die dieper
27
reiken dan -40 m onder het maaiveld zijn gebonden aan regels of verbodsbepalingen. Het beoogde plan is de realisatie van één woning. Er zullen geen activiteiten worden uitgevoerd die dieper dan 40 m zullen reiken. Conclusie Er is geen vergunning van het waterschap vereist voor het bouwen van de woning, aangezien deze buiten de beschermingszone van de waterkering gesitueerd is. Ook de overige wateraspecten vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek In het kader van de Wet natuurbescherming dient aangetoond te worden dat het planvoornemen geen afbreuk doet aan beschermde soorten en gebieden. Het beoogde plan is de bouw van een woning op een locatie waar nu een tuin is. Deze tuin bestaat uit gras en enkele bomen. De tuin is in de west- en noordzijde met een haag omsloten. Hieronder worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming specifiek doorgenomen. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op meer de 8 km afstand van het plangebied. Op een afstand van circa 440 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een gebied dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022, waarbij de ‘bouwvrijstelling’ is komen te vervallen, dient nu ook de aanleg-/aanlegfase berekend te worden.
Derhalve is voor de gebruiks- en bouwfase een AERIUS-berekening uitgevoerd om in beeld te brengen of de beoogde ontwikkeling nadelige effecten heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden (Buro SRO, d.d. 3 mei 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie van de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft. Soortenbescherming Onderzoek naar beschermde soorten is niet nodig als er redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er geen beschermde soorten op het plangebied voorkomen. Het plangebied betreft op dit moment een intensief onderhouden grasveld, wat geen potentie heeft voor bijvoorbeeld vleermuizen. Gezien het huidige gebruik van het plangebied, kan ook worden verondersteld dat er op dit terrein geen andere beschermde diersoorten aanwezig zijn. Geconstateerd kan worden dat er geen beschermde diersoorten op het plangebied aanwezig zullen zijn.
28
29
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Vanuit de Wet natuurbescherming komen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan voort. Uiteraard wordt tijdens de werkzaamheden voorzichtig gehandeld met eventueel voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Algemene zorgplicht Er worden algemene maatregelen getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, zoals:
• • •
Aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Mogelijke overwinteringslocaties van (algemene) amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Ingevolge het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woonwijken' hebben de gronden van het plangebied verder geen archeologische verwachtingswaarde. Na vaststelling van dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad in een geactualiseerde archeologische beleidskaart (2011) vastgesteld.
30
Op navolgende uitsnede van deze kaart is de planlocatie weergegeven.
Uitsnede archeologische beleidskaart Montfoort (planlocatie zwart omcirkeld)
In tegenstelling tot het bestemmingsplan heeft onderhavige perceel op de Archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Montfoort een hoge archeologische verwachtingswaarde. Het onderhavige perceel is reeds mee onderzocht in het kader van de ontwikkelingen ten zuiden van de Johan de Ridderlaan 1 (Becker & Van de Graaf BV, augustus en september 2010: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat binnen het plangebied hoogstwaarschijnlijk geen archeologische waarden in de ondergrond aanwezig zijn. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om ten aanzien van archeologie geen aanvullende maatregelen te treffen. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen voor voorliggend plan veroorzaakt.
4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek Volgens de kaart 'Cultuurhistorische Inventarisatie Bewoning' en de kaart 'Cultuurhistorische Inventarisatie Waterstaat en Defensie' van de gemeente Montfoort zijn er in de directe omgeving van het plangebied en op het plangebied zelf geen monumentale gebouwen aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied niet onderdeel uit van een cultuurhistorische structuur of gebied van hoge cultuurhistorische waarde. Gezien de beoogde ontwikkeling en de beperkte cultuurhistorische waarde in de nabij gelegen omgeving kan gezegd worden dat de cultuurhistorische waarde niet aangetast wordt met de beoogde ontwikkeling.
31
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de toename van het aantal verkeersbewegingen door de beoogde ontwikkeling aan te tonen, is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie berekend. ontwikkeling
CROW aansluiting
aantal
woning Totaal
koop, huis, vrijstaand
1
verkeersgeneratie per etmaal (matig stedelijk, rest bebouwde kom) 8,6
totaal
8,6 8,6
In totaal komt de verkeersgeneratie daarmee uit op 8,6 voertuigbewegingen per etmaal. Dit kan, gezien de beperkte omvang van de toename, opgevangen worden met de bestaande infrastructuur. De ontsluiting van de woning is via de Johan de Ridderlaan voorzien. Deze weg is in staat de beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen te verwerken. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Nota parkeernormen Montfoort 2020 De gemeente Montfoort heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de 'Nota parkeernormen Montfoort 2020'. Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Dit is als zodanig verankerd via het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Montfoort'.
32
Planspecifiek Wat betreft de parkeernormen voor 'wonen' behoort het plangebied volgens de 'Nota parkeernormen Montfoort 2020' tot de zone 'rest bebouwde kom'. Op basis hiervan geldt voor een vrijstaande woning een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen. Dat komt neer op 3 te realiseren parkeerplaatsen. Zoals aangegeven in de 'Nota parkeernormen Montfoort 2020' kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verplichting om parkeerplaatsen op eigen terrein aan te leggen. In het voorliggende geval is gekozen voor de mogelijkheid via 'Storting financiële bijdrage Parkeerfonds'. Daardoor kan hier volstaan worden met 2 parkeerplaatsen. Op het onderhavige perceel wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; dat is ook geborgd in de planregels. Daarmee is het planvoornemen in lijn met het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Montfoort' en met de daarin opgenomen 'Nota parkeernormen Montfoort 2020' en is het plan uitvoerbaar wat betreft parkeren.
4.12 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC).
Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Planspecifiek Bij de ontwikkeling van de nieuwe woning is ook nagedacht over meerdere duurzaamheidsaspecten. De woning zal allereerst gasloos worden gebouwd. Hiermee kan worden voldaan aan de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) die voorschrijft dat alle nieuwe woningen sinds 2018 gasloos moeten worden gebouwd. Op de woningen worden daarnaast ook zonnepanelen geïnstalleerd. Deze zonnepanelen komen te liggen op het dak dat gericht is op het zuiden.
33
4.13 Bezonning Bij bezonning bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat derhalve geen directe wettelijke basis. Wel bestaande er de zogenaamde TNO normen. TNO kent een ‘lichte’ en een ‘strenge’ norm. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De ‘TNO-normen’ geven een richtlijn of er sprake is van voldoende bezonning en of er sprake is van goede bezonning. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer. De norm is echter ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes. Planspecifiek Om in beeld te brengen wat de invloed van de geplande woning is op de naastgelegen bestaande woningen is er voor de beoogde ontwikkeling een bezonningsstudie uitgevoerd (C.P.A.M. Vlooswijk, d.d. 25 november 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4).
Met het bezonningsonderzoek is gekeken naar de effecten van de geplande woning op de zontroetreding van de drie woningen gelegen aan de Roelof de Roverlaan 52, 54 en 56. Uit de bezonningsgrafieken blijkt dat de geplande nieuwbouw de ochtend- / middagzon bij de beoogde woningen voor een deel wegneemt in de periode van 21 oktober t/m 21 februari. Desondanks blijkt uit het onderzoek dat er bij alle waarneempunten ruimschoots wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden door de Gemeente Den Haag, namelijk tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 19 februari t/m 21 oktober. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bezonning geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
34
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde.
35
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
Bij de regels van het voorliggende bestemmingsplan is aangesloten op andere bestemmingsplannen binnen de gemeente Montfoort en in het bijzonder op het bestemmingsplan 'Johan de Ridderlaan ten zuiden van nr. 1'.
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Tuin De voortuin van het perceel is voorzien van de bestemming 'Tuin'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven, toegangspaden, opritten en parkeerplaatsen. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt tot erf- en terreinafscheidingen. Daarnaast is er een afwijkingsbevoegdheid voor een entree of erker. Wonen De gronden aangewezen met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen en de mogelijkheid tot het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep. Tevens zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven, paden en parkeervoorzieningen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden, waarbij de maximale goot- en bouwhoogten zijn aangeduid. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken geldt dat deze zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden. Verder worden de in de gemeente gebruikelijke bouw- en gebruiksmogelijkheden geboden. In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Milieuzone - boringsvrije zone Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem van de boringsvrije zone van het grondwaterwingebied Linschoten.
Bepaald is dat boorputten en grond- en funderingswerken dieper dan 40 meter onder maaiveld niet zijn toegestaan, tenzij hiervoor toestemming van de provincie Utrecht is verkregen.
36
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkelingen van de locaties zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Een planschadeovereenkomst is hier onderdeel van. De kosten voor het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure worden via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer doorberekend.
37
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie De initiatiefnemers hebben de buren aan de noord-, oost- en westkant afzonderlijk gesproken. Daarbij is een kopie overhandigd van de participatiebrief voor omwonenden en er zijn schetsen getoond van de beoogde situatie.
7.3 Inspraak Er is inspraak gevoerd over het voorontwerpbestemmingsplan. In dat verband heeft het voorontwerpbestemmingsplan van 16 juni t/m 30 juni 2021 ter inzage gelegen. Hierop zijn geen reacties ontvangen.
7.4 Vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro., gezonden naar hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Provincie Utrecht. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat zij geen belang hebben dat met het plan wordt geschaad. Dat geldt eveneens voor de provincie.
7.5 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Johan de Ridderlaan naast nr.1, Montfoort, heeft vanaf 18 mei 2022 tot en met 29 juni 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn vier zienswijzen ingediend, waarvan één namens vier huishoudens. De zienswijzen zijn samengevat in de bijgevoegde Nota van beantwoording zienswijzen (Gemeente Montfoort, bijlagen bij toelichting, bijlage 5). De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
38
7.6 Ambtshalve wijzigingen Ambtshalve wijzigingen zijn wijzigingen in het vast te stellen bestemmingsplan (ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan) die niet naar aanleiding van zienswijzen, maar ambtshalve worden doorgevoerd. Deze aanpassingen zijn nodig ter verhoging van de juridische kwaliteit van het bestemmingsplan of zijn het gevolg van gewijzigde inzichten. Het ontwerpbestemmingsplan is als volgt ambtshalve gewijzigd: •
•
•
•
•
• •
In toelichting paragraaf 3.2.1 en toelichting paragraaf 3.2.2 stond verouderd beleid van de provincie Utrecht. Met de ambtshalve wijziging is dit aangepast naar het meest recente beleid van de provincie Utrecht. De ontwikkeling is opnieuw getoetst aan het nieuwe beleid. In toelichting paragraaf 3.3 was ingegaan op verouderd beleid van de gemeente Montfoort. Dit beleid is aangepast naar de Omgevingsvisie Montfoort 2030 en de Woonvisie gemeente Montfoort 2019-2030. In toelichting paragraaf 4.2 is een opmerking van het integraal milieuadvies van de Omgevingsdienst Regio Utrecht verwerkt. Deze opmerking was in eerdere versies van dit bestemmingsplan nog niet opgenomen. In toelichting paragraaf 4.7.1 en toelichting paragraaf 4.7.2 was verouderd beleid van het rijk en het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden opgenomen. Dit is aangepast naar het meest recente beleid. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 is de ‘bouwvrijstelling’ komen te vervallen. Om die reden zijn alsnog Aeriusberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwerkt in toelichting paragraaf 4.8. Tevens zijn de berekeningen als bijlagen bijgevoegd. In toelichting paragraaf 4.11.2 was nog uitgegaan van de 'Nota parkeernormen Montfoort 2015'. Dit is aangepast naar de 'Nota parkeernormen Montfoort 2020'.
Er is een paragraaf over bezonning toegevoegd (toelichting paragraaf 4.13). Hierin zijn de resultaten van een bezonningsstudie verwerkt. De betreffende studie is als bijlage bijgevoegd.
39