CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Productie 8 - windenergie-levend-landschap-200521_df

Raadsvergadering 6 mei 2025, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Actualisatie grootschalige opwek duurzame elektriciteit12.981 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Keuze. Links: Groene hart als te koesteren leegte. Rechts: egalitaire spreiding van zeer hoge turbines (om de 3 à 4 km) als nieuwe Groene Hart identiteit, zie de foto links, voor illustratie daarvan. . CoP Windenergie en landschapskwaliteit

28

Kwaliteitsregels in relatie tot modellen De modellen demonstreren dat er het nodige te kiezen valt. Veel hangt af van de efficiëntie van toekomstige turbines, de afbouw van subsidiesystemen en de ontwikkeling van het electriciteitsnetwerk. Het draait ook om de kracht van ontwerp en planologie en of we in staat zijn om werkelijke verschillen tussen landschappen te organiseren. De voorgaande modellen geven toekomstbeelden voor de omgang met windenergie. Ze geven extreme beelden, zeker als dit bekeken wordt vanuit de huidige planologische processen en de mogelijkheden die milieuregels bieden. Ze helpen om vanuit de toekomst terug te kijken naar de huidige opgaven: wat zouden we willen met windenergie in het landschap? Antwoorden van de CoP deelnemers op deze vraag zitten vertaald in de drie voorgaande modellen. De modellen geven niet allemaal een keurige toepassing van de kwaliteitsregels. Sterker nog: het model uitpassen negeert enkele van de kwaliteitsregels om te komen tot een beeld waarin grote opschaling van turbines samengaat met een volledige acceptatie van turbines in de leefomgeving. Overal worden turbines zichtbaar, behalve in uitgepaste lege gebieden. Je kan dan niet minder spreken van ‘volte’ en van ‘concentratie’. Wel kan er nog altijd gesproken worden over landschappen met en landschappen zonder windenergie.

De tabel hieronder toont welke kwaliteitsregels er expliciet of impliciet zijn toegepast in de modellen. In alle gevallen worden er heldere keuzes gevraagd. In alle gevallen schetsen we ruimte voor heldere landschappen met windenergie en voor gebieden zonder windenergie. Kwaliteitsregels windenergie CoP

Nieuwe parken Doorbouwen

Uitpassen

1.

In landschappen leven met windenergie +

+

++

2.

Draag bij aan landschappelijke verschillen

++

++

+

3.

Kies voor leegte en volte •

Nationale schaal

++

+

++

•

Regionale schaal

+

++

0

4. Samenhang met megastructuren/gebieden

++

+

+

5. Voorkom schijnrelaties

++

++

++

6.

Maatwerk heeft ruime maat

++

++

++

7.

Versterk het landschap onder turbines

++

++

++

8.

Kies voor hoogte niet laagte

++

++

++

9.

Betrek alle waarnemers

++

++

++

++

++

0

10. Combineer met energieinfrastructuur

CoP Windenergie en landschapskwaliteit

29

6 Conclusies

De energietransitie is geen louter technische aangelegenheid. Integendeel, zij geeft vorm aan het landschap en wordt samen met dat landschap een visitekaartje voor Nederland op de lange termijn. Inspanning is nodig om te komen tot hoogwaardige landschappen met windenergie. Om landschapsontwikkeling met windenergie te ondersteunen biedt deze verkenning een set aan kwaliteitsregels. Belangrijk is om te anticiperen op de steeds grotere hoogte windturbines (meer dan 200 meter), wat een ander verhaal vraagt dan nu gangbaar is voor lagere turbines. Landschappelijke ‘inpassing’ van windturbines is met deze maten niet meer mogelijk. De orde van grootte van windturbines en die van andere maten in het landschap lopen dusdanig uiteen dat een waarnemer hiertussen geen duidelijke relaties meer ervaart. De vervreemding die daardoor ontstaat tussen turbine en landschap vraagt om visie op het veranderende landschap. Er zijn drie niveaus om rekening mee te houden: Op macro-niveau gaat het om de zichtbaarheid van turbines van veraf. Grote turbines zijn afhankelijk van weersomstandigheden, 5 tot wel 30 kilometer zichtbaar. Het is belangrijk dat er zowel op de nationale als de provinciale schaal gebieden blijven waar we nog landschappen ervaren die we associëren met natuurlijkheid of historische authenticiteit.

Rijk en provincie moeten daarvoor gebieden aanwijzen die vrij blijven van grootschalige opwek van windenergie. Het gaat dan om lege gebieden van minstens honderden vierkante kilometers.

Op meso-niveau is aandacht nodig voor de inrichting van landschappen zoals we die vanuit beweging ervaren, in de auto of op de fiets, en waar we windparken waarnemen vanaf enkele kilometers afstand. Voorkom dat solitaire turbines, of kleine groepjes van enkele turbines, gebieden van vele tientallen km2 domineren. De beleefde route wordt dan immers een aaneenschakeling van repeterende confrontaties met turbines wat tot landschappelijke vervlakking leidt. Bevorder op dit niveau de ‘volte’. Cluster opstellingen tot tientallen turbines en bundel zo de effecten. Sluit met de begrenzing van een groot cluster, als dat kan, aan op landschappelijke identiteiten en verken combinaties in gebieden waar sowieso transities plaatsvinden zoals landbouwtransitie of klimaatadaptatie. Benoem bij dergelijke opstellingen een ondergrens van benodigde opwek van minstens 50 MW en bepaal met producenten, netbeheerders en met het gebied, welke formaat turbines dan wordt verkozen. Dit vraagt om intensieve gebiedsprocessen en om heldere regie vanuit rijk en regio’s. Op micro-niveau gaat het om inrichting van het energielandschap. Naast het respecteren van wetten en regels gaat dat bijvoorbeeld om landschappelijke inrichting en vormgeving van de technische voorzieningen en van de turbinevoet. Het gaat om de tiphoogte én tiplaagte, waarbij de turbine als grote hoogte beleefd mag worden.

Beperk de confrontatie met een te lage tip van de rotor. Belangrijk is om rekening te houden met alle doelgroepen die het landschap gebruiken: bewoners, passanten en bezoekers. Op meso- en microniveau kan de energietransitie het landschap nieuwe impulsen geven. Versterk de natuurlijke diversiteit. Beplant wegen of leg bos aan wanneer dit de

CoP Windenergie en landschapskwaliteit

30

invloed van turbines verzacht en een veelzijdig gebruik stimuleert. Kijk vooruit en denk aan volgende generaties. Verbindt de planning van windenergie standaard met landschapsontwikkeling. Maak dergelijke ‘compensatie’ niet alleen afhankelijk van lokale keuzen in participatieprocessen. De ervaring leert dat verleiding van concrete baten op korte termijn vaak groter is dan aandacht voor landschapskwaliteit die langzaam groeit. Als bijzonder alternatief is de strategie ‘uitpassen’ gepresenteerd. Als clusteren ondoenlijk is, kan gekozen worden voor volstrekt gelijkmatige en democratische spreiding van windenergie. Zorg er dan voor dat er een neutraal grid ontstaat zonder schijnrelaties met wegen of (te kleine) bedrijventerreinen. Kies voor heel efficiënte en hoge turbines. Wellicht zal men ze koesteren als vriendelijke reuzen voor onze stroomvoorziening. Uiteindelijk gaat het om plekken waar Nederlanders de turbines accepteren als een volwaardige functie die past bij het landschap en bij wie wij zijn: inwoners van Nederland die gulzig gebruik maken van (duurzame) electriciteit.

Windpark Noordoostpolder, gezien vanaf het strandje van Urk (foto: F. Stroeken) CoP Windenergie en landschapskwaliteit

31

7 Nader onderzoek De volgende kennisvragen verdienen nadere onderzoek. 1.

2.

3.

Er is meer inzicht nodig in de beleving en waardering van bestaande windenergieopstellingen in Nederland. Welke kwaliteiten of welk disfunctioneren kunnen we daar ontdekken? Hoe verhouden bestaande opstellingen zich ten opzichte van trots of ergernis en wie vindt hier iets van? Wat is de rol van gewenning? Naast onderzoek in Nederland is het nodig om te leren van het buitenland. Daar spelen dezelfde kwesties. Parallel hieraan adviseren we de hier benoemde hypothesen over beleving van grootschalige parken diepgaander te onderzoeken. Wat is de beleving van geconcentreerde energiegebieden en hoe verhoudt die zich tot beleving van evenzoveel turbines verspreidt over meerdere locaties?16 Bijvoorbeeld in een simulatieopstelling via Virtual Reality en/of ter plekke met toepassing van Augmented Reality. Grootschalige opstellingen en grootschalige turbines, waarover in deze studie uitspraken zijn gedaan, hebben verband met de ontwikkeling van het electriciteitsnetwerk. Efficientie en kostenbesparing kan door opschaling ontstaan. Dit vergt nader ontwerpend onderzoek. Waar en hoe gaan landschap en energieefficientie samen? Bovendien is onderzoek nodig naar realisatiestrategieen waarbij, met burgers, de veronderstelde voordelen worden vertaald naar acceptabele plannen.

4.

Meer inzicht is nodig in de totale hoeveelheid duurzame electriciteitsopwek die nodig is op middenlange termijn (2050). Als de vervolgvraag voor electriciteitsopwekking op land na 2030 duidelijker wordt gemaakt kan er beter worden geanticipeerd op de toekomst met adaptieve ruimtelijke strategieen (zoals uitbreidbare parken).

5.

Welke grote gebieden zijn het waard om tot leegte te bestempelen? Deze vraag is nog niet beantwoord. Zowel grootschalig open als kleinschalige landschappen komen hiervoor in aanmerking. Dit agenderen we voor een vervolg.

6.

Specifiek belevingsonderzoek is nodig naar: a. het effect van lage tiplaagte op menselijke beleving en ecologie. Vergelijk de effecten hiervan met hoge tiphoogtes; b. Wat de beleving is van grote windturbines voor niet-stationaire gebruikersgroepen zoals automobilisten, wandelaars en fietsers; c. Wat is de beleving en het draagvlak voor windturbines in en aan de flanken van bestaande natuur? Bij de uitsluiting van natuurgebieden zijn vaak ecologische argumenten en belevingsargumenten vermengd.

7.

De handreiking landschappelijke effecten van Windenergie (H+N+S, 2013) die momenteel door veel overheden wordt aanbevolen dient te worden geactualiseerd.

CoP Windenergie en landschapskwaliteit

32

Achtergrond A.

Gebiedscategorieën

Op het Nederlandse landschap komen veel opgaven af die allemaal ruimte vragen. De ‘klassieke ruimtevragers’ zoals woningbouw, recreatie, natuur, bedrijvigheid, industrie en infrastructuur hebben de laatste decennia een toenemende concurrentie gekregen van nieuwe ruimtevragers met een grote landschappelijke impact zoals windturbines en zonnevelden. Deze elementen moeten een plek vinden in het Nederlandse landschap.

Belemmeringenkaarten In de zoektocht naar geschikte plekken voor windturbines en zonnevelden wordt veel gebruik gemaakt van belemmeringenkaarten. Op deze kaarten worden belemmeringen weergegeven voor de plaatsing van windturbines zoals nabij infrastructuur, rondom woningen, in natuurgebieden, etcetera. De zoektocht is daardoor vaak gericht op de planologische restruimtes. De verduurzaming van de energieproductie moet dus een leeg plekje vinden tussen alle andere functies. Dit werkt het verspreid plaatsen van windturbines en zonnevelden, door heel Nederland in de hand. De Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit Noord-Holland (Steven Slabbers) sprak over een “niesbui aan goedbedoelde initiatieven” met een funeste impact op ons landschap en de landschappelijke kwaliteiten”. In dit adviesrapport is gepleit voor het concentreren van windturbines. Duidelijke keuzes voor eenduidige landschappen. Dit gaat om het kiezen van voltes. Maar andersom geredeneerd: Waar zouden de leegtes moeten komen?

Ontbrekende criteria Bij het plaatsen van hoge windturbines op een landelijke schaal merken we nu dat het ontbreekt aan een heldere leidraad met criteria voor landschappen waar windenergie wel of niet plaats kan vinden. Windturbines hebben een ruimtelijke invloed die door hun hoogte en beweging kilometers ver reikt. Landschappen veranderen hierdoor en we kunnen ervoor kiezen om sommige landschappen niet deze verandering te laten ondergaan. Het zou helpen om landschappelijke gebiedscategorieën te hebben met onderscheidt naar dusdanige kwaliteiten dat we ze niet laten samengaan met windturbines. Dit zou dan moeten gaan om grote gebieden met leegtes die aansluiten bij de verre zichtbaarheid van windturbines. In de zoektocht naar harde criteria en gebiedscategorieën kan de oude planvorming aanknopingspunten bieden.

Categorieën conservering landschap De Nederlandse planologie kent een rijke geschiedenis aan beleidstukken waarin gebiedscategorieën zijn gemaakt voor conservering van waardevolle landschappen. Dit waren gebiedscategorieën zoals: • Nationale parken (motie 2014 tot heden) • Nationale landschappen (ministerie van VROM, 2004-2012) • Nationale landschapsparken (structuurschema N& Landschapsbehoud 1982-1983) • Nationaal landschapspatroon (Nota Landschap, Ministeri LNV, 1992) • Groene (natuur) en Blauwe (verbrede plattelandsontwikkeling) koersen (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra, Ministerie VROM, 1991)

• •

Inrichtingsbehoeftige gebieden recreatief toerisme Gebieden behoud en herstel landschappelijke kwaliteit (programma Belvedere, 1999 -2009)

CoP Windenergie en landschapskwaliteit

33

• Werelderfgoed-gebieden (Unesco) • Waardevolle CultuurLandschappen (Ministerie LNV, 1994-2000) Op dit moment hebben alleen de categorieen ‘nationale parken’ en ‘Unesco’ betekenis volgens het rijksbeleid. Met de decentralisatie van het natuurbeleid in 2012, werden de Nationale Landschappen als beleidscategorie afgeschaft. Desondanks worden de nationale Landschappen in verschillende regio’s nog als een regionaal merk gekoesterd. Ook nationaal klinkt weer een roep tot herintroductie van nieuwe Nationale Landschapsparken (Mr. P. van Vollenhoven in: Smeenge, 2020).

Aspecten om rekening mee te houden

• • • • •

•

Diversiteit van landschappen. Aantrekkelijkheid en recreatieve waardering voor landschappen . Authenticiteit van landschappen oftewel het historische karakter en meer specifiek de cultuurhistorische waarden. Natuurwaarden en natuurlijkheid. De mate waarin kernkwaliteiten van een landschap zich tot windenergie verhouden (voor een stoer kustlandschap is dat anders dan voor een verstild kleinschalig landschap). De verwachte ontwikkeling van de bestaande kwaliteiten in een landschap.

Deze Community of Practice heeft dit onderwerp niet diep genoeg verkend om hier al harde uitspraken over te doen. Wel zijn er criteria besproken die van invloed kunnen zijn op de bepaling van gebiedscategorieën: • Extreme openheid/leegte van landschappen en de kwaliteit van de betreffende openheid. • Extreme kleinschaligheid van landschappen en de kwaliteit van de betreffende kleinschaligheid.

Vervolgonderzoek

Links Nationale Landschappen. Rechts: Nationale parken en ter vergelijking de Nationale Landschappen

Koersen uit 4e nota Ruimtelijke Ordening

Een indeling in gebiedscategorieën heeft voor- en nadelen. Enerzijds schept het helderheid in keuzes en perspectief. Anderzijds zijn dergelijke keuzes in hoge mate politiek geladen. Objectieve en liefst wetenschappelijk gefundeerde kennis en kunde is hierbij nodig. Tegelijkertijd moeten criteria op basis van enkelvoudige aspecten binnen een context worden beschouwd. Dit behoeft nadere studie en eenduidige keuzes.

Belevedere gebieden CoP Windenergie en landschapskwaliteit

34

B. Waarneming van windturbines Een literatuurverkenning Zonder goed verhaal over windturbines en landschap zullen veel projectvoorstellen, die nu abstract in de RESsen staan, op onbegrip stuiten en belemmeringen oproepen. Dit wordt versterkt door toenemende negatieve berichtgeving in de media. Er is daarom een noodzaak om aandacht te schenken aan de effecten van windenergie op de beleving van het landschap. Binnen deze CoP is er een literatuuronderzoek naar beleving van windenergie uitgevoerd door M. Goossen van WEnR. Hier volgt een korte weergave van de resultaten gecombineerd met inzichten uit de CoP. Beleving is niet hetzelfde als waardering maar er zijn wel onderlinge verbanden. Bij de belevingswaarde gaat het om waarnemen, ervaren, betekenisgeven en ten slotte waarderen. Bij betekenisgeven gaat het over overtuigingen, waarden en normen en opvattingen van mensen, hoe ze over klimaat en milieu denken en in hoeverre windturbines daar een rol in kunnen spelen, maar ook wat ze onder natuur in een landschap verstaan. Beleving en waardering hebben te maken met de zintuigelijke affectieve waarneming en de interpretatie daarvan via cognitieve waarneming, kennis, betekenisgeving, ervaringen, verbondenheid en voorkeuren en behoeftes. Er is weinig recent onderzoek gedaan naar de beleving van windturbines in Nederland.

In het verleden lag in veel belevingsonderzoek naar windturbines de nadruk op het visuele aspect: de schoonheid van het landschap. In de totale beleving van de waarnemer speelt dit visuele aspect doorgaans een dominante rol, maar ook indrukken via andere zintuigen (zoals gehoor, slagschaduw) beïnvloeden de beleving van windturbines. Doorgaans worden in belevingsonderzoeken landschappen zonder windturbines aantrekkelijker gevonden dan landschappen met windturbines. Uit deze

onderzoeken blijkt dat de eerste windturbine de grootste negatieve impact heeft op de beleving. Vergeleken daarmee blijkt het aantal, de masthoogte en de opstelling geen tot weinig effect te hebben. Kanttekening bij deze onderzoeken is dat dat ze al redelijk gedateerd zijn en de masthoogte sindsdien is toegenomen. Leeftijd en natuurvisie blijken invloed te hebben op de impact van windturbines op de aantrekkelijkheid van het landschap. Voor jongeren maakt het verschil tussen landschappen met of zonder turbine niet zoveel uit. De oudste leeftijdscategorie waardeert het landschap zonder turbines hoger dan de jongeren, maar met turbines juist lager. Mensen die agrarisch gebied natuur vinden en menselijke structuren als storend zeggen te ervaren, reageren heftiger op de aanwezigheid van windturbines in het landschap dan degenen die agrarisch gebied geen natuur vinden en menselijke structuren niet als erg storend zeggen te ervaren. Het verschil tussen deze twee extreme natuurvisies ligt in de orde van een verdubbeling van de impact. Natuurbeelden die mensen hebben bepalen dus mede de beleving van windturbines. Met de resultaten uit dit onderzoek kan gesteld worden dat wanneer men overal in Nederland één windturbine plaatst, met uitzondering van enkele gebieden, dit negatief zal werken op de beleving.

Dit lijkt vooral te komen omdat windturbines in elk type landschap zowel de meest dominante als de langst bekeken verticale objecten zijn. Een landschap met windturbines geconcentreerd op enkele grote plekken waarbij andere gebieden dus worden ontzien zal vanuit beleving de voorkeur hebben. Bij gemiddelde weercondities zijn windturbines van 100 meter hoog op tien kilometer matig zichtbaar. De waardering is voor elk landschap met een 100 meter hoge windturbine op 500 meter afstand significant lager dan bij 2.500 meter. Maar ook op 2.500 meter is er nog sprake van een aanzienlijke negatieve impact. Naast het visuele blijken andere zintuigelijke elementen invloed te hebben. Het blijkt dat hoe sterker het geluid van windturbines, door het zwiepende

CoP Windenergie en landschapskwaliteit

35

geluid van de rotorbladen, hoe groter de hinder ervan. Het RIVM stelt dat het op basis van de huidige kennis niet aannemelijk is dat windturbines rechtstreeks gezondheidsproblemen met zich meebrengen maar wel dat de ervaren effecten zoals verhoogde stress negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid. Tevens blijkt dat naarmate de blootstelling aan slagschaduw toeneemt, het percentage zeer geïrriteerde mensen toeneemt. NWEA stelt dat het geluidseffect bij de huidige grotere turbines relatief kleiner wordt. Slagschaduw blijft een opgave. Dit pleit er voor om windturbines zo min mogelijk bij bebouwing te plaatsen of in gebieden waar veel mensen komen zoals stranden en recreatiegebieden.

Toepassing van onderzoeksresultaten Windturbines worden gezien als een industriële identiteit en kunnen daarom volgens diverse onderzoeken het best geplaatst worden in man-made landschappen zoals havens, industriegebieden, bedrijventerreinen en langs snelwegen, spoorlijnen en hoogspanningslijnen. In landschappen met veel grote gebouwen en met veel beweging ‘trekken windturbines minder de aandacht’ (citaat uit CoP). Landschappen met een hoge belevingswaarde, bijvoorbeeld met authentieke cultuurhistorische kenmerken, worden volgens belevingsonderzoeken minder geschikt geacht voor plaatsing van windturbines zoals gebieden met een diversiteit aan landschapstypen maar waar in ieder geval bos aanwezig is. Terwijl tegelijkertijd een bos- en lanenrijk landschap ervoor zou kunnen zorgen dat windmolens niet permanent in het zicht staan, maar verschijnen en weer verdwijnen. Een wegbegeleidende groenstructuur kan het zicht op windturbines tot op een bepaalde afstand ontnemen. De industriële identiteit van windturbines geeft aanleiding om energiegebieden te ontwikkelen. Gebieden waar energie wordt opgewekt met windturbines, zonnepanelen en andere vormen van energieopwekking. Afhankelijk van hun ligging zijn vrijkomende landbouwgebieden wellicht om te zetten in energiegebieden met clusters van windturbines.

Deze gebieden krijgen hierdoor een eigen identiteit en zijn hierdoor herkenbaar zoals natuurgebieden herkenbaar zijn en woongebieden.

Uit onderzoek blijkt dat gebieden met één industriële functie zoals bedrijventerreinen minder aantrekkelijk worden gevonden dan gebieden met meerdere functies. Meer functies in energiegebieden toelaten zoals groene corridors die waardevolle landschappen/natuurgebieden gaan verbinden, kan de beleving verbeteren. Hier ligt een paradox: er is onderzoek dat toont dat turbines vaak passend gevonden worden in open monofunctionele gebieden terwijl waarneembaar is dat windenergie in een heel divers landschap minder opvalt dan in eenvormig open landschap. Beleving en waardering van windturbines zijn gerelateerd aan de kennis en opvattingen van mensen over het gebruik van duurzame energie middels windturbines. Financiële compensatie kan helpen bij de acceptatie van windturbines, evenals wanneer individuen vinden dat hun gemeenschap in staat is geweest om het design van een windproject en het aantal turbines te beïnvloeden. Zie daarvoor bijvoorbeeld de bevindingen bij het project A16 (de Vries, Baetens, 2020). Het is nog onduidelijk wat de invloed van gewenning is op de beleving van windturbines. Resultaten uit een Amerikaans onderzoek suggereren dat inwoners die in de buurt van windturbines wonen, dit min of meer accepteren. Er zijn veel kennislacunes ten aanzien van de beleving van windenergie terwijl er tegelijk al heel veel turbines zijn geplaatst de afgelopen decennia.

Er is aldus materiaal te over, om te onderzoeken. Resultaten daarvan kunnen helpen in het onderbouwen van bestuurlijke keuzen en kunnen richting geven aan ontwerpkeuzen die nodig zijn om goede windenergielandschappen te ontwikkelen. Een uitdaging is daarbij om toekomstige belevingsonderzoeken goed te laten aansluiten op de ruimtelijke vragen die voortkomen uit de energietransitie.

CoP Windenergie en landschapskwaliteit

36

C. Impressie windturbines in Nederland

1

1

2

2

3

12 NATUUR NEELTJE JANS

04 INDUSTRIE CALLANDBRUG 3D NOORD

14

VOLKERAK LUCHT

14

VOLKERAK LUCHT

3

`

`

1

1

LANDBOUW L.1 | ALKMAARDERWEG WAARDWEG NIEUWLANDERWEG WATER W.1 | WETERMEERWEG EN VERDERWEG HOUTRIBDIJK LANDBOUW L.2 | BOTTERWEG BRIKPAD BRIKWEG LANDBOUW L.2 | N704 / NIJKERKERWEG / GOOISEWEG RIJKSWEG R.1 INDUSTRIE I.1 RIJKSWEG R.2 LANDBOUW L.3 | DINTELOORD NOORDLANGEWEG BRUG A4 NATUUR N.1 | VOLKERAK JANS N59 1

2

2

1

20 KNOOPPUNT UTRECHT-NIEUWEGEIN OOST/ A27

4

19 KNOOPPUNT DEIL

09 LANDBOUW BOTTERWEG

3

3

2

1 2

2

`

`

900 1000

900 1000

LANDBOUW L.1 | ALKMAARDERWEG WAARDWEG NIEUWLANDERWEG WATER W.1 | WETERMEERWEG EN VERDERWEG HOUTRIBDIJK LANDBOUW L.2 | BOTTERWEG BRIKPAD BRIKWEG LANDBOUW L.2 | N704 / NIJKERKERWEG / GOOISEWEG RIJKSWEG R.1 INDUSTRIE I.1 RIJKSWEG R.2 LANDBOUW L.3 | DINTELOORD NOORDLANGEWEG BRUG A4 NATUUR N.1 | VOLKERAK JANS N59 3

2

NIJKERKERWEG

25 DELFZIJL

23 DEVENTER / A1

Diversiteit van opstellingen in Nederland volgens Streetview (uit achtergrondsrapportage, J.H. van den Hamer). Een actueel overzicht met de plekken in Nederland waar windturbines staan is te vinden op windstats.nl

2

1

3

2

1

3

2

2

CoP Windenergie en landschapskwaliteit 900 1000

37 900 1000

Literatuur

• • • • •

• •

•

• • • • • • • • • • • • •

Berenschot, Kalavasta, 2020. Klimaatneutrale scenarios 2050. Scenariosutudie. Buitelaar en Hajer, 2021: Volg het klimaat en richt Nederland laag voor laag in. NRC, 18/2/21 CrA, 2019. Via Parijs. Een ontwerpverkenning naar een klimaatneutraal Nederland CrA, 2018. Petaplan. Opwekking duurzame energie op rijksgronden. Council of Europe, 2017. Landscape dimensions, reflections and proposals for the implementation of the European Landscape Convention. De Vries, R. en Baetens, T., 2020. De omwenteling, hoe de windmolens langs de A16 toch een beetje van de omgeving werden. De Vries, S, Custers, Boers, 2010. Storende elementen in beeld De impact van menselijke artefacten op de landschapsbeleving nader onderzocht. Feddes, Y., 2009. Windmolens hebben een landschappelijk verhaal nodig. CrA. Generation energy, 2021. Quick scan Ruimtelijke Inpassing in Concept Res 2021 i.o.v. NPRes Grieken, M.J., 2020. Windturbines in de Wolken. Een ontwerpvisie voor grootse windparken in Schotland en Nederland. Landschap nr 2020/2 Heersche, J., Nagtegaal en Franssen, 2007. Landschap en Windpark. WUR. (afstudeerwerk) H+N+S/ ROMD3D, 2013. Handreiking waardering landschappelijke effecten Windenergie. I&O reseach, 2020. Jongeren en de energietransitie. Hoe denken jongeren over duurzame energiebronnen en (hoe) willen zij betrokken worden. NPRes Jansson M., Vicenzotti en Diedrich. 2019.

Landscape design based on research. A methodological guide to design-oriented projects (..) NWEA, e.a. 2020. Gedragscode acceptatie en participatie Windenergie op Land.

• • • • •

• • • • • • • • •

NDVE, 2018. website met berekening windenergieopgave 2050 NP-RES, 2018. Handreiking Regionale Energie Strategieen. Pasqualetti, 2011; Opposing windenergy landscapes. PBL, 2019. Wind op land, lessen en ervaringen. PBL, 2021. Monitor Concept-Res. Een analyse van de concept regionale energie strategieën. Raad van Europa, 2018. Verklaring van Davos. Naar een kwalitatief hoogstaande Baukultur voor Europa. Conferentie van ministers voor Cultuur. Rijksoverheid, 2021. Bestemming Parijs, wegwijzer voor klimaatkeuzes 2030, 2050. Eindrapportage studiegroep invulling klimaatopgave Green Deal. Samenwerkende PARKS, 2020. Regionale energiestrategieen en het groene hart. Schone, M.B. 2017 Windturbines in het landschap, Schone, buro, 1986. Landschappelijke aspekten van grote windturbines. Schmidt Catrin. e.a., 2018. Landschaftsbild & energiewende. Ergebnisse des gleichnamigen Forschungsvorhabens im Auftrag des Bundesamtes für Naturschutz. Bonn Bad Godesberg. Scottish Natural Heritage, 2009. Siting and Designing windfarms in the landscape. Version 1. Smeenge H., 2020. Het landschap van Noordoost-Twente. Uitgeverij Matrijs. Sijmons, D., 2007. Windturbines in het Nederlandse Landschap. Onderdeel ‘achtergronden’. Uitgave van Rijksadviseur van het Landschap. Stroeken, F. ea, 2004. Met windturbines maak je landschap! Royal Haskoning. Stroeken, F., 2016/ 2017.

Beeldkwaliteitplannen voor Zeewolde en voor Dronten/ Lelystad. Terra Incognita. Stowa, 2020. Kansen voor kleine windmolens bij Waterschappen. Wing. TNSconsult, 2010. Windmolens in Nederland op land. Een creatieve consultatie onder burgers. Van den Haute, 2013. De visuele impact en de inpasbaarheid van windturbines in het Oost-Vlaamse landschap, gebruik makend van eye tracking Windstats.nl, Website Bosch en Van Rijn. Met gegevens en locaties van alle windturbines in Nederland.

CoP Windenergie en landschapskwaliteit

38

Eindnoten 1 Beleidsverkleining zien we in de volgende voorbeelden: a) Gewerkt wordt met aantallen turbines voor 2030 zonder ruimte te reserveren voor decennia daarna. b) Er wordt gepland binnen gemeentelijke grenzen terwijl de effecten over de grens weinig worden bestudeerd. c) Visualisaties worden gemaakt vanuit woonplekken terwijl het zicht voor bewegende doelgroepen (forensen, recreanten) niet wordt gevisualiseerd. d) ‘Het is maar tijdelijk’ wordt geopperd. Dat is zeer de vraag en het impliceert dat een landschappelijke verandering van 20 à 30 jaar een beperking van de verantwoordelijkheid vormt. e) ‘Men went er wel aan’. Dat is wellicht waar. Hopelijk wordt toch verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van ruimte gevoeld. 2 Op dit moment worden waarschijnlijk proefondervindelijk, veel inzichten opgedaan in al die plantrajecten. Hier ligt een taak om daaruit lessen te leren. 3 Er is wel een studentenonderzoek uit 2007, gericht op binnen- en buitenland van Hofstra, Heersche en Nagtegaal. H+N+S/ ROM3d maakten in 2013 de Handreiking waardering landschappelijke effecten. 4 Onder jongeren bestaat meer acceptatie voor windenergie in hun eigen omgeving dan onder ouderen (I&O research, 2020). Er is minder vrees voor verandering van het landschap.

Dit neemt niet weg dat er een verantwoordelijk is om met jongeren ook na te denken over maatschappelijke, culturele en historische waarden van het landschap en hoe dit optimaal gecombineerd kunnen worden met de energietransitie. 5 NVTL = Nederlandswe Vereniging voor Tuin en Landschapsarchitectuur 6 Rotordiameter is de cirkel die gevormd wordt door de ronddraaiende wiek, die ook rotor wordt genoemd. 7 Voor waterschappen is recent een overzicht gemaakt van de mogelijkheden van kleine windmolens in Nederland (Stowa, 2020).

8 In Friesland en Flevoland is er sprake van saneringsbeleid. Rechten om nieuwe turbines te bouwen worden gekoppeld aan de plicht om oude turbines (die in veel gevallen technisch nog voldoen) te verwijderen. Daarnaast valt op dat in deze provincies, die al lange ervaring hebben met windenergie, sterker gestuurd op grootschalige parken dan in nieuwe windprovincies. 9 In ontwikkelaarsjargon worden deze ook wel ‘grasmaaiers’ genoemd 10 Soms zjn de gebruikte argumenten met de kennis van nu weerlegbaar. Zo tekent TNSconsult in 2010 meningen op, dat windturbines langs snelwegen goedkoper, makkelijker en efficiënter zijn, terwijl die argumentatie kan worden weerlegd (lit). En dat leden van Natuurmonumenten desgevraagd snelwegen als geschikte plaats aanwijzen (lit) interpreteren we als niet verrassend 11 PBL schrijft hier achteraan: ‘De keuzes hierin lijken overigens beïnvloed te worden door de voorkeuren van de ingehuurde adviesbureaus’. 12 Uitspraak vanuit RES Twente in NRC, 31 augustus 2020 13 De Council of Europe (2017) spreekt over ‘Negative planning and Positive planning”. 14 “Lange lijnen in het landschap –met name infrastructuur –worden gezien als logische energielandschappen.

Dat het effect van meerdere van zulke lijnen of clusters op de grotere schaal mogelijkerwijs niet het beeld geeft waar men naar zoekt, wordt in geen van de Concept-RES’en genoemd.” Quick scan Concept Res 2021 iov NPRes. 15 De raad van state (21/2/2018) hanteert een dergelijke afstandscriterium (10x de tiphoogte) om het gebied te begrenzen waarin belanghebbenden mogen ageren tegen mogelijke hinder. We pleiten niet voor harde uitsluiting van turbines op basis van dergelijke afstanden tot bestaande woningen. Daarvoor is visuele dominantie te zeer afhankelijk van de context. Dit zou bovendien de plaatsing van turbines en dus de duurzame energietransitie ernstig belemmeren. 16 Er zijn in de literatuur over de wenselijkheid van zeer grote parken strijdige standpunten te vinden. Zie bijv. CrA, 2019 versus H+N+S/ ROM3D, 2013.

CoP Windenergie en landschapskwaliteit

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=97e78781-dc64-4fab-b122-5c63291ff058