Productie 8 - windenergie-levend-landschap-200521_df
Tekst van het document
Rapportage van de CoP Windenergie en Landschapskwaliteit
Windturbines in levend landschap - Mei 2021 -
Colofon
Samenstelling Community of Practice (CoP)
Begeleiding en financiering
• • • • • • • • • • • • • •
• • •
Johan Meeus (zelfstandig landschapsarchitect/ onderzoeker) Jan Harman van den Hamer (PARTITIO Ontwerphuis) Marc van Grieken (MVGLA - Schotland) Antony Marcelis (Landschappartners) Ziega van den Berk (MUST) Clim Soree (RHDHV) Nick Lenderink (Gemeente Barneveld) Nikol Dietz (H+N+S) Thaisa Pessanha (Witteveen & Bos) Willem Rienks (Rom3D) Noa Schouten (stagiair WUR) Martin Goossen (WenR) Joeri de Bekker (NVTL) Frank Stroeken (Wing), projectleiding
Ministerie van BZK, David van Zelm van Eldik Rijkswaterstaat, Inez t Hart Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Frank Buchner
Rapportage met bijdragen van CoP • • • • • •
Tekeningen H4: Ziega van der Berk (MUST), H5: Marc van Grieken en Johan Meeus Dwarsdoorsnedes: Noa Schouten (Wur/Wing) Fotovisualisaties: Willem Rienks (Rom3D) en Marc van Grieken (MVGLA) Eindredactie: Frank Stroeken, Maartje van Lieshout (Wing) Lay out: Simone Mink (Wing) Moderator bijeenkomsten: Jannemarie de Jonge (Wing)
Met dank voor inhoudelijke reflecties van: • Sven Stremke (Wur, Academie van Bouwkunst) • Rik Harmsen (NWEA)
Wageningen, 19 mei 2021 Contact: Wing - Frank@Wing.nl - 0652159139
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
Inhoud
1 Aanleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1 2 Inleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 3 Ontwikkeling van het windlandschap. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 4 Kwaliteitsregels voor windlandschappen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 5 Verkenningen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22 6 Conclusies. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30 7 Nader onderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
Achtergrond. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33 Literatuur. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38 Eindnoten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
1
Aanleiding
Nederland zit in een transitieproces waarin fossiele energiebronnen worden vervangen door hernieuwbare, schone bronnen. Deze duurzame energietransitie komt voort uit een dringende maatschappelijke behoefte. Volgens het klimaatakkoord moet Nederland in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoten dan we in 1990 deden. In 2050 moet de uitstoot van
werden kleinschalige landschappen ingrijpend getransformeerd tot rationele landschapsvormen die voldeden aan de toenmalige economische behoeften. Tegenwoordig gaan grote ruimtelijke transformaties vaak gepaard met weerstand, omdat de maatschappelijke behoeften die het landschap dient, breed gevoeld worden. Denk hierbij aan behoeften als natuurbeleving, stilte, cultureel erfgoed, woon- en leefomgeving, wegbeeld, recreatieruimte.
broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. In deze verandering speelt windenergie een belangrijke rol. Windenergie is voor Nederland een zeer efficiënte bron van duurzame energie en wordt daarom veel toegepast, zowel op land als op zee. Dit onderzoek focust op plaatsing van windturbines op het land. Dat wil zeggen: in het
In dit onderzoek is de productie van windenergie een nieuw doel waardoor het landschap verandert en dat alle begeleiders van die verandering uitdaagt: hoe daar mee om te gaan? Wat is de best mogelijke manier om windturbines een plek te geven in landschappen? Oftewel: hoe te komen tot goede landschappen met windturbines?
landschap. Windturbines blijven niet onopgemerkt. Overal waar turbines verschijnen veranderen ze namelijk het landschap en dan doen ze iets met de waarnemers hiervan. Voordat we daar op doorgaan is het zinvol om te benoemen wat een landschap eigenlijk is. Als definitie van landschap geldt een gebied, dat door mensen valt waar te nemen en waarvan het karakter wordt bepaald door natuurlijke en menselijke factoren, inclusief de interactie daartussen. Elk levend landschap verandert voortdurend, soms snel, soms traag, als gevolg van natuurlijke processen en ingrepen van de mens. Dat levert sociale betekenissen en esthetische waarden op, die al evenmin stilstaan. Als de samenleving nieuwe doelen stelt, verandert niet alleen het landschap, maar ook de beschouwer. Dit gebeurde in het verleden vaker. Veenlandschappen werden ontgonnen, polders geschapen en drooggelegd en in ruilverkavelingen
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
1
2 Inleiding Dit project is ontstaan als initiatief van landschapsarchitecten en onderzoekers en komt voort uit zorgen rondom de duurzame energietransitie. De initiatiefnemers onderschrijven de noodzaak van de duurzame energietransitie, maar zijn bezorgd over zowel de kwaliteit van het (cultuur)landschap als over de voortgang van de transitie. In regionale energiestrategieën (RES) en in lopende windenergieprojecten worden bergen met werk verzet en hebben velen een ondankbare taak. Er worden namelijk urgente plannen gemaakt binnen schaarse ruimte die in veel gevallen negatieve emoties oproepen bij omwonenden en in de media. Dit neemt niet weg dat de wijze waarop de plannen tot stand komen en de ruimtelijke onderbouwing daarvan in nogal wat gevallen vragen oproepen. Dit komt onder meer omdat de kwaliteit van de ruimte niet het enige, en ook vaak niet het eerste belang is, dat wordt gewogen. In planningsprojecten voor (wind)energieallocatie spelen belangen en techniek een belangrijke rol. Deze onderwerpen worden in een ‘beleidsarena’ behandeld waarin alles wat later in projecten kan plaatsvinden, wordt uitgesteld (PBL, 2019). Ontwerpen wordt ook uitgesteld. Volgens veel mensen betrokken bij windenergieplanning, hoort ontwerpen bij de uitvoering.
Pleidooien voor ontwerp worden weggezet als ‘maakbaarheidsgeloof’ en ‘modernistisch 20e eeuws planningsdenken’ (PBL, 2019), in plaats van als wenkend perspectief dat helpt om de neuzen de goede richting op te krijgen. Ondertussen is er soms sprake van ‘beleidsverkleining’1 van de ruimtelijke opgave, waarbij de ingrepen klein worden gemaakt en de landschappelijke effecten klein worden ingeschat om de opgave overzichtelijk te houden.
Dit versterkt de problematische situatie dat er op regionaal en lokaal niveau weinig kennis ontwikkeld wordt over de invloed van ruimtelijke keuzen over windturbines op de kwaliteit van het cultuurlandschap. Er vindt weinig onderzoek plaats naar de relatie tussen windturbines en het landschap. Noch naar evenwicht tussen gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde, naar maat en schaal of naar schoonheid en rommeligheid. Dit ondanks het feit dat momenteel een flink deel van de beroepspraktijk van landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen werkzaam is in de planning van windenergie op land2. Uiteindelijk gaat het hier om de beleving van burgers en om de impact van windturbines op hun omgeving. En dus om emotie. Wat vindt een burger eigenlijk van turbineopstellingen? Hoe belangrijk is landschapsbeleving voor hem of haar? Wanneer is een verhaal over turbines in het landschap een goed verhaal dat ook na uitvoering stand houdt? Er zijn talloze windenergieparken in Nederland verschenen. Zover wij weten is er het afgelopen decennium nooit een ruimtelijke evaluatie gemaakt van deze parken3. Hoe worden ze beleefd? Wat is hun effect op de cultuurhistorische waarden en het landschap? Zijn er verschillen aan te wijzen in waardering en acceptatie? De lessen liggen buiten voor het oprapen, maar moeten wel onderzocht worden en expliciet worden gemaakt.
Alleen met deze kennis kunnen relaties worden gelegd tussen inrichtingskeuzen die bij de planning van windenergie worden gemaakt en emoties van burgers die positief staan tegenover duurzame energie, maar twijfels hebben over de inrichtingskeuzen.
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
2
De mogelijke gevolgen van het ontbreken van een goed gefundeerd, verbindend verhaal over windopstellingen in het Nederlandse landschap, overstijgen persoonlijke zorgen. Wij verwachten namelijk: • ... dat er onnodig veel weerstand gaat ontstaan tegen duurzame energie in het landschap als dit niet gepaard gaat met een begrijpelijke en deugdelijke onderbouwing. Landschapsbeleving is een van de redenen voor weerstand (naast geluidsoverlast, vogelschade, gezondheid en onvrede over verdeling van opbrengsten). Bestuurders hebben, zeker naar burgers toe, een goed verhaal over het landschap nodig en over de doorgaande ontwikkeling ervan. Zonder dit zullen veel projecten alsnog niet gerealiseerd worden. • ... dat er in sommige regio’s opstellingen gekozen gaan worden waar overheden later op terug willen komen onder publieke en politieke druk. Zie Flevoland en Friesland waar de sanering en opschaling van windmolens is begonnen om landschapsredenen. Deze sanering kost veel tijd en geld, omdat er turbines verwijderd worden die nog niet aan het eind van hun levensduur zijn. • ... dat er kansen worden gemist om onze kinderen4 een duurzaam en goed landschap na te laten, met aandacht voor regionale diversiteit. De energietransitie
is hoognodig, maar een landschap waarmee sociale en historische verbondenheid gevoeld wordt is dat ook. Landschappelijke identiteit heeft grote economische betekenis: voor recreatie en toerisme, als vestigingsfactor voor bewoners en bedrijven, maar ook voor de leefbaarheid. (Raad van Europa, 2018). Hier ligt een opgave voor overheden die regie voeren over ruimtelijke ontwikkeling en voor ontwerpdisciplines die het als hun taak zien om balans te vinden tussen het natuurlijke milieu waarin we leven en de menselijke behoeften waarmee we landschappen aanpassen. Een balans die rekening houdt met toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde.
Wie? Dit project is ontstaan na een oproep vanuit Wing, ondersteund door de NVTL5. Twaalf bureaus en personen hebben zich aangesloten bij de Community of Practice. Hun namen staan in het colofon vermeld. Zij werkten hieraan deels in eigen tijd en zijn ondersteund door Rijkswaterstaat, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Windpark Aaltense Goor. Landschappelijk deelgebied en turbineopstelling sluiten hier op elkaar aan (foto Nick Lenderink) CoP Windenergie en landschapskwaliteit
3
Wat Windturbines springen in het oog, produceren weerstand en roepen om acceptatie. Ze reflecteren de behoeften van de samenleving, die tegenwoordig de productie van electriciteit vereist. Net zoals we ooit hout, koeien of aardappels een plek gaven. Onze vraagstelling luidt: op welke wijze levert windenergie een bijdrage aan de kwaliteit aan het landschap? Wat kan het ontwerpverhaal zijn achter hoogwaardige landschappen met windturbines?
Werkwijze De community of practice bestond in essentie uit dialogen tussen deelnemers. Deelnemers gingen met elkaar in gesprek over hun ervaringen en werden daarin mede gestuurd door de beschouwing zoals die ook in deze inleiding is weergegeven. Vervolgens zijn de deelnemers uitgenodigd om onderzoeksvragen te formuleren voor een gezamenlijke toekomstverkenning t.a.v. windenergie in het landschap. Deze werden geclusterd en onderverdeeld in drie typen onderwerpen: • Nieuw energielandschap met toekomstgerichte efficientie: toekomstverkenning gebaseerd op forse extrapolatie van de windopgave. • Verbetering ontwerpinstrumentarium: beschouwing van uitgangspunten en ontwerpmiddelen waarmee de aankomende ontwerpopgave kan worden opgepakt. Met o.a. beschouwing van de relatie tussen turbines en landschapsstructuren zoals weginfrastructuur. • Gebiedcategorieën voor windlandschap, gericht op argumentatie voor de keuze voor gebieden of de uitsluiting van gebieden voor windenergie. Rond deze onderwerpen zijn werkgroepjes gevormd die meerdere keren bij elkaar zijn gekomen en die regelmatig in CoP bijeenkomsten hun voortgang hebben gepresenteerd.
gemaakt werden door Rom3D. Hierin werd gevarieerd met: turbinehoogtes, aantallen, onderlinge afstanden, locatiepatronen, waarnemersposities en ook met het landschap. Er is gevisualiseerd in Twente en in Goeree Overflakkee. Deze visualisaties zijn op youtube beschikbaar. Ze boden materiaal voor een evaluatie en interpretatie van de verandering in het landschap, die ontstaat vanuit bepaalde plaatsingsprincipes. Het grote aantal variabelen waarmee is gewerkt, met telkens een kleine steekproef, leidt tot bevindingen die in veel gevallen gezien moeten worden als hypothesen en die nog nader gefundeerd moeten worden. Daarnaast is er een kort literatuuronderzoek uitgevoerd naar beleving en waardering van windenergie. Dit droeg bij aan gesprekken over beleving.
Leeswijzer Het vervolg van deze rapportage schetst een overzicht van ruimtelijke trends in windenergie en landschap en belevingsaspecten (H3). Vervolgens toont hoofdstuk 4 tien kwaliteitsregels voor het voortbouwen aan het landschap met windenergie. In hoofdstuk 5 worden enkele ruimtelijke modellen toegelicht die voortkwamen uit werk van deelgroepen. Afsluitend toont hoofdstuk 6 een overzicht van conclusies en er worden enkele onderzoeksvragen beschreven in hoofdstuk 7. In de bijlage staat een beschouwing over gebiedscategorieen en een korte samenvatting van belevingsonderzoek.
Visualisatie In alle drie de deelonderwerpen lag het accent op: ontwerpend de toekomst onderzoeken. Hoe kunnen turbines hun plek krijgen in het landschap? In het werk is gebruik gemaakt van 3D visualisaties in ‘bolfotos’, die op verzoek
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
4
Kleinschalige opstelling, Zutphen, IJsseloever (foto F. Stroeken).
Grootschalige opstelling: windpark Noordoostpolder, gezien vanaf Urk. Op een aangename feestdag wordt er druk gewandeld langs het windpark. (foto: F. Stroeken)
Locaties van windparken in Nederland. Een punt kan staan voor een grootschalige of kleinschalige opstelling. En zowel grote als kleine turbines zijn hier gemarkeerd (bron: Windstats.nl). CoP Windenergie en landschapskwaliteit
5
3 Ontwikkeling van het windlandschap Amper veertig jaar geleden werden de eerste windturbines in Nederland geplaatst met als doel: energie winnen om elektriciteit te produceren. Vooral in windrijke kuststreken verschenen er turbines bij boerderijen, op bedrijventerreinen en langs kanalen, dijken en wegen. De laatste decennia verspreiden ze zich over het hele land en groeien turbines in hoogte en omvang. Kleine windmolens waren dankbare objecten om in te passen in het landschap. Bij de huidige en komende generatie windturbines lijkt daar geen sprake meer van.
Plaats, aantal, omvang, hoogte en vermogen Windturbines zijn in Nederland op uiteenlopende plekken zichtbaar in landschappen. • Solitair bij boerderijen (in grote aantallen in Friesland en Groningen). • Als baken of in kleine groepjes op bedrijventerreinen aan de snelweg en bij de stad (bijvoorbeeld Den Bosch, Deventer, Amsterdam Zuid Oost). • In industriegebieden (bijvoorbeeld Amsterdam, Rotterdam). • Langs kanalen, wegen en dijken (bijvoorbeeld A6 Lelystad, A15 Betuwe, Noordhollands Kanaal, Zeeland, Urk). • Cluster in het open landschap (bijvoorbeeld Almere, Slagharen, Dalfsen, Delfzijl). In heel Nederland staan anno 2021 in totaal ongeveer 2.200 windmolens op het land met een gemiddeld vermogen van 2 Megawatt (MW). In 2030 zal er naar schatting 8 GW gerealiseerd zijn (PBL, 2021). Dit kan met 2.000 - 2.500 turbines mits er opschaling plaatsvindt tot turbines van gemiddeld 4 MW. De benodigde windenergie kan in 2050 oplopen tot mogelijk het drievoudige van de huidige hoeveelheid. Dit is echter verre
van zeker. Voorspellingen over aantal turbines in 2050 variëren van 2.000 tot 4.250 grote turbines (Rijksoverheid, 2021).
Verandering van turbines De windmolens van nu zijn anders dan die van enkele jaren geleden. Van 1990 tot 2020 kregen windmolens ongeveer vijf keer zoveel vermogen (MW), werden ze vier maal hoger (van 55 naar 200 meter tip) en tevens vier keer omvangrijker (van 20 naar 80 meter per rotor/wiek). Die hoogtetoename heeft met efficiency te maken: een dubbel zo grote rotordiameter,6 levert ongeveer viermaal zoveel energie. Daarnaast is het gunstig om hogere luchtlagen op te zoeken, waar de wind minder wordt geremd door de ruwheid van het maaiveld en het dus harder waait. Naast opschaling is er ook sprake van een tegenovergestelde trend: kleine windmolentjes die 0 tot 1% leveren van de energie van een grote molen. Bij boerderijen, vooral in Groningen, staan er honderden. Ze leveren meestal niet aan het energienet, maar zijn bedoeld voor lokaal energieverbruik.7
Grafiek (windstats.nl): de groene lijn toont de stijging van de gemiddelde tiphoogte van 100 meter (2010) naar 190 meter (2020). In blauw het jaarlijks opgesteld vermogen in deze tijdreeks met een piek in 2020.
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
6
Naar verwachting houdt tussen 2020 en 2050 de trend aan dat turbines steeds hoger worden, mede doordat energiesubsidies worden afgebouwd en efficiëntie vermoedelijk de maat van turbines gaat bepalen. Dit hangt ook af van de ontwikkeling van het bouwproces. Veel locaties in Nederland zijn al niet meer bereikbaar over de weg, met turbineonderdelen van bijvoorbeeld 100 meter.
Locaties en omvang opstellingen De groei van turbines in de hoogte heeft grote ruimtelijke gevolgen. Decennia geleden verschenen windmolens vooral dichtbij de kust en in open landschappen, vanwege de windcondities die toen nodig waren voor relatief kleine molens. Door hoge masten kunnen windturbines nu vrijwel overal in Nederland staan. De locatiekeuze komt daardoor steeds vaker voort uit aanleidingen die los staan van het type landschap zoals lokaal initiatief, grondeigendom, nabijheid van het electriciteitsnetwerk en de ruimtelijke ordeningsmogelijkheden en uitsluitingsgronden voor windenergie. Er komen zowel opstellingen met zeer grote als zeer kleine aantallen voor. Met name in provincies die al lange tijd werken met windenergie komen grote concentraties8
Windpark Krammer. Relatie tussen dammen en het patroon dat gevormd wordt door turbines is niet helder. Toch is hier onmiskenbbaar sprake van een krachtig cluster dat een landschappelijke identiteit vormt. (foto Johan Meeus)
voor zoals Windpark Krammer in Zeeland, Eemshaven en het in aanbouw zijnde Windpark Fryslan met 89 turbines. Flevoland werkt met lijnen, vaak dicht bij elkaar en organiseert daarmee plannen voor tientallen turbines. In Noord-Brabant en Gelderland worden turbines relatief vaak in kleine groepjes geplaatst. Hiervoor bestaan diverse redenen: bestuurlijke organisatie (elke gemeente zijn eigen opwek), ruimtelijke mogelijkheden (veel kleinschalige landschappen) en soms ook ruimtelijke voorkeuren (houd het klein). Terwijl Flevoland opstellingen van minstens zeven vereist, definieert Noord-Brabant drie turbines als minimum voor een groep.
Maatverhoudingen en ruimtebeslag Een bijeffect van de hoogtegroei van turbines is dat de vormen en verhoudingen veranderen. Vijftien jaar geleden bestonden windturbines uit een relatief lange mast die de wieken hoog boven de bomen liet uitsteken. De verhouding tussen de hoogte van de mast en de diameter van de rotor was veelal 1,2 : 1. Vervolgens werd de rotordiameter (de draaicirkel) even groot als de hoogte van de mast. Dit maakt een verhouding van 1:1. Een recent verschijnsel is het verschijnen van turbines met relatief grote wiek en met een relatief kleine mast. Dit leidt tot een (indringend) lage tiplaagte.
Links. Op de achtergrond 1 turbines met een zeer lage tip (foto J.H. van den Hamer). Rechts een tiplaagte van 20m bij een rotordiameter van 120 meter. Zo’n tiplaagte komt indringend dicht bij mensen op de grond. CoP Windenergie en landschapskwaliteit
7
Deze turbines met een verhouding van bijvoorbeeld 1: 1,3 ontstaan als er bezwaren zijn tegen hoge masten, maar toch veel vermogen gewenst is9.
Afstanden Grotere hoogte van turbines en grotere omvang van rotoren leidt automatisch tot grotere afstanden tussen turbines. Omdat een turbine de windvangst van een achterliggende turbine beïnvloedt is afstand tussen de turbines nodig. Die afstand wordt afgeleid van de omvang van de draaicirkel en is, afhankelijk van de plaatsing tot de overheersende windrichting, 3x tot 6x de rotordiameter. Met een veelvoorkomende rotor van 60 meter is de onderlinge afstand rond de 500 à 600 meter. Als de grootste turbine Haliade X, die solitair op de Maasvlakte staat, in een cluster zou staan, zouden de onderlinge afstanden in de overheersende windrichting wellicht 1,3 kilometer zijn.
Constante ruimtevraag
Vijf turbines met ashoogte 90m en twee recent toegevoegde turbines met een ashoogte van 130 meter en met ruimere afstand ertussen. Hier ontstaat een wat rommelige lijnopstelling. Heibloem, Limburg (foto van www.zuidenwind.org).
Om een bepaalde hoeveelheid energie op te wekken in een gebied is met grote of middelgrote turbines in totaal even veel ruimte nodig. Een voorbeeld: windturbines met een wiek van 120 meter vereisen een ruimtebeslag van ongeveer 138 ha voor het leveren van ongeveer 7-8 MW. Dit kan je uitdrukken als een ruimtebeslag van ongeveer 19 ha per MW. Een iets kleinere turbine met een wiek van 90 meter heeft ongeveer 78 ha per turbine nodig en levert mogelijk 4-5 MW. Het ruimtebeslag is ook ongeveer 18-19 ha per MW. Hoge en middelhoge turbines kennen dus een vergelijkbaar ruimtebeslag. Op de volgende pagina wordt dit gevisualiseerd. Dit is een belangrijk gegeven voor de planning van landschappen met windenergie. Per oppervlakte eenheid (bijv 1km2) is er binnen een gebied dus een keuze om een hoeveelheid energie op te wekken met enkele grote of meerdere kleinere turbines.
‘Constante ruimtevraag’: in alle vier de beelden wordt evenveel energie opgewekt. Respectievelijk met masten van 40m, 80m, 100m en 120 meter. Bij grote hoogte ontstaat een rustiger beeld. (Visualisatie Witteveen en Bos). CoP Windenergie en landschapskwaliteit
8
35 turbines met tiphoogte 97,5 meter: 37,5 MW
8 turbines met tiphoogte 198 meter: 37,5 MW
3 turbines met tiphoogte 350 meter: 37,5 MW
Realistische weergave van 3 manieren om 37,5 MW op te wekken in een gebied, met turbines van verschillende hoogte. Visualisatie links vanaf 200 meter hoogte, geprojecteerd op de bollenstreek. Rechts vanaf maaiveld. Door Marc van Grieken, MVGLA met Windplanner software.
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
9
Wat betekent toenemende hoogte voor landschapsbeleving? • •
•
• •
Hogere turbines zijn over het algemeen van grotere afstand zichtbaar. De hoogte van windturbines en de afstand tot een turbine valt echter niet goed in te schatten. Voor veel mensen is een turbine van 200 meter hoog, die op twee kilometer afstand staat, moeilijk te onderscheiden van een turbine van 100 meter op een kleine kilometer afstand. (zie onderstaande foto). Hogere turbines zorgen door hun hoogte en door de omvangrijkere voet voor een groter schaalcontrast tussen de turbine en ‘kleine’ objecten in de omgeving zoals een gebouw of een boom. De nabijheid van een reusachtige turbine leidt tot optische verkleining van een object. Turbines met grote wieken draaien langzamer. Deze langzame draaibeweging geeft een rustiger beeld dan dat van kleinere turbines. Grotere afstanden tussen grote turbines hebben effecten op de relatie met het landschap. Met onderlinge afstanden van 600 tot 1.000 meter tussen grote turbines is het relateren van een opstelling aan een landschapsstructuur
minder mogelijk dan bij kleine turbines, zoals het geval is langs de A6 en de IJsselmeerdijk bij Lelystad met hun onderlinge afstand van 200 meter.
Beleving en waardering van windenergie Er is weinig recent onderzoek gedaan naar de beleving van windturbines in Nederland. Duidelijk is wel dat windturbines in elk type landschap zowel de meest dominante als de langst bekeken verticale objecten zijn (Van den Haute, 2013). Doorgaans worden in belevingsonderzoeken landschappen zonder windturbines aantrekkelijker gevonden dan landschappen met windturbines. Uit deze onderzoeken blijkt ook dat de eerste windturbine de grootste negatieve impact heeft op de beleving (De Vries, 2010). Het aantal turbines, de masthoogte en de opstelling blijken daarmee vergeleken weinig effect te hebben. Als we dit extrapoleren, kan gesteld worden dat het groeperen van turbines leidt tot minder impact dan het spreiden van turbines, ook al kunnen afzonderlijke exemplaren grote effecten veroorzaken.
Welke turbine is hoger? De rechter heeft een tip van 98 meter en de linker 2 hebben een tip van 198 meter. Situatie te Urk. (foto: Marc van Grieken /MVGLA) CoP Windenergie en landschapskwaliteit
10
200 m
150 m
100 m
50 m
15 m
AmsterdamRijnkanaal, Houten
Anna Palouwna
Doorsnedes van wind-opstellingen langs landschapsstructuren. Allemaal op dezelfde schaal getekend. Onderstaande turbines komen op de meeste waarnemers over als groot, imposant.
Windpark Deil, Betuwe.
A15
Betuwelijn
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
11
Leeftijd en natuurvisie van deelnemers aan belevingsonderzoek blijken invloed te hebben op de ervaren impact van windturbines op de aantrekkelijkheid van het landschap. Landschappen met of zonder turbine maakt jongeren niet zoveel uit. De oudste leeftijdscategorie waardeert het landschap zonder turbines hoger dan de jongeren, maar met turbines juist lager. Mensen die agrarisch gebied als natuur zien en menselijke structuren als storend ervaren, reageren heftiger op de aanwezigheid van windturbines in het landschap dan degenen die agrarisch gebied niet als natuur zien en menselijke structuren niet als storend ervaren. Schone stelde al in 2007 dat turbines met masthoogtes van meer dan 100 meter zodanig beelddominant zijn dat ze nooit passen in een landschap. Ze kunnen wel passen bij een landschap. Dit verschil toont dat turbines niet opgenomen worden door het bestaande landschap, maar dat het landschap transformeert naar een nieuwe vorm, met turbines. Het veelgebruikte woord ‘inpassing’ is dus enigszins misleidend. Voorkeuren voor gebieden waar turbines bij passen hangen af van landschappen en van kennis. In het algemeen is er de meeste acceptatie voor windenergie in duidelijk door de mens gemaakte landschappen, met weinig natuurlijkheid. Dat zulke gebieden, zoals de Flevopolders, weinig verspreide burgerbebouwing hebben, helpt hierbij.
Zicht dwars op de snelweg met turbines van 350 meter tiphoogte en ongeveer 1km onderlinge afstand. Stills uit videoanimaties. Fictieve situatie in Twente. Beelden ROM3d
Bij het maken van opstellingen wordt visuele rust doorgaans positief beleefd door waarnemers (Schone, 2007). Visuele onrust kan ontstaan door opstellingen van verschillende afmetingen of richtingen die elkaar beïnvloeden, omdat ze in elkaars nabijheid zichtbaar zijn: zogenaamde visuele interferentie (Stroeken, 2004). Belevingsonderzoek hierover is echter gebaseerd op relatief kleine turbines en is gedateerd.
Windenergie langs infrastructuur Weinig onderbouwing is te vinden voor de veelgehoorde stelling dat grote turbines passen bij infrastructuur, zoals snelwegen. Dit lijkt vooral voort te komen uit een negatieve categorisering: ‘zet hinder maar bij hinder’. Bovendien lijkt het terug te grijpen op situaties waarin kleine turbines nog samenhang vertonen met de breedte van een infrastructuurbundel. Inmiddels is dit verband door de volstrekt uit de pas lopende afmetingen van turbines ten opzichte van wegen discutabel. De invloed van een windturbine en een snelweg op de omgeving is onvergelijkbaar (zie de dwarsprofielen10). Meningen lopen uiteen. De recente ‘Monitor ConceptRES’ (PBL, 2021) stelt: “sommige (RES)regio’s zien het vrije uitzicht vanaf snelwegen als panoramalandschappen die beschermd moet worden, andere zien hier de mogelijkheid de lijnstructuur van de snelweg visueel te versterken met een rij windturbines.11”.
Deze animatie is van de zelfde situatie als het linker beeld. Zowel vanuit de omgeving als vanaf de weg ontstaat er een zwak lineair verband, wanneer de onderlinge afstand groot is. CoP Windenergie en landschapskwaliteit
12
Mede bepalend lijkt dat planologische processen voor windenergie overwegend redeneren vanuit bewoners en niet vanuit weggebruikers of passanten. Belevingonderzoek wijst daarbij overigens op een risico: effecten die grote aantallen mensen ervaren, kunnen het maatschappelijke beeld sterker veranderen dan (grote) effecten die kleine groepen mensen ervaren (mondelinge mededeling, De Vries, 2021).
Combinatie van inzichten In de komende decennia gaan we uit van hogere molens met een tiphoogte van 220m tot 350m tiphoogte. Als windturbines hoger en groter worden, ontstaan er autonome elementen die alleen met elkaar nog in verband staan en in geen verhouding staan tot de inrichting van het maaiveld. Ze komen als het ware los van het landschap. Wat doet dit met de opgave van planning en vormgeving van landschappen met windturbines? Wat positief lijkt, maar nog nauwelijks is onderzocht: deze zeer grote en hoge turbines leiden met hun draaicirkel hoog boven het maaiveld tot minder interferentie met gebouwen en bomen die in het landschap zichtbaar zijn. Minder interferentie gecombineerd met het feit dat het om minder turbines gaat, op ruime afstand van elkaar, kan leiden tot een opstelling met meer ruimte en minder beweging.
Los van het landschap Twintig jaar geleden waren de windparken bijzonder, die kleur kregen door kunstenaars, bijv. in Sexbierum, Almere Pampus (onlangs afgebroken) en Zeewolde Eemmeer. Dit waren duidelijk afgebakende opstellingen in het landschap. Ze vielen op door kleurrijke masten en waren tekens van trots, die op dit moment verdwenen lijkt. Kleur wordt tegenwoordig vooral nog toegepast als camouflagetechniek met een groene voet van masten. Opvallende clusters worden sporadisch nog gemaakt; vaker lijkt sprake van versnippering. Als er overal in Nederland windturbines verschijnen, dreigt eenvormigheid toe te slaan. Verschillen tussen uiteenlopende landschappen, die volgens onderzoek hoog gewaardeerd worden, dreigen te vervlakken als er geen heldere keuzen worden gemaakt.
Samenvattend De komende jaren zullen windturbines zich over Nederland verspreiden en het aanzien van het landschap ingrijpend veranderen. Als de groei in aantal, omvang en onderlinge afstand doorzet, zullen windturbines autonome elementen in het landschap gaan vormen, die enkel naar elkaar verwijzen. Dit vraagt om herbezinning, visie en nieuwe regels voor kwalitatief hoogwaardige landschappen met en zonder windenergie.
Op verschillende schaalniveaus zijn er uiteenlopende effecten van de opschaling naar grotere turbines: • Micro-effect: binnen directe nabijheid (tot ca 2 km) ontstaat een groter schaalcontrast en dominantie door een onpeilbare hoogte en brede voet (zie bijv. pagina 8). • Meso-effect: er ontstaat op enige afstand (ca. 2-8 km) een rustiger landschap. Met minder zichtbare turbines en met minder beweging in beeld doordat de wieken langzamer draaien. • Macro-effect: hogere turbines zijn van ver zichtbaar. Ze beïnvloeden de horizon. Windpark Almere Pampus, Vormgegeven met hulp van een schoolklas. Onlangs afgebroken. Foto uit 2004. CoP Windenergie en landschapskwaliteit
13
Visualisatie van fictieve spreiding van windturbines op Goeree, waarvan 4 in beeld.
Visualisatie van een fictief cluster van 15 turbines op Goeree.
Visualisatie van een fictief regelmatig cluster van 12 x 350 meter tiphoogte in Twente
Visualisatie van een fictief onregelmatig cluster van 12 x350 meter tiphoogte in Twente
Visualisatie van een fictief regelmatig cluster van 15 x 220 meter tiphoogte in Twente Stills uit videoanimaties. Fictieve situatie in Twente en Goeree. Beelden ROM3d
Visualisatie van verspreide opstelling waarvan 3 turbines in beeld in Twente CoP Windenergie en landschapskwaliteit
14
4 Kwaliteitsregels voor windlandschappen Met de afspraken uit het nationale klimaatakkoord krijgt Nederland landschappen waarin windturbines een volwaardige plaats innemen. Deze landschappen zullen verschillen en kunnen uiteenlopende reacties oproepen, afhankelijk van kennis, informatie en beleving van de waarnemer. Als het goed is, illustreren landschappen de energietransitie en horen de turbines er straks onlosmakelijk bij. Dit vereist wel wil en verantwoordelijkheid, op verschillende schaalniveaus, voor de inrichting van
1.
Landschappen gaan leven met windenergie
Windturbines verschijnen in steeds meer landschappen. We moeten gaan ‘leven met windenergie’. Geen rommelige, kleine plekjes ‘opgeofferd landschap’ maar heldere en overtuigende windenergielandschappen. Geen redenering vanuit het negatieve zoals: ‘turbines (..) te plaatsen op plaatsen waar tóch al in het landschap is ingebroken’12 maar positief: ‘in gebieden die landschappelijk worden verrijkt’13.
landschappen. De omvorming van het landschap is anno 2021 in volle gang. De wijze waarop energiewinning een plek in het landschap krijgt, heeft invloed op het functioneren en op de beleving van landbouw, natuur, infrastructuur, stad en dorp. Om deze ruimtelijke omvorming te begeleiden en om richting te geven aan de inrichting van het landschap zijn kwaliteitsregels gewenst die getuigen van kwaliteitsbesef. Binnen deze CoP is de literatuur onderzocht en heeft er een uitvoerig gesprek over kwaliteit plaatsgevonden. Achtereenvolgens zijn de hiervoor geschetste trends uitvoerig besproken en zijn er voorbeelden aangehaald die kansen of knelpunten laten zien in de ontwikkeling van windenergie. Dat wil zeggen: er is met voorbeelden betoogd hoe er wel of juist geen kwaliteit ontstaat in het landschap. Vervolgens is er geexperimenteerd met visualisaties op fotos en met videoanimaties in bol fotos. Deze animaties zijn te vinden op youtube. Dit heeft geleid tot de volgende aanbevelingen en kwaliteitsregels.
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
15
2.
Koester landschappelijke verschillen
Turbines zijn niet overal wenselijk. Respecteer uiteenlopende waarden in Nederland (zoals openheid, diversiteit, belevingswaarde). Zorg dat het rijke pallet van landschappen verschillende, sprekende kleuren behoudt. Dit gaat om cultuurhistorische diversiteit, ecologie en sociale identiteit maar ook om de economie van het vestigingsklimaat en het toerisme. De WRR benoemde in 1998 de doelen die altijd centraal hebben gestaan in het beleid van Nederlandse ruimtelijke ordening: concentratie, samenhang, diversiteit, ruimtelijke hiërarchie, rechtvaardigheid. Hier zou tegenwoordig duurzaamheid aan worden toegevoegd (Buitelaar en Hajer 2021). Een vertaling van deze begrippen op de windenergieopgave is wenselijk. Ga uit van het besef dat als we over enkele decennia (terug)kijken naar landschappen, windenergie een van de kenmerken zal zijn waarmee we verschillende Nederlandse landschappen onderscheiden en categoriseren. Behoud verschil.
3.
Kies voor ‘leegte’ en ‘volte’
Organiseer de ruimte met windenergie vanuit duidelijke keuzes, namelijk voor ‘leegte’ en ‘volte’. Doe dit op meerdere schaalniveaus. Keuzen voor volte en leegte op nationaal en regionaal schaalniveau hebben meer impact op het behouden van verschillen, dan lokaal. • ‘Leegte’ wil hier zeggen: landschappen zonder windenergie. Organiseer leegte door nationaal en provinciaal helder te benoemen wat voor lege gebieden Nederland nodig heeft en ook door het proces te definiëren hoe je tot behoudenswaardige ‘leegte’ komt. Dit moet gaan om gebieden van minstens tientallen km2 omdat anders de invloed van turbines die buiten de leegte staan groot is (zie bijlage 2 voor mogelijke criteria). • ‘Volte’ wil hier zeggen: landschappen met duidelijke en efficiëntie aanwezigheid van windenergie. Door volte te creëren blijft elders ‘leegte’ mogelijk. Volte ontstaat door turbines te concentreren. Organiseer volte niet alleen in projectverband maar ook op regionaal en nationaal niveau en door vooruit te kijken naar toekomstige claims. Hierdoor ontstaat flexibiliteit en perspectief voor toekomstige opwek van energie. ‘Volte’ is overigens betrekkelijk, want grote windturbines staan ver uit elkaar.
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
16
4.
Bouw aan samenhang. Koppel turbines aan megastructuren of aan gebieden
Leesbare samenhang zorgt er voor dat mensen een zekere logica ervaren bij de plaatsing van turbines. Er kan begrip ontstaan waarom een turbines op de ene plek wel en op andere niet staat. Als gevolg van toenemende afmetingen van turbines is er steeds minder vaak sprake van leesbare landschappelijke samenhang. Koppel turbines alleen aan landschapsstructuren als er een rechtstreekse relatie is in schaal. •
Landschappelijke samenhang wordt o.a. bepaald door maatverhoudingen. Bij iets van 10 meter breed, bijvoorbeeld een provinciale weg, kan je moeilijk samenhang ervaren met een windturbine van 200 meter hoog. Er is dan sprake van verschillende ordes van grootte tussen zo’n ruimtelijk element en een windturbine. Turbines van 200 meter hoog naast een brede dijk langs 1 km breed open water of langs een duidelijk zichtbare infrastructuurbundel van 150 meter breed zijn redelijk in verhouding. Dergelijke brede structuren zijn zeldzaam in Nederland. Dit is een kwestie van schaal in het landschap, waarvoor geen absolute regels bestaan. Wel is duidelijk dat er bij steeds grotere turbines nog maar weinig landschappelijke structuren tot dezelfde orde van grootte behoren.
•
Landschappelijke samenhang kan wel nog ontstaan op de schaal van een groep van turbines (in plaats van een afzonderlijke turbine) in verhouding tot een gebied (in plaats van een landschapselement). Een windturbine opstelling kan een relatie aangaan met een grote min of meer begrensde ruimte in een landschap. Bijvoorbeeld een veelheid van turbines in een begrensd gebied als Wieringermeer. Dit vraagt bij grote turbines met ruime onderlinge afstanden ook om gebieden met flinke afmetingen. Dit zal vooral op meso- en macroniveau betekenis krijgen.
Maak onderscheid tussen landschappelijke samenhang en functionele samenhang. • Landschappelijke samenhang betreft de balans tussen de schaal van een turbineopstelling en de ruimtelijke structuur. Aanleidingen hiervoor wordt door schaalvergroting steeds zeldzamer (zie hierna). • Functionele samenhang gaat over directe koppeling tussen opwek en afname van energie en over economische betekenis daarvan, zoals turbines op een bedrijventerrein of bij een energiehub in het netwerk (bijv. nabij energiecentrales). Deze samenhang moet concreet gemaakt kunnen worden. Gelijktijdige aanwezigheid van functionele en landschappelijke samenhang is zeldzaam. Dit ontstaat met name in grote industriegebieden waarin ruimte is voor windenergie zoals Eemshaven Groningen en in het havengebied van Rotterdam waar gebied, energienetwerken en windturbines samen vallen.
Een tussenvorm kan bijvoorbeeld ontstaan in de Betuwe wanneer een oostwest windenergielijn ontstaat in een lineair landschap tussen rivieren, oeverwallen en infrastructuur. CoP Windenergie en landschapskwaliteit
17
5.
Voorkom schijnrelaties tussen turbines en landschap
Ontkoppel turbines van landschapsstructuren als de schaal ervan geen aanleiding geeft voor landschappelijke samenhang met grote windturbines. Ontwerp dan vanuit de erkenning van dit gegeven. Schijnrelaties zijn onwenselijk. Een schijnrelatie ontstaat wanneer ondanks uiteenlopende orde van grootte toch een koppeling wordt gerealiseerd tussen turbinelijn en een weg, omdat er simpelweg een aanleiding wordt gezocht of omdat men zo meent te voldoen wordt aan de drie ruimtelijke kwaliteitsprincipes uit NPRes. Zowel het principe ‘meervoudig ruimtegebruik’ als ‘gebiedsspecifieke kenmerken’ worden in concept-ressen als aanleiding genoemd voor plaatsing langs infrastructuur (PBL, 2021).14 Vermijd schijnrelaties en geef met zeer hoge turbines vorm aan opstellingen die een nieuwe laag toevoegen aan het betreffende landschap. Kies in dit geval voor ontkoppeling en vorm een structuur van turbines die op zichzelf staat en die voor leesbaarheid niet afhankelijk is van een onderliggende patroon van bijvoorbeeld gebouwen, wegen of kanalen.
Zo’n op zichzelf staande turbinestructuur kan zowel geometrisch of onregelmatig zijn. Een geometrisch grid kan bijdragen aan een gestructureerd en rustig beeld in het landschap. Met name mensen die door een landschap bewegen zullen op een gegeven moment lijnen en dus ordening herkennen wanneer die er is. Dit sluit aan bij de beleving van overzicht en rust die door veel mensen wordt gewaardeerd (WeNR, 2021, nog niet gepubliceerd materiaal). Hier valt tegen in te brengen dat de waardering van landschappen vaak samenhangt met een balans tussen rust en dynamiek in de beleving. Te veel rust is saai. Te veel dynamiek is chaos. Regelmaat, zoals een geometrisch grid, lijkt niet noodzakelijk te zijn. In een onderliggend landschap met heldere ruimtelijke structuren, die ruimtes vormen, lijkt de harde regelmaat van een geometrisch grid overbodig. Met name bij steeds hogere turbines, die 700 meter of meer uit elkaar staan, zal de landschappelijke beleving steeds minder bepaald worden door het verband tussen turbines.
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
18
6.
Maatwerk heeft een ruime maat
Plan de ingrepen op een schaal die aansluit bij het effect dat grote windturbines geven. Het effect op de ruimte, de zichtbaarheid, beslaat tientallen kilometers. Geef voldoende maat en schaal aan een opstelling (flinke groepen, meer dan tien, liever nog tientallen). •
Concentratie van turbines zorgt ervoor dat de visuele dominantie, die tot op kilometers invloed heeft, gegroepeerd wordt, oftewel over elkaar heen valt (figuur hiernaast). Bij concentratie is er daarom cumulatief in de regio een kleiner visueel effect op de ruimte dan bij spreiding met vele opstellingen van kleine aantallen. Daarnaast zijn de maatschappelijke kosten ook lager, wegens efficientievoordelen.
Visuele dominantie is een begrip waarover de literatuur niet eenduidig is. Schone e.a. 1986 noemen Zweeds onderzoek uit 1980 (!) dat spreekt over visuele dominantie tot 10x de tiphoogte. Deze afstand komt in de buurt van afstanden waarop slagschaduw
Duits onderzoek (Schmidt, 2018) spreekt over een afstand tot 25 x masthoogte (wat overdreven lijkt).15 •
Voorkom rommeligheid als gevolg van interferentie. Houd ruime afstanden aan tussen opstellingen die van elkaar verschillen in vormgeving van de opstelling en in de richting. Onderlinge afstanden gaan dan al snel over 5 à 10 kilometer. De benodigde afstand is afhankelijk van de maat van de turbines en kan met visualisaties worden onderzocht. Dit is daarnaast afhankelijk van • het type landschap. In open gebieden moeten, door de grote afstanden waarop de turbines nog zichtbaar zijn, veel grotere ruimtes turbinevrij worden gehouden dan in relatief kleinschalige landschappen (Sijmons, 2007). • het type opstelling. De ervaring van structuur in lijnopstellingen is relatief moeilijk als niet met de lijnrichting wordt meegekeken. Een enkele turbine in de omgeving, kan dan het waar te nemen lineare verband verstoren.
Boven: markering van wettelijk milieueffect tot op 5x rotordiameter. Midden: markering van een dominantiezone uitgaand van 10x tiphoogte. Onder: binnen de geschetste zone met het dominantie-effect van 1 turbine, passen vele turbines met hun milieueffecten. Ook hun dominantie-effecten (hier niet getekend) overlappen dan grotendeels. Dus cumulatief is er een veel kleiner effect dan als deze turbies verspreid worden met elk een dominantie-effect.
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
19
7.
Versterk het landschap onder turbines
Bij steeds hogere turbines, die 700 meter of meer uit elkaar staan, zal de landschappelijke beleving steeds minder bepaald worden door het verband tussen turbines. Talrijke andere objecten en structuren in het landschap bepalen dan het landschapsbeeld. Versterking van die beleefbare landschappelijke structuren zorgt voor meer waardering van het landschap. Versterk daarom het landschap onder turbines om de herkenbaarheid te organiseren waar mensen behoefte aan hebben. Aanwezige lanen, bossen, wegen, waterlopen, gebouwen en natuurgebieden zullen ook in toekomstige windenergielandschappen de waardering voor het landschap bepalen. Door aandacht aan de inrichting te schenken, terwijl het landschap verandert met windenergie, kan er gebouwd worden aan een nieuw landschap. Windprojecten kunnen een impuls geven aan landschapsinrichting door hiervoor middelen te genereren en de planvorming te stimuleren.
8.
Kies voor hoogte, niet voor laagte
Het effect van een hoge tiphoogte wordt te vaak uit zijn verband gerukt. De hoogte van de tip beinvloedt weliswaar de horizon, maar is op afstand van enkele kilometers onpeilbaar. In de directe nabijheid heeft een hoge tip minder effect op de beleving op maaiveld dan een lage tip. Een grote rotordiameter met een lage tiplaagte is indringend, en voelt soms bedreigend. Kies liever voor hoogte dan voor laagte en verken dit altijd in relatie tot de hoogte van de mast, de rotordiameter en de waarneming vanuit het landschap. Het effect op de omgeving kan bespreekbaar worden gemaakt op macro-schaalniveau (horizon), meso-schaalniveau (beinvloeding van landschapsbeleving voor mensen die tot op enige kilometers afstand door het landschap bewegen) en op microschaalniveau (directe omgeving van de turbine).
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
20
9.
Betrek alle waarnemers van het landschap
Betrek alle groepen die het landschap gebruiken bij waarnemingsonderzoeken en locatiestudies. Zorg voor leesbaarheid en eenduidige informatie voor diverse doelgroepen. Pas op met fysieke scheidslijnen, getrokken door groepen die het mentale eigenaarschap van een bepaald landschap claimen, zeker als daarmee andere groepen worden uitgesloten. Ga niet alleen uit van de beleving vanuit de achtertuin, maar neem ook de beleving mee vanaf grote wegen en vanaf recreatieve routes. Landschap is publieke ruimte en collectief erfgoed en dient ook als zodanig te worden behandeld. Door verschillende groepen zal de betekenis van windturbines in het landschap op micro-, dan wel op meso- of macro-niveau benoemd worden.
10.
Organiseer netwerkefficientie en kwaliteit
Een landschap met concentraties van energie is ook een efficient landschap vanwege de organisatie van infrastructuur. Landschappelijke argumenten en de organisatie van energienetwerken kunnen elkaar ondersteunen. Dit vraagt verdere onderbouwing. Het is interessant om de organisatie en de ontwikkeling van het stroomnet op verschillende schaalniveaus ontwerpend te onderzoeken en te verbinden aan de mogelijkheden die er zijn om heldere landschappen met windenergie te vormen.
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
21
5 Verkenningen In dit hoofdstuk worden drie modellen geschetst ter illustratie van de ideeen uit de CoP. De modellen zijn ontwerpoefeningen die op verschillende wijze omgaan met de schaalvergroting en met concentratie van turbines. Ze bieden daarbij verschillende interpretaties van de kwaliteitsregels. Bij het maken van toekomstbeelden en aldus het toepassen van de kwaliteitsregels blijkt er een majeure onzekerheid te zijn. Het is namelijk onzeker hoeveel windturbines er gaan komen na 2030. Het maakt voor de te kiezen strategieën veel uit of we een situatie krijgen die het aantal palen na 2030 ongeveer bestendigd of dat er drie maal zoveel windenergie nodig is. Het verschil zou neer kunnen komen op herinrichting van bestaande windenergielandschappen of op de ontwikkeling van vele nieuwe windenergielandschappen.
De kwantiteitsinschattingen zijn afhankelijk van veel factoren: de ontwikkeling van de vraag, de gekozen energiemixen, waaronder de verhouding tussen zon en wind, de grootte en het rendement van de turbines en de ontwikkeling van nieuwe vormen van opwek. De recente rijksnota Bestemming Parijs (Rijksoverheid, 2021) onderkent de onzekerheid en stelt: “De ruimtelijke inpassing van CO2-vrije elektriciteit is tijdrovend...”. “Daarom is een adaptieve benadering van belang: reserveer ruimte voor een ambitieus scenario, waarbij de gereserveerde ruimte (tijdelijk) kan worden gebruikt door andere gebruiksfuncties (..)”. We presenteren hier drie modellen namelijk het model Nieuwe Parken, het model Doorbouwen en het model Uitpassen. In de modellen zijn de voorgaande kwaliteitsregels voor landschappen met windenergie, op verschillende wijze, toegepast. En de strategieen benaderen ook verschillend de onzekerheid t.a.v. aantallen windturbines die worden verwacht.
Visualisatie van het in aanbouw zijnde windpark Fryslân. Dit park zal waarschijnlijk een impuls geven aan meningsvorming over opstellingen van windenergie. CoP Windenergie en landschapskwaliteit
22
Nieuwe Parken: schets voor grote opstelling in het IJsseldal, nabij Wapenveld. Gepositioneerd tussen hoogspanningslijn en rivier. Tegelijk aanleg van weg en erf-beplantingen langs rivier en dijk. (tekening J.Meeus mmv A. Marcelis en Rom3D)
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
23
De eerste twee modellen vinden hun oorsprong in de huidige situatie waarin vele verspreide en relatief kleinschalige opstellingen ontstaan. De zorg bestaat dat de huidige en komende opstellingen leiden tot een versnipperd landschap. Bestuurders willen wel samenhang maar complexiteit en tijdsdruk belemmeren dit nogal eens. Sectorale keuzes laten kansen liggen. En op plekken waar al eens energieopstellingen ontstaan zijn, is er naast gewenning en acceptatie ook een roep om spreiding: ‘niet meer hier’. Hier wordt een offensieve benadering voorgesteld, met twee modellen.
Model 1:
Nieuwe parken (grote clusters)
In ‘nieuwe parken’ worden enkele tientallen windturbines geclusterd in specifiek daarvoor bestemde gebieden met een geringe woningdichtheid en blijven andere gebieden vrij van turbines. De wieken bepalen de beleving van de hoge luchten; de masten zijn zichtbaar zonder de doorzichten op maaiveld te beperken.
Gekozen wordt voor agrarische productielandschappen met weinig bewoning. Bovendien kan er gekozen worden voor lanschappen die te maken hebben met ruimtelijke opgaven (bodemdaling, overstromingsrisico’s) die samen met windenergie een ontwikkeling kunnen krijgen. Voorbeelden zijn het rivierengebied en de Flevopolders. Diverse gebieden bieden de komende decennia ruimte voor opstellingen van 20 à 30 turbines per gebied en zijn bij voorkeur later uitbreidbaar naar minstens het dubbele aantal windturbines. Hier ontstaan nadrukkelijk productielandschappen die naast voedsel ook energie produceren. De windturbines worden in een flexibel gridpatroon gesitueerd, dat reageert op de ondergrond. In beginsel wordt gekozen voor een grootschalig plan met gelijkvormige turbines. Waar wel en waar geen turbines komen is een regionale kwestie. Het landschap is daarbij sturend. Heldere keuzes en duidelijke informatiestromen moeten acceptatie en voldoende draagvlak veilig stellen. Gebiedsgericht worden vooraf heldere kwantiatieve doelen vastgesteld. De bewoners kunnen betrokken worden bij nieuwe functie via inkomsten uit het energierendement, al dan niet met gedeeld eigenaarschap. Dit betekent dat ze goedkoop kunnen wonen.
Voor bewoners die geen aantoonbare milieuhinder ervaren maar toch weg willen wordt een garantiefonds opgezet dat de woningverkoop garandeert en desgewenst weer doorverkoopt aan nieuwe buiten-woners die mee willen profiteren van de energieopwek. Er wordt gewerkt aan een toekomstperspectief voor het landschap. Herinrichting gecombineerd met landschapsbouw onder windturbines kan het landschap verrijken, meer toekomstbestendig maken en tegemoet komen aan maatschappelijke behoeften. Voorbeelden zijn aanleg van nieuwe productiebossen en kleinere maatregelen zoals erfbeplanting, lanen en verbetering in het (recreatieve) infrastructuur.
Illustratie: Er is een traditie van visievorming over clusters van windenergie. Dit beeld toont nationale en regionale clusters in Via Parijs. College van Rijksadviseurs, 2019 CoP Windenergie en landschapskwaliteit
24
Doorbouwen: schets voor grote opstelling nabij Volkerak Hellgatsplein, temidden van bestaande opstellingen. Hier groeit en transformeert een landschap met windenergie in combinatie met inundatie (J.Meeus)
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
25
Model 2: Doorbouwen (grote clusters)
Model 3: Uitpassen, een radicaal alternatief
Driekwart van de 2200 Nederlandse windmolens is in 2030-2035 toe aan vervanging. Het netwerk van kabels, leidingen en trafo’s gaat gemiddeld 50 jaar mee, terwijl windturbines in 30 jaar worden afgeschreven. Het devies is: voorkom kapitaalvernietiging, kies plaats en opstelling met oog voor de omgeving, vergeet kleine groepjes, verban strooigoed en investeer in opschaling. Veelal staan deze turbines naast grote wateren, estuaria, meren, rivieren en linies. Ga respectvol om met zijn eeuwenoud cultuurgoed.
Nederland heeft het akkoord van Parijs ondertekend en dit houdt een heel grote
Oftewel zet in op doorgroeien. Laat nieuwe windenergie ontkiemen in landschappen waar het zaad al gevallen is, waar reeds kennis van windenergie bestaat en waar een goed gesprek over de toekomst en over kwaliteit mogelijk is. Maak gebruik van geleidelijke omvorming: dit gaat zowel om het bijplaatsen van turbines als om -gaandeweg- vervangen van turbines. Dit leidt tientallen jaren tot diverse molens naast en door elkaar, waardoor een zwerm ontstaat. Door te kiezen voor hoge molens wordt de drukte van masten en draaiende rotorbladen verkleind. Weliswaar zijn dergelijke turbines ver zichtbaar maar in directe nabijheid is er veel ruimte tussen de turbines (700 meter), hetgeen een rustig beeld oplevert. Ontwerp aan posities van turbines in een zwerm. Ontwerp kan variatie creëren, met verrassende doorzichten, lokale geborgenheid en spannende dynamiek. Dit wordt schetsmatig uitgewerkt via inundatie bij Volkerak/Hellegatsplein. Door te zorgen voor berging van zoet water en door de historie van de Zuiderwaterlinie in herinnering te roepen, groeit lokale en regionale interesse. Bij herinrichting onder en rond de turbines wordt veel aandacht gegeven aan oriëntatie. Oriëntatie is in het deltalandschap niet alleen verzekerd door dijken en Deltawerken, geflankeerd door turbines maar ook door een herkenbare inrichting en beplanting.
omschakeling in naar het genereren van duurzame elektriciteit. In principe zijn de meeste mensen het hiermee eens, maar velen accepteren hiervan niet echt de ruimtelijke consequenties. Het aanpakken van de energietransitie is een globaal probleem dat uiteindelijk resulteert in een lokaal probleem. Dit model gaat er vanuit dat er een globale aanpak van de ruimtelijke transitie moet plaatsvinden die uiteindelijk in een lokale ontwerpoplossing resulteert. (Think global, act local). Er is een mentale verandering vereist en om dit zichtbaar te maken en daarom is dit model provocerend in de aanpak. Toch gaan we er vanuit dat het in de praktijk tot aanvaardbare ruimtelijke oplossingen kan leiden. Om te beginnen zouden mensen meer met het eerlijke verhaal mogen worden geconfronteerd. Hoeveel energie gebruiken we met zijn allen? Hoeveel consumeren we nu en straks op wereldschaal? Waarvoor is iedereen persoonlijk verantwoordelijk? En welke keuzes zijn collectief nodig? Vervolgens is een wisselwerking van nationale en lokale actie nodig. Het Rijk zou moeten operen vanuit een nationaal ruimtelijk plan voor 2130+. Lokaal is nuance en actie nodig, maar dan vanuit een globaal verhaal. Verondersteld wordt hierbij dat oplossingen (zoals in veel RESplannen) die gebaseerd zijn op lokale belangen te versnipperd zijn om impact te hebben op globale schaal.
We gaan ervan uit dat een aanzienlijk deel van de vernieuwbare, schone energie moet worden opgewekt met windturbines en dat er naast een groot aantal windturbines op de Noordzee ook meer windturbines op het land nodig zijn. Dit is goedkoper, robuuster voor het energienet en flexibeler. We gaan uit van een enorme schaalvergroting. Nederland streeft naar een duurzame energiewinning zonder subsidies. Ervaring in het Verenigd Koninkrijk toont dat dit tot schaalvergroting leidt en ook meer output oplevert. De grootst mogelijke turbines worden geplaatst in de
CoP Windenergie en landschapskwaliteit
26
energie consumptie windenergie opwekking
natuur scheepvaart zand
tot 40-50km turbines zichtbaar Het idee dat de nodige energie vooral op zee kan worden opgewekt is misleidend. Out of sight, out of mind. Op zee wordt de ruimte beperkt door o.a. scheepvaart, zandwinning en natuur.
A B
D
C
grootst mogelijke aantallen en bij voorbaat rechtstreeks aansluitbaar op het bestaande hoogspanning netwerk. We nemen dat in dit model als uitgangspunt. Model ‘Uitpassen’ stelt voor om in beginsel uit te gaan van een egalitaire verdeling van de ruimtelijke effecten in combinatie met de meest productieve en commercieel haalbare technische oplossingen om de vereiste hoeveelheid elektriciteit te leveren. De kwantitatieve opgave is onduidelijk. Maar of er in 2050 nu 3.000 turbines of 5.000 turbines moeten staan, de principiële vraag blijft hetzelfde. Vanuit de maatschappij zal worden geclaimd dat er geen plaats is voor 5.000 turbines. Uitpassen zegt: natuurlijk is er plaats, er was in Nederland immers ook plaats voor 9.000.000 auto’s met alle bijkomende effecten. Uitpassen zal gepaard gaan met verdere technologische ontwikkeling en met daarbij passende milieu-regels. Dit wordt in de huidige praktijk al zichtbaar met hoge moderne turbines die relatief minder geluid produceren. In ‘Uitpassen’ wordt door heel Nederland energie opgewekt met uitzondering van op nationaal en regionaal niveau ‘uitgepaste’ gebieden. In principe is heel Nederland beschikbaar. In de praktijk worden delen van het land uitgepast. Daar zijn keuzes voor nodig.
Op nationaal en regionaal niveau worden die bijvoorbeeld gemaakt met criteria als nationale leegte en waardevolle diversiteit of er wordt aangesloten bij gebiedscategorieenzoals die in het verleden zijn gebruikt (zie pagina 32). Landschapsanalyse kan verfijning bieden in de nationale en regionale keuzen. Er worden daarbuiten simpele afspraken gemaakt om per vierkante kilometer de nodige energie op te wekken met windturbines. Zo gauw de benodigde hoeveelheden duidelijk zijn, kunnen we aan het ontwerpen slaan. Het ontwerp kan verschillende vormen aannemen. Het meest heldere is om te kiezen voor volledig losgekoppelde en min of meer geometrische opstellingen die zoveel mogelijk los staan van het onderliggende landschap. De mensen leven op de grond, de wieken boven in de lucht genereren onze elektriciteit. Lokaal kan er flexibiliteit worden gecreëerd in aanpassingen aan het grid.
Uitpassen kiest voor acceptatie en voor leven met windenergie behalve in uitgepaste gebieden. Als voorbeeld voor uitpassing zijn hier stedelijke gebieden geschetst en de gebieden A, B, C en D. CoP Windenergie en landschapskwaliteit
27
Deze benadering kan radicaal worden uitgelegd voor het Groene Hart. Dit kan op twee manieren: • Enerzijds is denkbaar om het Groene Hart als leegte te behouden. Leegte op nationaal niveau. Dit vereist dan wel vergaande investeringen in de kwaliteit van die openheid. Op het recht om een energieleegte te zijn rust immers een (inter) nationale verantwoordelijkheid. Alleen toplandschappen krijgen die eer. •
Anderzijds kan gekozen worden voor het Groene Hart als een reeds vergaand aangetaste open ruimte die met de huidige turbines aan de randen al bijna nergens meer open is. Bovendien is het naast melkweide en vogelreservaat ook de energiekamer van de Randstad. Groei toe naar een regionaal energielandschap waarin hoge turbines van 300 meter hoog, om de drie à vier kilometer, de wolken beroeren. En ga daar onder door met het ontwikkelen van een herbergzaam en waardevol landschap voor mens en natuur.
Tekeningen: Marc van Grieken, MVGLA
Deze visualisatie toont windturbines met tiphoogte 350 meter en vermogen van 12,5 MW om de 3,5 kilometer in het landschap. Beeld Marc van Grieken, MVGLA met windplanner software. (Zie ook pagina 9)