CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Cattenbroekerdijk 4_vast te stellen_toelichting en regels_20022022.pdf

Raadsvergadering 23 mei 2022, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 4426.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.2

Het plangebied

Op 11 juli 2019 is de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) ingevuld. Het advies is in bijlage 4 toegevoegd. Hieruit blijkt dat er een 'normale procedure' gevolgd wordt. Het plan wordt voor overleg opgestuurd wordt naar het hoogheemraadschap. Het advies van het hoogheemraadschap wordt verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Watercompensatie Met dit bestemmingsplan wordt de bestemming gewijzigd van 'agrarisch' in 'wonen'. Zoals benoemd in hoofdstuk 2.2 wordt er 36 m2 aan bebouwing op het perceel toegevoegd. Het oppervlakte aan verharding neemt hiermee met maximaal 36 m2 toe. Er worden ook geen watergangen gedempt. Gezien het voorgaande wordt geconstateerd dat er geen plicht is voor het realiseren van extra water (watercompensatie). Waterkering De Cattenbroekerdijk is een waterkering. De waterstaatswerkzone van de waterkering ligt op de voorste 6 à 7 meter van het perceel (zie ook paragraaf 3.2.1). Het is verboden om binnen deze zone grondwerkzaamheden uit te voeren, zonder daarvoor schriftelijke goedkeuring te hebben van de beheerder van de waterkering. Aansluitend aan deze zone ligt de beschermingszone. Binnen de beschermingszone is het verboden om zonder vergunning in de beschermingszone van een waterkering: a. afgravingen (bijvoorbeeld voor het winnen van zand of klei) en seismische onderzoeken te verrichten; b.

werken met een overdruk van 10 bar of hoger te plaatsen en te hebben; c. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben Bouwen en slopen van opstallen is algemeen toegestaan binnen deze zone. Gezien de ligging van de woning buiten de waterstaatwerkzone is voor de uitbreiding van de woning geen watervergunning nodig.

Ligging waterstaatswerkzone en een beschermingszone legger HDSR (bron: http://hdsr.webgispublisher.nl/ ) Grondwaterbeschermingszone Het plangebied ligt In de boringsvrije zone Linschoten. De boringsvrije zone is een gebied rondom de grondwaterwinning Linschoten. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Montfoort. In de boringsvrije zone beschermt een ondergrondse laag de onderliggende waterwinning. Om te voorkomen dat activiteiten (zoals het toepassen van bodemenergiesystemen) plaatsvinden die verontreiniging oflokale opwarming van het grondwater tot gevolg hebben, stelt de provincie Utrecht in haar Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht regels ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening. Het betreft onder andere een verbod op boor-,

26

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 40 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. Daarnaast geldt voor iedereen in de boringsvrije zone de bijzondere zorgplicht (art. 3.12 Interim Omgevingsvisie Provincie Utrecht). Dit houdt in dat activiteiten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die tot nadelige gevolgen voor de bescherming van het grondwater kunnen leiden, moeten worden voorkomen of, voorzover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingen worden afgestemd met het waterwinbedrijf. Binnen het plangebied vinden geen activiteiten plaats die effect hebben op het grondwater (en daarmee op de drinkwaterwinning welke plaats vindt op een kilometer afstand). Er worden geen boorputten of andere boringen gedaan op een diepte van 40 meter of meer. Binnen het plangebied wordt, naast het uitoefenen van een aantal nevenfuncties, gewoond. Zowel de woonfunctie als de beperkte nevenfuncties hebben geen negatief effect op de aantasting van de beschermende kleilaag. Conclusie Het gehele plangebied wordt aangemerkt als boringsvrije zone. In de regels is hiervoor een aanduiding opgenomen.

Het roeren van gronden, zoals het maken van boorputten, grond- en funderingswerken, dieper dan 40 meter onder het maaiveld is niet toegestaan, tenzij hiervoor toestemming van de provincie Utrecht is verkregen. De boringsvrije zone levert geen beperkingen voor de beoogde functiewijziging.

vastgesteld

27

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44

Hoofdstuk 5

Milieu en overige omgevingsaspecten

5.1

Bedrijven en milieuzonering

5.1.1

Wet - en regelgeving

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandsnormen. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De VNG-richtafstanden van toepassing zijn op nieuwe situaties, waarbij milieugevoelige functies (bijvoorbeeld wonen) en bedrijven in elkaars nabijheid gerealiseerd worden. 5.1.2

Plangebied

Ten noorden van het plangebied is op circa 225 meter een ruwvoerteelt bedrijf (Van Leeuwen v.o.f.) aanwezig aan Cattenbroekerdijk 38. Tussen het plangebied en Cattenbroekerdijk 38 zijn twee woningen aanwezig. Deze woningen zijn bepalend voor dat bedrijf. Op het naastgelegen perceel aan de zuidkant (Cattenbroekerdijk 46) is een veehouderij met melkvee en enkele paarden 'de Regt BV' aanwezig. In deze paragraaf wordt beargumenteerd dat het omzetten naar een woonbestemming geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van dat bedrijf.

Bedrijven in omgeving (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) VNG-richtafstanden Een melkveehouderij valt, conform de Standaard Bedrijfsindeling 2008 - versie 2017 van de VNG, onder SBI-code 0141. Daarmee is het een bedrijf met milieucategorie 3.2. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 100 meter tot een milieugevoelige functie in een rustige woonwijk of rustig buitengebied. De Cattenbroekerdijk is te karakteriseren als rustig buitengebied.

28

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 Geur is hierbij het maatgevende aspect. Melkveebedrijven hebben voor de milieuaspecten 'stof' en 'geluid' een richtafstand van 30 meter. Voor 'gevaar' geldt geen richtafstand voor melkveehouderijen. De activiteiten kunnen tot op de perceelsgrens en tot aan de watergang uitgevoerd worden. In overstaande verbeelding is (indicatief) aangegeven tot waar de 30 meter loopt. Zowel object A als object B liggen binnen deze richtafstanden.

Richtafstand 30 meter (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Object A (de open kapschuur) gaat gebruikt gaat worden voor opslag van gereedschap, de kano's, de trailer voor de kano's, de bedrijfsauto en de picknicktafels en parasols voor de theetuin. Hier wordt ook een oplaadpunt voor e-bikes gemaakt. Opslag is geen geluids- en stofgevoelige activiteit. Object B (de voormalige veestal) wordt in de toekomst gebruikt als theetuin, vergaderlocatie en hier vindt ook de verhuur van kano's plaats. Geen van deze activiteiten zijn geluids- en stofgevoelig. De woning ligt op tenminste 30 meter afstand van de perceelgrens met Cattenbroekerdijk 46. De woning is uitsluitend binnen het bouwvlak mogelijk. Het bouwvlak ligt op ruim 30 meter. Voldaan wordt aan de VNG-richtafstand. Gesteld wordt dat ter plaatse van de woning een goed woon- en leefklimaat aanwezig is. In dit bestemmingsplan worden nieuwe geluids-en stofgevoelige functies uitgesloten (deze functies worden als 'strijdig gebruik' aangemerkt). De woning is alleen mogelijk binnen het bouwvlak, dat op ruim 30 meter afstand van de perceelsgrens ligt. De beoogde nevenfuncties en de omzetting naar woonbestemming levert daarmee geen belemmering op voor het naastgelegen bedrijf (en visa versa). Het bedrijf levert ook geen belemmering op voor deze gewenste functies. Voor het aspect 'geur ' is de 'Wet geurhinder en veehouderij' bepalend.

Wet geurhinder en veehouderij Op het naastgelegen perceel (Cattenbroekerdijk 46) is veehouderij met melkvee en enkele paarden 'de Regt BV' aanwezig. Het bedrijf aan de Cattenbroekerdijk 46 houdt vaste afstandsdieren, waarvoor buiten de bebouwde kom een minimale afstand geldt van 50 meter van een emissiepunt tot de gevel van een geurgevoelig object. Wet geurhinder en veehouderij De gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf moet op voldoende afstand staan van gevel van het geurgevoelige object. De minimumafstand staat in artikel 5, lid 1 Wgv en is: • 50 meter binnen de bebouwde kom • 25 meter buiten de bebouwde kom Normaal gesproken gelden voor dieren met geuremissiefactor maximale waarden voor geurbelasting. Maar ten opzichte van sommige geurgevoelige objecten gelden voor dieren met geuremissiefactoren toch minimumafstanden, in plaats van maximale waarden voor geurbelasting. De minimumafstand komt in de plaats van de waarden voor geurbelasting. Deze minimumafstand staat in artikel 3 lid 2 Wgv en is: • 100 meter binnen de bebouwde kom • 50 meter buiten de bebouwde kom

vastgesteld

29

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 Binnen 50 meter van het dierenverblijf van het naastgelegen bedrijf ligt alleen object A: de open kapschuur die gebruikt gaat worden voor opslag van gereedschap, de kano's, de trailer voor de kano's, de bedrijfsauto en de picknicktafels en parasols voor de theetuin. Hier wordt ook een oplaadpunt voor e-bikes gemaakt. Opslag is geen geurgevoelige activiteit. Zoals beschreven in paragraaf 2.2 wordt de voormalige veestal (object B) in de toekomst gebruikt als theetuin, vergaderlocatie en worden er kano's verhuurd. Hiermee kan object B als 'geurgevoelig object' aangemerkt kunnen worden. Uit jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat pas sprake is van een 'geurgevoelig object' indien sprake is van langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. En daar is geen sprake van, omdat: a. de koffietuin en de verhuurlocatie voor kano's alleen in de weekenden in de maanden mei tot en met september open zijn bij mooi weer. Dit zijn maximaal 44 dagen per jaar; b. de bezoekers wisselen. De gemiddelde verblijfsduur per persoon bedraagt 1 tot 1,5 uur; c. de vergaderlocatie kleinschalig is (maximaal 12 personen) en maximaal twee keer per maand verhuurd wordt. Dit betekent dat per jaar maximaal 24 vergaderingen plaats vinden met wisselende samenstellingen en wisselende tijdsduur.

De afstand tussen object B en het dichtstbijzijnde dierenverblijf is tenminste 51 meter (achterzijde opstal). De voorgevel van object B ligt op tenminste 61 meter afstand. Object B ligt daarmee buiten de vereiste minimum afstand van 50 meter.

Ligging dierenverblijf Cattenbroekerdijk 46 ten opzichte van Cattenbroekerdijk 44 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Alleen de woning krijgt een bouwvlak. De rest van het perceel, waar alle bijgebouwen (voormalige agrarische opstallen) staan, vallen buiten het bouwvlak. Met het opnemen van een bouwvlak voor de woning is het niet mogelijk om de woning op een andere plek op het perceel te plaatsen. Daarmee wordt gegarandeerd dat ter plaatse van de woning een goed woon- en leefklimaat aanwezig is. Uit voorgaande blijkt dat er geen nieuwe geurgevoelige functies worden gerealiseerd binnen een afstand van 50 meter van het dichtstbijzijnde dierenverblijf op het naast gelegen perceel. In dit bestemmingsplan worden nieuwe geurgevoelige objecten binnen 50 meter van het dierenverblijf van Cattenbroekerdijk 46 uitgesloten. Geurhinder vormt daarmee geen beperking voor dit bestemmingsplan. Parkeren - bedrijfswoning Cattenbroekerdijk 46 Zoals beschreven in paragraaf 2.2 en 3.3.2 hebben de beoogde nevenfuncties en verkeersaantrekkende functie. De afstand tussen de te realiseren parkeerplaatsen en de naastgelegen (bedrijfs-) woning bedraagt circa 15 meter.

30

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 Het verkeer dat komt, is verkeer voor de nevenactiviteiten. Nevenactiviteiten die juridisch-planologisch nu ook al mogelijk zijn, als onderdeel van een agrarisch bedrijf. Met dit bestemmingsplan worden geen extra (neven-)activiteiten mogelijkheden gemaakt. Daarmee neemt de verkeersaantrekkende werking (juridisch-planologisch gezien) niet toe. Door de beëindiging van de agrarische functie (loonhuurbedrijf) kan beargumenteerd worden dat de verkeersaantrekkende werking verbeterd: in de kapschuur (welke open is) werden de zware voertuigen geparkeerd. Het af - en aanrijden van zwaar materieel leidt tot meer geluidproductie dan een aantal personenauto's. Geconcludeerd wordt dat milieuzonering geen belemmering is voor de beoogde functiewijziging.

5.2

Geluid

5.2.1

Wet - en regelgeving

Wet geluidhinder Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh):  Woningen  Onderwijsgebouwen  Ziekenhuizen en verpleeghuizen  Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen). Voor deze bestemmingen gelden voorkeursgrenswaarden. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Indien bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen niet aan de voorkeursgrenswaarde kan wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat de locatie niet zonder meer geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Onder voorwaarden kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot de maximale grenswaarde uit de Wgh.

Industrielawaai Op grond van artikel 40 van de Wgh kunnen industrieterreinen een zone hebben. In het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft is géén industrieterrein gelegen met een zone op grond van artikel 40 Wgh. Op grond van artikel 44 Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai 50 dB(A). Op grond van artikel 45 Wgh kan voor nieuwe woningen een hogere waarde worden vastgesteld van 55 dB(A) en voor bestaande woningen 60 dB(A). In het bestemmingsplangebied zijn bedrijventerreinen gesitueerd. Om het leefklimaat voor omwonenden in beeld te brengen wordt in de verdere uitwerking de geluidsbelasting van de bedrijven op de nieuw te bouwen woningen onderzocht. Railverkeer Op grond van artikel 1 Wgh hebben spoorwegen een zone. 5.2.2

Plangebied

Nabij het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein, een zone van een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met geluidafspraken (geluidbeheersplan) aanwezig. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan. Het plangebied ligt niet in een zone van een spoorweg. Spoorwegverkeerslawaai is daarom niet relevant voor het plangebied.

vastgesteld

31

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 Met dit bestemmingsplan wordt geen nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. De voormalige bedrijfswoning is op grond van de Wgh te beschouwen als geluidgevoelige functie. Het omzetten naar een burgerwoning verandert hier niets aan. Dat komt mede doordat de woning niet dichter bij de weg komt te staan. Gezien de lage etmaalintensiteit van de Cattenbroekerdijk (172 motorvoertuigen/etmaal) en de geringe verkeersaantrekkende werking als gevolg van de nevenfuncties, blijft de totale geluidbelasting voor wegverkeer (inclusief wettelijke aftrek) ruim onder de 48 dB blijven. Dit wordt bevestigd door de geluidsniveaukaart van het Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht. Nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom niet nodig.

Geluidskaart Omgevingsdienst regio Utrecht (bron: https://odru.gispubliek.nl/)

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Wet - en regelgeving

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2.5). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel 5.I. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; b. de luchtkwaliteit tengevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c.

een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde (1,2 µg/m3 PM10 of NO2 en 0,75 µg/m3 PM2.5 jaargemiddeld); d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.)

32

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44

Grenswaarden Wet luchtkwaliteit Regeling NIBM De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere het onderstaande geval, waarbij een luchtkwaliteitonderzoek niet meer nodig is: 1. woningbouw = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en 2. woningbouw = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Uit de NIBM-tool blijkt dat bij meer dan 1.280 motorvoertuigen per dag extra, in betekenende mate wordt bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.

Rekentool 'niet in betekenende mate' Bestaande luchtkwaliteit Het Geoloket van de omgevingsdienst heeft op haar site gegevens over de bestaande luchtkwaliteit. In onderstaande tabel een overzicht van de waarden voor het plangebied in 2018 en de verwachtte waarden in 2030. 2018

2030

NO2

14- 16 µg/m3

10 - 12 µg/m3

PM10

19 - 20 µg/m3

17 - 18 µg/m3

PM2,5

12 - 12,5 µg/m3

10 - 10,5 µg/m3

Overzicht waarden luchtkwaliteit (bron: whttps://odru.gispubliek.nl/) 5.3.2

Plangebied

Met dit bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die bij dragen aan een verslechtering van de aanwezige luchtkwaliteit. Door de bestemmingswijziging worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die meer dan 1.280 voertuigbewegingen gemiddeld per dag mogelijk maken.

vastgesteld

33

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 Uit dit overzicht van de bestaande waarden blijkt dat deze ver onder de grenswaarden liggen. Daarmee kan geconstateerd worden dat de bestaande luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de gewenste bestemmingswijziging. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de GGD hanteren voor PM10 en voor PM2,5 lagere waarden, namelijk 20 µg/m3 en 10 µg/m3. Gezien de waarden in 2018 wordt hier reeds deels aan voldaan. Gezien de waarden van PM2,5 in 2030 is het aannemelijk dat deze in de toekomst voldoen aan de 10 µg/m3.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Wet- en regelgeving

Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.

De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. 5.4.2

Plangebied

Op de uitsnede van de risicokaart is te zien dat in of in de nabijheid van de het plangebied geen risicovolle activiteiten aanwezig zijn (toegestaan). In rood is de M.A. Reinaldaweg aangegeven, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt.

34

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44

Risicokaart (bron: https://nederland.risicokaart.nl/risicokaart.html) Bevi-bedrijven Er zijn geen bedrijven in de omgeving van het plangebied welke onder het Bevi vallen en invloed hebben op het plangebied. De verbodsbepaling voor deze functies is ook opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen bedrijven bekend welke op basis van andere milieuwetgeving een afstandsnorm voor veiligheid bezitten. Gemeentelijke routering Voor de gemeentelijke en provinciale wegen is in de gemeente Montfoort een routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Over de vastgestelde route mag uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. Voor noodzakelijk transport ten behoeve van laden en/of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om een veiligere leefomgeving te realiseren. Er kan langs het plangebied dus wel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden van de niet-routeplichtige stoffen (zoals benzine) en routeplichtige stoffen (zoals propaan), maar de frequentie daarvan is (door het lokale karakter van het transport) dermate laag dat daardoor geen risico's ontstaan die ruimtelijk relevant zijn. De M.A. Reinaldaweg maakt onderdeel van de vastgestelde route. De afstand van de M.A. Reinaldaweg tot aan het plangebied is ruim 1,2 km.

Gezien de afstand tot de M.A. Reinaldaweg vormt de gemeentelijke routering geen belemmering voor het plangebied. Elektromagnetische straling Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken. Consequentie plangebied Het plangebied ligt buiten de invloedsgebieden van bedrijven of buisleidingen. In de nabijheid vindt ook geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Externe veiligheidsaspecten spelen daarmee geen belemmerende rol voor dit bestemmingsplan.

vastgesteld

35

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44

5.5

Bodem

5.5.1

Wet- en regelgeving

Wet Bodembescherming De bodemkwaliteit is in het kader van een bestemmingsplan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging en de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):  Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden.  Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient de locatie geschikt gemaakt te worden voor het beoogde gebruik. Dit kan door een saneringsplan op te stellen en in te dienen, een BUS-melding te doen of een plan van aanpak op te stellen. 5.5.2

Plangebied

In september 2017 is een bodemonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd voor het perceel Cattenbroekerdijk 44. Het onderzoek is in bijlage 5 toegevoegd. Er zijn zeventien boringen en een peilbuis voor het onderzoek geplaatst tot maximaal 2.2 m-mv (meter onder het maaiveld). Een bestaande peilbuis is herbemonsterd. Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op 0.5 m-mv. Het asbestonderzoek betreft de puinhoudende bovengrond rond de opstallen plus de half-verharding van puin en grind aan de voorzijde van het terrein. De conclusies zijn als volgt: 1. Er is met één uitzondering nergens asbestverdacht materiaal in of op de bodem waargenomen. De uitzondering is de puin-verharding in de kapschuur aan de achterzijde van het terrein. Deze heeft een oppervlak van 100 m². Tussen het gebroken puin van de vloer van de schuur is asbest waargenomen. 2. De boven- en ondergrond van het terrein aan de Cattenbroekerdijk is met twee uitzonderingen licht verontreinigd met metalen, olie en PAK. Licht verhoogde gehaltes zijn gangbaar voor de regio. De uitzonderingen zijn zink en PAK. In drie grond-mengmonsters wordt een interventiewaarde voor zink of PAK overschreden. 3. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, koper en zink. Bij het onderzoek in 2006 was nikkel licht verhoogd in het grondwater. Licht verhoogde gehaltes zijn geen risico voor de volksgezondheid.

Dit zijn PAK in de bovengrond van een boring aan de voor- en achterzijde van het terrein en zink in de ondergrond van een boring achter de woning. Over de ernst, omvang en consequenties van de verontreiniging kan het volgende worden opgemerkt: a. Het zink in de boring achter de woning (boring 12) bevindt zich in de ondergrond (0,4 tot 0,9 meter diepte). Het zinkgehalte is hoog. Dergelijke gehaltes op dit soort locaties duiden meestal op kleine stukjes, splinters zink. Deze kunnen bijvoorbeeld afkomstig zijn van een oude dakgoot die met slooppuin in de bodem terecht zijn gekomen. Er is geen sprake van mogelijke blootstelling en actuele risico's voor de volksgezondheid ontbreken in de huidige situatie. b. Het PAK-gehalte in de bovengrond aan de voor- en achterzijde van het terrein (boring 2 en 16) is naar alle waarschijnlijkheid toe te schrijven aan fijn koolgruis. Koolgruis is moeilijk zichtbaar in de donkere kleigrond. c. Het oppervlak en de omvang van de verontreiniging met PAK is niet bekend. Met als uitgangspunt dat het PAK gerelateerd is fijn koolgruis zullen uitschieters boven de

36

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 interventiewaarde een lokaal verschijnsel zijn. Op basis van de overige analyses wordt niet verwacht dat er een aaneengesloten volume grond van meer dan 25 m³ aanwezig is. Bij een diepte van 0,5 meter zou daar een oppervlak van 50 m² voor nodig zijn.

Ligging boringen (bron: Bodemonderzoek, incl asbest, Cattenbroekerdijk 44 Linschoten. Oktober 2017. Linge milieu bv) De licht verhoogde gehaltes in grond grondwater zijn gangbaar voor de lintbebouwing langs de Cattenbroekerdijk en zijn geen risico voor de volksgezondheid. De verontreiniging met zink en PAK heeft consequenties als er op deze locaties graafwerk uitgevoerd moet worden, bijvoorbeeld voor nieuwbouw. Er is dan waarschijnlijk nog een ronde onderzoek nodig om vast te stellen of sprake is van een 'Geval van ernstige bodem verontreiniging'. Het (enige) criterium daarvoor is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m³. Ter plaatse van de boringen 2 en 16 (de PAK-verontreiniging) vinden geen graafwerkzaamheden plaats. Nabij boring 12 vinden bouwwerkzaamheden (de vergroting van de woning) plaats. Er zijn voor het onderzoek naar PAK en zink veertien afperkende boringen geplaatst tot maximaal 1.5 m-mv. De resultaten staan in het aanvullend bodemonderzoek (bijlage 7). Het aanvullende onderzoek betreft de volgende deellocaties. 1. Asbest in de bovengrond voor het terrein met de opstallen. 2. Asbest in de onverharde gootlijn langs de kapschuur op het achterterrein. Deze heeft een lengte van 18 meter. 3. Asbest in de puin-halfverharding in en rond de kapschuur. Dit betreft een oppervlak van ongeveer 500 m² (één ruimtelijke eenheid). 4.

Afperking van PAK-verontreiniging in de bovengrond rond twee sterk verontreinigde boringen van eerder onderzoek. 5. Afperking van een sterk verhoogd zinkgehalte in de ondergrond van een boring achter de woning. Resultaten aanvullend bodemonderzoek De bodem ter plaatse bestaat uit klei, overgaand in veen. De bovengrond rond de woning is zandig. De grond van het overige terrein is met een enkele uitzondering direct vanaf maaiveld kleiig. In meerdere boringen is puin waargenomen. In één boring is het gehalte als gekwalificeerd als matig. Dit is de tweede halve meter van de bodem van boring 112, achter de woning en op de plek van boring 12 van het eerdere onderzoek. Het puin bestaat uit steenachtig materiaal. Grond, zink Ter afperking van het sterk verhoogde zinkgehalte in boring 12 van het eerdere onderzoek zijn vijf boringen gezet en vijf separate grondmonster geanalyseerd op zink. Het hoogst gemeten gehalte in de afperkingen boringen is met 186 mg/kg ds licht verhoogd. Het hoge zinkgehalte in boring 12 blijkt dus niet reproduceerbaar in de directe omgeving. Conclusie van het aanvullend onderzoek is dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging wat betreft zink. Het criterium daarvoor is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m³.

vastgesteld

37

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 Grond, PAK In één van de negen aanvullende boringen voor het PAK-onderzoek is de interventiewaarde overschreden. Dit is een boring in het groenstrookje aan de voorzijde van de wagenschuur (boring 107). In geen van de andere aanvullende boringen is PAK boven de tussenwaarde verhoogd. De sterke verontreiniging ter plaatse van boring B2, voor de wagenschuur, is door de verontreiniging in boring 107 niet afgeperkt. Op basis van de overige boringen in het kleine groenstrookje wordt gesteld dat van structurele verontreiniging boven de interventiewaarde geen sprake is en dat er niet meer dan 25 m³ bovengrond boven de interventiewaarde verontreinigd is met PAK. Asbest Het asbestonderzoek betreft drie onderdelen. a. De gootlijn aan de achterzijde van de kapschuur, met een lengte van 18 meter. b. De puin-halfverharding in en rond de kapschuur, oppervlak circa 500 m², c. De bovengrond rond de opstallen aan de voorzijde van het terrein. De half-verharding rond de kapschuur op het achterterrein is voor het onderzoek beschouwd als één ruimtelijke eenheid (RE). Dit betreft een oppervlak van 500 m². Voor het asbest-onderzoek zijn zeventien inspectiegaten gegraven. In één daarvan is asbest waargenomen. Dit is een gat aan de voorzijde van de kapschuur op het achterterrein (P4). In de bovenste decimeter is daar meer dan een kilo plaatmateriaal aangetroffen.

Het materiaal blijkt uit analyse 12.5% hecht-gebonden chrysotiel-asbest te bevatten. Er zijn totaal zeven mengmonsters van grond en puin ingezet voor analyse op asbest. Analytisch is door het lab in één daarvan asbest aangetoond. Dit is de zandige grond direct onder de puinlaag ter plaatse van gat P4. De puinlaag zelf heeft daar een dikte van (slechts) 0.1 meter. Het mengmonster van de zand-ondergrond van gat P4 bevat een gewogen asbestgehalte van 37 mg/kg ds. Op het analysecertificaat is vermeld dat er enkele asbestvezels in fractie kleiner dan 0.5 mm in dit monster zijn aangetroffen. De puinhoudende grond aan de voorzijde van het perceel en de gootlijn aan de achterzijde van de kapschuur zijn niet verontreinigd met asbest. Voor asbest in grond en puin is interventiewaarde toepassing van 100 mg/kg ds. Op basis van de kilo asbest-plaatmateriaal in de bovenste decimeter ter plaatse van gat P4 wordt geconcludeerd dat het gewogen asbestgehalte in de puin-toplaag meer dan 1 00 mg/kg ds bedraagt. Daar is doorgaans 700 gram plaatmateriaal voor nodig. Voor het oppervlak van het verontreinigde puin wordt 500 m² aangehouden. Uitgaande van een gemiddelde dikte van 0.25 meter komt het volume van de verontreinigde half-verharding 125 m³. In de grond onder de puinlaag is wel asbest aangetoond (kleiner dan 20 mm), maar het gehalte ligt met 37 mg/kg ds onder de tussenwaarde van 50 mg/kg ds.

Grond met gehaltes onder de 100 mg/kg ds asbest worden geacht geen risico te vormen voor de volksgezondheid. Conclusies Het zink in de tweede halve meter van de bodem in boring 12, achter de woning, is afgeperkt tot een enkele kuub. Als op deze locatie niet dieper gegraven gaat worden dan 0.5 m-mv, dan is het sterk verhoogde zink geen belemmering voor de voorgenomen bouwplannen. Mocht er graafwerk ter plaatse van de sterk verontreinigde boringen 2 en 107 (PAK) nodig zijn, dan wordt aanbevolen daar een plan van aanpak op te stellen. De grond rond deze boringen zal separaat ontgraven en afgevoerd moeten worden. De boringen 2 en 107 staan in het groenstrook aan de voorzijde van de wagenschuur. Voor het asbest in de half-verharding ter plaatse van de kapschuur is in principe sanering gewenst, in geval daar grondwerkzaamheden plaats vinden. Omdat daar geen grondwerkzaamheden plaats vinden, is sanering niet nodig. Gezien de resultaten uit het onderzoek is nader onderzoek niet nodig, omdat het hoogte verschil tussen de begane grond van de (achterzijde van de) woning met het aangrenzende maaiveld tenminste 1 meter bedraagt. Ter plaatse van de uitbreiding van de woning wordt het maaiveld met eenzelfde maat opgehoogd. De benodigde graafwerkzaamheden voor de fundering vinden niet in de ondergrond (dieper dan 0,5 meter diepte) plaats. Er is daarmee geen sprake van mogelijke

38

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 blootstelling en risico's voor de volksgezondheid ontbreken. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.

Verhoogde ligging achterzijde woning

5.6

Flora en fauna

5.6.1

Beleid en wetgeving

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is dan alleen nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land.

De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. De internationale verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn vanaf 1 januari 2017 verwerkt in de Wet Natuurbescherming. Stikstof - uitspraak Raad van State Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) mag niet als basis voor toestemming voor activiteiten worden gebruikt. Dat blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo'n toestemming 'vooraf' mag niet (meer), aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is nodig als op voorhand met wetenschappelijke zekerheid significante effecten op voor stikstof gevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. Om daar een beeld bij te krijgen kunnen de volgende stappen doorlopen worden:

vastgesteld

39

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 1. Voorfase: 10 km. Is de afstand groter dan 10 km, dan kan voor de meeste projecten geconcludeerd worden dat op voorhand geen significante effecten op stikstofgevoelige habitattypes plaats vinden. 2. Voorfase: check effectenindicator (https://www.synbiosys.alterra.nl/ natura2000/ effectenindicatorappl.aspx). 3. Voortoets (1): berekenen depositie aan de hand van een het (vernieuwde) Aeuriusmodel. Is de stikstofdepositie 0,00 mol per hectare per jaar, dan kunnen negatieve effecten uitgesloten worden. 4. Voortoets (2): in geval de stikstofdepositie meer dan 0,00 mol per hectare per jaar is, pas het plan aan. 5. Voortoets (3): intern salderen.Onderzoek of er een mogelijkheid is om intern te salderen. 6. Voortoets (4): ecologische voortoets, passende beoordeling, mitigerende maatregelen, extern salderen en ADC-toets. Wanneer deze effecten niet kunnen worden uitgesloten kan op grond van een Passende beoordeling of middels een ADC-toets alsnog vergunning worden verleend. Dan gelden er aanvullende eisen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid.

De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.6.2

Plangebied

De beperkte bouwmogelijkheden en de beoogde nevenactiviteiten op het perceel aan de Cattenbroekerdijk 44 hebben geen invloed op aanwezige soorten. Niet uitgesloten worden dat er soorten aanwezig zijn, maar de beperkte aanbouw aan de woning leidt niet tot een bedreiging van het voortbestaan van deze soorten. In deze paragraaf wordt kort ingegaan op de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Wet Natuurbescherming Natura 2000 gebied - stikstof Binnen een straal van 10 km zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. De Uiterwaarden van de Lek liggen op ongeveer 10 km afstand.

Ligging plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden (Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx) Dit bestemmingsplan maakt een zeer beperkte bouwactiviteit mogelijk, namelijk een uitbouw van 36 m2. Vergunningsvrij is meer mogelijk. De nevenactiviteiten die mogelijk worden gemaakt zijn reeds mogelijk op grond van het geldende bestemmingsplan (al dan niet met een afwijkingsbevoegdheid).

40

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 Gezien:  dat het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op tenminste 10 km afstand ligt;  de zeer beperkte toevoeging van bebouwing en nevenactiviteiten;  het feit dat de agrarische bestemming komt te vervallen. Met de agrarische bestemming is een volwaardig veehouderijbedrijf mogelijk, met als neventak een intensieve veehouderij. 'Veehouderij' is niet gedefinieerd in het bestemmingsplan. Het 'van Dale' woordenboek geeft de definitie 'het houden van vee'. Intensieve veehouderij is wel gedefinieerd in het geldende bestemmingsplan (bepaling 1.37 van de regels): daar waar over intensieve veehouderij wordt gesproken in het bestemmingsplan wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend)'; is het zeer aannemelijk dat de stikstofemissie als gevolg van dit bestemmingsplan daalt (lager is dan 0,00 mol/ha/jaar) en zijn significante negatieve effecten op voor stikstof gevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden uit te sluiten. De hoogste bijdrage van het project betreft de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen.

Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Daarnaast is van grotere bouwprojecten bekend dat de Aeriusberekeningen, zowel tijdens de realisatiefase als tijdens de gebruiksfase, een voldoende neutrale uitslag laten zien waardoor gesteld kan worden dat dit voor het onderhavige project eveneens het geval zal zijn. Soortenbescherming - vleermuizen De enige constructieve bouwwerkzaamheden die plaats vinden, betreft de aanbouw aan de achterzijde van de woning. Ten behoeve van de aanbouw, moet de achtergevel eruit. Gezien het type woning en de beperkte ruimte die aanwezig is, is de woning mogelijk alleen geschikt voor soorten die én gebouwbewonend zijn én gebruik maken van nauwe ruimte als kieren en gaten om tussen te verblijven. Dat zijn de gewone dwergvleermuizen en de laatvlieger.

Gebleken is dat de achtergevel niet geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. De dakconstructie is dusdanig, dat er geen vleermuizen in de te verbouwen achtergevel kunnen zitten. Dit wordt onderbouwd door een quick-scan die uitgevoerd is (bijlage 6). Daaruit blijkt ook dat er geen kraam - of zomerverblijfplaatsen zijn aangetroffen. Ook de schuren op het erf zijn ongeschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, door het open karakter van de schuren, tochtvorming en het ontbreken van boeiboorden en gevelbetimmering en gaten in muren om achter te kruipen.

vastgesteld

41

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44

Dakconstructie Er is een enkele foeragerende vleermuis waargenomen, welke geen binding had met het perceel. Het perceel maakt geen onderdeel uit van belangrijke foerageergebieden of vliegroutes die essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied. Daarbij wordt opgemerkt dat op het perceel Cattenbroekerdijk 44 nesten aanwezig zijn van uilen en valken. De natuurlijke vijanden van vleermuizen. Gezien het voorgaande is het zeer aannemelijk dat:  er geen vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn op het perceel;  met de realisatie van de aanbouw er geen vleermuizen in hun voortbestaan worden bedreigd. Initiatiefnemer heeft aanvullend vier vleermuiskasten geplaatst op het perceel. Op onderstaande verbeelding is schematisch aangegeven waar de kasten hangen.

Schematische weergave plaatsen vleermuiskasten. Soortenbescherming - overige soorten De gevelbetimmering biedt te weinig ruimte aan huismussen en gierzwaluwen, die doorgaans meer van dakpannen gebruik maken. De pannen op het dak lagen strak op elkaar; er was geen ruimte tussen de pannen waar huismussen gebruik van kunnen maken. Ook voor gierzwaluwen is het dak

42

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 ongeschikt: tussen de pannen was geen ruimte, er was ter plaatse van de werkzaamheden geen schoorsteen met loden rand of iets dergelijks aanwezig dat ruimte bood en bij de overstek was de ruimte tussen het dak en de muur te krap voor gierzwaluwen. Aan de lange zijde van het dak was de onderkant gedicht zodat gierzwaluwen ook niet onder de onderste rij pannen konden komen. Ook voor overige vogelsoorten als uilen of zoogdieren als marters is de woning ongeschikt als potentieel verblijf; er zijn geen open ruimten waar steen- of kerkuil gebruik van kan maken als nestlocatie en open ruimte tot de kelder of zolder waar steenmarter gebruik van kan maken zijn niet aanwezig. De uitbouw vindt plaats aan de achtergevel van een woning met bestrating daaronder. Daarom kunnen de volgende soortgroepen op voorhand worden uitgesloten:  Flora  Amfibieën  Reptielen  Ongewervelden Geconcludeerd wordt dat er geen soorten aanwezig zijn die in hun voortbestaan bedreigd worden door de uitbouw. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de afstand tot het NNN (1,9 km) wordt gesteld dat de voorgenomen bestemmingswijziging geen negatieve effecten heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

5.7

Archeologie en cultuurhistorie

5.7.1

Wet- en regelgeving

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanaf 1 januari 2012 is in het Bro vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing, rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken van deze plannen de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. De cultuurhistorische waarden kunnen bestaan uit vastgestelde, monumentale waarden en waardevolle elementen. Over het algemeen wordt bij het inventariseren van cultuurhistorische waarden onderscheid gemaakt tussen waardevaste en waardevolle elementen. Waardevaste elementen hebben een beschermde status en zijn op basis van de Erfgoedwet of gemeentelijke verordening aangewezen als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument. Waardevolle elementen zijn daarentegen niet formeel beschermd, maar kunnen een bijzondere karakteristieke of geschiedkundige waarde hebben en van belang zijn als cultuurdrager.

vastgesteld

43

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 De cultuurhistorische waarde van een plangebied is zodoende niet alleen afhankelijk van beschermde monumentale waarden binnen het gebied, maar kan zeker ook bepaald worden door waardevolle structuren of objecten in de directe omgeving. Bij het inventariseren dient dan ook zowel naar het plangebied als naar de omgeving daarvan gekeken te worden. Erfgoedwet Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Voor 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn die allemaal samengegaan in één wet. De uitgangspunten van het Verdrag van Valetta zijn in de Erfgoedwet geïmplementeerd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Daarmee spreekt de regering het vertrouwen uit dat de sector voldoende kennis, deskundigheid en betrokkenheid heeft om de zorg voor ons cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet geldt de meldingsplicht: toeval-vondsten moeten worden gemeld bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. de gemeente Montfoort).

Gemeentelijke beleidsnota archeologie In 2011 heeft de gemeenteraad van de gemeente Montfoort het Archeologiebeleid vastgesteld. Voor de gemeente is het gewenst om bij geplande bodemingrepen en wijzigingen in bestemmingsplannen de archeologie al in een vroeg stadium bij de planvorming te kunnen betrekken. Hiertoe is het formuleren van een gemeentelijk archeologiebeleid essentieel. Voor het gehele grondgebied van de gemeente is een archeologische inventarisatie uitgevoerd en vervolgens een archeologische waarden en verwachtingenkaart en een maatregelenkaart opgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart staan naast de reeds bekende archeologische waarden ook de te verwachte archeologische waarden in de vorm van zones met een bepaalde trefkans. Hiermee wordt een beeld verkregen waar archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden is een archeologiebeleid opgesteld. De archeologische maatregelenkaart is afgeleid uit de archeologische waarden- en verwachtingenkaart, waarbij de beleidsadviezen in de legenda zijn opgenomen. 5.7.2

Plangebied

Archeologie Volgens de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Montfoort ligt de onderzoekslocatie deels in een gebied met een hoge archeologische verwachting (categorie 4). In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij bodemverstorende werkzaamheden groter dan 200 m² en bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv, vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Voor het achterste deel van het perceel geldt een lage archeologische verwachtingswaarde (categorie 6). Beleidscategorie 6 betreft landschappelijke eenheden (komgronden) met een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om de archeologische verwachting nader te specificeren, maar dan alleen bij zeer grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen, die onder de m.e.r.-plicht vallen. De woning wordt met circa 36 m2 vergroot, waarmee er geen verplichting is tot het doen van nader onderzoek. Ten behoeve van de werkzaamheden wordt ter plaatse de grond opgehoogd met 1 meter. De fundering van de nieuwbouw reikt tot halverwege de ophooglaag. Daarmee wordt de bodem niet verstoord ter plaatse van de nieuwbouw. De beide verwachtingswaarden zijn op de verbeelding en in de regels opgenomen. Aangesloten is bij de regeling van het geldende bestemmingsplan.

44

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44

Uitsnede archeologische verwachtingswaarde - en beleidskaart Cultuurhistorie Voorliggend bestemmingsplan heeft geen invloed op het cultuurhistorische karakter. Dit bestemmingsplan omvat een beperkte functiewijziging en een (zeer) beperkte bouwactiviteit. Het van oudsher aanwezig bewonerslint blijft in tact.

Uitsnede cultuurhistorische kaart

5.8

Kabels en leidingen

Onder de Cattenbroekerdijk ligt een waterleiding. De leiding heeft aan weerszijden een beschermingszone van 10 meter. Een klein deel van de beschermingszone valt binnen het plangebied. Binnen deze zone mag er niet gebouwd worden. Tevens geldt hier een aanlegvergunningstelsel. De leiding is als dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan.

Ligging waterleiding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

vastgesteld

45

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44

5.9

Besluit milieueffectrapportage

In het Besluit milieueffectrapportage (verder: het Besluit mer) is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit mer. Het wijzigen van de bestemming 'agrarisch' in 'wonen', waarmee de voormalige bedrijfswoning een burgerwoning wordt en maximaal 310 m2 van de voormalige agrarische opstallen gebruikt wordt voor nevenfuncties is te beschouwen als een "stedelijk ontwikkelingsproject" (categorie D11.2). In het Besluit mer is een drempelwaarden opgenomen. Voor projecten die boven deze drempelwaarden uit komen, geldt dat er een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor projecten die onder de drempelwaarden blijven, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden. Sinds 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie schrijven. Een aanmeldingsnotitie hoeft alleen opgesteld te worden als de initiatiefnemer niet het bevoegd gezag is van de voorgenomen activiteit. Deze aanmeldingsnotitie is vormvrij, maar heeft wel een aantal inhoudelijke voorwaarden.

De aanmeldingsnotitie moet in ieder geval informatie bevatten over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van de activiteit op het milieu. Het bevoegd gezag bepaalt op basis van de notitie of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. De drempelwaarden het Besluit mer zijn: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Met dit bestemmingsplan wordt een woonbestemming met een aantal nevenfuncties mogelijk gemaakt die ver onder deze drempelwaarden blijven. In de regels is expliciet opgenomen dat nieuwe activiteiten die vallen onder het besluit mer niet zijn toegestaan. In voorgaande hoofdstukken zijn alle aspecten benoemd die terug moeten komen in de aanmeldingsnotitie. Daarmee is voorliggend bestemmingsplan te beschouwen als aanmeldingsnotitie. Uit de hoofdstukken 4 en 5 blijkt dat de beoogde functiewijziging geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Er is daarmee geen noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport. Het bevoegd gezag dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Dit besluit hoeft niet gepubliceerd te worden.

46

vastgesteld

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is deze uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking.

6.2

De bestemmingen

Het bestemmingsplan bevat een aantal bestemmingen. Voor wat betreft de gebruiks- en bouwbepalingen is maximaal aangesloten bij de bepalingen van de geldende bestemmingsplannen. Aangesloten wordt bij de regelingen van bestemmingsplan '1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012'. Tuin Gebruik De gronden voor de voorgevel van de woning en een groot deel achter op het perceel hebben de bestemming 'tuin' gekregen. Deze gronden mogen gebruikt worden voor tuin en erven, toegangspaden, parkeerplekken voor fietsers en ter plaatse van de aanduiding ''specifieke vorm van tuin - theetuin' is een theetuin mogelijk. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' mag er geparkeerd worden. De aanduiding 'bijgebouwen' geldt voor bestaande bijgebouwen, welke ten dienste van de bestemming 'Wonen' gebruikt mogen worden. Deze opstallen mogen alleen voor privé doeleinden gebruikt worden en niet ten behoeve van nevenfuncties. Dit is bepaald in de specifieke gebruiksregels. De gronden mogen ook gebruikt worden voor groen, water en verhardingen. Bouwen Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bestaande erkers en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden ten dienste van de bestemming. De bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m achter de voorgevel en maximaal 1 m voor de voorgevelrooilijn. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 3 m hoog zijn.

vastgesteld

47

bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 44 Nieuwe erkers zijn onder voorwaarden (met een afwijkingsbevoegdheid) toegestaan. De bestaande opstallen achter op het perceel zijn met een aanduiding 'bijgebouwen' aangeduid. De maatvoering van deze opstallen (goot- en bouwhoogte en de oppervlaktes), zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, gelden als maximaal toelaatbaar. Wonen Gebruik De gronden met de bestemming wonen (met bijbehorende bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen van de woning en bouwwerken, geen gebouwen zijnde) mogen gebruikt worden als:  parkeervoorzieningen en ontsluitingspaden;  tuinen en erven;  paardenbakken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden met de bijbehorende voorzieningen in de vorm van zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens;  het hobbymatig houden van dieren, waaronder paarden;  verschillende nevenfuncties, namelijk een theetuin, kano- roeiboot- of fietsenverhuur, een vergaderruimte en aan huis gebonden beroepen. Al deze nevenfuncties zijn met een oppervlakte gelimiteerd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - theetuin' is een theetuin met ondergeschikte verkoop van ter plaatse gemaakte goederen mogelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=26af0c3b-4589-45a8-b481-3820a1f3d513