CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

BPGasleidingEneco-VG01.pdf

Raadsvergadering 13 februari 2023, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan ’Vaststellen bestemmingsplan ‘Facetherziening Buisleiding Hoornaar – MR Reijerscop’26.347 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Om het opbarsten van de putbodems te voorkomen worden in de lokaal aanwezige zandtussenlagen verticale filters voorgesteld. Ten behoeve van de spanningsbemaling in het eerste watervoerend pakket wordt verticale bemaling tot een maximale diepte van 12 m‐mv voorgesteld. Het maximaal berekende waterbezwaar bedraagt 1,8 miljoen m3 (worst case GHS situatie) en het maximale berekende debiet bedraagt 390 m³/uur. De onttrekking vindt plaats in de beheergebieden van waterschap Rivierenland en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Bij beide waterschappen wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. De grondwateronttrekking is vergunningsplichtig en is een m.e.r. beoordeling noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

39

Lozing Wanneer het grondwater wordt geloosd op oppervlaktewater in beheer bij Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld het de Lek, wordt de lozingshoeveelheid van 5.000 m³/uur niet overschreden. Er is geen meld‐ of vergunningplicht. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij waterschap Rivierenland wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. Er is bij lozing op deze oppervlaktewaterlichamen een vergunning benodigd. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is uitsluitend de zorgplicht van toepassing. De noodzaak voor een vergunningaanvraag dient te worden overlegd met het hoogheemraadschap. Ten aanzien van de kwaliteit van het lozingswater dient een melding van de lozing in het kader van het Blbi plaats te vinden. Effecten Uit de zettingsberekeningen blijkt dat op het tracé Hoornaar binnen de 1,0 m verlagingscontour (stijghoogte watervoerend pakket) zettingen van 7 à 10 mm zijn te verwachten. Als gevolg van de bemalingen worden verder geen noemenswaardige effecten op de omgeving verwacht. De volgende aanbevelingen worden gedaan:  Uitvoeren m.e.r.

beoordeling (zie paragraaf 4.9);  Aanvragen vergunning grondwateronttrekking en lozing op oppervlaktewater;  Opstellen monitoringsadvies;  Monitoren stijghoogteverlagingen;  Aanvragen vergunningen voor onttrekken grondwater uit grondwaterbeschermingsgebieden;  Monitoren grondwaterkwaliteit (ijzer, chloride, onopgeloste bestanddelen). Conclusie De uitwerking van deze maatregelen (indien nodig) dient nog plaats te vinden, maar op basis van kennis en ervaring kan worden gesteld dat het altijd mogelijk is om belangrijke nadelige milieugevolgen in dit kader voldoende te reduceren om te komen tot aanvaardbare milieueffecten en om vergunningverlening mogelijk te maken. Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.9

Vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Volgens het Besluit milieueffectrapportage dient voor activiteiten van onderdeel D te worden bepaald of er ten gevolge van de voorgenomen activiteit sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Afhankelijk van waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is een milieueffect‐rapportage (m.e.r., de procedure) al dan niet nodig en dient er wel of geen MER (milieueffect‐rapport, het document) te worden opgesteld. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. In relatie met aardgastransportleidingen is van belang categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2‐stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën". Er is hier sprake van vormvrije m.e.r.‐beoordeling, omdat de drempelwaarde van 5 kilometer van deze categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

40

Daarnaast is in relatie met de voorgenomen werkzaamheden categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage van belang: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.". Het totale waterbezwaar voor het plan betreft circa 1,7 miljoen m3. Er is hier sprake van m.e.r.‐beoordeling, omdat de drempelwaarde van deze categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage wordt overschreden. De voorgenomen activiteit heeft namelijk betrekking op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. M.e.r.‐plicht is niet aan de orde (categorie C 15.1), omdat de te onttrekken hoeveelheid minder is dan 10 miljoen m3 per jaar. In dit kader is ook beschouwd of de bestemmingsplannen voor de gastransportleidingen kaderstellend zijn voor deze activiteit van het onttrekken van grondwater. In dat geval zou er een Plan‐MER moeten worden opgesteld. Een bestemmingsplan is kaderstellend indien het de basis vormt voor het in kolom 4 genoemde besluit. Dat is in dit geval niet de situatie. De onttrekking van grondwater is een tijdelijke eenmalige activiteit die nodig is om de aanleg van de aardgastransportleiding mogelijk te maken. De bestemmingsplannen (voor elke gemeente één) doen geen uitspraak en stellen geen regels over de aanlegmethode en zijn daarvoor ook niet bedoeld.

Daarom zijn de bestemmingsplannen voor de activiteit onttrekken van grondwater niet kaderstellend. Een Plan‐MER is niet aan de orde. Voorts is van belang dat bij plannen, zoals bestemmingsplannen waarvoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, een Plan‐MER nodig is, tenzij wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van het Besluit milieueffectrapportage. Dat is hier het geval:  Het gaat om een plan waarbij een gemeente het bevoegd gezag is;  De omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente(n) is klein (voor alle zes gemeenten ruim minder dan 0,2%);  Uit de voorliggende m.e.r.‐beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieugevolgen zijn. Ook op basis hiervan is het derhalve niet aan de orde om een plan‐MER op te stellen. De aanmeldingsnotitie ten behoeve van de m.e.r.‐beoordeling (zie bijlage 11) gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu. Op basis van de onderzoeken van de verschillende aspecten kan worden geconcludeerd dat de benodigde (bemalings‐)werkzaamheden en het gebruik van het tracé niet tot waarschijnlijk belangrijke nadelige milieueffecten leiden betreffende het thema externe veiligheid. Op 10 augustus 2022 is bij besluit van het college vastgesteld dat geen MER nodig is. De gebundelde besluiten van de gemeentes waarop het tracé betrekking heeft is opgenomen in bijlage 12.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

41

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de bestemmingsplanvorm, de systematiek en leeswijzer bij de regels en ten slotte de handhaafbaarheid.

5.2

Planvorm

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat geheel uit een dubbelbestemming, zonder enkelbestemmingen. Hiervoor is gekozen, omdat enkel de gasleiding wordt mogelijk gemaakt. De andere functies in het gebied blijven hetzelfde. Het opnemen van de enkelbestemmingen zou in dat geval misleidend zijn, omdat dat niet is waar dit bestemmingsplan om gaat. Dit voorliggende bestemmingsplan vormt een ‘facetherziening’. Dat houdt in dat de bestemmingsplannen die onder het plangebied van voorliggend bestemmingsplan liggen, geldend blijven en niet worden vervangen door dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan komt er als het ware ‘overheen’ te liggen.

5.3

Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Hoofdstuk 2 geeft de planregels behorende bij de in het plangebied voorkomende dubbelbestemming. Hoofdstuk 3 bevat de algemene, voor het gehele plangebied geldende, bepalingen en hoofdstuk 4 bevat tot slot de overgangsregels en slotregel. Toepassingsregels In de planregels van het bestemmingsplan zijn de planregels van de onderliggende geldende bestemmingsplannen opnieuw van toepassing verklaard. Alle (onderliggende) bestemmingen zijn en blijven daarmee nog steeds van kracht. Dubbelbestemming Leiding ‐ Gas Het gehele plangebied bestaat uit de dubbelbestemming Leiding – Gas. Voor deze bestemming is bepaald dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht. Hiernaast is een vergunningenstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding. Deze twee bepalingen zijn voorgeschreven in artikel 14, lid 2, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

42

Tevens is in dit artikel, in het eerste lid, voorgeschreven dat een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding, in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Deze belemmeringenstrook moet minimaal 5 meter aan weerzijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, bedragen. In het voorliggende bestemmingsplan is deze belemmeringenstrook dan ook aangehouden en deze strook vormt de breedte van het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

43

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Naast de planologische haalbaarheid van het project zoals getoetst in voorgaand hoofdstuk, zal ook de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project moeten worden aangetoond.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De aanleg van de nieuwe leiding en de aansluitingen van de leiding worden aanbesteed. GTS heeft voor het project een raming opgesteld. GTS is zowel financieel als organisatorisch verantwoordelijk voor het project en ook het beheer van de leiding. De kosten van het gehele project komen volledig voor rekening van GTS. GTS is in staat om de werkzaamheden geheel uit eigen middelen te financieren. De economische uitvoerbaarheid is daarmee afdoende gewaarborgd. Voor wat betreft eventuele planschade die derden kunnen ondervinden als gevolg van de aanleg en aanwezigheid van de nieuwe leiding zal GTS een standaardovereenkomst met de gemeente afsluiten. Daarnaast heeft GTS met de zakelijk gerechtigden in de algemene voorwaarden een schadevergoedingsregeling opgenomen.

6.2

Grondexploitatie

In het besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels opgenomen over grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. De aanleg van een leiding worden echter niet als een dergelijk bouwplan aangemerkt. Op grond van het Bro behoeft daarom geen exploitatieplan te worden opgesteld.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties. Vanuit de Provincie Utrecht zijn vragen aangaande de aanlegwerkzaamheden van de gastransportleiding in relatie tot de NNN‐gebieden. Bij alle locaties waar NNN‐gebieden worden doorkruist worden de werkzaamheden uitgevoerd middels een horizontaal gestuurde boring en wordt bij de meeste locaties geen tijdelijke werkterrein ingericht. Op de locatie ten oosten van de Lakerveldse Molenkade wordt het NNN‐gebied doorsneden middels een tijdelijke werkstrook. Hiervoor zijn door grondeigenaar Zuid‐Hollands Landschap reeds snoeiwerkzaamheden verricht. Direct naast het NNN‐gebied ten noorden van de Noordzijdse Kadewetering wordt een tijdelijk werkterrein ingericht. Direct ten noorden van het gebied is daarbij tijdelijk vervangend vogelweidegebied gecreëerd. Bovenstaande is afgestemd met en geaccordeerd door de provincie Utrecht. In het kader van het overleg heeft afstemming plaatsgevonden met Vitens. Bij het overleg zijn afspraken gemaakt naar tevredenheid van beide partijen met betrekking tot de werkzaamheden. Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

44

Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode was het voor eenieder mogelijk om mondeling of schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. Binnen deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen. Ambtshalve wijziging Vanwege optimalisatie van het ontwerp zijn er enkele (minimale) wijzigingen van de ligging van de gastransportleiding en het plangebied doorgevoerd. Vaststelling Vervolgens stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Archeologisch bureau‐ en veldonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht, gemeente Montfoort

projectnummer 455773 revisie 0B 17 februari 2022

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht, gemeente Montfoort projectnummer 455773 documentnummer 455773-ARC-BO+IVO-002 revisie 0B 17 februari 2022

Auteurs R.L. Fens I. Fleuren C.I. Nater V. Van Looveren

Opdrachtgever N.V. Nederlandse Gasunie Concourslaan 17 9727 KC GRONINGEN

datum vrijgave 18-2-2022

beschrijving revisie 0B concept

gecontroleerd A.J. Brokke

vrijgave R.S. Raap

Inhoudsopgave

Blz.

Samenvatting

4

1

Inleiding

6

2

Bureauonderzoek

8

2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4

Beschrijving onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Huidig en toekomstig gebruik Archeologisch beleid en regelgeving Landschappelijke situatie Historische situatie Mogelijke verstoringen Bekende waarden Archeologische waarden Ondergrondse bouwhistorische waarden Archeologische verwachting Bestaande verwachtingskaarten Gespecificeerde archeologische verwachting Conclusies en advies voor vervolgonderzoek

8 8 8 10 10 14 17 17 17 19 19 19 19 20

3

Veldonderzoek

22

3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2

Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Bodem, lithologie en interpretatie Archeologie

22 23 25 25 27

4

Conclusies en advies

28

4.1 4.2

Conclusies (Selectie)advies

28 30

Literatuur en geraadpleegde bronnen

31

Lijst met afbeeldingen

32

Bijlagen 1 2 3

Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen en raaiprofiel

Kaartbijlagen 455773-ARCHIS 455773-ARO

Gegevens uit ARCHIS Situatiekaart met ligging boorpunten

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem

455773 4724482100 Utrecht Montfoort Achthoven Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht

Kaartblad 31-O & 38-O Coördinaten N 128450 / 453152 Z 127878 / 448154 Opdrachtgever N.V. Nederlandse Gasunie Uitvoerder Antea Group Datum uitvoering maart - juni 2021, december 2021 Projectteam J.A. Kruse (projectleider) C.I. Nater (senior KNA-archeoloog) V. Van Looveren (KNA-archeoloog) R. Fens (senior KNA-archeoloog, senior KNA-prospector) I. Fleuren (archeoloog) Vrijgave conform KNA G. Sophie (senior KNA-archeoloog), protocol 4002 A.J. Brokke (senior KNA-prospector), protocol 4003 Bevoegd gezag Gemeente Montfoort Deskundige Bevoegd gezag Omgevingsdienst Regio Utrecht Beheer documentatie Antea Group

Blad 1 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 1. De ligging van het plangebied in de gemeente Montfoort. (Bron: Esri & partners.). In het zuidelijke deel (onderste figuur) vindt alleen een gestuurde boring plaats zonder ontgravingen. De overige afbeeldingen in dit document geven daarom in de meeste gevallen alleen het noordelijk deel van het tracé in de gemeente Montfoort weer.

Blad 2 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 2. Overzichtskaart met de ligging van het tracé Hoornaar – Reijerscop en Utrecht Lage Weide. (Bron: Esri & partners.)

Blad 3 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Samenvatting In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft Antea Group in juli-december 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd gevolgd door een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in de periode maart-mei 2021 en december 2021 voor het tracé van twee gastransportleidingen. Het gaat om een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van de nieuw aan te leggen tracé HoornaarReijerscop is in afbeelding 2 weergegeven. Het plangebied loopt door zes verschillende gemeentes: Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden Dit rapport heeft alleen betrekking op het gedeelte van het tracé dat gelegen is binnen de gemeente Montfoort (abeelding 1). Conclusies bureauonderzoek In de komgebieden is er een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Op de hoger gelegen oeverwal en crevasse-afzettingen van de aanwezige stroomgordels is er wel een gerede kans op het aantreffen van archeologische resten.

Waar de oeverwal- en crevasseafzettingen van de stroomgordel van IJsselveld-Schuurenburg niet door de Hollandse IJssel geërodeerd zijn, kunnen mogelijk bewoningssporen uit de ijzertijd, romeinse tijd en middeleeuwen aanwezig zijn. Op niet door de Hollandse IJssel geërodeerde delen van de afzettingen van Lampsin en Jutphaas kunnen mogelijk archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de romeinse tijd aanwezig zijn. Ook kunnen er resten worden aangetroffen van de oude weg, die stamt uit de nieuwe tijd, zoals weergegeven op de historische kaarten. Tevens kunnen er resten worden aangetroffen uit de Tweede Wereldoorlog. Conclusies veldonderzoek Het noordelijke gedeelte van het plangebied (401-423) ligt in een veenkomgebied waarvoor een lage archeologische verwachting geldt. Het zuidelijke gedeelte (boringen 1401-1412) bevindt zich binnen het stroomgordelsysteem van de IJsselveld-Schuurenburg stroomgordel (ID 76). In het bodemprofiel zijn afzettingen aangetroffen die waarschijnlijk zijn toe te schrijven zijn aan deze stroomgordel (oeverwalachtige trajecten, beddingzand, geulafzettingen). Het oeverwalachtige materiaal vertoont echter slechts zwakke tot matige tekenen van rijping. Daarnaast zijn er nergens duidelijke archeologische lagen of archeologische indicatoren aangetroffen. In het zuidelijk deel is op elke 25 m een boring geplaatst.

Door het ontbreken van indicatoren wordt de verwachting op huisplaatsen uit de middeleeuwen of nieuwe tijd in het plangebied als laag ingeschat. Wel is bekend dat het gebied op de oeverwal vanaf de late middeleeuwen intensief benut en dat dit niet alleen de top van de oeverwal betrof, maar ook de flank. Ter hoogte van boring 1409, maar vlak naast het plangebied, lag in de nieuwe tijd een huisje. Gestaan In boring 1409 en naastgelegen boringen zijn geen resten aangetroffen die wijzen dat dit erf groter was dan op historische kaarten wordt getoond. Resten van landbouwkundige activiteiten zijn wel in het plangebied te verwachten, zoals de mogelijke begraven akkerlaag in boring 1405. Selectieadvies De vermoedelijke aanwezigheid van sporen van landinrichting uit middeleeuwen en nieuwe tijd wordt niet als voldoende grond beschouwd voor het verrichten van vervolgonderzoek. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Bij het uitvoeren van de werkstrook moet worden opgelet op de mogelijke aanwezigheid van vroegere

Blad 4 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

bewoningsresten. Dit valt onder de wettelijke meldingsplicht (zie onder). De werkstrook mag niet breder worden aangelegd dan in het hier gebruikte ontwerp (november 2022). Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Dit rapport en de adviezen hierin dienen ter beoordeling te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid. Zij zal, op voorspraak van haar adviseur, op basis hiervan overgaan tot een selectiebesluit. Revisie 0A van dit rapport is voorgelegd aan en beoordeeld namens de gemeente Montfoort door de Omgevingsdienst Regio Utrecht als onderdeel van een MER-beoordeling. In de onderhavige revisie zijn de ontvangen op- en aanmerkingen verwerkt. De onderhavige rapportage (in revisie 0B) dient wederom aan de gemeente te worden voorgelegd voor een tweede beoordeling, mede omdat aan deze revisie ook nieuwe onderzoeksgebieden zijn toegevoegd. Meldingsplicht Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456).

Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

Blad 5 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

1

Inleiding In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft Antea Group in juli-december 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd gevolgd door een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in de periode maart-mei 2021 en december 2021 voor het tracé van twee gastransportleidingen. Het gaat om een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van de nieuw aan te leggen tracé HoornaarReijerscop is in afbeelding 2 weergegeven. Het plangebied loopt door zes verschillende gemeentes: Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden Dit rapport heeft alleen betrekking op het gedeelte van het tracé dat gelegen is binnen de gemeente Montfoort (abeelding 1). Dit rapport en het uitgevoerde onderzoek is bijgewerkt naar het ontwerp-tracé van 22 oktober 2021 en het werkterreinindeling van 11 november 2021. Het bureauonderzoek is in eerste instantie separaat gerapporteerd, maar is in dit rapport integraal opgenomen als hoofdstuk 2. Het is bijgewerkt naar het huidige tracé-ontwerp (22 oktober 2021) en werkterreinindeling (11 november 2021). Eerdere uitgangspunten uit het tracéontwerp van 2019, januari 2021 en maart 2021 vervallen.

De nieuwe uitgangspunten bij het ontwerp van 22 oktober 2021 zijn verwoord in paragraaf 2.1.2. In revisie 0A uit juni 2021 is in het selectieadvies het voorbehoud gemaakt dat mocht zich een tracéwijziging voordoen, het veldonderzoek op basis daarvan weer dekkend diende te worden gemaakt. Dit aanvullend booronderzoek is uitgevoerd in december 2021, naar aanleiding van het tracéontwerp en werkterreinindeling van oktober / november 2021. Revisie 0A van dit rapport is voorgelegd aan en beoordeeld namens de gemeente Montfoort door de Omgevingsdienst Regio Utrecht als onderdeel van een MER-beoordeling. In de onderhavige revisie zijn de ontvangen op- en aanmerkingen verwerkt. De onderhavige rapportage (in revisie 0B) dient wederom aan de gemeente te worden voorgelegd voor een tweede beoordeling, mede omdat aan deze revisie ook nieuwe onderzoeksgebieden zijn toegevoegd. Het plangebied is onderzoeksplichtig conform het beleid van de gemeente Montfoort (zie paragraaf 2.1.3). Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2).

Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Een verkennend booronderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie.

Blad 6 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Een karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Certificering Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen, 4001 (programma van eisen), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).

Blad 7 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

2

Bureauonderzoek

2.1

Beschrijving onderzoekslocatie

2.1.1

Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het is van belang een onderscheid te maken tussen plangebied enerzijds en onderzoeksgebied anderzijds. Met plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de in de inleiding genoemde plannen en/of werkzaamheden betrekking hebben. Voor dit plangebied wordt in de regel ook de ruimtelijke procedure gevoerd waarvan dit archeologisch onderzoek een onderdeel is. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verstoord worden. Het totale plangebied betreft een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van het nieuw aan te leggen tracé HoornaarReijerscop is in afbeelding 2 weergegeven. Voor deze revisie van het bureauonderzoek is het tracé-ontwerp van oktober 2021 aangehouden. In dit ontwerp bestaat de aanleg in de gemeente Montfoort uit een aanleg in open ontgraving van opgeteld 400 m en een aanleg in de vorm van HDD-boringen over een afstand van 1990 m. De omvang van het totale werkterrein is circa 4,3 ha.1 Het plangebied van de onderhavige rapportage bevindt zich ten noorden van de Provincialeweg (en ten noorden van de Hollandsche IJssel) en loopt in noordelijke richting tot aan de Reijerscopsche Wetering.

Het onderzoeksgebied is groter dan het plangebied en beslaat een zone van circa 100 m aan weerszijden van het plangebied (tracé en werkterrein). Binnen deze zone liggende archeologische onderzoeken en vondstmeldingen worden in dit rapport meegenomen.

2.1.2

Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het gebied is momenteel in gebruik als akker- en weiland. Ook is er sprake van enkele boerderijen nabij het plangebied (afbeelding 3). Consequenties toekomstig gebruik De aan te leggen leiding betreft een DN300 (buis van 300 mm binnendoorsnede) en wordt deels in open ontgraving (veldstrekking) aangelegd. Ter plaatse van de veldstrekkingen wordt onder talud een sleuf aangelegd met een breedte van 0,6 m op putbodem en een diepte van 2,0 m. Om de 200 m veldstrekking en aan weerskanten van sloten op de veldstrekking komt een lasput van 2,5 bij 2,5 m (putbodem) en 2,5 m diep. Bij de aanleg in open ontgraving ligt de leidingsleuf binnen een werkstrook van 30 m breed. Voor de werkstrook vindt een ontgraving van de bovengrond plaats en na afloop van de werkzaamheden zal de strook inclusief de leidingsleuf cultuurtechnisch worden opgeleverd. Dit zal onder normale omstandigheden een bodemverstoring van maximaal 0,7 m -mv geven. 1

Kengetallen op basis van de tracéontwerp van 22 oktober 2021 en de werkterreinindeling van 11 november 2021.

Blad 8 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Het grootste deel van de aanleg van de transportleiding gebeurt niet in open ontgraving, maar in de vorm van ondergronds gestuurde boringen (HDD-boringen, sleufloze techniek). De HDDboringen worden aangelegd op werkterreinen met een omvang van gemiddeld circa 80 bij 80 m (6400 m2). Aan het maaiveld van de geprojecteerde HDD-leidingen wordt in veel gevallen nog wel een werkterrein aangelegd. Deze is bestemd als rijbaan om de HDD-werkterreinen te bereiken en als strook voor het uitleggen van de te boren leidingsegmenten. Ook voor dit werkterrein wordt uitgegaan van een breedte van 30 m, waarbij cultuurtechnisch herstel tot 0,7 m -mv plaatsvindt. De omvang van de te boren transportbuizen kunnen in de bodem schade aan eventuele archeologische resten toebrengen. De schade is aan de bodem betreft de omvang van de boorkop (net iets groter dan de diameter van de buis). Deze schade is relatief beperkt als dit wordt vergeleken met de omvang van het grondverzet in open ontgraving (leidingsleuf vanaf maaiveld tot 2,5 m diep). Er is niet op een effectieve wijze te onderzoeken welke schade bij sleufloze aanleg precies optreedt. Wel is te beredeneren dat deze schade kleiner is dan de aanleg in open ontgraving. Ten opzichte van open ontgraving is een HDD-boring derhalve verkiesbaar. In het licht van bovenstaande wordt vervolgonderzoek voor HDD boringen niet realistisch geacht.

Lengte aanleg totaal Lengte veldstrekking Lengte HDD Oppervlakte werkterrein totaal

2390 m 400 m 1990 4,3 ha

Afbeelding 3. De locatie van het plangebied op een recente luchtfoto. (Bron: Esri & partners.)

Blad 9 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

2.1.3

Archeologisch beleid en regelgeving Op de beleidskaart van de gemeente Montfoort heeft het plangebied een deels hoge en deels lage verwachting. De hoge verwachting op de beleidskaart komt overeen met beleidscategorie 4 en de lage met categorie 6. Voor beleidscategorie 4 geldt dat plangebieden onderzoeksplichtig zijn bij een oppervlakte vanaf 200 m2 en bij bodemverstoringen vanaf 0,5 m –mv. Gebieden binnen beleidscategorie 6 zijn alleen onderzoeksplichtig wanneer het ruimtelijke ontwikkelingen binnen de M.E.R.-plicht betreft.2 Op ruimtelijkeplannen.nl is het gedeelte van het plangebied waar boringen zijn uitgevoerd (zie hoofdstuk 3) onderdeel van bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012’. Voor het noordelijke gedeelte van het plangebied geldt een dubbelbestemming Waarde Archeologie – 5 en voor het zuidelijke gedeelte van het plangebied geldt een dubbelbestemming Waarde - Archeologie – 3. Voor het gebied geldt dat een omgevingsvergunning noodzakelijk is, indien er grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 0,3 m respectievelijk 0,5 m plaatsvinden, inclusief het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen. Dit geldt niet voor gebieden die niet onder een M.E.R.-plichtig project vallen.

2.1.4

Landschappelijke situatie De archeologische verwachting volgt voor een groot gedeelte uit de opbouw van het landschap. De verspreiding van archeologische vindplaatsen heeft namelijk een duidelijk verband met de landschappelijke gesteldheid. Geologie en landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied. In dit gebied bestaat de ondergrond uit fluviatiele afzettingen die zijn gevormd gedurende het Laat-Weichselien (de laatste ijstijd) en het Holoceen - de huidige warmere periode. In het oostelijke gedeelte van het rivierengebied zijn de Holocene afzettingen plaatselijk 1,5 m dik, terwijl deze in westelijke richting kunnen toenemen tot een dikte van circa 20 m nabij de Nederlandse kust. In de ondergrond komen daarnaast ook afzettingen van de Pleistocene voorlopers van de Maas en de Rijn voor. Gedurende de koudste periodes van de Pleistocene ijstijden hadden de rivieren een brede bedding met daarin meerdere smalle geulen die in een vlechtend patroon met elkaar waren verbonden. Het sediment dat door de rivieren werd afgevoerd, bestond voornamelijk uit grof zand en grind.3 Tijdens de warmere zomermaanden hadden de rivieren grote piekafvoeren van smeltwater, gedurende de wintermaanden lagen de beddingen grotendeels droog. De vlechtende rivierafzettingen uit het Weichselien worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye.

De Holocene afzettingen van het rivierengebied worden gerekend tot de Echteld Formatie. Holocene afzettingen in het rivierengebied zijn fluviatiel van aard, dat wil zeggen dat bodemmateriaal, in de vorm van zand, zavel en klei, door rivieren is aangevoerd en afgezet. De fysische geografie in dit rivierengebied laat zich grofweg onderverdelen in vier kenmerkende elementen: stroomgordels, fossiele stroomruggen, crevasses en komgebieden.

2 3

Alkemade et al., 2010. Binnen het gebied wordt het zand op een meer dan 5 m -NAP verwacht (e.g. boring B31G0787; dinoloket.nl)

Blad 10 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Een stroomgordel omvat naast de watervoerende rivierbedding van een actieve rivier ook beddingafzettingen bestaande uit (grof) zand en grind en oeverafzettingen die voornamelijk uit lichte klei en zavel bestaan. In de binnenbochten van de rivierbedding vindt continu sedimentatie plaats en in de buitenbochten wordt juist materiaal geërodeerd. Langs de oevers wordt alleen materiaal afgezet bij hoogwater, voornamelijk tijdens het winterhalfjaar. Op den duur worden door deze oeverafzettingen zogenaamde oeverwallen gevormd, een soort natuurlijke dijken. Net als dijken kunnen oeverwallen bij hoogwater doorbreken of overstroomd worden. Bij een dergelijke oeverwaldoorbraak stroomt het rivierwater het lagergelegen komgebied in. Hierbij kan tot op enkele honderden meters achter de oeverwal een pakket aan bodemmateriaal van gevarieerde sortering worden afgezet. Zo'n pakket wordt een crevasse genoemd. Een fossiele stroomgordel is een niet meer actieve rivier die is afgedekt met sedimenten van jongere stroomgordels. Tussen de actieve en fossiele stroomruggen liggen de komgebieden die lager liggen dan de actieve (en fossiele) stroomruggen. De sedimentatie in de komgebieden bestaat uit zware klei, afgezet door rivierwater van buiten de oevers getreden rivieren. Er kan door vernatting in de kommen ook veenvorming plaatsvinden.

Fossiele stroomruggen kunnen in de loop der tijd door opeenvolgende pakketten klei- en veenafzettingen afgedekt raken. Sinds het begin van de bedijking van rivieren, waar men mogelijk al in de 10e eeuw na Chr. mee begon en wat een systematisch proces werd vanaf de 13e eeuw, is de dynamiek van rivieren vergaand ingeperkt; overstromingen waarbij klei in de komgebieden wordt gesedimenteerd en verlegging van een gehele stroomgordel vinden hierdoor niet meer plaats. Wel kan de bedding zich binnen de ruimte tussen de dijken nog enigszins verleggen, maar het meanderende karakter van de rivieren is niet meer aanwezig. Gedurende het Holoceen zijn er verschillende perioden geweest met sterke accumulatie van sediment, gevolgd door perioden waarin veel minder sedimentatie optrad. Tijdens de laatstgenoemde perioden nam de begroeiing toe en ontstonden in de komgebieden donkergekleurde vegetatiehorizonten (laklagen). In dergelijke lagen kunnen archeologische resten voorkomen, omdat zij oude oppervlakken vertegenwoordigen. Komgebieden waren over het algemeen echter laaggelegen en nat en dus niet geschikt voor bewoning of bewerking. Door natuurlijke ophoging en differentiële klink, waarbij de kleiafzettingen in het komkleigebied meer inklinken dan de zanden en zavels in het stroomruggebied, kwam de oude stroomgordel als een hoger liggende rug in het omringende landschap te liggen.

Uit archeologisch oogpunt zijn dergelijke ruggen zeer interessante locaties. Oevers zijn van oudsher een vestigingsplaats geweest voor mensen vanwege hun hogere ligging in het landschap en de aanwezigheid van stromend water in de directe omgeving. De kans op het aantreffen van archeologische resten is op de stroomruggen dan ook veel groter dan in de lager gelegen kommen. Geomorfologie en AHN Op de geomorfologische kaart (afbeelding 4) is te zien dat de noordelijke helft van het plangebied in een rivierkomvlakte ligt, en het zuidelijke gebied op een stroomrug. Zoals hiervoor al aangegeven vormen deze twee geomorfologische eenheden een belangrijk verschil in archeologische verwachtingswaarde. Dit verschil is ook als zodanig opgenomen in de archeologische beleidskaart van de gemeente die onder 2.3 besproken is. De zuidelijke rand van het plangebied lag rond 1000 na Chr. nog in een actieve beddinggordel. Rond 1500 na Chr. was deze verlaten.4

4

Alkemade et al., 2010.

Blad 11 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

rivierkomvlakte

rivierkom en oeverwalachtige vlakte stroomrug

Afbeelding 4. De locatie van het plangebied op de geomorfologische kaart (bron: Stiboka).

Afbeelding 5. De locatie van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Legenda: van rood (hoog) naar groen (laag). (Bron: www.ahn.nl.)

Blad 12 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, afbeelding 5) blijkt geen hoogteverschil binnen het plangebied. Wel is te zien dat zowel ten noorden als ten zuiden van het plangebied zich een hoger gelegen gebied in het landschap bevindt. Het gaat hier om de stroomruggen die op de geomorfologische kaart ook zijn weergegeven. Het maaiveld ligt hier rond 0,3 m +NAP, terwijl dat van de komgebieden rond de 1,1 m –NAP ligt. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart (afbeelding 6) bevindt de noordelijke helft van het plangebied zich op kalkhoudende drechtvaaggronden en de zuidelijke helft op kalkloze en kalkhoudende poldervaaggronden. Drechtvaaggronden worden gekenmerkt door een kleidek van 40 tot 80 cm dikte, met daaronder een veenpakket van ten minste 40 cm dik. Het verschil met poldervaaggronden is dat daarin geen veen voorkomt binnen de eerste 80 cm. Voor de noordelijke helft geldt grondwatertrap II, voor de zuidelijke helft III en VI. Daaruit blijkt dat de zuidelijke helft een stuk droger is dan de noordelijke helft. Grondwatertrap

Gemiddeld Hoogste Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (m-mv) Grondwaterstand (m-mv) II <0,40 0,50-0,80 III <0,40 0,80-1,20 VI 0,40-0,80 >1,20 Tabel 1. De in het plangebied voorkomende grondwatertrappen met de bijhorende gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstanden.

Afbeelding 6. De locatie van het plangebied op de bodemkaart (bron: STIBOKA/Alterra Wageningen).

Stroomgordelkaart Op de stroomgordelkaart van Cohen en Stouthamer is te zien dat het tracé enkele stroomgordelsystemen kruist (afbeelding 7). Het betreft de stroomgordel van IJsselveldSchuurenburg (stroomgordel-ID 76; 3200-2715 BP), de stroomgordel van Hollandse IJssel boven 2

Blad 13 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

(stroomgordel-ID 362; 2514-665 BP) en de stroomgordel van Lampsin + Jutphaas (stroomgordelID 359; 4455-665 BP).

Afbeelding 7. De locatie van het plangebied (rood met blauw) op de stroomgordelkaart. (Bron: Cohen en Stouthamer, 2012).

2.1.5

Historische situatie Op historische kaarten (zie afbeeldingen 8 tot en met 11) is de strokenverkaveling zichtbaar die vanuit de oeverwallen van de IJssel richting het veenkomgebied strekken. De huidige N-weg gaat niet terug op een historische voorganger, want dat is immers een dijkje die wordt aangeduid als de Achthovensche Dijk of de IJsseldijk. Daarvan resteert tegenwoordig alleen nog een deel westelijk van het plangebied bestaat als openbare weg, andere delen zijn opgenomen in particuliere percelen. Ter plaatse van het plangebied hiervan ligt het dijkje tegenwoordig nog als een verhoging in het weiland. De zuidelijke rand van het werkterrein begint ter hoogte van dit dijkje. Worden de historische kaarten vergeleken met het huidige topografisch beeld, dan valt op dat de bebouwing, die zich nu hoofdzakelijk aan de dijk (of de N-weg) concentreert, in het verleden deels aan een lint aan de dijk, maar deels ook op de flank van de oeverwal concentreerde, op enige afstand van de dijk. Enkele van deze van de weg af gelegen erven bestaan ook tegenwoordig nog in Achthoven-Oost en Achthoven West. AMK-terrein 1969, de plaats van een voormalig versterkt huis in de nabijheid van het plangebied, is een voorbeeld van bewoning op de flank van de oeverwal (in plaats van op het hoogste deel).

Op afbeelding 8, het kadastraal minuutplan uit 1819, is te zien dat ter hoogte van uitgevoerde boring 1409 direct ten oosten van het geplande werkterrein een klein huisje aanwezig is (dus op circa 200 m afstand van de oude IJsseldijk). Indien het werkterrein breder wordt aangelegd dan in het ontwerp is voorzien, dan is het mogelijk dat van dit huis en erf nog resten worden aangetroffen.

Blad 14 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 8. Uitsnede uit de kadastraal veldminuut uit 1809 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Zichtbaar is een (thans niet meer aanwezig) huisje dat net ten oosten van de werkstrook is gelegen. Het huisje is ook op de kaart van 1890 (afbeelding 9) nog zichtbaar, maar de hier afgebeelde kaart is nauwkeuriger gegeorefereerd. In het kader een uitvergroting van de situatie.

Blad 15 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 9. De locatie van het plangebied op de topografische en militaire kaart uit 1850. (Bron: Esri & partners.)

Afbeelding 10. De locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1890. (Bron: Esri & partners.)

Blad 16 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 11. De locatie van het plangebied op de topografische kaart uit 1965. (Bron: Esri & partners.)

2.1.6

Mogelijke verstoringen Het tracé loopt door weiland en akkerland. Mogelijk is verstoringen van de bovenste bodemlagen opgetreden door grondbewerking. In Bodemloket5 zijn geen gegevens bekend over uitgevoerde (grootschalige) saneringen of bodemonderzoek in het plangebied. De lithologische/geologische boorprofielen uit TNO’s dinoloket6 zijn onvoldoende dicht en niet specifiek genoeg om uitspraken te kunnen doen omtrent archeologische verwachting en mate van verstoring van de bodem.

2.2

Bekende waarden

2.2.1

Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 100 m rondom het plangebied opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 455773–ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Op circa 250 m ten westen van het leidingtracé ligt een AMK-terrein met sporen van een versterkt huis uit de late middeleeuwen tot nieuwe tijd, waarover verder niet veel gegevens 5 6

www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl

Blad 17 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

bekend zijn (AMK-nr 1969). Een genoemde bijzonderheid is wel dat deze op de flank van de oeverwal van Hollandse IJssel ligt en dus niet bovenop en niet aan de dijk. Ter plaatse van het AMK-terrein resteren nog wat onregelmatige structuren in de verkaveling en in de staat van de bovengrond aanwezig (bosschages e.d.). AMKnr 1969

Waarde

Complex

Begin

archeologische Borg/stins/versterkt Middeleeuwen laat: 1050 waarde huis - 1500 nC Tabel 2. AMK-terreinen binnen onderzoeksgebied (bron: Archis).

Eind Nieuwe tijd: 1500 - 1950

Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen In het onderzoeksgebied zijn geen archeologische waarnemingen aanwezig. In de wijdere omgeving binnen de gemeente Montfoort zijn veel vondstmeldingen gelieerd aan de stroomgordels in het gebied, met name de Stuivenberg stroomgordel (ID 161). Binnen het onderhavige tracéverloop wordt deze stroomgordel echter niet doorsneden. Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken In het noorden en westen van het plangebied is een gebied onderzocht in een bureauonderzoek met OM-nummer 4560416100. Hieruit is naar voren gekomen dat er ter plaatse van het plangebied een schijnvliegveld heeft gelegen tijdens de Tweede Wereldoorlog, aangelegd als afleiding voor de vliegbasis Soesterberg. Er staat nu nog een bunker die aan dit schijnvliegveld herinnert. Dit gebied is destijds ook gebombardeerd. Aan deze zone is geen hogere verwachting toegekend vanwege de mogelijke resten uit de oorlog, maar er is wel vervolgonderzoek (proefsleuven) voor geadviseerd. Wel geldt er een hoge verwachting voor de zones die gelegen zijn binnen de crevasse7 en het bewoningslint. Het advies voor die gebieden was om een booronderzoek uit te voeren. Voor de rest van het gebied, dat in de rivierkom ligt, geldt een lage verwachting.8 OM-nummer 4560416100

Toponiem Reijerscop

Type onderzoek Archeologisch: bureauonderzoek

Uitvoerder BAAC

2459900100

Gekanaliseerde Hollandse IJssel

Archeologisch: bureauonderzoek

Vestigia BV

4568403100

Gekanaliseerde Archeologisch: ADC Hollandse IJssel begeleiding ArcheoProjecten Tabel 3. Eerder uitgevoerde onderzoeken binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS).

Advies Combinatie van vrijgave, booronderzoek en proefsleuven Passieve archeologische begeleiding Geen vervolg

OM-nummer 2459900100 beslaat de gehele Gekanaliseerde Hollandse IJssel van Nieuwegein naar Gouda. Hieruit bleek dat in de rivierbodem in principe archeologische resten vanaf de late middeleeuwen aanwezig kunnen zijn, hoewel waarnemingen in die richting ontbreken. De verwachting is daarom toch als laag beoordeeld. Er is geadviseerd tot passieve archeologische begeleiding.9 OM-nummer 4568403100 vormt het vervolgonderzoek hierop. Hierbij is een Kalisvaart veronderstelt op basis van het AHN dat de crevasse die op de kaart van Cohen en Stouthamer vermeld staat, verder doorloopt naar het noorden en dan afbuigt in westelijke richting, waar hij het plangebied kruist. Het betreft dan een zij-arm van de crevasse de ‘Mare’, van de stroomgordel ‘Hollandse IJssel’ (Stroomgordel-ID 68; 1900-665BP). 8 Kalisvaart, 2018. 9 Visser en Klerks, 2014. 7

Blad 18 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

Nederlandse helm gevonden die dateert uit de periode 1927-1933. Overige archeologische vondsten zijn niet gedaan.10

2.2.2

Ondergrondse bouwhistorische waarden Er zijn geen aanwijzingen voor ondergrondse bouwhistorische waarden. Net buiten het plangebied (de werkstrook), op ongeveer 200 m van de oude IJsseldijk, was een huisje gelegen (zie afbeelding 8).

2.3

Archeologische verwachting

2.3.1

Bestaande verwachtingskaarten Provinciale verwachtingskaart De provincie Utrecht beschikt over een Cultuurhistorische Atlas (CHAT), met daarin verschillende kaartlagen. Hierin is het ook het provinciaal erfgoedbeleid opgenomen. In de kaart zijn voor het onderzoeksgebied geen bijzonderheden opgenomen. Gemeentelijke verwachtingskaart Zoals ook in 2.3 al besproken geldt er voor de noordelijke helft van het plangebied een lage verwachting op de beleidskaart van de gemeente Montfoort, en voor de zuidelijke helft een hoge. De hoge verwachting is in dit geval afgegeven vanwege de landschappelijke eenheden (jongere beddinggordels/stroomruggen), waarbinnen resten kunnen voorkomen uit de prehistorie t/m nieuwe tijd. De lage verwachting daarentegen geldt voor komgronden. Alle boringen die zijn uitgevoerd (hoofdstuk 3) zijn gelegen in het noordelijke gedeelte van het plangebied.

2.3.2

Gespecificeerde archeologische verwachting Datering In de komgebieden is er een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Op de hoger gelegen oeverwal en crevasse-afzettingen van de aanwezige stroomgordels is er wel een gerede kans op het aantreffen van archeologische resten. Waar de oeverwal- en crevasseafzettingen van de stroomgordel van IJsselveld-Schuurenburg niet door de Hollandse IJssel geërodeerd zijn, kunnen mogelijk bewoningssporen uit de ijzertijd, romeinse tijd en middeleeuwen aanwezig zijn. Op niet door de Hollandse IJssel geërodeerde delen van de afzettingen van Lampsin en Jutphaas kunnen mogelijk archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de romeinse tijd aanwezig zijn. Ook kunnen er resten worden aangetroffen van de oude weg, die stamt uit de nieuwe tijd, zoals weergegeven op de historische kaarten. Tevens kunnen er resten worden aangetroffen uit de Tweede Wereldoorlog. Complextype Vanaf het laat neolithicum tot en met de middeleeuwen kunnen op de stroomruggen resten van grotere huizen/nederzettingen worden verwacht, net als schuren, spiekers en opstallen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals 10

Velthuis, 2018.

Blad 19 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

perceleringsgreppels. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven. Ook off-site materiaal kan worden verwacht. Uit de middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen eveneens nederzettingen en resten van agrarische activiteit worden verwacht. Resten van de oude weg kunnen aanwezig zijn in de vorm van ophogingen. Omvang De omvang kan variëren van puntvondsten tot nederzettingen van enkele honderden vierkante meters. Diepteligging Sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen direct in of onder de moderne bouwvoor verwacht worden. Oudere sporen worden verwacht in de top van de oeverwalafzettingen van de stroomgordels. Boring B31G0662 van het DINOloket geeft aan dat er tussen 0,40 en 0,70m –mv een zandpakket aanwezig is en ook vanaf 3m –mv. In boring B31G2200 zijn vanaf 1m –mv zandpakketten aangetroffen. Locatie Archeologische sporen worden vooral verwacht in de zuidelijke helft van het plangebied op de oeverwal- en crevasse-afzettingen van de daar aanwezige stroomgordels. Voor de noordelijke helft, die in de rivierkom ligt, geldt een lage verwachting. Uiterlijke kenmerken Laat neolithicum tot en met late middeleeuwen: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch bestaan.

Nederzettingen: paalgaten (huizen, spieker, opstallen, schuren), greppels, waterputten (met of zonder houten beschoeiingen) en afvalkuilen. Tussen het laat neolithicum en de bronstijd/ijzertijd: periodespecifieke wijze van het begraven/cremeren van de doden. Middeleeuwen en nieuwe tijd: nederzetting- en ontginningssporen en resten van agrarische landinrichting. Mogelijke verstoringen Er zijn geen specifieke gegevens bekend over recente verstoringen. Mogelijk is de bodemopbouw enigszins verstoord geraakt door recente agrarische activiteiten. Ook kunnen er kabels en leiding aanwezig zijn die bodemverstoring veroorzaakt hebben.

2.4

Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Voor de noordelijke helft van het plangebied geldt een lage verwachting, voor de zuidelijke helft een middelhoge tot hoge. Er kunnen resten worden aangetroffen vanaf de periode waarin de stroomruggen zich vormden, respectievelijk het neolithicum of de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Ook kunnen er resten worden aangetroffen uit de Tweede Wereldoorlog en moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven (NGE’s). De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodem in het plangebied verstoord is geraakt en of de verwachting op grond van bekende gegevens ook op basis van de daadwerkelijke veldsituatie kan worden ondersteund. Het uitvoeren van een

Blad 20 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

booronderzoek is een belangrijke stap in het toetsen van de verwachting uit dit bureauonderzoek. Antea Group adviseert dan ook om in het plangebied een archeologisch booronderzoek uit te voeren in de zones waar de leiding door middel van open ontgraving wordt aangelegd. Dit onderzoek vindt plaats in die delen van het gebied waar stroomgordelafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn en die op grond daarvan een middelhoge tot hoge verwachting hebben en/of waarvoor een andere verwachting geldt die niet aan eventuele stroomgordels is gebonden. Op die locaties wordt een karterend booronderzoek geadviseerd met een boorpuntsafstand van 25 m. In de overgangszones naar de veenkommen met een veelal lage tot gematigde verwachting wordt een onderzoek met een boorpunstafstand van 50 m geadviseerd (verkennende fase).

Blad 21 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

3

Veldonderzoek

3.1

Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende en karterende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Het uitgevoerde onderzoek betreft ook deels een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, karterende fase. Een karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen11: 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? 2. Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en wat zijn hiervan de fysisch geografische kenmerken? 3.

Zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die op de aanwezigheid van een vindplaats kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en) en met welke stroomgordel (indien van toepassing) en welk type afzetting zijn deze verbonden? 4. Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen? 5. Hoe is de overgang van stroomgordel naar komgebied en zijn er in de profielen aanwijzingen te vinden voor (pre)historisch gebruik van de komgebieden? 6. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen? 7. Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt? 8. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? 9. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan?

11

Zoals verwoord in het Plan van Aanpak (Fens, 2021). Het plan van aanpak is niet voorgelegd aan de bevoegde overheid.

Blad 22 van 33

Antea Group Archeologie 2021/76 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 17 februari 2022 revisie 0B N.V. Nederlandse Gasunie

3.2

Onderzoeksopzet en werkwijze Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in twee fasen:  Fase 1 is uitgevoerd in maart en april 2021 en gebaseerd op het advies uit het bureauonderzoek, bijgewerkt naar het ontwerp-tracé van januari 2021. Hierbij is ervan uitgegaan dat alle delen in open ontgraving (veldstrekking) zouden worden onderzocht door middel van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek (SIKBmethode B2) met boringen op elke 25 m in die delen van het tracé waar stroomgordelafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn en die op grond daarvan een middelhoge tot hoge verwachting hebben en/of waarvoor een andere verwachting geldt die niet aan eventuele stroomgordels is gebonden. Voor de onderdelen van het tracé die in open ontgraving (veldstrekking) waren gepland, maar waarvoor een lage verwachting geldt, zoals in de overgangsgebied naar de veenkommen, is onderzoek op elke 50 m tracé uitgevoerd (verkennend).  Fase 2 is uitgevoerd in december 2021 en gebaseerd op het tracé-ontwerp en de werkterreinindeling van oktober 2021. Alle veldstrekkingen uit dit tracé-ontwerp die nog niet in fase 1 waren onderzocht, zijn alsnog onderzocht met boringen op elke 25 m (verkennend en karterend B2).

Bovendien zijn alle werkterreinen en uitlegstroken uit dit ontwerp meegenomen in deze fase van het onderzoek, tenzij in het bestemmingsplan of beleidskaart nadrukkelijk alleen een diepe verwachting gold (bijvoorbeeld dieper dan 1 of 1,5 m). Ter plaatse van de uitlegstroken/werkterreinen wordt immers niet dieper dan 0,7 m -mv verstoord. Uitvoering veldwerk Datum uitvoering

23-03-2021 (boringen 401-423) en 21-12-2021 (1401-1412)

Veldteam

R. Fens, senior KNA-prospector, senior KNA-archeoloog I. Fleuren, archeoloog Wisselvallig met zon en motregen, 5 °C (maart 2021) Koud en vochtig, 0 °C (december 2021) Edelman 6 cm, guts 2 en 3 cm.

Weersomstandigheden Boortype Methode conform Leidraad SIKB Motivatie boormethode

Karterend booronderzoek: B2 (arch. laag): 20 x 25 m - 3 cm guts - boormes Verkennend booronderzoek De methode betreft voor de lage verwachtingsgebieden een verkennend onderzoek met één boring per 50 m. De boordichtheid van 50 m is een beproefde methode om de verwachting te toetsen en om de aard van de bodemopbouw en bestaande verstoringen in kaart te brengen. Vindplaatsen worden met deze methode echter niet opgespoord. Daarvoor is een eventueel nader karterend onderzoek nodig. Boringen: 401-423 Karterend onderzoek Methode B2 is erop gericht vindplaatsen te herkennen met een archeologische laag, waarvan het complex een middelgrote omvang heeft, zoals een nederzetting. Vindplaatsen kunnen met deze methode worden opgespoord en daarnaast biedt de methode (met guts) de kans op een nauwkeurige lithologische beschrijving en fysisch geografische interpretatie en daarmee is het ook een landschappelijke kartering. De landschappelijke kartering is vervolgens ook de toets van de archeologische verwachting. De methode is niet geschikt voor het opsporen van kleinschalige vindplaatsen of vindplaatsen met een lichte materiaalscatter (en zonder archeologische laag).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=483c65b8-e068-49cf-b8da-5b83a40f7393