Bijlage Ruimtelijke kaders voor de hippische sector, aangepast.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke kaders Voor de hippische sector Gemeente Montfoort
Titel:
Ruimtelijke kaders voor de hippische sector
Opdrachtgever:
Gemeente Montfoort
Opdrachtnemer:
Mount advies
Adres:
De Loop 22 6027 SB Soerendonk
E-mail:
feije@mountadvies.nl
GSM:
06-22475388
Auteur:
ing. F.M. Smies - van Eijndhoven
Datum:
5 oktober 2021
2
Inhoud 1.
Inleiding ........................................................................................................ 4 1.1
Aanleiding; beleid is verouderd ................................................................. 4
1.2 Bestaande beleid en vigerend bestemmingsplan harmoniëren niet met elkaar 1.3 2.
3.
4.
Paardensector in ontwikkeling .................................................................. 4
Visie en doel.................................................................................................. 6 2.1
Visie............................................................................................................ 6
2.2
Doel ............................................................................................................ 7
Achtergrond in de hippische sector ................................................................ 8 3.1
Trends en ontwikkelingen.......................................................................... 8
3.2
Feiten en cijfers........................................................................................ 10
3.3
Grondleggers voor vernieuwd paardenbeleid ......................................... 11
Beleidskeuzes voor de hippische sector in het buitengebied van Montfoort ...14 4.1
Vernieuwde kaders bedrijfsmatig versus hobbymatig paarden houden 14
4.2
Vernieuwde definities .............................................................................. 16
4.3
Gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij ....................... 17
4.4
Maneges .................................................................................................. 19
4.5
Het geven van instructie .......................................................................... 20
4.6
Het toestaan en vergroten oppervlakte van paardenbakken ................. 20
4.7 Het toestaan van paddock, longeercirkels, stapmolens en andere hippische voorzieningen in relatie tot dierenwelzijn .......................................... 22 4.8
Het toestaan van schuilhutten................................................................. 22
4.9
Groom- en/of stagiaireverblijf ................................................................. 23
4.10
Landschappelijke inpassing...................................................................... 24
4.11
Dierenwelzijn ........................................................................................... 24
5.
Wijzigingen ten opzichte van beleidsnotitie 2012 ..........................................26
6.
Vervolg ........................................................................................................32 6.1
Vertalen kaders naar beleid en bestemmingsplanregels ........................ 32
3
1. Inleiding 1.1 Aanleiding; beleid is verouderd Deze kadernotitie is opgesteld om (ver)nieuw(d)e kaders te stellen voor de paardenhouderij binnen de gemeente Montfoort en is tevens de basis voor het actualiseren van de bestaande beleidsnotitie; ‘Beleidsnotitie Hippische Sector gemeente Montfoort 2012’. Deze beleidsnotitie uit 2012 is opgesteld als toetsingskader voor vergunningaanvragen en als bouwsteen voor het bestemmingsplan Buitengebied 2012 waar destijds aan gewerkt werd. Het bestemmingsplan Buitengebied is op 11 maart 2013 vastgesteld en is vervolgens in 2015 herzien; 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012. Bij het opstellen van de beleidsnotitie in 2012 heeft de VNG-richtlijn, welke mede is opgesteld door de Sectorraad Paarden, de “Handreiking ‘Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening” de basis gevormd voor het maken van de beleidskeuzes. Deze VNG-richtlijn is geactualiseerd in 2014 en heeft geleid tot een nieuw document ‘Paardenhouderij in het omgevingsrecht’. Deze laatste versie heeft tevens aan de basis gelegen van onderliggende nieuwe kadernotitie. De beleidsnotitie uit 2012 is inmiddels bijna 10 jaar oud. In de afgelopen 10 jaar is de hippische sector enorm gegroeid en ontwikkeld. Dat geeft nieuwe inzichten en vraagt om een nieuwe visie over én voor de hippische sector voor zowel het hobbymatig als bedrijfsmatig houden van paarden.
Deze kadernotitie geeft duidelijke ruimtelijke kaders aan voor bedrijfsmatige paardenhouderijen en het hobbymatig houden van paarden. De nieuwe kaders zijn bedoeld om verder uit te werken in een herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 die in de eerste helft van 2022 in procedure wordt gebracht en waar nodig ook in beleidsregels.
1.2 Bestaande beleid en vigerend bestemmingsplan harmoniëren niet met elkaar Uit onderzoek, wat voorafgaand aan het opstellen van deze (her)nieuw(d)e kaders is uitgevoerd, is gebleken dat de bestaande beleidsnotitie voor de hippische sector en het vigerende bestemmingsplan niet met elkaar harmoniëren. De visie vanuit de beleidsnotitie uit 2012 en de begripsbepalingen zijn in het vigerende bestemmingsplan niet consistent overgenomen. Concreet leidt dit tot de volgende afwijkingen: ▪
▪
▪
Daar waar de beleidsnotitie alle vormen van paardenhouderij incl. een manege toestaat in de bestemming ‘Agrarisch’, maakt het bestemmingsplan enkel een productiegebonden paardenhouderij ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – Rivierzone’ mogelijk. Daar waar de beleidsnotitie paardenbakken bij een (semi)bedrijfsmatige paardenhouderij vanwege flexibiliteit buiten het bouwvlak toestaat geven de bestemmingsplanregels hier geen mogelijkheid toe. De beleidsnotitie heeft de begripsomschrijvingen uit de VNG-richtlijn (versie 2008) overgenomen terwijl in het bestemmingsplan aan de begripsomschrijvingen een eigen invulling is gegeven. Hierdoor zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan voor de paardenhouderij beperkter dan de beleidsnotitie voor ogen heeft.
Met deze nieuwe kaders stelt de gemeenteraad de uitgangspunten vast voor een nieuwe planologische regeling en duidelijke beleidskaders die consistent en toekomstbestendig zijn voor de paardenhouderij, de hobbymatige paardenhouderij en het ambtelijk apparaat die aanvragen moet beoordelen.
1.3 Paardensector in ontwikkeling De paardensector is volop in ontwikkeling en daar waar het houden van paarden jaren terug nog gezien werd als verrommeling van het landschap is nu een tendens ontstaan waarin
4
paardenhouderij juist gezien wordt als aangename invulling van VAB-locaties (vrijkomende agrarische bedrijfslocaties) en het verrijken van de groene uitstraling van het landelijk gebied. Daarnaast biedt de hippische sector veel economische kansen voor een gemeente. Nederland is een wereldleider in de hippische sector. Het Nederlandse sportpaard leidt al jaren de wereldranglijst (WBFSH-ranking). Tevens staat Nederland erom bekend de juiste kennis op het hippische vlak te hebben en gebruik te maken van moderne technieken en dataverzameling. Het opleidings- en trainingsniveau van ruiter en paard in Nederland is zeer hoog. Dit vormt een ideaal vestigingsklimaat voor de (internationale) “paardenman of -vrouw”. De hippische sector is zich enorm aan het ontwikkelen. Dit is zichtbaar op alle niveaus en disciplines. De combinatie van deze kennis, de kwaliteit van de paarden, de aanwezigheid van de vele trainers, fokkers en handelaren, hippische accommodaties, wedstrijden en evenementen, de centrale ligging en goede bereikbaarheid van Nederland maken dat de Nederlandse paardenfokkerij wereldwijd zeer in trek is. Dat de sector groeit zien we ook terug in de vastgoedmarkt in het landelijk gebied. Steeds vaker worden VAB-locaties verkocht aan paardenbezitters en omgebouwd tot paardenhouderij. De paardenhouderij is primair aangewezen op het landelijk gebied.
Nu de traditionele landbouw en veehouderij vanwege een steeds verdergaande schaalvergroting in absolute aantallen sterk aan betekenis heeft ingeboet, en er jaarlijks nog steeds veel van die bedrijven stoppen, neemt de betekenis van de paardenhouderij voor het platteland toe. Vooral door het grondgebonden karakter is de paardenhouderij een passende functie op het agrarische grondgebruik. Deze ontwikkelingen vragen er naar om met andere ogen naar de hippische sector te gaan kijken. Daarbij spelen ook op andere vlakken zaken die een rol hebben in het vormen van een nieuwe visie voor de hippische sector zoals bijvoorbeeld de stikstofproblematiek, het dierenwelzijn wat steeds hoger op de agenda komt te staan en de veranderingen in de ruimtelijke wetgeving (Omgevingswet).
5
2. Visie en doel 2.1 Visie Paardenhouderij als nieuwe invulling voor het vitale platteland Gemeente Montfoort is een groene gemeente in de Randstad aan de rand van het Groene Hart. Het landschap kan worden getypeerd als een open agrarisch landschap met daarin veel historische linten en buurtschappen. Het buitengebied is aan het veranderen door o.a. de vergrijzing, de stoppende boer en aan de andere kant de schaalvergroting. De paardenhouderij is mede hierdoor in opkomst. De paardenhouderij is primair aangewezen op het landelijk gebied. Nu de traditionele landbouw en veehouderij vanwege een steeds verdergaande schaalvergroting in absolute aantallen sterk aan betekenis heeft ingeboet, en er jaarlijks nog steeds veel van die bedrijven stoppen, neemt de betekenis van de paardenhouderij voor het platteland toe. Veel professionele hippische ondernemers hechten hoge waarde aan de ‘groene kwaliteiten en inpassing’ van hun bedrijf. De buitenruimte wordt gezien als het visitekaartje van het bedrijf. Bij een goed businessmodel voor een paardenhouderij behoort aandacht voor de groene inrichting tot een van de speerpunten. Een geordend en groen bedrijf komt professioneel en eerlijk over.
Veel bedrijven hebben er dan ook baat bij om te investeren in een groene en landschappelijke inpassing van hun bedrijf en zien dit niet als een noodzakelijk beleidsregel, maar als een must om hun bedrijf op een hoger niveau te tillen. Op hobbymatig vlak is er een beweging in gang gezet in de ontwikkeling van het houden van paarden in een zo natuurlijk mogelijke omgeving. De termen ‘equihabitat, paddock paradise en paardentuinen’ zijn een steeds meer voorkomende huisvesting van paarden. Op deze manier kunnen paarden in een natuurlijke omgeving op een kleiner stuk grond gehouden worden. Men maakt van hun achtererf een parkachtige natuurlijke inrichting waar paarden vrij in kunnen bewegen. Bij deze manier van paardenhouden zijn het terugbrengen van het natuurlijk landschap en het versterken van de biodiversiteit twee basisuitgangspunten voor het maken van een ontwerp van de paardentuin, paddock paradise of equihabitat. Er is dan ook een maatschappelijke verschuiving zichtbaar: paardenhouderij wordt niet langer gezien als ‘verrommeling van het landschap’ maar juist als ‘verrijking van het landschap’.
De paardensector heeft een meerwaarde gecreëerd voor het platteland door invulling te geven aan VAB-locaties en in te zetten in een groene, landschappelijke uitstraling en (op eigen initiatief) het creëren van meer natuur- en/of landschapselementen wat de biodiversiteit ten goede komt. De paardenhouderij heeft zowel bedrijfsmatig als hobbymatig een positieve bijdrage op de vitaliteit van het platteland. Economische factor van de paardenhouderij De paardenhouderij is al jaren in opkomst (zie ook hoofdstuk 3) en geeft een geheel nieuwe invulling aan de werkgelegenheid op het platteland. De paardensector is voor degene die er wat verder vanaf staat onbekend terrein maar het is een sector waar zeker rekening mee gehouden dient te worden. De groei van de paardensector biedt kansen op de arbeidsmogelijkheden, indirecte werkgelegenheid (denk aan de inzet van hoveniers, dierenartsen, voerleveranciers, fourage leveranciers, loodgieters, loonwerkers, transportbedrijven, (ruitersport)winkels, etc.) De sector in Nederland heeft daarnaast veel te bieden op het gebied van kennis, innovatie en economische waardes. De paardensector staat al jaren in de top 5 van export product in Nederland. Het is qua economie de 2e belangrijke sector in de Agro-Food. De paardensector is een economische drager voor recreatie, amateur- en topsport, handelsondernemingen en plattelands- en landschapsbeleving.
Als voorbeeld; de provincie Limburg investeert samen met haar stakeholders de komende 5 jaar 90 miljoen euro om de economische positie van de paardensector in Limburg te versterken. Daarnaast heeft de
6
paardensector een heel actief verenigingsleven en kent zij duizenden vrijwilligers, allemaal mensen die de schouders onder de paardensector zetten. De bedrijfsmatige paardenhouderij biedt kansen op het gebied van economie, sport recreatie en toerisme en is daarmee een belangrijke economische drager van het landelijk gebied. Balans tussen dierenwelzijn en ruimtelijke impact Een van de grootste uitdagingen waar de gemeente Montfoort voor staat is het maken van nieuw beleid waarin de juiste balans wordt gezocht tussen enerzijds het paardenwelzijn en anderzijds de ruimtelijke impact die inzet op paardenwelzijn met zich meebrengt. Wanneer het paardenwelzijn boven de ruimtelijke kwaliteit wordt gesteld betekent dit dat er ruimte gemaakt moet worden voor het toestaan van allerhande hippische voorzieningen bij de hobbymatige paardenhouder en de bedrijfsmatige paardenhouderij. Belangrijke elementen in het paardenwelzijn (zie verder hoofdstuk 3) zijn voldoende beweging en rust. Wanneer hier op ingezet wordt zullen diverse hippische voorzieningen mogelijk gemaakt moeten worden (middels een afwijkingsbevoegdheid) al dan niet buiten het bouwvlak of bestemmingsvlak. Te denken valt aan; paddocks, vrije uitloopstallen, schuilstallen, longeercirkels, stapmolens, voerstations etc.
Het plaatsen van deze elementen heeft een effect op de ruimtelijke kwaliteit, er zullen duidelijke beleidsregels gesteld moeten worden in welke mate deze voorzieningen worden toegestaan en hoe deze landschappelijk ingepast moeten worden. De gemeente Montfoort heeft dierenwelzijn hoog in het vaandel staan. De uitwerking van ruimtelijke beleid dient een positieve bijdrage te hebben aan het dierenwelzijn van het paard. Tegelijkertijd dient er oog te zijn voor de ruimtelijke uitstraling en landeschappelijk inpassing van diverse hippische voorzieningen.
2.2 Doel Het doel van deze kaders is om duidelijke sturing te geven aan de hippische sector op zowel bedrijfsmatig als hobbymatig vlak. De voorliggende kadernotitie beschrijft de vertrekpunten voor een nieuwe planologische regeling die zal gaan gelden voor de bedrijfsmatige als hobbymatige paardenhouderij met de bijbehorende faciliteiten. De nieuwe planologische regeling zal worden vastgelegd in een herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Burgemeester en wethouders brengen deze herziening, die zich specifiek zal richten op de planologische regeling voor de hippische sector, in de eerste helft van 2022 in procedure1. Aanvullend op de nieuwe bestemmingsplanregeling kan het college waar nodig beleidsregels vaststellen. Bijvoorbeeld voor bestaande activiteiten met en voorzieningen voor paarden, die (deels) zonder de nodige vergunningen tot stand zijn gekomen, zodat er desgewenst handhavend opgetreden kan worden op basis van duidelijke criteria die voortvloeien uit deze kaders.
1 Er worden twee bestemmingsplanherzieningen voor het totale buitengebied voorbereid. Allereerst een
reparatieplan voor onderdelen van het bestemmingsplan ‘1 herziening bestemmingsplan 2012’die de Raad van State heeft vernietigd bij uitspraak van 24 mei 2017. Daarna een bestemmingsplanherziening voor de regeling van paardenhouderijen.
7
3. Achtergrond in de hippische sector 3.1 Trends en ontwikkelingen Zowel op professioneel niveau als op hobbymatig niveau is de sector flink gegroeid. Helaas blijkt in de praktijk dat de beleidsmogelijkheden van veel gemeenten nog niet ingespeeld zijn op deze trends. Hierdoor lopen ondernemers en adviseurs vaak tegen de belemmerende werking van bestemmingsplannen op. Ondernemers willen vooruit, maar kijken op tegen lange procedures om hun bedrijf daar te krijgen waar zij het graag zouden willen hebben. Dit hoofdstuk geeft een beeld van de trends en ontwikkelingen binnen de paardensector. Groei paardensector De paardensport maakt een enorme groei mee. Nederland, België en Duitsland vormen het internationale hart van de hippische ontwikkeling binnen Europa. In de lijn Lanaken, Eindhoven Münster is een ‘hippische hotspot’ aan het ontstaan. Nederland is hierin koploper als het gaat om kwaliteitsvolle paarden, goede trainingsaccommodaties en opleidingen van paard en ruiter. De Nederlandse paarden domineren de wereld met goede sportresultaten. De vraag naar goede Nederlandse paarden is enorm, ze worden over de hele wereld verkocht. De markt is zodanig aangetrokken dat men van over de hele wereld naar Nederland komt om paarden te kopen, te trainen en paarden hier op wedstrijden uit te brengen.
Het CBS raamde al in 2014 dat er in de gehele paardenbranche jaarlijks tussen de € 1,5 en € 2 miljard aan omzet wordt gedraaid. Vooral overige Europese landen, het Midden-Oosten, China en de VS komen naar Nederland voor de kwaliteit. Sindsdien lopen deze cijfers alleen maar verder op. Door COVID-19 heeft de (internationale) paardenwereld even stil gestaan, maar deze heeft zich inmiddels alweer volledig hersteld in de breedste zin van het woord. De vraag naar recreatiepaarden is bijvoorbeeld zo erg gestegen dat maneges moeite hebben om nog geschikte en betaalbare paarden te vinden. Na voetbal is de paardensport de sport met de grootste economische waarde. De paardensector biedt in Nederland ruim 12.500 fte. Het nieuwe paardenhouden in de maatschappelijke discussie Sinds enkele jaren ligt de paardensport onder vuur door de maatschappelijke discussie over dierenwelzijn. Het dierenwelzijn wordt in de paardensector een steeds belangrijker onderdeel van de bedrijfsvoering. Een nieuwe trend c.q. ontwikkeling is om paarden niet meer in aparte boxen te huisvesten, maar de paarden in groepsverband te houden. Zo worden de paarden in een natuurlijker, vrijere en socialere omgeving gehuisvest. Deze manier van paarden houden sluit ook goed aan bij de wensen van de overheid en de maatschappij met betrekking tot het verhogen van dierenwelzijn in de hippische sector.
In de ‘traditionele’ paardenhouderij is het gebruikelijk paarden individueel in paardenboxen te houden, in de regel op stro. Voor deze vorm van paarden houden is veel bebouwing nodig en is er minder aandacht voor het natuurlijk gedrag van paarden. Vormen van het nieuwe paardenhouden zijn het realiseren van Paddock Paradise stallen of HIT-actiefstallen. Deze vorm van paardenhouden is overgekomen vanuit Duitsland. Een HITactief stal of Paddock Paradise bestaat uit een grote gezamenlijke paddock met voer- en schuilvoorzieningen waar de paarden altijd in een grote groep staan en een binnenruimte voor het trainen van de paarden en ontvangst van eigenaren. De paarden kunnen 24 uur per dag naar buiten en hebben veel bewegingsvrijheid. Er is voor het berijden en trainen van de paarden een binnenruimte nodig, maar er wordt door de afwezigheid van paardenboxen bespaard in het ruimtegebruik. Op de gezamenlijke paddock staan op verschillende plaatsen voerstations waar per paard een hoeveelheid voer ingesteld kan worden. Vanuit de paddock kunnen de paarden via een selectiesysteem (al dan niet elektronisch) de wei in.
8
Deze vorm van paardenhouden staat echter nog in de kinderschoenen. Er is nog een heel lange weg te gaan voordat meer paardenhouderijen overgaan op een meer natuurlijke wijze van paarden houden. Een belangrijke tegenhanger van deze manier van paardenhouden is de economische waarde van het sportpaard en de paardenhandel. Paarden in groepsverband lopen een groter risico op blessures en ziektes. Sportpaarden hebben een dusdanige hoge economische waarden dat ieder risico op een blessure of ziekte uitgesloten wordt. Daarnaast is er bij (snelle) paardenhandel geen sprake van een vaste kudde. Omdat de samenstelling continue verandert kan dit veel stress opleveren binnen een kudde. Het proces om te komen tot een meer diervriendelijke manier van paardenhouden zal dan ook nog jaren gaan duren. Er zijn wel enkele Europese voorbeelden. Zo is het in de Scandinavische landen al bij wet geregeld dat een paard(achtige) nooit alleen gehouden mag worden en altijd een soortgenoot bij zich moet hebben (een geit o.i.d.. volstaat niet) en is bij wet geregeld dat alle paarden minimaal 4 uur per dag vrije beweging kunnen hebben in een wei of paddock die groot genoeg is. Oppervlakte paardenbakken In het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Montfoort is opgenomen dat bij een (productiegerichte) paardenhouderij de maximale oppervlakte per paardenbak 800m 2 mag zijn. In de praktijk is dit te klein.
Op steeds meer professionele bedrijven worden paardenbakken toegestaan van 3000m2 tot 5000m2, 2. Een paardenbak van 800m2 is niet meer voldoende voor een professionele paardenhouderij. Een bak van 30 x 70 meter (2100 m 2) is momenteel de meest gangbare maat die gerealiseerd wordt bij professionele bedrijven. Hier kan een ring van 20 x 60 meter op uitgezet worden waar dan nog om heen gereden worden, iets wat door veel ruiters als must wordt gezien. Om de paarden goed op te leiden is het belangrijk hen met voldoende rust, vertrouwen en begeleiding te trainen. Op stallen waar ook springpaarden aanwezig zijn is belangrijk dat deze paarden springervaring opdoen, daarom worden er parcoursen uitgezet in de paardenbak. Bij een paardenbak van 800m2 blijft er met een volledig springparcours in de bak weinig ruimte over om met meerdere paarden in de bak te kunnen rijden. Vooral voor de jonge en minder ervaren paarden kan het zeer beangstigend zijn wanneer zij tussen smalle openingen moeten lopen en wanneer er paarden op korte afstand passeren. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties. Bij een piste met een kleine afmeting is het dan passen en meten. Wanneer een ruiter het parcours wil doorrijden moeten de andere ruiters stil staan en wachten. Dit is geen ideale situatie en werkt niet efficiënt gelet op de hoeveelheid paarden die dagelijks getraind worden.
Ook voor klanten die een paard uit komen proberen om mogelijk te kopen is het niet fijn wanneer zij meer bezig zijn met andere paarden en hindernissen te ontwijken dan dat zij zich kunnen focussen op het paard. Voor de hobbymatige paardenbak staat de beleidsnotitie uit 2012 een maat van 800m2 toe binnen de woonbestemming. Deze oppervlakte is in de praktijk vaak niet (meer) voldoende. In de dressuursport wordt vanaf de klasse Z in een bak van 20 x 60 meter gereden. Deze klasse wordt zowel beoefend door amateurs als professionals. Om de wedstrijdproeven te kunnen oefenen is het dus van belang dat thuis in eenzelfde formaat paardenbak geoefend kan worden. In een bak van 20 x 40 kunnen dus niet de juiste (dressuur) oefeningen uitgevoerd worden die op wedstrijdniveau gevraagd worden en daarnaast is een grote bak noodzakelijk voor de veiligheid en comfort van paard en ruiter. Gelet op bovenstaande is het noodzakelijk om de maximale maat voor een (hobbymatige) paardenbak te vergroten naar 1200 m 2 (20 x 60m).
2
enkele voorbeelden: Trumpertweg 5 Weert, Napoleonsbaan-Zuid 32 Baarlo, Keizersbaan 7 Kessel
9
In de praktijk is binnen de gemeente Montfoort dat er op zeer veel locatie hobbymatige paardenbakken buiten het bouwvlak zijn gerealiseerd. Dit is in strijd met het huidige beleid. Veel van deze paardenbakken hebben een oppervlak van 20 x 60 meter. Er is duidelijk een behoefte naar paardenbakken bij woningen met deze afmeting. Het is zaak om duidelijke beleidsregels te formuleren op welke wijze hobbymatige paardenbakken worden toegestaan en eventueel handhavend op te treden tegen de paardenbakken die niet voldoen aan deze afmetingen. Groomverblijven en gastenverblijven Professionele paardenbedrijven hebben behoefte aan huisvesting van grooms, stagiaires, ruiters in opleiding en (buitenlandse) gasten. Het beleid van gemeenten en provincies is er al jaren op gericht het aantal woningen in het buitengebied niet significant te laten groeien. Belangrijk is om aan te geven dat het niet om volwaardige woningen gaat, maar om tijdelijk verblijf van gasten. Dit kan zowel op basis van short-stay, middle-stay maar ook long-stay. Gemeenten waarin de paardensport een belangrijke marktpositie heeft ingenomen kennen al soepelere regelgeving. De gemeenten Valkenswaard, Peel aan de Maas en Horst a/d Maas, waar heel veel topstallen zich gevestigd hebben, hebben inmiddels beleidskaders ontwikkeld om dit toe te staan.
Zij zien in dat de hippische sector groeit en begrijpen de wens en noodzaak om werknemers op een professionele stal te laten verblijven.
3.2 Feiten en cijfers Landelijke cijfers van de KNHS (2017) De KNHS heeft onderzoek gedaan naar de groei in de paardensector. Hieruit blijkt dat de paardensector in al haar facetten groeit, er zijn steeds meer deelnemers in de paardensport, steeds meer mensen die een eigen paard of paarden hebben en er komen steeds meer bedrijven in de paardensport bij. ▪ ▪
▪ ▪
▪
▪
Nederland telt bijna 500.000 ruiters en 450.000 paarden. De KNHS heeft 200.000 leden, waarvan 50.000 wedstrijdruiters. Er zijn 3.000 ruitersportcentra en rijverenigingen die samen 7.300 evenementen per jaar organiseren. Dat levert 765.000 wedstrijdstarts op in acht verschillende disciplines. Het aantal wedstrijdstarts per ruiter is het hoogste van Europa. Nederlandse ruiters en menners zijn zeer actief en competitief. Naast de landelijke wedstrijden vinden in Nederland jaarlijks vijf zeer grote internationale top-concoursen plaats, in Amsterdam, Rotterdam, Den Bosch, Valkenswaard en Boekelo. Tezamen trekken deze evenementen 270.000 bezoekers. Het CBS raamt dat er in Nederland in totaal tussen de 1,5 en 2 miljard euro per jaar omgaat in de paardenwereld. Na voetbal is de paardensport de sport met de grootste economische waarde. Het Koninklijk Nederlands Warmbloed Paard (KWPN) is al jaren het best presterende sportpaardenras ter wereld en met circa 10.000 veulens ieder jaar heeft het ook het grootste stamboek.
Beoefening van de paardensport De KNHS is de overkoepelende paardensportbond en wil de paardensport in de breedte laten groeien. Om dit te kunnen realiseren zijn een aantal ontwikkelingen in de paardensector nodig. Om oplossingen hiervoor te vinden heeft de KNHS in 2015 onder haar leden onderzoek gedaan naar de paardensport in Nederland: “Het grote paardensport-onderzoek”. Aan het onderzoek hebben ruim 5000 leden deelgenomen. Het merendeel hiervan is hobbymatige ruiter. De KNHS komt met de volgende conclusies en bevindingen: ▪
Paardensporters beginnen vaak op jonge leeftijd en zijn vaak al meerdere uren per week met paarden bezig.
10
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
De gemiddelde paardensportbeoefenaar zit tussen de 2 en de 10 uur per week op het paard. (Hobbymatig). Paardensport biedt een sportieve uitdaging: 67% van de deelnemers aan het onderzoek rijdt wedstrijd. Er is vraag naar kennis en kunde over en voor de paardensporter. Er zijn 1,2 miljoen paardensportvolgers in Nederland. 200.000 KNHS-leden, waarvan 135.000 met één of meer eigen paarden. 10.000 paarden(sport)bedrijven. 3.000 ruitersportcentra en -verenigingen. 7.500 KNHS wedstrijden met 765.000 wedstrijdstarts per jaar. 3.825 grote internationale wedstrijden per jaar verdeeld over 79 landen. 17 miljoen buitenritten per jaar. 80% van alle paardensporters is vrouw.
3.3 Grondleggers voor vernieuwd paardenbeleid Visie Paard en Landschap Op 7 juli 2006 heeft het Ministerie van LNV de visie 'Paard en Landschap' vastgesteld. Het LNV geeft in deze visie aan dat de paardenhouderij een sector in ontwikkeling is, die een groei doormaakt met zichtbare gevolgen voor het landelijk gebied. De doelstelling van de visie is het streven naar een duurzame ontwikkeling van de paardenhouderij in het landelijk gebied. Duurzaamheid staat hierbij voor een duurzame balans tussen mens, milieu en markt in het landelijk gebied. Met name de gemeente en de provincie hebben een rol bij het begeleiden van de ontwikkeling van de paardenhouderij door het wegnemen van belemmeringen en het stellen van eisen ten aanzien van landschappelijke inpassing van bedrijven en voorzieningen. Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht De provincie heeft in haar provinciale interim omgevingsverordening de bedrijfsmatige paardenhouderij zeer globaal opgenomen in de beleidsregels. Een paardenhouderij kan als agrarisch bedrijf worden aangemerkt. In de toelichting wordt vermeld dat een manege niet als agrarische activiteit geldt. VNG-richtlijn – ‘Paardenhouderij in het Omgevingsrecht’ De VNG heeft samen met de Sectorraad Paarden een richtlijn voor de paardenhouderij opgesteld in 2008; ‘Handreiking Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening’.
Deze is in 2014 geheel herzien in een nieuwe richtlijn ‘Paardenhouderij in het Omgevingsrecht’. Het doel van deze richtlijn is het verschaffen van een instrumentarium waarmee het bevoegd gezag bij rijk, provincie en vooral gemeenten het ruimtelijke beleid voor de paardenhouderij kan vormgeven. Daarnaast dient de handreiking als een informatiebron voor de paardenhouderij en de verschillende partijen die in deze sector werkzaam zijn. Deze richtlijn is het enige beleidsinstrumentarium wat er op landelijk niveau is voor de paardenhouderij. Daarmee is deze richtlijn in de overheids- en advieswereld een veel gebruikt en bekend document voor allen die niet direct thuis zijn in de hippische wereld en hier wel beleidstechnische beslissingen in moeten maken. Gids voor goede praktijken De Sectorraad paarden heeft in 2016 de Gids voor Goede Praktijken (GvGP) opgesteld. Deze gids omschrijft richtlijnen voor het houden van en de omgang met paarden en geeft aan wat er nodig is om het welzijn en de gezondheid van paarden te waarborgen. Het GvGP omschrijft 12 richtlijnen die een handvat zijn voor iedere paardenhouder, zowel hobbymatig als bedrijfsmatig.
Om eenduidig het begrip welzijn te interpreteren is de definitie voor welzijn gedefinieerd als: “Welzijn is een mentale toestand van welbevinden, die ontstaat als het dier in voldoende mate in zijn natuurlijke behoefte kan voorzien en waarbij het dier vrij is van pijn en andere ongemakken.” Deze definitie van welzijn is grotendeels gebaseerd op de vijf
11
vrijheden die zijn opgesteld in het rapport van de Commissie Brambell (1965). Als er aan een of meer van deze vrijheden (chronisch) niet wordt voldaan kan het welzijn van een dier in het geding zijn. De vijf vrijheden zijn als volgt geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5.
Paarden moeten vrij zijn van honger, onjuiste voeding en dorst; Paarden moeten vrij zijn van fysieke en thermale ongemakken; Paarden moeten vrij zijn van pijn, letsel en ziekte; Paarden moeten vrij zijn van angst en chronische stress; Paarden moeten vrij zijn hun natuurlijke (soorteigen) gedrag te uiten.
De 12 richtlijnen van de GvGP zijn uitgewerkt in 4 thema’s: Voeding, huisvesting en beweging, gezondheid en gedrag. Voor het stellen van de nieuwe kaders in deze kadernotitie zijn met name de richtlijnen voor huisvesting en beweging en gedrag van belang. 1.
Oppervlakte van een paardenbox: Boxoppervlakte voor individuele huisvesting is minimaal (2xstokmaat) 2 voor pony’s kleiner dan 1,56 meter. De boxoppervlakte is minimaal 10 m2 voor paarden groter dan 1,56 meter. Per 1 januari 2012 is deze standaard opgenomen bij toetsing van aanvragen voor nieuw- en verbouw van stallen. Er geldt een overgangsperiode om per 1 januari 2027 boxmaten aangepast te hebben. ▪ De oppervlakte van de box voor hoogdrachtige merries tijdens het veulenen en voor een merrie met een veulen is minimaal 12 m2 tenzij er minimaal 8 uur weidegang per dag wordt toegepast; ▪ Stands, waarin paarden permanent aangebonden worden gehouden zijn per 1 januari 2017 verboden. Paarden die voor korte tijd worden aangebonden met als doel hoefverzorging, het verrichten van medische handelingen of tijdens pauze bij (buiten)ritten en evenementen/wedstrijden worden in het voorgaande niet meegenomen. 2. Beweging: Paarden in individuele huisvesting krijgen dagelijks minimaal 2,5 uur beweging buiten de box, tenzij dit niet mogelijk is door specifieke omstandigheden zoals een gezondheidsrisico, ziekte of gebrek. Dagelijks vrije beweging is noodzakelijk. 3. Hoeveelheid (dag)licht: Lichthoeveelheid in stallen is minimaal 80 lux gedurende 8 uur per dag. 4. Stalling en weidegang: Stallen en weides zijn deugdelijk en veilig.
Er zijn geen uitsteeksels of andere zaken waaraan een paard zich zou kunnen verwonden; ▪ Verbod op gebruik van prikkeldraad voor afrastering van paardenweides. ▪ Er is een schuilgelegenheid aanwezig voor paarden die dag en nacht buiten verblijven (schuilstal of bossage in de vorm van bomen of struiken). De gids GvGP wordt door het Ministerie van LNV en de NVWA als richtlijn gehanteerd bij handhavingszaken en andere juridische kwesties waarbij het dierenwelzijn in het geding is. De GvGP heeft ook aan de basis gelegen bij het tot stand komen van deze kadernotitie. Keurmerk Paard en Welzijn Het dierenwelzijn is een steeds meer terugkomend onderwerp in onze maatschappij. Het welzijn van paarden is een onderwerp wat steeds vaker aan bod komt, zowel binnen de paardensector als daarbuiten. Dat is ook weer gebleken na de Olympische Spelen 2020 die recent zijn gehouden in Tokyo. Maar deze discussie is niet ‘nieuw’. Al in 2012 is er voor de paardensector de Welzijns Monitor Paardenhouderij (WMP) opgesteld door livestock research Wageningen. Hier is een meetprotocol opgesteld om te beoordelen hoe het gesteld is met het welzijn van paarden. Uitvoerend aan het WMP is begin 2014 is het Keurmerk Paard
12
en Welzijn (KPW) ontwikkeld en in de markt gezet. Dit Keurmerk is in het najaar van 2017 overgenomen door de Sectorraad Paarden. De systematiek van criteria en beoordelingen in het Keurmerk Paard en Welzijn is wetenschappelijk onderbouwd en wordt ondersteund door de Sectorraad Paarden en de belangrijkste organisaties in de paardensector. Eisen Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) Als het welzijn van dieren in twijfel wordt getrokken wordt de NVWA ingesteld. Houders van paarden moeten zich houden aan de Wet dieren (wordt in 2023 vervangen) en het Besluit houders van dieren om de gezondheid van hun dieren te waarborgen. Deze regelgeving stelt dat iedere paardenhouder verplicht is om zijn paarden goed te onderhouden te verzorgen en te huisvesten. Belangrijke regels hierin zijn o.a.: ▪ Paarden moeten voldoende ruimte hebben. ▪ Paarden moeten een schone en droge ligplek hebben. ▪ Er moet voldoende licht zijn in de stallen. ▪ Er mogen geen uitstekende scherpe randen in de stallen zijn waaraan paarden zich kunnen verwonden. ▪ Paarden mogen geen zwaar werk doen of werk waarvoor ze niet geschikt zijn. ▪ Paarden mogen niet worden gehouden op een slechte wei of niet beweidbaar land. ▪ Het is verboden om paarden en pony's te gebruiken als vervoermiddel of transportmiddel als het dier niet geschikt is om spullen of mensen te vervoeren, of er te zwaar door wordt belast.
Maatlat duurzame paardenhouderij Voor de intensieve veehouderij kennen we de Maatlat duurzame veehouderij (MDV). Een Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)-stal is een veestal met een lagere milieubelasting, met maatregelen voor diergezondheid en dierenwelzijn en draagt daardoor bij aan verduurzaming van de veehouderij. Een MDV-stal voldoet aan strenge duurzaamheidseisen. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft SMK opdracht gegeven om ook voor de hippische sector een maatlat te gaan ontwikkelen. De MDV voor integraal duurzamere paardenstallen zorgt voor verduurzaming door middel van maatregelen die bij de nieuwbouw of verbouw van de stallen kunnen worden genomen. Bij het voldoen aan die maatregelen kan het MDV-certificaat worden uitgereikt. De investeringen voor zo’n duurzamere stal worden door de overheid fiscaal aantrekkelijk gemaakt door een koppeling met de MIA en Vamil regeling. Mount advies heeft deel uitgemaakt van de begeleidingscommissie om te komen tot de toetsingscriteria en maatregelen voor de Maatlat duurzame paardenhouderij. Dierenwet 2023 In januari 2023 zal de dierenwet in werking treden. De basis van deze wet is dat dieren geen onnodige pijn mogen leiden en zij vrij moeten zijn van stress en ongemak wanneer zij niet in hun natuurlijke omgeving gehouden (kunnen) worden.
Alle dieren moeten hun natuurlijke gedrag kunnen tonen en hoeven zich niet aan te moeten passen aan hun huisvesting. De huisvesting die wij als mens bieden moet ruimte bieden voor het natuurlijk gedrag van dieren. Nadat duidelijk werd dat deze wet in werking zal treden is er enorm veel discussie ontstaan. Want welk doel heeft deze wet, hoe moet deze uitgevoerd worden en wat betekent dat voor onze huisdieren (waar paarden vaak onder vallen). Belangrijk aspect in de wet is de sociale leefbaarheid van een dier. Een paard is een kuddedier en mag deze nog alleen gehouden worden? De invoering van deze wet zal daar meer duidelijkheid op moeten geven, maar er zal op basis van deze wet zeker het een en ander moeten veranderen ten aanzien van het houden van paarden.
13
4. Beleidskeuzes voor de hippische sector in het buitengebied van Montfoort 4.1 Vernieuwde kaders bedrijfsmatig versus hobbymatig paarden houden Kaderstelling 1: Er wordt onderscheid gemaakt tussen hobbymatige en bedrijfsmatige paardenhouderijen, de term semi-bedrijfsmatig verdwijnt. Onder hobbymatige paardenhouderij mogen maximaal 8 paarden gehouden worden. Bij een bedrijfsmatige activiteit dient ten minste sprake te zijn van 1 arbeidskracht met een volledig inkomen. Alle bedrijfsmatige paardenhouderijen mogen zich binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ of ‘Agrarisch Rivierzone’ vestigen. Maneges zijn alleen binnen de bestemming ‘Sport’ toegestaan. In deze kadernotitie blijft de beleidsnotitie uit 2012 in grote lijn de basis vormen. De nieuwe kaders zijn echter geüpdatet naar de huidige praktijk en naar de meest recente versie van de VNG-richtlijn uit 2014+ ´Paardenhouderij in het Omgevingsrecht´. Tevens worden ook de geconstateerde tegenstrijdigheden weggenomen. Het onderscheid tussen bedrijfsmatige paardenhouderijen en hobbymatige paardenhouderij blijft behouden en de invulling hiervan wordt verduidelijkt. Bedrijfsmatige paardenhouderijen In het vigerende bestemmingsplan worden bedrijfsmatige paardenhouderijen alleen toegestaan binnen de functie agrarisch (bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – Rivierzone’).
Een paardenhouderij is bedrijfsmatig wanneer in de omvang ten minste één arbeidskracht een volledig inkomen uit de paardenhouderij kan genereren met een daarbij passende bedrijfsomvang. Daarnaast moet er zicht zijn op de continuïteit van het bedrijf bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar. Wanneer de gemeente twijfelt over de bedrijfsactiviteiten en het bijbehorende inkomen kan de gemeente een bedrijfsplan opvragen en advies inwinnen bij de Agrarische beoordelingscommissie. Speciale aandacht dient uit te gaan naar het onderscheid tussen productiegerichte paardenhouderijen en gebruiksgerichte paardenhouderijen. Hiervoor worden in de regels van het nieuwe bestemmingsplan gebruiksregels opgesteld. Vanwege de flexibiliteit in de agrarische bedrijfsvoering wordt de paardenbak buiten het agrarisch bouwvlak toegestaan. Dit was al bestaand beleid, maar het vigerende bestemmingsplan biedt hier geen ruimte toe. In het nieuwe bestemmingsplan wordt een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen die randvoorwaarden stelt onder welke condities een paardenbak buiten het bouwvlak mag worden gesitueerd. Om te voorkomen dat de paardenbakken het open landschap aantasten moet de paardenbak aansluitend aan het bouwvlak gerealiseerd worden (de oude beleidsnotitie noemde 50 en 100 meter).
Voor maneges wordt een uitzondering gemaakt; deze worden niet toegestaan binnen een agrarische bestemming, maar hebben de aparte bestemming ‘Sport’ met aanduiding ‘manege’. Dit is in het huidige beleid en vigerende bestemmingsplan ook al zo geformuleerd. Hobbymatige paarden houden Het hobbymatig houden van paarden is in iedere bestemming waar een (bedrijfs)woning is toegestaan mogelijk, ook binnen de bestemming ‘Tuin’ mogen paarden hobbymatig gehouden worden. Middels een afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om een hobbymatige paardenbak binnen de bestemmingen Agrarisch en Agrarisch –Rivierzone te realiseren. Nieuwe paardenbakken in (bijvoorbeeld) de bestemming Agrarisch met waarden – Landschap en Natuur worden niet meer toegestaan. De reeds aanwezige paardenbakken die niet binnen de bestemming Wonen en Tuin of binnen een bouwvlak Agrarisch of Agrarisch -Rivierzone liggen, krijgen/behouden een specifieke aanduiding op de verbeelding van het bestemmingsplan.
14
In de milieuwetgeving staat dat vanaf 6 paarden er een meldingsplicht geldt. Een melding komt echter alleen voor bij inrichtingen. Wanneer paarden hobbymatig worden houden is geen sprake van een inrichting. Daarom geldt de vuistregel dat hobbymatig maximaal 5 paarden mogen worden gehouden. Op basis van vaste jurisprudentie mogen in het buitengebied echter maximaal 8 paarden hobbymatig worden gehouden, enkel als deze niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt en eigenaren geen winstoogmerk hebben. We gaan daarom nu uit van maximaal 8 paarden voor hobbymatig gebruik. Voor het hobbymatig houden van paarden binnen bestemmingen waar een bedrijfswoning is toegestaan gelden dezelfde regels als binnen de bestemming woondoeleinden.3 Ruimtelijke impact De ruimtelijke impact van alle paardenhouderijen is in essentie vergelijkbaar. Ze hebben dezelfde stal- en buitenruimte nodig. Alleen qua verkeersbewegingen is er enig verschil. Ook de milieukundige impact blijft gelijk, daar er voor paardenhouderijen in het algemeen geen geuremissiefactor is vastgesteld, maar wordt gewerkt met vaste richtafstanden, deze betreft 50 meter ten opzichte ven geurgevoelige objecten in het buitengebied en 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in de bebouwde kom. Wanneer sprake is van een gemengd gebied mogen burgemeester en wethouders deze afstand halveren.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn enkel fokkerijen toegestaan binnen de gemeente Montfoort. Dit harmonieert niet met het beleid. Of de paardenhouderij nu een fokkerij, trainingsstal, handelsstal, privéstal etc. is in ruimtelijk opzicht zien deze bedrijven er het zelfde uit en beschikken zij over dezelfde (hippische) voorzieningen. De VNG-richtlijn geeft het volgende aan als het gaat om de ruimtelijke impact van productiegerichte paardenhouderij en een gebruiksgerichte paardenhouderij: “Met het laten vervallen van het uitdrukkelijke onderscheid in agrarische en niet-agrarische paardenhouderij en het in de plaats daarvan het toekennen van een specifieke bestemming paardenhouderij of een aanduiding paardenhouderij, wordt aan de paardenhouderij een zelfstandige plaats geboden. Dit hoeft op zichzelf beschouwd geen afbreuk te doen aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Ook agrarische bedrijven genereren vergelijkbare, veelal zelfs omvangrijkere gebouwen, terwijl de effecten van een productiegerichte paardenhouderij op zichzelf genomen niet nadelig(er) zijn voor de ruimtelijke kwaliteit, nu de productiegerichte paardenhouderij zich net als een veehouderij primair richt op het houden van dieren. Het enkele feit dat de eigendom van de paarden bij derden berust, is daarvoor op zichzelf niet relevant.
Ook de hedendaagse vleeskalverenhouderij en de opfok van vrouwelijk jongvee vindt steeds vaker in opdracht van de eigenaar plaats.” Doordat de verkeersaantrekkende werking van een manege vele malen groter is dan van een andere type paardenhouderij worden maneges apart bestemd met de bestemming ‘Sport’. Daarnaast beschikt een manege vaak over meerdere buiten- en/of binnenbakken waardoor de ruimtelijke impact groter is. Ook het organiseren van wedstrijden, ponykampen etc. heeft qua geluid een impact op de omgeving. Daarom worden maneges niet toegestaan binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch-Rivierzone’. Voor de overige paardenhouderijen zijn de benodigde voorzieningen en de effecten op de omgeving gelijkwaardig te benoemen. Alle bedrijven beschikken over stalgebouwen, mestplaat, buitenbak en in veel gevallen ook een binnenbak. Vanaf de buitenkant van een paardenhouderij kan niet gezien worden om welk type paardenhouderij bedrijf het gaat. Derhalve vormt de ruimtelijke impact geen belemmering om het beperkte beleid uit het vigerend bestemmingsplan te verruimen conform de VNG-richtlijn, de lijn die de
3 Dit is van toepassing bij bijvoorbeeld aan agrarisch bedrijf met intensieve veehouderij waarvan de kinderen
hobbymatig paardrijden. Of bij een autogarage met een bedrijfsbestemming waar men voor de hobby paarden houdt. Dan is het bouwblok ten dienste van het IV bedrijf en mag er voor de hobbymatige buitenbak aangesloten worden bij regels zoals deze omschreven zijn voor het hobbymatig houden van paarden bij een burgerwoning.
15
beleidsnotitie uit 2012 heeft uitgezet en het vervolg daarop door het vaststellen van deze kadernotitie.
4.2 Vernieuwde definities Kaderstelling 2: De begripsomschrijvingen ten aanzien van de paardenhouderij worden overgenomen uit de VNG-richtlijn “Paardenhouderij in het Omgevingsrecht” en daar waar nodig aangevuld met uitleg zoals deze is opgenomen in de VNG-richtlijn. Voor de overige begripsbepalingen die geen direct verband hebben met de hippische sector blijven de begripsbepalingen uit het vigerend bestemmingsplan gehanteerd. Met het toepassen van de onderstaande definities uit de VNG-richtlijn wordt aangesloten bij de landelijke systematiek. De beleidsnotitie uit 2012 stelde al om de definities uit de richtlijn over te nemen. Bij het vaststellen van het vigerende bestemmingsplan is daar vervolgens een andere invulling aan gegeven. Dit wordt nu rechtgezet. Door het overnemen van de definities ui de VNG-richtlijn worden er op deze manier geen bedrijfstypen uitgesloten. Alle verschillende typen paardenhouderij worden benoemd. Daarmee wordt het voor vergunningverlening en handhaving makkelijk om het bestemmingsplan te toetsen en te beoordelen of een functie al dan niet binnen het bestemmingsplan past. Daar waar de omschrijvingen van de definities uit de VNG-richtlijn nog onduidelijkheid kunnen bieden zijn onderstaande begripsomschrijvingen aangevuld met teksten uit de toelichting van de VNG-richtlijn. 1)
2)
3)
4)
5)
Agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, fruitteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en paardenhouderijen, incl. opfokstal en/of ondergeschikte pensionstalling Gebruiksgerichte paardenhouderij: een paardenhouderij waar het rijden c.q. mennen met paarden, pony’s en of veulens primair gericht is op de ruiter/amazone/menner zoals accommodatiegerichte (niet-grondgebonden) pensionstallen en verenigingsaccommodaties, niet zijnde een manege. Grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of het bieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven en paardenhouderijen worden ook aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf.
Hobbymatige paardenhouderij: het houden van paarden waarbij tot een maximum van 84 paarden (hieronder veulens en pony's inbegrepen) wordt aangehouden voor eigen gebruik en vrijetijdsbesteding, zonder winstoogmerk. Manege: een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport waarbij de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie in één of
4
Op basis van vaste jurisprudentie zie ook: https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/systematiek/vragenantwoorden/begrip-inrichting/hobbymatig-houden/
16
meerdere disciplines aan derden met gebruik van paarden en/of pony’s in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en/ of pony’s en het bieden van huisvesting aan die paarden en/of pony’s, het organiseren van wedstrijden en evenementen en waarbij ondergeschikt hieraan horeca is toegestaan; 6) Paardenbak: een niet overdekte rijbaan ten behoeve van het trainen en africhten van het paard, pony en/of veulen en/of (recreatieve) paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining en drainage. 7) Paardenhouderij: een agrarisch (grondgebonden) bedrijf wat zich richt op het productie gericht en/of gebruiksgericht houden van paarden, pony’s en/of veulens, niet zijnde een manege. 8) Paddock: omheind stuk grond, voorzien van een geprepareerde en/of (semi) verharde bodem waarin een paard, pony en/of veulen, individueel of in groepsverband zich naar eigen inzicht vrij kan bewegen.
9) Productiegerichte paardenhouderij: een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en/of verhandelen van paarden, pony’s en/of veulens; zoals fok- en opfokbedrijven, de hengstenhouderijen, paardenmelkerijen, africhtingsstallen, trainingsstallen, sportstallen, handelsstallen, stalhouderijen en/of spermawinstations. 10) Volwaardige paardenhouderij: een paardenhouderij in de omvang van tenminste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar.
4.3 Gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij Kaderstelling 3: Door het overnemen van de begripsomschrijving uit de VNG-richtlijn wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen gebruiksgerichte paardenhouderij en productiegerichte paardenhouderij. De bestemmingsplan systematiek dient op dit onderscheid aangepast te worden. Scheiding tussen verschillende type paardenhouderij-bedrijven moeilijk uitlegbaar De scheiding tussen de typen paardenhouderij-bedrijven is in de praktijk moeilijk uitlegbaar en levert geregeld problemen op. Maneges met enkel manegepaarden bestaan nagenoeg niet meer. In veel gevallen is er altijd de combinatie met pensionstalling, handelsstal, privéstal en/of fokkerij. In veel gevallen is het zo dat de pensionstalling groter is dan het manegegedeelte. Bij stoeterijen en fokkerijen worden jonge paarden opgeleid en getraind voor de verkoop, ook hier worden vaak weer boxen verhuurd aan meerdere ruiters met een trainings- of handelsstal om zo een basis inkomen te kunnen garanderen. Wanneer een hippische ondernemer een locatie heeft met een bedrijf met deels een productiegebonden tak en deels een gebruiksgerichte tak, wat meer regel is dan uitzondering, dan mag hij zich nu niet vestigen binnen de gemeente Montfoort.
Door de wijze van formuleren van de gebruiksmogelijkheden in combinatie met de begripsbepalingen in het vigerende bestemmingsplan zijn in de gemeente Montfoort enkel fokkerijen toegestaan. Elke andere vorm van paardenhouderij is nu uitgesloten. Uit de analyse van 2012 blijkt juist dat er binnen de gemeente Montfoort nauwelijks sec. fokkerijen aanwezig zijn maar het allemaal gecombineerde paardenhouderijen betreffen. Strikt genomen zijn deze bedrijven dan momenteel ook in strijd het met bestemmingplan. Dat vraagt om een andere plansystematiek voor hoe de gemeente om wenst te gaan met de (semi) bedrijfsmatige paardenhouderijen binnen haar grondgebied.
17
In de paardenhouderij hebben de meeste bedrijven geen zuiver agrarisch karakter. Het overgrote deel richt zich mede- al dan niet in overwegende mate – op aanverwante agrarische activiteiten, zoals de trainings- en africhtingstallen, al dan niet als onderdeel van een fok- en opfokstal, de sportstallen, de handelsstallen en de pensionstallen. Vaak komen mengvormen voor. Voor deze bedrijven, inclusief de opfokbedrijven, wordt aanbevolen in bestemmingsplannen de agrarische bestemming te verruimen. Gebruiksgericht / productiegericht Om een duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende paardenhouderijen wordt aangesloten bij de verdeling die is opgenomen in de VNG-richtlijn ‘Paardenhouderij in het omgevingsrecht’. In de praktijk is er echter geen duidelijke scheidingslijn tussen gebruiksgerichte en productiegerichte bedrijven en zien we vaak een combinatie. Onder gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij vallen alle paardenhouderijen, met uitzondering van maneges. De VNG-richtlijn geeft de volgende uitleg aan de verschillende type paardenhouderijen: “Onder gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij vallen alle paardenhouderijen. Dit laat onverlet dat fokkerijen, hengstenhouderijen en paardenmelkerijen, vanwege hun zuiver agrarische karakter, ook, wellicht zelfs beter, als agrarisch bedrijf kunnen worden aangemerkt.
In dat geval gaat het namelijk uitsluitend om het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren. Dit verschilt niet van de andere vormen van agrarisch gebruik. Onder productiegerichte paardenhouderij vallen de op het voortbrengen van producten gerichte paardenhouderijen, zoals fok- en opfokbedrijven, de hengstenhouderijen, de paardenmelkerijen, de africhtingsstallen, de trainings- en sportstallen, de handelsstallen, stalhouderijen en spermawinstations. Bij gebruiksgerichte paardenhouderij staat meer de georganiseerde beoefening van de paardensport centraal. Hierbij kan gedacht worden aan maneges, de meer accommodatiegerichte (niet-grondgebonden) pensionstallen en verenigingsaccommodaties. Naast het geven van instructies aan ruiters en amazones, is er vaak een gelegenheid aanwezig waar een consumptie kan worden genuttigd.” Onder productiegerichte paardenhouderij vallen de op het voortbrengen van producten gerichte paardenhouderijen zoals: • • • • • • • •
fok- en opfokbedrijven hengstenhouderijen paardenmelkerijen africhtingsstallen trainings- en sportstallen handelsstallen stalhouderijen spermawinstations
Bij gebruiksgerichte paardenhouderij staat meer de georganiseerde beoefening van de paardensport centraal. Dit zijn bedrijven zoals: • •
de meer accommodatiegerichte (niet-grondgebonden) pensionstallen verenigingsaccommodaties
Geen onderscheid tussen eigen gefokte paarden en elders gefokte paarden De VNG-richtlijn maakt geen onderscheid tussen eigen gefokte paarden en overige paarden. Door de begripsomschrijving aan te passen wordt paardenhandel direct mogelijk. Onder een handelsstal wordt het volgende verstaan: Een bedrijf kan als handelsstal worden beschouwd
18
indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de in- en verkoop van paarden. In tegenstelling tot de handel in vee en andere veesoorten worden paarden vaak langer aangehouden en niet direct doorverkocht of naar de slacht gebracht. Een handelsstal, met name een sportpaardenhandelsstal, doet veelal eerst aan waardevermeerdering voordat een paard weer doorverkocht wordt. Om duidelijke kaders te formuleren en deze ook toetsbaar te houden volgen we VNG-richtlijn als het gaat om de verdeling tussen productiegerichte paardenhouderij en gebruiksgerichte paardenhouderij: Doorvertaling in het bestemmingsplan In het nieuwe bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen Maneges, productiegerichte paardenhouderij en een gebruiksgerichte paardenhouderij. Bij een verbreding van de agrarische bestemming verandert er voor deze bedrijven niets. Wel vallen in dat geval alle productiegerichte paardenhouderijen onder de verruimde agrarische bestemming, inclusief een pensionstal en een opfokstal. Door in de begripsomschrijving van productiegerichte paardenhouderij de woorden ‘in hoofdzaak’ te vermelden, wordt voorkomen dat het gebruiksgericht houden van paarden als nevenactiviteit direct leidt tot een gebruiksgerichte paardenhouderij.
Dit doet recht aan de huidige praktijk, waar de hedendaagse paardenhouderij een mengvorm is van activiteiten, hetgeen betekent, dat wanneer vastgehouden blijft worden aan het onderscheiden tussen agrarische en nietagrarische paardenhouderijen, er aan de paardenhouderij onvoldoende ruimte wordt geboden. Er kan niet worden voorbijgegaan aan de ontwikkeling die de productiegerichte paardenhouderij heeft doorgemaakt. Daardoor is het onwenselijk de mengvorm van de diverse verschijningsvormen uit te sluiten en aansluiting te blijven zoeken bij uitsluitend de traditionele agrarische paardenhouderij. Met het laten vervallen van het uitdrukkelijke onderscheid in agrarische en niet-agrarische paardenhouderij en het in de plaats daarvan verruimen van de agrarische bestemming door het toekennen van een specifieke bestemming paardenhouderij, wordt aan de gebruiksgerichte paardenhouderij een zelfstandige plaats geboden. Dit hoeft op zichzelf beschouwd geen afbreuk te doen aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Zie ook paragraaf 4.1 onder het kopje ruimtelijke kwaliteit.
4.4 Maneges Kaderstelling 4: De gemeente Montfoort heeft er eerder al voor gekozen om maneges uit te sluiten binnen de gebruiksgerichte paardenhouderij en apart te bestemmen als sportbedrijf. Dit was al een beleidskeuze uit de notitie in 2012 en is doorgevoerd in het vigerende bestemmingsplan. Deze beleidskeuze blijft gehandhaafd.
Het onderscheid om maneges niet als agrarisch bedrijf te bestemmen maar als een sportbedrijf blijft gehandhaafd. Een manege heeft een grotere impact op de omgeving doordat de verkeersaantrekkende werking vele malen groter is, er veel hogere bezoekersaantallen zijn en de verschillende wedstrijd- en recreatieactiviteiten zoals evenementen en ponykampen die er gehouden mogen worden. Daarnaast vormt de horecavoorziening in maneges altijd een wezenlijk onderdeel van de exploitatie en wordt hier in de regel ook gebruik van gemaakt door bezoekers die verder geen link hebben met de manege. Het apart bestemmen van maneges wordt in de begripsomschrijving vastgelegd door een manege niet te laten vallen onder een paardenhouderij, maar hier een aparte bepaling aan te geven en een manege als sportbedrijf te bestemmen. In het vigerende bestemmingsplan is een manege al ondergebracht binnen de bestemming ‘Sport’. Dit blijft op deze wijze toegepast worden en verandert niet ten opzichte van de huidige situatie.
19
4.5 Het geven van instructie Kaderstelling 5: Het geven van individuele instructie staan we op alle typen paardenhouderij toe. Het geven van groepslessen is alleen toegestaan binnen een manege. Het geven van instructie dient als inherent aan ieder type paardenhouderij, ongeacht zijn omvang, te worden aangemerkt. Dat is niet alleen uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk, het geven van instructie maakt een wezenlijk onderdeel uit van het bedrijfsresultaat. Op deze wijze kan ook het hoge niveau van de Nederlandse paardensport worden veiliggesteld. Wel geldt daarbij de voorwaarde, dat de instructie geen hoofdactiviteit wordt. Deze moet altijd ondergeschikt blijven aan de primaire doelstelling. In veel gevallen wordt de instructie verzorgd door beoefenaars van de paardensport die vallen onder de categorie productiegerichte paardenhouderij. Het onderscheid in productiegericht en gebruiksgericht is slechts bedoeld ter voorkoming dat de instructie een waarneembare activiteit wordt. Bij een productiegerichte paardenhouderij dient de instructie ondergeschikt te zijn aan de overige activiteiten. In tegenstelling tot de gebruiksgerichte paardenhouderij, staat bij een productiegerichte paardenhouderij immers het paard centraal, in plaats van de ruiter en de amazone. Binnen de gemeente Montfoort zijn twee grote maneges aanwezig.