Bijlage 4 Toelichting Willeskop 77c 77 Montfoort versie voor vaststelling. 28-10-2021.pdf
Tekst van het document
Weliswaar is de paardenbak gesitueerd op een locatie die verdacht is op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in de bovengrond (voormalige boomgaard), maar deze bodemverdachtheid wordt onvoldoende gevonden om voor de legalisatie van de huidige paardenbak alsnog een bodemonderzoek te eisen. Het ligt meer voor de hand om dat te eisen op het moment dat de paardenbak uitgebreid gaat worden. Wat betreft de overkapping betreft dit een bouwwerk geen gebouw zijnde kleiner dan 50m2, voor de legalisatie van dit bouwwerk kan geen bodemonderzoek geëist worden.
4.8 Geluid Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg geluidswaarden die niet overschreden mogen worden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg waar geen wijzigingen optreden op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Onderhavig initiatief betreft de juridische borging van reeds aanwezige hippische voorzieningen zoals vernoemd in paragraaf 2.2 en een functie-uitbreiding naar gebruiksgerichte paardenhouderij. Er worden geen geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Op het perceel staat een bestaande bedrijfswoning, omdat dit een bestaande situatie is, is er geen verplichting om te toetsen aan de Wet geluidhinder. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering.
4.9 Geur 4.9.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast.
44
De Wgv is van toepassing op alle vergunningsplichtige activiteiten. Het activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningsplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningsplichtige. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings)vergunningsplichtige bedrijven. Gemeenten mogen op basis van artikel 6, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken. Voor bedrijven waar paarden gehouden worden, zijn geen geuremissies vastgesteld waardoor vaste afstanden aangehouden dient te worden. De minimaal te hanteren afstanden bij een paardenhouderij bedragen:
▪ ▪ ▪
25 meter vanaf het dierenverblijf tot aan een bedrijfswoning welke hoort bij een ander agrarisch bedrijf. 50 meter tot aan een woning in het buitengebied. 100 meter tot aan een woning gelegen binnen de bebouwde kom.
Op de locatie worden de bestaande paddocks positief bestemd. Deze paddock worden gebruikt voor van (jonge) paarden. Met name de jonge opfokpaarden staan het jaar rond zoveel mogelijk buiten en maken dan gebruik van deze paddock. Op basis van vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2021:2066 en AMS 16/7630) worden paddock waar langer dan een paar uur per dag paarden in staan gezien als een dierenverblijf in het kader van de Wet milieubeheer. Op de Willeskop 77c worden de paddocks intensief gebruikt. Derhalve dienen de paddocks aangewezen te worden als dierenverblijf en in die hoedanigheid getoetst te worden. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten door het toestaan van een gebruiksgerichte paardenhouderij naast de productiegebonden paardenhouderij en het planologisch borgen van de hippische voorzieningen. Er vindt geen uitbreiding van het bouwblok en dieraantallen plaats, dit laatste is ook niet mogelijk gelet op huidige vergunde en gemelde situaties op de Willeskop 77 en Willeskop 77c. Door het positief bestemmen van de paddocks worden er wel extra dierenverblijven gerealiseerd. Hiervoor moet beoordeeld worden of deze inpasbaar zijn. De paddocks dienen op een afstand van ten minste 25 meter van omliggende woningen (bedrijfs- en/of burgerwoningen) te liggen.
De bedrijfswoning Willeskop 77 maakt planologisch gezien onderdeel uit van hetzelfde bedrijf en kan buiten beschouwing worden gelaten. Echter omdat het hier gaat om een woning van derde is deze toch meegenomen: Willeskop 75 burgerwoning ligt op een afstand van circa 84 meter, Willeskop 77 ligt op een afstand van circa 68 meter, Willeskop 77a ligt op een afstand van circa 112 meter. De omliggende woningen liggen buiten de vaste afstand, het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Wet luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering; 1.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
2.
een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
3.
een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
45
4.
een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
De Wet luchtkwaliteit, titel 5.2 Wm kent geen eisen voor bedrijfs- of andere woningen, maar bevat de Europese richtlijn inzake luchtkwaliteit enkele uitzonderingen. Voor ontwikkelingen in het buitengebied is het met name van belang dat de normen t.a.v. de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (Pm10) in acht worden genomen. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van hieronder afgebeelde GCN-kaarten van RIVM.
Figuur 4.6 Concentratie fijnstof PM10 ter plaatste 17,74
Figuur 4.7 Concentratie stikstofdioxide NO2 ter plaatse 15,37
46
Om te beoordelen of er een goed woon- en leefklimaat is wordt de achtergrondconcentratie beoordeeld. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt 17,74µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 15,37 µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.
4.10.2 NIMB Het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage leveren aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toepassing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project al ‘NIBM’. Een project is ‘NIMB’ wanneer maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM₁₀) of stikstofdioxide (NO₂). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM₁₀ als NO₂. Het project is wel in betekende mate (IMB) indien de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn.
De Regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Verkeerstoename Uit de mobiliteitstoets opgesteld door BSVA (zie paragraaf 4.5 en bijlage 3) is gebleken dat er bij het toestaan van de paardenhandel in de huidige praktijk gemiddeld per dag 4 a 5 extra voertuigen per dag komen en bij het ‘worst-case’ scenario 9 à 10 verkeersbewegingen bij komen. Op basis van de erfdienstbaarheid clausule mogen er op jaarbasis maximaal 4 vrachtwagens gebruik maken van de oprit. Eerder is aangegeven dat de ingekochte paarden deels (50/50) met een vrachtwagen worden gebracht. Omdat deze vrachtwagens niet gebruik mogen maken van de oprit kunnen deze ritten in mindering gebracht worden op het totaal aantal voertuigen dat gebruik maakt van de oprit. Echter het laden en lossen aan de provinciale weg is niet wenselijk. De eigenaar van Willeskop 77c is zich hiervan bewust en maakt daarom binnenkort gebruik van locatie “de Lange Linschoten”. Paarden die per vrachtwagen gebracht worden, worden in eerste instantie naar deze locatie gebracht, waarna ze met een auto met paardentrailer naar Willeskop 77c gebracht worden.
Dit houdt in dat de berekeningen met als uitgangspunt één voertuig per paard niet aangepast hoeven te worden. Bij het mobiliteitsprofiel van Willeskop 77c is de volgende vervoerswijze verdeling aangegeven voor gekochte paarden die opgehaald worden. “Het verkochte paard wordt opgehaald met een auto met trailer of (kleine)vrachtwagen, de verdeling is 60% auto met trailer, 10% kleine vrachtwagen (rijbewijs BE) en 30% vrachtwagen”. In het kader van de erfdienstbaarheid mogen deze vrachtwagens geen gebruik maken van de oprit. In deze gevallen wordt het omgekeerde proces gevolgd van de ingekochte paarden. Het paard wordt naar locatie “de Lange Linschoten” gebracht met auto en trailer en daar met de vrachtwagen opgehaald. Net als bij de ingekochte paarden blijven het aantal vervoersbewegingen gelijk en hoeft de berekening niet
47
aangepast te worden. De uitvoerbaarheid van de bestemming is niet afhankelijk van de bereikbaarheid voor vrachtverkeer. In onderstaande berekening is uitgegaan van het ‘worstcasescenario’ waarbij geen rekening wordt gehouden met de erfdienstbaarheid om zo de maximale planologische haalbaarheid in beeld te brengen. Dit houdt in dat er uitgegaan wordt van 10 extra verkeersbewegingen bovenop de bestaande verkeersbewegingen waarbij 40% vrachtverkeer is.
Figuur 4.8 Worst-case berekening op basis van de NIMB-tool
De legalisatie van de handel en paarden en de activiteiten die aansluiten bij een gebruiksgerichte paardenhouderij leiden niet tot een significante toename van het aantal verkeersbewegingen. Met het toestaan van een gebruiksgerichte paardenhouderij neemt het aantal verkeersbewegingen niet noemenswaardig toe; gemiddeld vier bewegingen per dag. Het aantal verkeersbewegingen is aan te merken als niet in betekende mate, nader onderzoek is dan ook niet nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan.
4.11
Bedrijven en milieuzonering
In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Voor de bepaling van de richtafstanden van veehouderijen wordt voor wat betreft het aspect geur niet uitgegaan van de VNG-publicatie maar van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit. Uit de jurisprudentie volgt, dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object de in de Wgv genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel moet worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Op de locatie is nu een productiegerichte paardenhouderij toegestaan, dit wordt uitgebreid zodoende dat tevens een gebruiksgerichte paardenhouderij is toegestaan, daarnaast worden paddocks toegevoegd die als dierenverblijf moeten worden aangemerkt. De hoofdactiviteit blijft paardenhouderij en daarmee verandert er dus niets aan de bedrijfscategorie. In de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” wordt voor maneges en het
48
houden en fokken van paarden een richtafstand aangegeven van 50 meter tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten door het toestaan van een gebruiksgerichte paardenhouderij en het planologisch borgen van de hippische activiteiten. Er vindt geen uitbreiding van dieraantallen en bouwmogelijkheden plaats. In de directe omgeving zijn de volgende bedrijven gelegen: ▪ ▪ ▪ ▪
Willeskop 73 Willeskop 73B Willeskop 77 Willeskop 77a
– nog wel agrarische bestemming maar niet meer in bedrijf – Gemaal de Pleyt, geen bedrijfswoning aanwezig – Paardenhouderij – Varkenshouderij, op een afstand van 50 meter
Voor wat betreft de geurnormen en de vaste minimale afstanden zoals geregeld in de artikelen 3.115 en 3.117 Activiteitenbesluit bestaat de mogelijkheid om in een gemeentelijke verordening andere geurnormen of afstanden binnen een bepaalde bandbreedte vast te stellen. In de gemeente Montfoort is op 11 oktober 2010 een geurverordening vastgesteld waarbij voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkrundvee en paarden) in bestaande stallen een andere vaste minimale afstanden zijn vastgesteld. Het gaat hierbij om de volgende afstanden: ▪ de minimale afstand tussen een dierverblijf en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom bedraagt ten minste 25 meter (was 50 meter); ▪ de minimale afstand tussen een dierverblijf en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom bedraagt ten minste 50 meter (was 100 meter). Adres
Bedrijf of woning
Minima le afstand
Huidige afstand Afstand Afstand bouwvlak emissiepunt, emissiepunt, bestemmingsvla bestemming gevel k svlak woning Willeskop 73A* Woning 25 133 meter 150 meter 158 meter Willeskop 75* Woning 25 0 meter 6 meter 16 meter Willeskop 138 Woning 25 42 meter 54 meter 57 meter Willeskop 140 Woning 25 44 meter 51 meter 51 meter Willeskop 142 Woning 25 53 meter 53 meter 53meter Willeskop 73* Bedrijf 25 163 meter 173 meter 187 meter Willeskop 73B* Bedrijf 25 67 meter 73 meter n.v.t Willeskop 77a Bedrijf 25 50 meter 51 meter 90 meter Willeskop 77** Bedrijf 25 - meter - meter 4meter *hier is de paardenhouderij van Willeskop 77 het dichtstbijzijnde emissiepunt ** Locatie Willeskop 77 en 77c delen 1 bouwblok
Afstand mesthoop tot gevel 188 meter 47 meter 69 meter 67 meter 70 meter 210 meter n.v.t. 104 meter 20 meter
Afstand tot paddocks
Voldoet aan richtafstand
200 meter 84 meter 117 meter 116 meter 118 meter 220 meter 142 meter 112 meter 68 meter
ja nee ja ja ja ja ja ja nee
Bijzonder aandacht dient uit te gaan naar de onderlinge relatie tussen deze twee paardenhouderijen op de Willeskop 77 en 77c. Deze bedrijven delen één bouwblok en kunnen daarmee planologisch als 1 locatie beschouwd worden. Echter op basis van de Wet milieubeheer betreft het hier twee aparte inrichtingen. Op 17 juli 2007 is een melding Besluit landbouw milieubeheer (thans: Activiteitenbesluit milieubeheer) ingediend en akkoord bevonden voor de Willeskop 77c. De aantal dieren nop deze melding betreffen 27 paarden, 10 schapen en 10 kippen. De conceptaanvraag is door de Omgevingsdienst op 10 april 2007 getoetst. Hierin is aangegeven dat de eerder verleende revisievergunning van de gehele locatie Willeskop 77 (dus incl. Willeskop 77c) onder de werking van het Besluit landbouw milieubeheer is komen te vallen op basis van artikel 4 lid 3 van dit Besluit aangezien er geen woningen of andere te beschermen objecten worden toegevoegd en het aantal dieren gelijk blijft. Bij de splitsing van Willleskop 77 in Willeskop 77 en 77c is aangegeven dat beide inrichtingen onder het Besluit vallen. Voor beide locaties is een milieumelding goedgekeurd. Op de locatie Willeskop 77 mogen 10 zoogkoeien, 13 schapen, 13 paarden/pony’s en 15 pony’s (stal G) gehouden worden. OP de Willeskop 77c
49
mogen in de westelijke stal (stal A op de revisievergunning) maximaal 17 paarden en pony’s gehouden worden en in de voormalige stal I en II mogen 10 paarden alsmede 10 kippen en 10 schapen gehouden worden. De normen qua vaste afstanden worden in de huidige situatie overschreden. Daardoor zitten beide locaties op slot en is het op beide locaties niet meer mogelijk om uit te breiden in dierenaantallen, ammoniak en stikstofuitstoot. Omdat er vanaf 2007 sprake is van twee inrichtingen op basis van de Wet Milieubeheer en het Besluit landbouw dienen de locaties op basis van dit bestemmingsplan onderling onderzocht te worden. De afstand van de stal van de inrichting Willeskop 77c ligt op 4 meter afstand ten opzichte van de bedrijfswoning van de inrichting Willeskop 77. Er wordt hier niet voldaan aan de richtafstand. Ten tijde van het akkoord bevinden de melding Activiteitenbesluit is enkel de bestaande c.q. vergunde situatie overgenomen. Uitbreiding van dieraantallen op de Willeskop 77 en 77c is in de huidige situatie dan ook uitgesloten. Derhalve verandert er qua dierenaantal in de nieuwe situatie niets ten aanzien van de vergunde situatie. Door het positief bestemmen van de paddocks worden er wel extra dierenverblijven gerealiseerd. Hiervoor moet beoordeeld worden of deze inpasbaar zijn.
De paddocks dienen op een afstand van ten minste 25 meter van omliggende woningen (bedrijfs- en/of burgerwoningen) te liggen. Binnen de afstand van 25 meter liggen geen (bedrijfs)woningen. In de nieuwe situatie worden dieraantallen niet gewijzigd. Het bouwvlak wordt niet aangepast , de paddocks liggen buiten de 25 meterzone van omliggende (bedrijfs)woningen. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
4.12
Externe veiligheid
4.12.1 Algemeen Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s als gevolg van de opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een basis beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord zijn binnen het invloedsgebied. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen", het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb) en het "Besluit transport externe veiligheid" (Bevt). Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving.
Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijk risico in kaart gebracht wat derden lopen bij een eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: ▪ ▪
Plaatsgebonden risico (PR) Groepsrisico (GR)
4.12.2 Plaatsgebonden risico Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor, of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval
50
nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10-6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde en moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde.
4.12.3 Groepsrisico Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing.
4.12.4 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (meestal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
4.12.5 Besluit externe veiligheid inrichtingen Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en is verder uitgewerkt in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. In de Bevi zijn grenswaarden en richtwaarden opgenomen per risicovolle activiteit. In het beleid voor de externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in de mate van bescherming. Kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, grote winkelcentra en bedrijven) krijgen de hoogste mate van bescherming, doordat hiervoor een grenswaarde geldt. Een grenswaarde is een afdwingbare norm die moet worden opgevolgd. Op onderstaand figuur is een overzicht te zien van de risicokaart van de omgeving van het plangebied.
Figuur 4.9 Risicokaart
In de directe nabijheid van het plangebied zijn op basis van de risicokaart geen risicovolle Bevi-inrichtingen, transportwegen, transportleidingen, stralingsgebieden en overige veiligheidsrisico’s. Op de Willeskop 85 is een kwetsbaar object aangeduid. Dit betreft een Bed & Breakfast. Dit kwetsbare object is gelegen op een afstand van 560 meter en vormt daarmee geen belemmering voor de paardenhouderij, waar een vaste afstand van 50 meter voor geldt. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
51
4.13
Waterparagraaf
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van het water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf.
4.13.1 Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan is in december 2009 vastgesteld. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals RijnMaas delta, IJsselmeergebied etc. Het Rijksbeleid heeft geen gevolgen c.q. consequenties voor onderhavig plan.
4.13.2 Waterkoers 2016 - 2021 Voor alle waterschappen is het bij wet verplicht om eens in de 6 jaar een waterbeheerplan op te stellen. Waterschap Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnland kiest voor een flexibele aanpak en heeft haar waterkoers 2016 – 2021 zo opgesteld dat deze ieder jaar herzien kan worden en zo in kan spelen op de actualiteiten. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van ruimtelijke adaptatie: ▪ ▪
De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.
Vervolgens worden de volgende voorwaarden voor ruimtelijke ingrepen gesteld: De ruimtelijke ontwikkelingen hebben weinig tot geen gevolgen voor het huidige watersysteem. In het kort gaat het om: ▪ Het verhard oppervlak neemt gering toe (Zie de Keur bepalingen voor de grenswaarden). Deze geringe toename van verhard oppervlak heeft weinig gevolgen voor het watersysteem. ▪ Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui al het hemelwater vanaf dit oppervlak verwerken en bergen. ▪ Het bestaande oppervlaktewater wordt niet aangepast. ▪ Water wordt niet buiten het plangebied geborgen. ▪ Er vindt geen lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater. ▪ Het plangebied ligt niet op of nabij een waterkering of belangrijke watergang. ▪ Het plangebied ligt niet nabij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) of rioolpersleiding.
4.13.3 Keur De Keur is in december 2018 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap, maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers, agrariërs etc.). Waterschap Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnland heeft op 1 mei 2019 de Keur aangepast. Zowel de basisregels als het bijbehorende kaartsysteem (de legger) is aangepast. Een deel van het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van de Hollandsche IJsel.
52
Figuur 4.10 uitsnede keur
4.13.4 Legger Vanuit de Keur wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ ▪
▪
Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc. Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
De watergangen binnen het plangebied zijn aangeduid als ‘Tertiaire Natte Profiel’
Figuur 4.11 Uitsnede Legger
53
4.13.5 Afkoppelen hemelwater De voorzieningen die met deze bestemmingsplanwijziging planologisch geborgd worden zijn in de praktijk al aanwezig. Waterschap Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnland heeft in haar beleid vastgelegd dat bedrijven met een uitbreiding die kleiner is dan 5000m2 geen compensatiemaatregelen hoeven te nemen voor het opvangen en afkoppelen van het hemelwater. De beoogde uitbreiding betreft het borgen van de bestaande voorzieningen. Hiervoor is een aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – paardenbak’ opgenomen. De oppervlakte hiervan bedraagt circa 2744m2. Hiermee blijft de ontwikkeling onder de compensatiegrens. Onder de paardenbak en de longeercirkels is drainage gerealiseerd om het regenwater sneller af te laten voeren. De afvoer van dit regenwater vindt plaats op het naastgelegen oppervlaktewater. Voor de aanleg van de drainage is overleg gevoerd met het Waterschap. De drainage ligt op circa 40cm onder het maaiveld. Hierdoor voldoet de aanleg aan de algemene regels uit hoofdstuk 69 en is het niet noodzakelijk om een vergunning aan te vragen.
54
5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid PM in afwachting van beslissing gemeente. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien:
▪ ▪ ▪
het kostenverhaal anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is.
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van tegemoetkoming in planschade. Het verhaal van de kosten vindt plaats via de overeengekomen anterieure overeenkomst en de heffing van de leges. Er vinden geen aanpassingen aan de openbare ruimte plaats ten behoeve van het project, behoudens de aansluiting op de riolering en aanleg inrit. Daarom is het niet noodzakelijk daaromtrent eisen te stellen. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van artikel 3.1.1. Bro zal vooroverleg plaatsvinden met de overheidsinstanties waarvan de belangen in het geding zijn bij de ontwikkeling hiervan.
5.2.2
Zienswijze procedure
Het ontwerpbestemmingsplan, inclusief bijbehorende stukken, heeft ter inzage gelegen van 31 maart tot en met 11 mei 2021. Eenieder is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze kenbaar te maken op het ontwerpbestemmingsplan. Binnen de gestelde termijn hebben twee partijen zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan: 1. 2.
Reclamant 1 (Willeskop 77), zienswijze per post ontvangen op 11 mei 2021 (zienswijze gedateerd 8 mei 2021); Reclamant 2 (Willeskop 77a), zienswijze per post ontvangen op 11 mei 2021 (zienswijze gedateerd 8 mei 2021).
Van reclamant 1 is ook een schrijven ontvangen op 22 april 2021 (gedateerd 19 april 2021). Gezien de inhoud van het schrijven hebben we dit eveneens als zienswijze aangemerkt. Dit is namens burgemeester en wethouders bij brief van 27 mei 2021 schriftelijk bevestigd aan reclamant. In deze schriftelijke bevestiging is aan reclamant de gelegenheid geboden om uiterlijk op 10 juni 2021 te laten weten dat de brief d.d. 19 april 2021 niet als zienswijze is bedoeld. Er is van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De zienswijzennota heeft daarom mede betrekking op de brief d.d. 19 april 2021. Reclamant 2 heeft zijn zienswijze aangevuld bij schrijven gedateerd 31 mei 2021 (per e-mail ontvangen). Gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan wordt het plan in het kader van vooroverleg aangeboden aan de wettelijke vooroverleg partners. Vanuit het vooroverleg zijn geen reacties binnen gekomen. Een samenvatting van de ingekomen zienswijzen en de beantwoording daarop is opgenomen in de Nota van Zienswijzen en vooroverleg. De nota is als bijlage 4 toegevoegd bij dit bestemmingsplan.
55
De zienswijze leidt tot aanpassing in de toelichting van het bestemmingsplan: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
In paragraaf 2.2 wordt extra toelichting gegeven over de noodzaak van de diverse hippische voorzieningen voor de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden op Willeskop 77c. In paragraaf 2.1.2 en 4.11 wordt de vermelding van het aantal volgens de milieumeldingen toegestane dieren gecorrigeerd. Paragraaf 4.9 wordt aangepast in die zin dat de paddocks als dierenverblijf worden uitgebreid. De paddocks en de dierenverblijven vormen geen belemmering voor omliggende bedrijven. In paragraaf 4.11 zijn in de afstanden tabel de afstanden t.o.v. de paddocks opgenomen.
De zienswijze leidt tot aanpassing in de regels van het bestemmingsplan: ▪
Planregel 3.5.5. wordt m.b.t. het individueel lesgeven aangescherpt om duidelijk te maken dat er per paardenbak maximaal 1 instructie tegelijk mag plaatsvinden.
Ambtshalve wijzigingen: ▪ ▪ ▪ ▪
▪
▪
In paragraaf 2.2.3 van de plantoelichting is duidelijker omschreven waarom er aangesloten moet worden bij de begripsomschrijvingen uit de VNG-richtlijn paardenhouderij in het omgevingsrecht. In paragraaf 2.2.5 van de plantoelichting is duidelijker omschreven dat op Willeskop 77 enkel een productiegebonden paardenhouderij is toegestaan. In paragraaf 3.3.4 van de plantoelichting is beschreven hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot de gemeentelijke (concept) kadernotitie “Ruimtelijke kaders voor de hippische sector”; De afstandentabel in paragraaf 4.11 is aangepast. Bij de burgerwoningen was een minimale vaste afstand opgenomen van 50 meter, deze is verlaagd naar 25 meter om zo aan te sluiten bij de gemeentelijke geurverordening: In de gemeente Montfoort is op 11 oktober 2010 een geurverordening vastgesteld waarbij voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkrundvee en paarden) in bestaande stallen een andere vaste minimale afstanden zijn vastgesteld. Het gaat hierbij om de volgende afstanden: o de minimale afstand tussen een dierverblijf en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom bedraagt ten minste 25 meter (was 50 meter); o de minimale afstand tussen een dierverblijf en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom bedraagt ten minste 50 meter (was 100 meter).
In het ontwerpbestemmingsplan was in artikel 3.4.11 van de planregels een regeling opgenomen om te voorzien in tijdelijke woonruimte voor bedrijfsopvolging bij agrarische bedrijven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze bepaling uit het bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012’ echter vernietigd in de uitspraak van 24 mei 2017 die ook betrekking had op Willeskop 77c. In het reparatieplan ‘Reparatie 1e herziening bestemmingsplan buitengebied 2012’ wordt de bepaling ingetrokken. De bepaling is ook geschrapt uit het bestemmingsplan voor Willeskop 77 en 77c. In het ontwerpbestemmingsplan was de instructieregel voor agrarische bedrijven (artikel 8.1) uit de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht niet goed verwerkt. Ter voldoening aan deze instructieregel: o Is aan artikel 3.2.1 het voorschrift toegevoegd (sub h) dat er geen gebouwen mogen worden gerealiseerd voor het stallen van dieren in meer dan één bouwlaag; o Is de afwijkingsbevoegdheid geschrapt (artikel 3.4.5 uit het ontwerpbestemmingsplan) voor het splitsen van een agrarische bedrijfswoning met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'. De Interim Omgevingsverordening van de provincie geeft aan dat er per agrarisch bouwperceel maximaal één bedrijfswoning mag zijn.
o Is de afwijkingsbevoegdheid geschrapt (artikel 3.6.4, sub e uit het ontwerpbestemmingsplan) voor het toestaan van nevenactiviteiten buiten het bouwvlak.
56
6 Juridische toelichting Dit plan betreft een bestemmingsplan herziening van het bestemmingsplannen “Buitengebied 2012” “1e herziening bestemmingsplan Buitengebied” van de gemeente Montfoort.
6.1 Regels De planregels beschrijven de bestaande regeling voor een agrarische bedrijfsbestemming. De planregels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en gebruiken van grond en gebouwen. Met deze standaardregels wordt zoveel mogelijk aangesloten op de regels als opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan Buitengebied’. De volgende bestemmingen zijn opgenomen:
▪ ▪ ▪ ▪
Agrarisch – Rivierzone Waarde – Archeologie 3 Waarde – Archeologie 4 Waarde – Archeologie 5
Binnen het bouwvlak is ten hoogste 1 agrarische bedrijfswoning toegestaan. Er bevindt zich binnen het bouwvlak op het perceel Willeskop 77 een bedrijfswoning. Dit betekent dat op het perceel Willeskop 77c geen bedrijfswoning kan worden gerealiseerd.
6.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de volgende wijzigingen doorgevoerd: ▪ ▪ ▪
Op de ligging van de paardenbak, longeercirkel en de paddock wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – paardenbak’ opgenomen. Over het bouwvlak en de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – paardenbak’ ter plaatse van Willeskop 77c wordt tevens de functieaanduiding ‘paardenhouderij’ opgenomen. Op de overkapping van 35m2 is de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding’ gebouw opgenomen. Hierdoor is de bestaande overkapping planologisch geborgd maar is uitbreiding daarvan uitgesloten.
57